Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 04: De Insecten
Part 23
De Wegwespen (Pompilidae), die, evenals de Graafwespen, waarmede zij vroeger tot een familie werden vereenigd, als voedsel voor hare larven andere Insecten in gaten van den grond, van muren of van oude houten voorwerpen opsluiten, vertoonen de volgende kenmerken. Evenals de reeds genoemde en de beide volgende familiën, hebben zij een éénledigen dijring. De achterrand van den voorrug reikt, evenals bij de leden der vorige familie, tot aan den vleugelwortel. De grens tusschen het eerste en het tweede achterlijfssegment is niet door een groeve aangeduid; beide zijn dus niet scherper gescheiden dan de overige segmenten. Het achterlijf is aanhangend; het wordt naar voren en naar achteren een weinig smaller. Zeer gemakkelijk zijn deze Wespen te onderscheiden van sommige afwijkende leden der vorige familie aan de lange pooten en de slanke, rechte sprieten. De kop is afgerond en, evenals het borststuk, glad en glanzig; het lichaam is slechts weinig behaard; zwart en rood zijn de heerschende kleuren; soms komt hierbij echter nog een gele en witte teekening en nog vaker een troebeling van de vleugels. De mannetjes zijn altijd kleiner dan de wijfjes en verschillen van deze door hun slankeren lichaamsbouw, de iets dikkere sprieten (die zich niet, gelijk die van het doode wijfje, binnenwaarts oprollen) en door de minder krachtige doornen aan de achterscheenen. Nagenoeg al deze Wespen kenmerken zich door een eigenaardige wijze van beweging. Zij loopen n.l. met trillende vleugels op den zandigen bodem, op boomstammen en oude muren zoekend rond, of vliegen er dicht bij langs en wisselen deze beweging voortdurend met loopen af, zoodat haar vliegen op huppelen, haar loopen op vliegen gelijkt. De ± 700 soorten van deze familie zijn over de geheele wereld verbreid; in de heete landen is haar aantal niet veel grooter, haar kleur echter dikwijls levendiger en haar lengte aanzienlijker dan bij ons.
Typische leden van deze familie zijn die, waaraan zij haar naam ontleent, n.l. de Wegwespen (Pompilus). Dit geslacht kenmerkt zich door de gelijke lengte van de beide schoudercellen op de plaats waar zij aan elkander grenzen, door de aanwezigheid van twee middelcellen en van drie gesloten onderranddeelen, waarvan de tweede de eerste en de derde de tweede terugloopende ader opneemt, voorts door het ontbreken van een dwarsgroeve aan den tweeden buikring van het wijfje. Men kent een 50-tal Europeesche soorten, waarvan 9 inheemsch zijn. Alle onderscheiden zich door een verwonderlijke behendigheid en snelheid van bewegingen; vooral die van het achterlijf geschieden merkwaardig vlug. Zij nestelen in spleten van muren, gaten van oude palen en vermolmde boomstammen of in den grond; hier bergen zij als voedsel voor hare larven Spinnen, rupsen, Mieren, Vliegen en verschillende andere Insecten, die door een steek met den angel vooraf schijndood gemaakt zijn.
De Gewone Wegwesp of Spinnendooder (Pompilus viaticus) verschijnt in 't begin van de lente op bloeiende wilgen; men ziet haar gedurende den geheelen zomer op schralen zandbodem aan 't werk. Het wijfje maakt kuiltjes in het zand, dat zij zeer behendig en snel, als een Hond of een Konijn, met de voorpooten uitgraaft en tusschen de overige, ver zijwaarts geplaatste pooten door achteruitwerpt, totdat zij een diepte van 8 of meer cM. bereikt heeft. Het voedsel voor de larven wordt met groote inspanning naar het nest vervoerd, voor een deel er heengesleept; het bestaat uit verschillende Gelede Dieren, vooral Spinnen; het vangen van deze prooi aan waterkanten en op wegen gaf aanleiding tot den naam "Wegwespen". Bij exemplaren, die sinds kort uit de pophuid kwamen, zijn de donkere vleugels aan de spits bijna zwart, de voorste achterlijfsringen rood, aan den achterrand met een zwarten zoom, die althans aan de voorste segmenten van voren in een spits eindigt; overigens is het achterlijf donkerbruin. De kop en het borststuk zijn zwart en sterk behaard. Lengte 10 à 16 mM.
