Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 04: De Insecten

Part 22

Chapter 223,496 wordsPublic domain

Hoogst merkwaardig is de levenswijze van de Honigmier (Myrmecocystus mexicanus of M. melliger), die op de hoogvlakten van Mexico, Nieuw-Mexico en Zuid-Colorado onderaardsche nesten bewoont. Het nest is van aarde gebouwd en onder een grintheuveltje gelegen; het bestaat uit verscheidene verdiepingen met vele gangen en vertrekken. Sommige kamers, welker gewelf niet glad gemaakt is, bevatten een aantal Mieren, die zich met de pooten vasthouden aan de oneffenheden van den zolder. Van de overige arbeidsters verschillen zij door haar achterlijf, dat een bolronde, barnsteenkleurige blaas vormt ter grootte van een kruisbes tengevolge van de groote hoeveelheid honig, die in den krop is opgehoopt en 7/8 van het geheele lichaamsgewicht uitmaakt. De chitineplaten, die bij gewone Mieren tegen elkander sluiten, zijn door het rekken van de haar verbindende huid ver van elkander verwijderd. Naar het schijnt, vormen deze "honigzusters" geen afzonderlijke kaste, maar zijn gewone, door ouderdom voor andere werkzaamheden ongeschikte arbeidsters. Om den honig te verzamelen, waarmede deze levende kruiken volgepropt zijn, begeven de als "fourrageurs" dienende werkmieren zich na zonsondergang naar boschjes van een soort van dwergeiken, die kleine, bruinroode gallen dragen, welke, zoolang zij nog door de made van de Galwesp bewoond worden, aan haar oppervlakte druppeltjes van een aangenaam zoet smakend vocht uitzweeten. Hiermede vullen de fourrageurs zich den krop, welks inhoud zij in het nest weer afgeven aan arbeidsters van iets grooteren omvang, die het ten tweede male uitgebraakte vocht aan de honigzusters leveren, en door voortdurende oefening in het afwisselend sterk vullen en ledigen van den krop langzamerhand voor de functie van bergplaats geschikt worden. Natuurlijk wordt de opgegaarde voorraad in tijden van nood door de bewaarsters afgestaan aan hare verwanten.

Een soortgelijke levenswijze heeft de in Australië voorkomende Camponotus inflatus.

De kleine onderfamilie der Tangmieren (Odontomachidae) is tot Azië en Zuid-Amerika beperkt; het meest trekken hare wijfjes en arbeidsters de aandacht door de zeer lange, smalle, aan de binnenzijde met 3 tanden gewapende bovenkaken, die vóór den buitengewoon langwerpigen kop uitsteken.

De onderfamilie van de Angelmieren (Poneridae) bestaat hoofdzakelijk uit bewoners van de keerkringsgewesten der beide halfronden en bevat slechts weinige Europeesche (geen inheemsche) soorten. Een van deze (Ponera contracta) wordt, behalve in Afrika en Noord-Amerika, ook in een groot deel van Europa (tot dicht bij onze grenzen, n.l. bij Aken, en in verder noordwaarts gelegen landen, o.a. bij Kopenhagen) gevonden. Zij is slechts 2.5 à 3 mM. lang (de werkmier); de door haar gevormde, zeer kleine koloniën nestelen in den grond onder struiken en mos.

Sommige Afrikaansche Poneriden bereiken een aanzienlijke grootte, zijn met lange, smalle bovenkaken gewapend en richten als "trekmieren" (zie onder) een groote slachting aan onder de Termieten.

Hoewel geen der Mieren tonen voortbrengt, die voor ons gehoororgaan waarneembaar zijn, heeft men bij eenige soorten, o.a. bij de Poneriden, een sjirp-apparaat ontdekt, dat hier den vorm aanneemt van een zeer fijn getande rasp op den 2en en 3en achterlijfsring.

De Blinde Mieren (Dorylidae), welker drieërlei vormen zeer onvolledig bekend zijn, komen uitsluitend tusschen de keerkringen (Oost-Indië, Senegambië, Brazilië) voor.

