Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 04: De Insecten

Part 24

Chapter 243,662 wordsPublic domain

De fraaie, roodwangige, bolronde uitwassen, die men zoo dikwijls bij halve dozijnen aan de onderzijde van een eikenblad ziet hangen, kent iedereen onder den naam van "galnoten"; ook is het bekend, dat een andere, meer houtige soort, die uit de Levant tot ons komt, bij de bereiding van een bruikbaren inkt niet best gemist kan worden. Men noemt deze en velerlei andere aan planten voorkomende misvormingen in 't algemeen gallen; hiermede worden dus ziekelijke woekeringen van het celweefsel aangeduid, welke onder den invloed van dieren ontstonden en ten doel hebben aan de larve van het dier, dat aanleiding gaf tot de verandering, voedsel en een woonplaats te verschaffen. De dieren, die gallen voortbrengen, zijn talrijk en behooren tot zeer verschillende groepen; voor 't meerendeel zijn het Insecten, n.l. Vliegen, vooral uit de familie der Galmuggen, voorts Kevers, Vlinders, Bladluizen, Bladwespen, Galwespen en andere Vliesvleugeligen; er zijn echter ook Wormen (Nematoden), Raderdiertjes en Mijten bij. Daar op ieder plantendeel, zoowel op wortels als op twijgen, niet slechts op bladen, maar ook op bloemen en vruchten, gallen kunnen ontstaan, behoeft het ons niet te verwonderen, dat deze producten een groote verscheidenheid aanbieden. Die, welke door Galwespen (Cinipidae) veroorzaakt worden, zullen ons nu eenigen tijd bezig houden. Het wijfje steekt op de plaats, die een natuurdrift haar aanwijst, een bepaalde plant met haar legboor en laat een ei in de wonde achter. Zoodra de weefsels van de plant op deze wijze geprikkeld zijn, komt een hoogst merkwaardige wijziging tot stand in hunne levensverrichtingen: zij beginnen uit te groeien in den vorm van bollen, cilinders, kegels, hoorntjes, ruigharige of geschubde lichamen, enz. De woekering van de weefsels duurt zoo lang voort, als voor de ontwikkeling van het daarin levende Insect vereischt wordt. Eerst bij het ophouden van den groei van dit parasitische wezen is ook de gal "rijp" geworden.

De door Galwespen veroorzaakte gallen zijn geheel gesloten en openen zich niet "vanzelf", zooals het geval is bij soortgelijke voortbrengselen van andere dieren; er wordt een gat in geknaagd door de volkomen ontwikkelde Wesp, zoodra deze gevolg geeft aan het bij alle levende wezens voorkomende streven naar vrijheid. Als het zaad van een kers of pruim in den steen, bevindt de made van de Galwesp zich in een door stevige, soms steenharde wanden, (de binnengal) omhulde, inwendige holte, in de zoogenaamde larvekamer. De gewone galnoot bevat in zijn middelpunt slechts één larvekamer en behoort daarom tot de éénkamerige gallen; de wijze waarop de meerkamerige gallen ingericht zijn, vereischt geen nadere aanduiding. Galmuggen treft men op de meest verschillende planten aan; de Galwespen leven voor 90 percent op allerlei soorten van eiken. Uit dit oogpunt beschouwd, verdient de eik ten volle den naam van "boom der eendracht", omdat in dezen boom en aan zijn oppervlakte meer Gelede Dieren wonen, aan den kost komen en vreedzaam naast elkander vertoeven, dan op eenige andere plant. Alleen in Middel-Europa worden op eiken 2 wortel-, 8 schors-, 39 knop-, 34 blad-, 9 meeldraadbloem- en 4 vruchtgallen gevonden. Behalve de eik verdienen de eschdoorn, de vogelkers, de wilde rozen en braambessen als gallendragende planten vermeld te worden. Veel minder belangrijk zijn in dit opzicht de kruiden, zooals eenige samengesteldbloemigen (Hieracium, Centaurea, Scorzonera), wilde papavers, hondsdraf, toortskruid en nog eenige andere tweezaadlobbige planten. Zeer veel ontbreekt er aan onze kennis van de gallen, die in andere werelddeelen dan het onze voorkomen; uit de reeds verrichte onderzoekingen blijkt echter, dat geen der werelddeelen zulk een groot aantal Galwespen herbergt als Europa, hoewel deze Insecten ook elders niet ontbreken.