Onder den naam van Graaf- of Moordwespen (Sphegidae, Crabronea) vereenigt men in een familie alle Roofwespen, bij welke de achterrand van den voorrug de vleugelwortels niet bereikt; niet zelden is dit rugschild door een geringe insnoering van dat van 't middelborststuk gescheiden. Deze Insecten stemmen onderling zoomin door lichaamsvorm als door kleur in gelijke mate overeen als de leden der vorige familie; integendeel het achterlijf, dat bij sommige door een zeer langen steel aan het borststuk bevestigd, bij andere "aanhangend" is, verschaft hun een zeer verschillend voorkomen. Vele zijn in een zwart, of zwart en rood, of geel en zwart kleed gedost; bij de meeste echter treft men helder gele, minder vaak witte vlekken en strepen op zwarten grond aan, die zelfs bij de leden van dezelfde soort op velerlei wijze verschillen.
Het geslacht der Graafwespen i.e.z. (Sphex) omvat soorten met een éénledigen, gladden, overal even dunnen, cilindervormigen achterlijfssteel; geen daarvan is inheemsch. De 20 à 25 mM. lange Grootkakige Graafwesp (Sphex maxillosus) schijnt in Europa het verst noordwaarts verbreid te zijn. Twee andere soorten (Sphex flavipennis en S. albisectus) komen in zuidelijker streken voor; op deze hebben de volgende mededeelingen betrekking. De eerstgenoemde brengt gewoonlijk 4 Krekels in haar nest; de andere maakt jacht op Veldsprinkhanen van het geslacht Oedipoda. Zoowel de eene als de andere tracht bij den aanval op haar prooi deze aan de borstzijde te treffen. Dit geeft aanleiding tot eene hevige worsteling, daar de forsche, sterk gespierde Krekels en Sprinkhanen niet spoedig den strijd opgeven, maar zoolang mogelijk tegenspartelen. Niet altijd laat het slachtoffer zich het onderste boven werpen; wanneer echter de Sphex zijn tegenstander eens onder zich heeft, drukt hij met de voorpooten de dikke achterdijen van den nu vermoeiden springer neer, trapt hem met de voorpooten op den kop en brengt hem vervolgens twee goed gemikte, vergiftige steken toe. De eerste treft den hals, de tweede de verbindingsplaats tusschen voor- en middelborststuk. Nu is de springer weerloos; hij verkeert in een overgangstoestand tusschen leven en dood; de heerschappij over zijne spieren heeft hij verloren. Met inspanning sleept de Sphex den buit naar het vooraf gegraven hol, legt hem voor den ingang neer om eerst te onderzoeken, of alles in orde is. Veertigmaal achtereen ontnam Fabre aan een zelfde Wesp, terwijl zij met dit doel afwezig was, haar slachtoffer en legde het op eenigen afstand neer; telkens sleepte de Wesp het Insect op nieuw naar haar nest, maar onderzocht dit steeds opnieuw, voordat zij zich gereed maakte het dier er in te brengen.--Sphex flavipennis legt een ei op de borst van den Krekel, tusschen het eerste en het tweede paar pooten. De larve baant zich een weg door de huid van het weerlooze dier en vreet het in 6 of 7 dagen geheel leeg. Door dezelfde opening begeeft de thans 13 mM. lange larve zich naar buiten en begint in den regel den tweeden Krekel bij het zachthuidige achterlijf te verslinden, behandelt vervolgens den derden op dezelfde wijze en eindelijk den vierden, waaraan zij niet meer dan 10 uren werk heeft. Nu bedraagt haar lengte 26 à 30.5 mM. en begint zij zich met een spinsel te omgeven, welke arbeid na 2-maal 24 uren afgeloopen is. Van September tot Juli van het volgende jaar blijft de larve bewegingloos in den cocon liggen en gaat eerst dan in den poptoestand over; korten tijd daarna komt het imago te voorschijn.