De West-Afrikaansche Trekmier (Anomma arcens) heeft arbeidsters van tweeërlei slag: kleine werkmieren en grootere (soms 11 mM. lange) soldaten. Zij hebben geen vaste woonplaats, maar leiden een nomadisch leven, hoogstens tijdelijk halt houdend, wanneer voor de wijfjes, die zich bij het leger bevinden, de tijd van 't eierenleggen aanbreekt, daar zulke wijfjes zeer omvangrijk en moeielijk te vervoeren zijn. De larven en poppen worden, naar nomadenaard, meegedragen; evenals de echte nomaden, staan deze Mieren op een lagen trap van "beschaving". Een rotsspleet of een andere holte van geringe hoogte dient haar tot schuilplaats, totdat zij een oord hebben leeggeroofd; daarna vervolgen zij haar weg. Toch zijn zij in het metselen van gangen zeer bedreven. Hoewel hare tochten uitsluitend 's nachts of op donkere dagen ondernomen worden, komt het soms voor, dat zij tot laat in den morgen onderweg zijn of op een zonnigen dag de reis moeten voortzetten; in dit geval bedekken zij gedurende den marsch haar weg met een gewelf van aardkluitjes, door speeksel aaneengevoegd. Als het pad tusschen dicht gras of onder afgevallen bladen door leidt, blijft het bouwen achterwege, althans in oorden, die overal dicht begroeid zijn. Deze Mieren sterven binnen weinige minuten, wanneer zij aan de directe werking van de zonnestralen blootstaan en wel des te sneller, naarmate de weerkaatsing van de omringende voorwerpen de temperatuur tot grootere hoogte doet stijgen. Gedurende hare tochten maken zij jacht op alle levende wezens, die zich op haar weg bevinden. Voor een leger van Trekmieren is zelfs de mensch genoodzaakt het veld te ruimen. De reusachtige West-Afrikaansche Afgodslang, die een lengte van 6 à 7 M. bereikt, laat haar buit in den steek en vlucht ten spoedigste bij de nadering van deze roofzuchtige heirscharen. Wel bestaat er reden om hen te vreezen. De Insecten zouden hun slachtoffer bij duizenden overvallen, in de eerste plaats zijne oogen aantastend, en er na weinige uren slechts een zuiver schoongeknaagd skelet van overlaten. Voor de Negers, die deze landen bewonen, zijn de Trekmieren een groote plaag, "want deze," zeggen zij, "ontrooven ons 't geen wij het liefst hebben op aarde, n.l. onze Hoenderen en onzen slaap." Werkelijk is het in sommige tropische gewesten bijna niet mogelijk pluimvee te houden, daar de Mieren de jonge kuikens overvallen, nog voordat zij de eischaal geheel verlaten hebben. Soms dringen de Trekmieren op hare nachtelijke rooftochten ook in bewoonde huizen door: een algemeene vlucht van de Ratten, Muizen, Hagedissen, Kakkerlakken en ander ongedierte verraadt de aankomst der gevreesde Insecten; ten spoedigste moeten ook de menschelijke bewoners het bed verlaten en in de vrije natuur hun heil zoeken.

De grootste verscheidenheid van vormen treft men aan in de onderfamilie van de Knoopmieren (Myrmicidae), die zich kenmerkt door den tweeledigen achterlijfssteel en door den angel der wijfjes en der werkmieren.

De inheemsche Mieren (die wij slechts kort kunnen behandelen, om plaats te winnen voor de beschrijving van de merkwaardige levenswijze van eenige harer uitheemsche verwanten) verzamelen geen wintervoorraad, gebruiken gedurende het ongunstige jaargetijde in 't geheel geen voedsel en eten ook in de overige tijden van het jaar geen anderen plantenkost dan honig en dergelijke zoete stoffen. Anders is het gesteld bij sommige uitheemsche soorten en meer bepaaldelijk bij verscheidene Myrmiciden. Reeds door de schrijvers der oudheid werd hierop gezinspeeld; hunne mededeelingen, die aanvankelijk in twijfel werden getrokken, berusten, zooals later gebleken is, op goede gronden. Van minstens 14 soorten van Myrmiciden is thans met zekerheid bekend, dat zij zaden in hare nesten verzamelen: 3 Zuid-Europeesche (Atta capitata, A. barbara, A. stricta), 5 Noord-Amerikaansche, 2 Zuid-Amerikaansche en 4 Oostindische. Bij voorkeur nemen deze Oogstende Mieren zaden van granen en andere grassen mede. Sommige zien bovendien kans het kiemen van deze zaden te voorkomen. Hoe zij dit doen, weet men niet; wel blijkt uit de proeven van H. Bos, dat de angel hiervoor voldoende is, daar het steken van zaden met een fijne speld en het brengen van een oplossing van mierenzuur in de wonde het kiemingsproces verhindert.