Van alle tot dusver behandelde Vliesvleugeligen verschillen de Galwespen en de op haar volgende familiën door het bezit van een tweeledigen dijring; bovendien herkent men ze gemakkelijk aan de eigenaardige verdeeling der aders in de voorvleugels. Deze missen de randvlek en de middelcellen; behalve de beide schoudercellen komen slechts één gesloten randcel en twee gesloten onderrandcellen voor. De achtervleugels hebben hoogstens een enkele ader en dus geen cel. Van eenige soorten hebben de wijfjes rudimentaire of in 't geheel geen vleugels; in dit opzicht gelijken zij op sommige kleine Sluipwespen, met welke zij echter niet licht verward kunnen worden wegens haar afgerond, zijdelings samengedrukt achterlijf en eenige andere eigenaardigheden.

Alle Galwespen zijn weinig in 't oogvallende, kleine diertjes van 4.5 mM. gemiddelde lengte; slechts weinige worden grooter, zeer vele blijven echter nog beneden 2.25 mM.; haar kleur is zuiver zwart, of zwart gemengd met lichtere, van rood tot bruin afwisselende tinten, of geheel lichtbruin; lichte teekeningen komen in 't geheel niet voor. De niet gebroken sprieten zijn draadvormig, of worden naar de spits allengs een weinig dikker; zij bestaan uit 12 à 15 leden. De kop is klein, bijna cirkelrond van omtrek en ver naar onderen verschoven; op de kruin komen 3 bijoogen voor; de monddeelen zijn niet sterk ontwikkeld. Het korte, zijdelings samengedrukte achterlijf is bij sommige "zittend" aan het rugschild van het achterborststuk bevestigd en is er bij andere door een kort steeltje of door een ring mede verbonden.

Zooals reeds gezegd is, zijn op lange na niet alle gallen van Galwespen afkomstig. Omgekeerd geven vele door hun lichaamsbouw tot deze familie behoorende Insecten geen aanleiding tot de vorming van gallen, gelijk de Echte Galwespen doen. Een groot aantal legt eieren in reeds aanwezige, jonge gallen; de hieruit voortkomende larven voeden zich met plantaardige stoffen; zij worden commensalen of Bastaardgalwespen genoemd. In één gal kunnen dus 2 soorten van Galwespen leven. Een derde talrijke groep wordt gevormd door de Parasiet-galwespen, die gedurende den larvetoestand als Sluipwesp-larven in en van andere Insecten leven.

Gelijk bij alle Insecten, is ook bij verschillende soorten van Galwespen de duur van het tijdperk, dat voor de ontwikkeling van ei tot imago wordt vereischt, ongelijk; alle verpoppen zich echter in de gal, waarin zij als larve leefden, de meeste, zonder vooraf een cocon te spinnen. De pop is, evenals bij alle Vliesvleugeligen, vrij (alle ledematen liggen los tegen den stam aan); de Galwespen verkeeren slechts korten tijd in dezen rusttoestand. Eenige overwinteren als larve, andere als Wesp in de gal, die in beide gevallen gesloten blijft. Een rond gat in de gal levert steeds het bewijs, dat het hierin levende dier zijn gevangenis verlaten heeft; dikwijls kan men uit de grootte van dit gat afleiden, of hierdoor een Galwesp of een parasiet naar buiten is gekomen.