Een van de grootste, inheemsche Graafwespen is de Rupsendooder (Ammophila sabulosa), waarvan op de nevenstaande afbeelding 2 exemplaren zijn voorgesteld, het eene met dreigend opgeheven achterlijf, welke houding de Wesp bij hare wandelingen zeer dikwijls aanneemt. De zwarte kleur heeft bij haar de overhand; het achterste lid van den langen, dunnen, tweeledigen achterlijfssteel en de beide volgende ringen--dikwijls ook het voorste gedeelte van den 3en ring (in ieder geval het buikschild van dit segment)--zijn lichtrood; aan de zijden van het borststuk komen zilverkleurige vlekken voor, die door korte haartjes veroorzaakt worden en daarom bij wrijving verdwijnen. Gedurende den geheelen zomer kan men deze Wespen op zandgrond, doch ook wel op humusrijken tuingrond, bedrijvig zien rondsnuffelen en zich bezig houden met de zorg voor haar nakomelingschap; in haar eigen belang bezoekt zij bloeiende braamstruiken en andere honigbronnen. Voor het aanleggen van hare nesten begeven zij zich bij voorkeur naar oostwaarts gerichte, half ingestorte hellingen van zandgroeven en dergelijke plaatsen, steeds echter naar een open terrein. Als een Hond, die een gat in den grond graaft, werpt de Wesp met de voorpooten het zand tusschen de overige pooten en onder het achterlijf door; zij doet dit zoo haastig, dat er lichte stofwolkjes omhoogstijgen; intusschen gonst zij op hoogen toon een vroolijk liedje. De vochtige aarde en de kleine steentjes, die gewoonlijk in zulk een bodem niet ontbreken, klemt zij tusschen den kop en de voorpooten, komt, op deze wijze beladen, ruggelings uit het door haar gegraven gat, doet vliegend een kleinen zijsprong en laat haar vrachtje vallen. Naarmate het nest dieper wordt, duurt het langer, voordat zij met een nieuwen last, achterwaarts loopend, aan den ingang verschijnt; toch geschiedt dit altijd na verloop van korten tijd. Een niet minder merkwaardig schouwspel levert zij bij het verzamelen van rupsen voor haar toekomstig kroost; een andere prooi dan larven van verschillende soorten van Vlinders zoekt zij niet, steeds echter zulke, die groot en onbehaard zijn. Met deze weerlooze dieren worden niet veel complimenten gemaakt, door een paar steken in het 5e of 6e achterlijfssegment stelt de Wesp hen buiten staat zich willekeurig te bewegen; zij worden niet gedood (daar de maden versch vleesch verlangen en het doode dier weldra verrotten zou), maar eenvoudig verlamd en hierdoor gedwongen om in de woning van de haar verslindende parasiet te blijven. Dikwijls moet een lange, moeilijke weg afgelegd worden, voordat de Rupsendooder met de soms wel 10-maal zwaardere prooi op de plaats van bestemming is aangekomen. Het voortsleepen van zulk een last is waarlijk geen geringe arbeid voor een enkel dier. De gezellig levende Mieren, die soms een dergelijke taak te vervullen hebben, kunnen in geval van nood op de hulp van hare makkers rekenen; de Graafwesp daarentegen moet geheel op eigen kracht, behendigheid en--overleg bouwen. Meestal staat zij schrijdelings boven het doode dier, als om het te berijden. Met de kaken houdt zij het vast en sleept het voort, door, vooruit loopend, uit al haar macht te trekken. Indien haar nest aan den overkant van een kloof gelegen is, laat de Wesp, bij den rand der steile helling komend, haar vracht naar beneden tuimelen en vindt deze in de diepte spoedig terug. Om bij het naar boven sleepen van de rups langs de helling de grootst mogelijke kracht te ontwikkelen moet de Wesp zich achteruit bewegen en rugwaarts trekken. Dikwijls ontglijdt haar den buit en heeft zij zich tevergeefs afgesloofd; dit ontmoedigt haar niet; de arbeid wordt hervat en eindelijk met een goeden uitslag bekroond. Terwijl de rups voor de opening van het nest ligt, kruipt de Wesp, niet om uit te rusten, maar voorzichtigheidshalve, eerst alleen in haar hol; hier geen onraad bespeurend, keert zij terug om de laatste hand aan het werk te leggen. Rugwaarts naar binnen kruipend, sleept zij de rups achter zich aan. Niet altijd geschiedt dit zonder tegenspoed; het kan voorkomen, dat het schijndoode dier ergens blijft vastzitten en de Wesp weer naar buiten moet komen om het beletsel weg te nemen. Met het leggen van een wit, langwerpig ei op haar levend begraven slachtoffer is de taak van de moeder nog niet ten einde gebracht; in de buurt van haar nest zwerven n.l. allerlei luilakken rond, o.a. kleine, grauwe Vliegen met een als zilver glinsterend aangezicht. Deze zouden ook wel op een dergelijke wijze als de Rupsendooder eieren willen leggen; maar wachten, daar zij zoowel de behendigheid als de kracht missen om de voorbereidende werkzaamheden te verrichten, een gunstige gelegenheid af om op een door anderen aangevoerden voorraad hun koekoeksei te leggen. Tegen ongenoode gasten tracht de Wesp haar nest te beveiligen door steentjes, stukjes hout of kluitjes aarde voor den ingang op te stapelen, ten einde alle sporen van de aanwezigheid van een nest op deze plaats te doen verdwijnen.