Uit hetgeen door Lincecum van een Texaansche soort wordt bericht, zou voortvloeien, dat de Mierenfamilie, die, zooals reeds gezegd is, veefokkers onder hare leden telt, ook vertegenwoordigers heeft, die den landbouw beoefenen, d.w.z., niet slechts oogsten, maar ook den akker voor de ontvangst van het zaad gereed maken. Hoewel het zaaien zelf, volgens latere onderzoekers, bij toeval geschiedt, zullen wij de bedoelde soort (Pogonomyrmex barbata) den naam van Landbouwende Mier, dien de ontdekker haar gaf, laten behouden. Haar volk bestaat, behalve uit mannetjes en wijfjes, uit tweeërlei slag van arbeidsters, de gewone en de grootkoppige of zoogenaamde soldaten; beide zijn tamelijk groot en bruin van kleur (ieder gemiddeld 15 mM. lang, 8 mM. breed en 2.5 mM. hoog). Het nest wordt op een opene, zonnige plek in den grond gebouwd; de voorraadschuren zijn tot op een diepte van 2.5 M. beneden de oppervlakte gelegen; het hierboven uitstekende deel verschilt van vorm, al naar de gesteldheid van den bodem. Gewoonlijk is het een schijfvormige verhevenheid van 8 à 15 cM. hoogte, in 't midden voorzien van een opening, die zich op een gemiddelden afstand van 95 à 125 cM. van den omtrek bevindt. In lagere streken, die meer aan overstrooming blootstaan, krijgt het bovenaardsche deel van het nest een kegelvormige gedaante. In beide gevallen worden tot op een afstand van 1.5 à 2 M. van het middelpunt van het nest alle kruiden (gras, salie, madeliefjes en andere gewone weideplanten) zorgvuldig uitgeroeid; slechts aan den rand blijven stoppels staan. Op het dus ontgonnen terrein schiet ieder jaar een eigenaardige, gele grassoort welig op; men heeft haar "mierenrijst" (Aristida stricta) genoemd; bovendien wordt hier ook het "buffelgras" (Buchla dactyloides) geduld. Deze grassen groeien op duidelijk vaneengescheiden perken, zooals het graan in onze bouwstreken. Van verre reeds ontwaart men te midden van de andere planten de met geel gras begroeide akkers van de Mieren. Lincecum onderstelde, dat zij de zaden van haar lievelingsgras opzettelijk uitzaaien; Mac-Cook evenwel is tot de meer aannemelijke conclusie gekomen, dat de bedoelde zaden bij het vervoer van voorraad naar het nest op het opene terrein zijn blijven liggen. In allen gevalle laten de Mieren op de plek, die zij zorgvuldig van alle andere planten zuiveren, het haar zoo goed bekende gras staan en besparen zich op deze wijze de moeite van een verren tocht voor het verzamelen van hun lievelingsvoedsel. Zij plukken de graanvruchten niet af, maar rapen ze op, nadat zij op den grond gevallen zijn, schillen ze in bepaaldelijk hiervoor bestemde vertrekken van haar nest, bergen de korrels in de voorraadkamers en werpen het kaf buiten haar woning op een hoop. Indien het zaad door den regen nat geworden is, brengen de Mieren het ter geschikter tijd weer boven den grond en spreiden het uit om het te laten drogen.