De voortplantingswijze van vele Galwespen biedt een belangrijke afwijking aan van die der tot dusver behandelde dieren. Deze planten zich voort door bevruchte eieren, die nakomelingen leveren, welke in alle opzichten met een van hunne ouders overeenstemmen. Slechts één maal, n.l. bij eenige gezellig levende Vliesvleugeligen, hebben wij een afwijking (arrenotokie genaamd) van dezen regel waargenomen, en wel, toen wij uit onbevruchte eieren mannetjes, uit bevruchte wijfjes zagen ontstaan. Toch komt ook in dit geval de geheele reeks van voortplantingsverschijnselen, die in normale omstandigheden den ontwikkelingsgang van iedere generatie vormen, volledig voor. Men noemt een dergelijken ontwikkelingskring enkelvoudig. Bij vele dieren echter zijn de opeenvolgende generatiën niet in alle opzichten gelijk, maar verschillen van elkander door uitwendige of inwendige eigenaardigheden of door voortplantingswijze; iedere soort komt dus voor in 2 of meer vormen, die elkander geregeld opvolgen, daar de wezens van den eenen vorm uitsluitend die van den anderen voortbrengen. Alle verschijnselen, die zich in het leven der soort voordoen, treden dus niet bij iedere generatie op, maar zijn eerst na twee of meer opeenvolgende generatiën volledig waarneembaar geweest. Men spreekt in dit geval van een samengestelden ontwikkelingskring. Meer bepaaldelijk gebruikt men de benaming heterogonie, wanneer de opeenvolgende generaties zich door een verschillende voortplantingswijze onderscheiden. Reeds sedert lang weet men, dat uit vele gallen, b.v. uit alle "knoppers" en uit de "Oostersche galnoten," wanneer hare "commensalen" buiten rekening worden gelaten, uitsluitend wijfjes te voorschijn komen. Dit leidde tot de onderstelling, dat vele Echte Galwespen zich uitsluitend door onbevruchte eieren (parthenogenetisch) zouden voortplanten. Dit vermoeden werd proefondervindelijk bevestigd door Adler bij een soort, die op eikenbladeren gallen veroorzaakt, Cynips (Andricus) seminationis, en bij hare naaste verwanten. Voorts is bij vele andere vormen het aantal wijfjes zoo buitengewoon groot en het aantal mannetjes zoo gering, dat men onmogelijk mag aannemen, dat alle wijfjes paren. Dat bij deze soorten, b.v. bij de Rozengalwesp [Cynips (Rhodites) rosae], onbevruchte eieren zich kunnen ontwikkelen, is ook door Adler aangetoond. Dezelfde onderzoeker heeft vervolgens bewezen, dat bij deze inheemsche Galwespsoorten zich een eenvoudig geval van "heterogonie" voordoet, waarin op een uit mannetjes en wijfjes samengestelde generatie, die zich door bevruchte eieren (d. i. gamogenetisch) voortplant, geregeld een uitsluitend uit wijfjes bestaande generatie volgt, welker (onbevruchte) eieren zich (parthenogenetisch) tot mannetjes en wijfjes ontwikkelen. Ieder van deze generaties heeft gallen van een bijzonderen vorm. Het verschil tusschen de beide tot één ontwikkelings-cyclus behoorende generaties is soms zoo groot, dat men ze dikwijls tot verschillende geslachten heeft gebracht.

De grootste Echte Galwespen (Cynipidae galliparae) zijn de Eikengalwespen (Cynips), die men gemakkelijk herkent aan den ruig behaarden rug van het borststuk, aan het bijna half bolvormige schildje, aan het "zittende," ronde en zijdelings samengedrukte achterlijf en aan de sprieten, die naar voren allengs een weinig in dikte toenemen.