Voor het leggen van ieder volgend ei moeten dezelfde werkzaamheden herhaald worden. Alle vermoeienissen ten spijt blijft de Wesp steeds vroolijk en opgewekt. Tegen het einde van den zomer maakt de dood een einde aan haar veelbewogen leven. De made, die weldra in den schoot der aarde uit het ei ontwijkt, vreet een gat in de huid van de rups en zuigt haar leeg. Haar grootte hangt af van den voedselvoorraad, waarover zij beschikt; hoe aanzienlijker deze is, des te meer overtreft zij hare zusters, die zich met een kleinere rups hebben moeten behelpen; daarom kan de lengte van deze soort van Wespen van 15 tot 30 mM. afwisselen.
Vier weken na het leggen van het ei spint de hieruit ontwikkelde made een dunwandigen, witten cocon, van binnen gevoerd met een dichter en steviger spinsel van bruine kleur, dat het dier nauw omsluit. In dit hulsel ontwikkelt zich de made tot pop, die, nadat zij Wesp geworden is, van haar cilindervormige wieg met de kaken een dekseltje losknaagt en kort daarna uit den grond te voorschijn komt. Wanneer het weer meeloopt, ontwikkelen zich twee generaties in den loop van één jaar. De laatste overwintert als made of als pop.
Van achteren knotsvormig gezwollen is de éénledige achterlijfssteel van den Vliegendooder (Mellinus arvensis); het glanzig zwarte lichaam van dit op zandgrond, doch ook in tuinen, hier te lande veelvuldig voorkomend Insect prijkt met een citroengele, zeer veranderlijke teekening; het heeft (op den 3en, 4en en 5en achterlijfsring) in den regel 3 breede, gele dwarsbanden, waarvan de beide eerste gewoonlijk niet afgebroken zijn; de pooten zijn geel, met uitzondering van de zwartachtige dijen. Op bloemen vindt men deze 8.75 à 13 mM. lange Graafwesp zelden, het meest nog bij zeer heet zonnig weer op schermbloemigen, dikwijls echter op struiken en naaldboomen, die met Bladluizen bedekt zijn, waar zij, nevens allerlei andere Vliesvleugeligen, zich met het oplekken van zoete stoffen vermaakt. Op zonnige plaatsen graaft het wijfje in het zand een vertakte gang, waarin zij schijndoode Vliegen brengt. In tegenstelling met de vroeger genoemde Graafwespen legt zij reeds op haar eerste slachtoffer een ei en brengt aan de hieruit voortkomende larve, terwijl deze reeds aan 't vreten is, herhaaldelijk een nieuwen voorraad voedsel.
De Bastaardwespen (Bembex) zijn gemakkelijk te herkennen aan het maaksel van de monddeelen, waardoor zij van alle andere Graafwespen verschillen. De bovenlip hangt n.l. als een lange snavel naar beneden en is in den toestand van rust naar de keel teruggebogen. Bij oppervlakkige beschouwing zou men deze Insecten licht met Paardewespen of andere groote Vleugelplooiers kunnen verwarren, niet slechts wegens hun vorm, maar ook wegens hun grootendeels gele kleur: vandaar hun naam. De meeste soorten bewonen de heete gewesten. Alle stemmen overeen door den aard van het voedsel, dat zij aan hare larven verschaffen, n.l. groote Vliegen.
De Gewone Bastaardwesp (Bembex rostrata) is, wat de omvang van haar lichaam betreft, de grootste van alle inheemsche Graafwespen; want, hoewel haar lengte slechts 15 à 17.5 mM. bedraagt, is zij 6.5 mM. breed. Door haar zeer krachtig gegons en door de gewoonte om in kringvormige, op en neer golvende banen te vliegen om de plaatsen, waar zij in den grond nestelt, maakt zij den indruk van wildheid.