Een andere, in Florida levende Oogstende Mier (Atta crudelis) sleept den zadendragenden stengel naar haar nest, in plaats van te wachten, tot de zaden op den grond vallen, doch heeft overigens dezelfde levenswijze als de vorige soort.

De Zuid-Amerikaansche Roofmieren (Eciton) bewonen Brazilië; van eenige strekt zich het gebied tot in Mexico uit; tot dusver kent men er alleen de arbeidsters van. Door de inboorlingen van het Amazonen-gebied worden zij Touóca genoemd. De meeste hebben slechts 1 paar enkelvoudige oogen, die de plaats van de samengestelde innemen; sommige zijn blind. Tot groote legers vereenigd, gaan zij op roof uit, vergezeld door een soort van Vliegen (Stylogaster), die met aanhoudende, trillende bewegingen van de vleugels op een afstand van hoogstens 3 dM. boven de trekkende scharen in de lucht zweven om, eensklaps naar beneden schietend, met behulp van haar langen legboor de mierenlarven, die door hare verpleegsters medegevoerd worden, met een ei te belasten. Van nagenoeg iedere soort van Eciton valt iets eigenaardigs te vermelden met betrekking tot de wijze, waarop de rooftochten worden ondernomen; ook de samenstelling van de benden is ongelijk. Eciton rapax, de grootste soort van haar geslacht, daar sommige arbeidsters een lengte van 13 mM. bereiken, trekt in kleine afdeelingen door het woud en schijnt zich vooral bezig te houden met het plunderen van de nesten eener Formica-soort. De legers van de aanmerkelijk kleinere Eciton legionis bestaan uit vele duizenden individuën, die in breede kolommen voortrukken en vol woede aanvallen op al wat zich tegen hun beweging verzet. Twee andere, zeer algemeene soorten (Eciton hamatum en E. drepanophorum) trekken in scharen van duizenden stuks door de wouden langs de oevers van den Amazonenstroom. Voordat een voetreiziger zulk een mierenleger ontmoet, wordt hij op de nabijheid dezer Insecten opmerkzaam gemaakt door een kleinen zwerm van effen gekleurde Vogels, Mierenlijsters genaamd, die luid kweelend te midden van het dichte struikgewas onrustig rondfladderen. Als hij, deze waarschuwing in den wind slaande, nog eenige schreden verder gaat, wordt hij onverhoeds door de kleine Roofmieren aangevallen, die bij troepen ongeloofelijk snel bij zijne beenen opkruipen, de kaken in zijn huid slaan en, hierop steunend, de spits van het achterlijf naar voren ombuigen, om zoo krachtig mogelijk te steken. Het eenige middel om aan de verwoede diertjes te ontkomen, is, zich zoo schielijk mogelijk naar het andere uiteinde van de colonne te begeven. De aanvallers hebben de kaken zoo stevig gesloten, dat het niet mogelijk is ze los te rukken zonder het dier te verscheuren, waarbij de kop aan de wonde blijft hangen. Op den ongelukkigen reiziger hadden zij het oorspronkelijk niet gemunt; hij kwam eenvoudig te dicht bij de plaats waar de Roofmieren in de wildernis haar bedrijf uitoefenen, dat algemeen schrik en opgewondenheid verbreidt. Vooral de ongevleugelde Gelede Dieren (Spinnen, andere Mieren, Maden, Rupsen, Pissebedden, enz.) hebben voldoende redenen om voor de Roofmieren op hun hoede te zijn.

De Visite-mier (Oecodoma cephalotes) is in geheel Zuid-Amerika onder den naam Saoeba bekend; zij wordt gevreesd, omdat zij de kostbaarste boomaanplantingen van bladeren berooft en overal, waar zij in buitengewoon grooten getale optreedt, de landbouw bijna onmogelijk maakt. De Indianen beschouwen het met eieren gevulde achterlijf van het wijfje als een kostelijke lekkernij; zij bijten het af en gebruiken intusschen nu en dan een weinig zout. Als zij een grooten voorraad van deze hapjes verzamelen kunnen, roosteren zij ze met zout; het dus bereide gerecht wordt, naar men bericht, ook door Europeanen smakelijk gevonden.