De Gewone Eikenbladgalwesp of Galnotenwesp [Cynips (Dryophanta) folii] heeft een glanzig zwart achterlijf; het schildje, de pooten en de kop zijn meer of minder bruinachtig rood, de sprieten en de pooten ruig behaard; het laatste buikschild is klein en borstelig gewimperd. Kort nadat de knoppen van onze eiken--de wintereik en de zomereik (Quercus sessilifolia en Q. pedunculata)--uitgebot zijn (van alle boomen onzer bosschen komen de eiken, zooals bekend is, het laatst in 't blad), bemerkt men aan de onderzijde der bladen de aanvankelijk groene en bolronde, bij verderen groei echter aan de zonzijde rood wordende gal, die een middellijn van 1 à 3 cM. kan bereiken; door een kort steeltje is zij met een van de dikke bladnerven verbonden. Zij bevat één larvekamer; om de niet zeer stevige "binnengal" bevindt zich een uit groote cellen samengesteld, looistofrijk en sappig sponsweefsel, dat van buiten met een dichtere huidlaag bekleed is. Reeds in 't einde van September heeft de hierbinnen aanwezige made zich tot een Wesp ontwikkeld; deze verlaat echter eerst tegen den aanvang van het koude jaargetijde haar woning. Alle uit deze gallen komende diertjes zijn groote wijfjes van de Gewone Galnotenwesp; mannetjes zijn er niet in deze generatie. De Wesp begeeft zich onmiddellijk naar de slapende oogen of zoogenaamde praeventiefknoppen, die aan knobbeltjes van oude eikenstammen, aan waterloten, enz. veelvuldig voorkomen; zij doorsteekt met haar korten legboor de schubben van zulk een knop en legt één ei op den stengeltop (het hart); dit geschiedt, gelijk door Beijerinck werd aangetoond, zonder dit teere orgaan te beschadigen. Zoovele eieren als de Wesp voortbrengt, in zoovele knoppen steekt zij haar legboor. Het punt van het "hart", waarop de eischaal rust, ontwikkelt zich niet verder; het daaromheen liggende weefsel vormt echter om het ei een aanvankelijk ringvormigen wal, die zich later van boven sluit en zoo de "larvekamer" vormt; uit opperhuidscellen bestaat dus de "binnengal". In Mei is de gal een 4 à 5 mM. lang, cilindervormig knobbeltje geworden, dat met paarse, fluweelachtige haren bedekt is en zich boven het onveranderd blijvende, geschubde ringgedeelte van den praeventiefknop verheft. Bij het verschijnen van de bladen aan de eiken komen uit deze kleine gallen mannelijke en vrouwelijke Wespen [Cynips (Spathegaster) Taschenbergi]. De wijfjes leggen na de paring één ei op elke dikke bladnerf van jonge eikenbladen; op één blad kunnen soms wel een twaalftal eieren voorkomen, die door voldoende tusschenruimten gescheiden zijn. Rondom elk ei ontwikkelen zich de weefsels van het blad tot den reeds beschreven, gewonen galnoot; deze gallen leveren in den herfst de "agame" generatie, die Cynips folii wordt genoemd.--