De Bonte Bijenwolf (Philanthus triangulum) is een booze klant, die wegens zijne moordzuchtige aanslagen op de Bijen door de imkers zeer gehaat wordt. Bij voorkeur voorziet de "wolvin" hare larve van Gewone Bijen, ook wel van Zandbijen: 4 à 6 exemplaren voor ieder ei. Koen en behendig schiet zij als een Valk van boven neer op haar niets kwaads vermoedend slachtoffer, dat, ijverig bezig met stuifmeel te vergaren, eensklaps met den roover op den grond tuimelt en reeds door een steek met lamheid is geslagen, voordat het tegenweer kan bieden. Met den buit tusschen de pooten en tegen de borst gedrukt, vliegt de "wolvin" nu naar het hol, dat zij in de buurt van andere roofnesten en van de woningen der honiggarende Bijen voor haar larve gegraven heeft. Het is een (soms wel 31.5 cM. lange) gang, waarvan het achterste, wijdere gedeelte als rustplaats voor de pop zal dienen. Het nest wordt gesloten, zoodra de moeder er het noodige aantal Bijen en bovendien een ei in heeft gebracht. Voor ieder ei moet zij een nieuwe gang graven. In Juni van het volgende jaar komen de jonge Bijenwolven uit den grond. De lengte van deze breedkoppige dieren wisselt af van 9 tot 16 mM. Ook de gele teekeningen varieeren sterk; dikwijls heeft op het lancetvormige achterlijf het geel zoo sterk de overhand, dat van de zwarte grondkleur slechts zwarte driehoeken aan de voorzijde van de meeste rugschilden overblijven.
Tot de naaste verwanten van de Bijenwolven behoort het geslacht der Knoopwespen (Cerceris), dat meer dan 100 soorten omvat, die over de geheele wereld verbreid zijn. Bij haar is het eerste achterlijfssegment knoopvormig; ook de overige leden zijn in de gewrichten op duidelijk merkbare wijze ingesnoerd, zoodat men deze Insecten aan den vorm van het achterlijf bij den eersten aanblik herkennen kan. De grootste inheemsche soort is de 8 à 14 mM. lange Snuittordooder (Cerceris arenaria). Het fijn behaarde lichaam is zwart van kleur; het achterlijf van het wijfje heeft 4, dat van het mannetje 4 à 5 smalle, gele dwarsbanden; de eerste achterlijfsring, die bij het mannetje effen zwart is, heeft bij het wijfje 2 gele vlekken; bovendien heeft zij 5 gele vlekken op den kop en 7 op het borststuk. In Gelderland vindt men deze soort hier en daar veel op paden in zandstreken, waar haar aanwezigheid blijkt uit talrijke gaatjes, die toegang verleenen tot nesten, waarin zij Snuittorren brengt, die vooraf schijndood gemaakt zijn en tot voedsel dienen voor hare larven.
De Gestreepte Zeefwesp (Crabro striatus) heet zoo, omdat bij deze en eenige andere soorten van het soortenrijke geslacht Crabro het mannetje zich door een schelpvormig verbreede voorscheen onderscheidt, die men wegens de fijne, doorschijnende putjes, welke er op voorkomen, met een zeef vergeleken heeft. Zij nestelt soms in gangen, die door Houtkevers verlaten zijn, soms in den grond en schijnt bij voorkeur Vliegen te vangen voor hare larven.
Ten slotte zij nog de Gewone Spieswesp (Oxybelus uniglumis) vermeld. Deze 4 à 7.5 mM. lange, in Nederland vrij algemeene soort is zwart, heeft op de zijden van het achterlijf veranderlijke, ivoorwitte vlekken: het mannetje op de segmenten 1-4, het wijfje op de ringen 2-5 (de vlekken van het 5e segment vereenigen zich soms tot een band); de bovenkaken zijn zwart, de scheen en de voet rood.
Het bevruchte wijfje graaft op zonnige plaatsen 5 à 9 mM. lange gangen in zandgrond, voor iedere larve één; zij begint dezen arbeid in Mei en gaat hiermede voort tot in het laatst van den zomer. Hoewel zij vóór het aanvangen van den rooftocht, die het noodige voedsel voor de larve moet opleveren, ieder nest zorgvuldig sluit, gaat de ontwikkeling van haar kroost niet altijd naar wensch. Een kleine Vlieg (Miltogramma conica) slaagt er niet zelden in een ei te leggen in het nest van Oxybelus, wiens larve door de vreemde indringster verslonden wordt.
De Goudwespen (Chrysidae) vormen een scherp begrensde familie, welke niet licht met een andere verward zal worden; zij omvat kleine of hoogstens middelmatig groote Vliesvleugeligen, die in ons gematigd klimaat met niet minder prachtige en misschien zelfs met nog bontere kleuren prijken, dan in warmere gewesten, waar hun aantal niet grooter, hun grootte echter iets aanzienlijker schijnt te zijn. Metaalachtig glinstert het goudgele, vuurroode, donkerblauwe of groenachtige lichaam; zelden vertoont het slechts één, meestal verscheidene van deze kleuren; zwart komt slechts in enkele gevallen, wit of een lichte, niet metaalachtige kleur nooit voor. Het achterlijf bestaat uit 3 of 4, in den regel aan de buikzijde uitgeholde leden. Van deze uitholling der buikzijde trekken de Goudwespen partij, wanneer zij geen ander middel weten om aan een vijandelijken aanval te ontkomen: evenals de Egel, vele Gordeldieren en sommige Pissebedden, rollen zij haar lichamen tot een bol ineen. De 4 laatste achterlijfssegmenten van het wijfje vormen de zoogenaamde "legbuis", die gewoonlijk binnenwaarts geschoven en verborgen is, maar bij wijze van een verrekijker uitgestoken en sterk verlengd kan worden, gelijk bij het eierleggen geschiedt. Het borststuk is nagenoeg vierzijdig van omtrek; de scherpe achterhoeken puilen min of meer doornvormig uit. De kop is breeder dan lang; hij draagt, behalve 2 eironde, samengestelde, op de kruin 3 enkelvoudige oogen, voorts gebogen sprieten, die dicht bij elkander en bij de mond zijn aangehecht. De sprieten zijn zelden in rust, maar worden steeds met spiraalvormig gekromde zweep tastend heen en weer bewogen. Gedurende den zomer, vooral in Juli en Augustus, ziet men de Goudwespen op bloemen, onder houten voorwerpen en vervallen muren; de listige wijfjes leggen eieren in de nesten van andere Vliesvleugeligen, vooral van die, welke voor hunne larven holen in den grond graven. Van alle soorten van Goudwespen is het nog niet uitgemaakt, of hare larven alleen het hier vergaarde voedsel verslinden, of zich ook vergrijpen aan de jongen, waarvoor het bestemd is; gewoonlijk schijnt het eerstgenoemde geval voor te komen. Ieder jaar komt slechts één generatie tot ontwikkeling.
Een in Duitschland zeldzaam (bij ons niet) voorkomende soort, de Vleeschkleurige Goudwesp (Parnopes carnea), is merkwaardig door haar lange, in rust tegen de keel aanliggende tong, welks wortelgedeelte door de bovenkaken omsloten wordt en een groote overeenkomst heeft met de tong der Bijen. De kop, de borst en de eerste achterlijfsring zijn groen met koperrood waas, de overige segmenten vleeschkleurig. Deze gedrongen gebouwde, 11 mM. lange (soms nog grootere) Wesp parasiteert bij Bembex rostrata en wordt dus alleen daar gevonden, waar deze in grooten getale voorkomt.
Het geslacht Chrysis is rijker aan soorten dan eenig ander. Slechts één van deze wordt in Amerika gevonden. De meeste bewonen het Middellandsche-Zee-gebied; noordwaarts verbreiden zij zich over Middel-Europa tot in Zweden; 4 zijn inheemsch.
De Gewone Goudwesp (Chrysis ignita) is de meest verbreide en veelvuldigst voorkomende soort. Het is haar, naar 't schijnt, tamelijk onverschillig, in welke nesten van Vliesvleugeligen zij hare eieren zal leggen, of deze in muren, in 't zand of in oude balken gebouwd zijn. Zij begunstigt de Bijenwolf, de Muurleemwesp en nog vele andere niet door ons genoemde soorten van Knoopwespen en Eumeniden of Leemwespen. In de nabijheid van de plaatsen waar deze Insecten nestelen, ziet men haar het meest rondzwerven; bij zonnig weer is zij zeer levendig. Ieder die haar gedurende eenigen tijd nagaat, zal haar leeren kennen als een listig dier, dat zeer ijverzuchtig is jegens hare soortgenooten; haar geheele leven, van de lente tot in den herfst, wijdt zij aan het beoefenen van deze niet bepaald beminnelijke eigenschappen. Haar grootte wisselt binnen wijde grenzen af (5 à 11 mM.), zoo ook haar kleur; de kop en het borststuk zijn blauw of groen, zuiver of tot de gewone overgangstinten vereenigd; het als goud glinsterende achterlijf vertoont soms een groenen, soms een sterk rooden weerschijn, heeft dikwijls zwarte banden op de verbindingsplaatsen der ringen en is aan de buikzijde zwart gevlekt.