Aan het afgebeelde takje ziet men (bij 3) een voorwerp, dat op een kleinen lorkenkegel (meer nog op een hoppebel) gelijkt. Zulke sierlijke gallen ziet men dikwijls in grooten getale bijeen aan de toppen of in de bladoksels van jonge spruiten van de hierboven genoemde eiken en van Quercus pubescens. De taaie schubben zijn aanvankelijk gesloten en groen, doch worden later bruin en wijken uiteen. Zij omsluiten een langwerpig ovale "binnengal" (afgebeeld bij 4 en 5: gesloten en overlangs doorgesneden, zoodat de larvekamer met haar bewoonster zichtbaar is); deze valt er in Augustus uit, rijpt op den bodem en blijft hier 2 of 3 jaar liggen, voordat de Wesp er (in April) uit te voorschijn komt. Deze--de Eikenkegelwesp [Cynips (Andricus) fecundatrix of C. gemmae]--is van het vrouwelijk geslacht (mannetjes zijn er in deze generatie niet); zij legt door een steek met haar legboor eieren in de mannelijke bloemknoppen van den zomereik (de vroegst bloeiende van onze eiken); dientengevolge ziet men na het ontluiken dezer knoppen aan den bloembodem van de tot katjes vereenigde meeldraadbloemen (tusschen de helmknoppen) spitse eivormige gallen van 2 mM. lengte, die aanvankelijk een groene, later een bruine kleur hebben en met stijve, witte haren bezet zijn. Uit deze gallen komen in Mei van hetzelfde jaar mannetjes en wijfjes [Cynips (Andricus) pilosa] te voorschijn. De bevruchte wijfjes begeven zich op de 3 genoemde soorten van eiken, steken de jonge, okselstandige knoppen aan, leggen er een ei in en brengen op deze wijze de vorming van de hoppebelvormige gallen teweeg, die soms in zoo grooten getale voorkomen, dat de eiken er schade door lijden.--

Aanmerkelijk grooter dan de reeds genoemde zijn de "sponsgallen," die (meestal aan de spits, soms aan de zijden van de twijgen) op inheemsche eiken niet zelden voorkomen en een middellijn van wel 5 cM. bij een iets geringere hoogte kunnen bereiken. Zij rijpen in Juni en zijn dan geelachtig wit, glanzig, aan de zonzijde fraai rood getint. Onder de dunne opperhuid merkt men een dikke, sponsachtige, buitengewoon lichte schorslaag op; deze omgeeft vele houtige binnengallen, welker aantal toeneemt, naarmate men de plaats van aanhechting nadert. Uit deze gallen, die aan vele Bastaardgalwespen en parasieten voedsel en een woonplaats verschaffen, komen, in Juni en Juli, de mannetjes en de wijfjes van de Sponsgalwesp [Cynips (Teras) terminalis] te voorschijn. De met vreemde gasten bezette gallen blijven aan den boom hangen en verdrogen, waarbij zij haar schorsgedeelte verliezen; de normaal ontwikkelde vallen nog in den loop van den zomer af, hebben dan een grijsachtige kleur en bedekken soms in grooten getale den bodem. Na de paring begeven de wijfjes-Galwespen zich op de eenjarige wortels van den eik, dikwijls tot op een diepte van 50 cM.; de hier gelegde eieren; worden in den zomer en den herfst omgeven door meerkamerige, aanvankelijk geelachtige wortelgallen ter grootte van kersen en van onregelmatigen vorm, die in meer of minder grooten getale trosgewijs opeengedrongen zijn. Eerst in 't volgende jaar zijn zij rijp, houtachtig en roodachtig van kleur; zij bevatten larven, die zich in October verpoppen en in het laatst van den herfst of in den winter als volkomen ongevleugelde wijfjes [Cynips (Biorrhiza) aptera] voor den dag komen. Door de dan heerschende koude wordt deze "agame" generatie niet verhinderd onmiddellijk bij den boom op te klimmen om op een hoogte van 5 à 10 M. eieren te leggen in de knoppen, welke in Juni van het volgende jaar rijpe sponsgallen zullen zijn. De geheele ontwikkelingsgang duurt dus 2 jaar. Vooral Beijerinck heeft de levensgeschiedenis van deze en andere Galwespen nauwkeurig nagegaan. Nevens de gevleugelde mannetjes en wijfjes van Cynips terminalis komen ook exemplaren voor, die geen of slechts rudimentaire vleugels hebben. De vleugellooze wijfjes van deze generatie zijn niet te onderscheiden van die der "agame".

De Gewone Rozengalwesp (Rhodites rosae) brengt aan de wilde roos of hondsroos (bij uitzondering ook aan gekweekte rozen) mosachtige uitwassen teweeg, die met den naam van "bedeguar" of "hondsrozenspons" aangeduid worden. Vroeger schreef men aan deze veelkamerige gal een geneeskrachtige werking toe. In den herfst is zij rijp, doch eerst in het volgende voorjaar komen de bewoners er uit te voorschijn: niet alleen het kroost van de rechtmatige eigenares, maar ook commensalen (Aulax Brandti en soorten van Synergus), vooral echter verschillende soorten van Pteromalinen en Braconiden. In 't geheel heeft men er ongeveer 20 verschillende Insecten in gevonden; sommige komen vroeger, andere later dan de Rozengalwespen voor den dag, nog andere tegelijk met deze. Hoewel er ook mannelijke Rozengalwespen gevonden worden, is echter het aantal wijfjes zoo groot, dat deze onmogelijk alle bevrucht kunnen worden. Adler heeft echter aangetoond, dat ook onbevruchte eieren van deze soort zich ontwikkelen kunnen. Het wijfje heeft de pooten en het geheele achterlijf (met uitzondering van de spits) bruinrood, de overige lichaamsdeelen zwart, welke kleur bij 't mannetje ook aan 't grootste deel van 't achterlijf eigen is.

Behalve de Echte Bladwespen en de van haar arbeid profiteerende, doch zelf geen gallen voortbrengende Bastaardgalwespen (Cynipidae inquilinae), waarvan hierboven eenige (Synergus, Aulax) genoemd zijn, die als commensalen zich met de bestanddeelen der gallen voeden, kent men ook een aantal Parasietgalwespen (Cynipidae parasitae). Deze gelijken door haar lichaamsbouw zoozeer op de overige leden der familie, dat zij hierin een plaats verdienen, maar hebben aan de vorming van gallen geen schuld; zij ontwikkelen zich geheel op dezelfde wijze als de Sluipwespen in het lichaam van andere Insecten. Zoo leven b.v. de kleine leden van het geslacht Allotria (ongeveer 40 soorten) in Bladluizen. Door het korte, bijna ronde, zittende of nagenoeg ongesteelde achterlijf, welks grootste deel door het eerste segment wordt gevormd, en door het maaksel der vleugels komen zij geheel met de Echte Galwespen overeen, van welke zij echter verschillen door de gladheid van haar als 't ware gepolijste huid en de dunheid der sprieten, die het lichaam meestal in lengte overtreffen. Door een meer langwerpige gedaante en een korten, ringvormigen achterlijfssteel kenmerkt zich het geslacht Figites, welks leden, naar het schijnt, alle in larven van Vliegen hunne beide eerste levenstijdperken doorbrengen. Nog slanker zijn de Ibalia's. Het grootste lid van de geheele familie is de 14 mM. lange Ibalia cultellator, die op een Sluipwesp gelijkt, in larven van Houtwespen (Sirex) hare eieren legt en een als het lemmet van een scheermes samengedrukt achterlijf heeft.

Een niet gering aantal kleine, parasitisch levende Wespen worden onder den naam van Proctotrupiden tot een familie vereenigd, die in sommige opzichten aan de vorige, in andere aan de volgende herinnert en dus tusschen beide een overgang vormt; het is daarom moeielijk deze groep als zoodanig te kenschetsen. Vele soorten naderen door de gedaante van het vleugeladerstelsel tot de Galwespen, van welke zij echter verschillen door het bezit van de randstip en door den algemeenen vorm van het lichaam. Ook zijn er soorten, die (zooals de hierna afgebeelde) met de Chalcididen de gebroken sprieten en het volkomen gemis van cellen in den vleugel en van alle aders (behalve de onderrandader) gemeen hebben, hoewel zij niet, zooals deze, den legboor aan de buikzijde van het achterlijf, maar aan de spits naar buiten laten treden. De meeste Proctotrupiden zijn zeer klein van gestalte en zwart van kleur, langwerpig van vorm en toch niet slank gebouwd, langzaam en log van beweging, maar toch niet traag van aard. Een soortgelijk verschil als tusschen de plompe, met buitengewone volharding bezielde Hommels en de hartstochtelijke, ongedurige, zeer bewegelijke Zandbijen merkt men ook op tusschen de Proctotrupiden en de Chalcididen. Gene, niet in staat om een naderenden vijand reeds op eenigen afstand waar te nemen, geven zich geen moeite om hem door een snelle vlucht te ontkomen, vestigen zich bij voorkeur op vochtige plaatsen, onder afgevallen bladen of in de onmiddellijke nabijheid van den grond in dichte omheiningen. De Chalcididen daarentegen zijn onophoudelijk in beweging, laten de sprieten nooit rusten; de wijfjes houden zich voortdurend bezig met het opsporen van geschikte legplaatsen; alle houden gaarne verblijf in een zonnige omgeving en gaan tusschen groene bladen zitten, als zij schaduw verlangen; eerst door de nadering van den winter worden zij van hier verdreven en genoodzaakt om haar teer lichaam tegen de guurheid van het klimaat te beschutten door te midden van het rottende afval op den bodem een schuilplaats te zoeken.

Merkwaardige inheemsche Proctotrupiden zijn de hiernevens afgebeelde Eierenwespen. De leden van haar geslacht (Teleas) ondergaan hunne gedaantewisselingen in eieren van Vlinders, Wantsen en Spinnen. De nietig kleine hoeveelheid eiwitstoffen, die zulk een ei bevat, is voldoende om niet slechts aan één larve, maar ook wel aan 2 of 3 en soms aan meer dan een dozijn Wespen het noodige voedsel te verschaffen voor haar volledige ontwikkeling. Beide hier afgebeelde soorten zijn glanzig zwart met bruinzwarte dijen en heupen, doch verschillen van elkander door den vorm van de achterlijfsspits. Haar lichaam is niet langer dan 1 mM. De wijfjes doorboren de schaal van de eieren van Spinners om ze te doen dienen tot wieg en proviandmagazijn voor haar kroost. Teleas laeviusculus begunstigt op deze wijze den Dennenspinner (Gastropacha pini), terwijl Teleas terebrans aan de zeer hardschalige eieren van den Ringelrupsspinner (Gastropacha neustria) de voorkeur geeft. Na 4 à 6 weken is de gedaantewisseling afgeloopen en verlaat het wespje de eischaal door een klein, rond gaatje, dat zij er in knaagt, (de opening, die de vlinderlarve gemaakt zou hebben, is grooter en heeft een onregelmatigen rand). Bouché zag in Augustus, reeds 14 dagen na het leggen van het ei, Wespen uit eieren van Spinnen te voorschijn komen; men mag dus wel aannemen, dat er in één jaar verscheidene generaties zullen ontstaan.

De zeer soortenrijke familie der Chalcididen (Chalcididae), vroeger Pteromalinen genoemd, bestaat, evenals de vorige, grootendeels uit nietig kleine Insecten, maar vormt een beter afgerond geheel, dat duidelijker van de overige Vliesvleugeligen onderscheiden kan worden dan de familie der Proctotrupiden. Alleen bij de Chalcididen treft men de volgende kenmerken vereenigd aan: De sprieten zijn steeds duidelijk in een schaft en een zweep verdeeld; de vorm van de zweep kan zeer verschillen, zelfs bij mannetjes en wijfjes van dezelfde soort. De vleugels bezitten een zeer weinig ontwikkeld aderstelsel; in de breede voorvleugels is alleen de onderrandader duidelijk ontwikkeld; zelfs de randstip ontbreekt. Het lichaam is meestal kort, dik en gedrongen gebouwd, soms dun en slank; het prijkt met een metaalachtigen glans, die aanleiding gegeven heeft tot den naam der familie. Bij de wijfjes komt de legboor vóór de spits, aan de buikzijde, uit het achterlijf te voorschijn.