De gewoonten van deze Mieren stemmen in vele opzichten overeen met die van de algemeen bekende Europeesche soorten. Zij bouwen in plantsoenen en bosschen heuvels van geringe hoogte, die een groote oppervlakte beslaan. Deze koepels vormen slechts het buitenste bekleedsel van een diep en ver in den grond verbreid netwerk van gangen met vele uitwendige openingen, die gewoonlijk gesloten zijn. De heuvels bestaan uit losse aarde, die uit de diepte naar boven gebracht wordt en daarom waarschijnlijk een weinig anders gekleurd is dan de omgeving. De mannetjes en wijfjes zwermen geheel op dezelfde wijze als de onze tegen den avond en wel in het begin van den regentijd, in Januari en Februari. De zorg voor de jongen is overgelaten aan de arbeidsters, welker grootte van 9.5 tot 15 mM. afwisselt en die van drieërlei vorm zijn. De groote, dikkoppige "soldaten" met krachtige, als knijptangen werkende bovenkaken, schieten als woedende Honden uit hun woning naar buiten, als men een nest beschadigt; de middelmatig groote werkmieren begeven zich iederen dag op weg om stukjes van bladen in te zamelen en naar het nest te vervoeren; de kleinste zijn met de werkzaamheden binnenshuis belast, zoodat men ze niet anders te zien krijgt, dan wanneer zij kluitjes aarde uit het nest moeten verwijderen, waarna zij echter onmiddellijk in hare gangen terugkeeren. Met de eigenlijke "bladsnijders", die iederen dag uittrekken, verschijnen bij wijze van een tot dekking dienende escorte, ook eenige grootkoppige soldaten buiten het nest. De Saoeba-mieren zijn om twee redenen hoogst lastig voor de bewoners dezer gewesten. De eene is, dat zij, vooral in de koffieplantages en sinaasappelboomgaarden, groote schade aanrichten. In groote troepen brengen zij een bezoek aan de tuinen en beklimmen een boom; iedere Mier zet zich neer op een blad en snijdt er met de getande bovenkaken een stuk ter grootte van een kwartje uit, vat het met de kaken aan, scheurt het los en keert, met dezen buit beladen, naar den bodem terug om in geregelde orde naar huis te marcheeren. Zulk een optocht levert een hoogst merkwaardig schouwspel op; iedere Mier houdt het geroofde stuk, welks onderrand tusschen de kaken is geklemd, loodrecht omhoog gericht; hieraan danken deze Insecten den naam van "Parasolmieren". Het op deze wijze verkregen materiaal, gemengd met de kruimeltjes aarde, die uit de diepte naar boven worden gebracht, dient tot het overwelven van de onderaardsche galerijen en vooral van de toegangen van het nest. Een tweede misdrijf van deze Mieren is, dat zij 's nachts in de huizen doordringen en alle zoete stoffen rooven, die van haar gading zijn.--

Van de 9 door H. Bos als inheemsch vermelde Myrmyciden is de Roode Knoopmier (Myrmica ruba, M. scabrinodis) de meest verbreide. Haar kleur is bruinrood, behalve het eerste segment van 't achterlijf, dat in 't midden donkerbruin is. De arbeidsters zijn 5 à 6, de mannetjes en wijfjes 8 mM. lang. Het nest wordt aangelegd onder steenen, in tuinen, op grasperken en weiden, ook in bosschen.

Van de kleine familie der Heterogynen (Heterogyna), die 1200 à 1300 voor 't meerendeel in tropische gewesten levende soorten omvat en waarvan een tiental vertegenwoordigers hier te lande voorkomen, kan in 't algemeen niet veel anders gezegd worden dan dat het rugschild van het voorborststuk met zijn achterrand tot aan den vleugelwortel reikt en dat de wijfjes (geslachtlooze arbeidsters komen hier niet voor) zich met een flinken gifangel weten te verdedigen. De pooten zijn meestal kort, ineengedrongen en dicht behaard; alleen de voet is lang.

Het merkwaardige Insect, waarvan hierneven beide seksen zijn afgebeeld (fign. 1 en 2), is de Europeesche Spinmier (Mutilla europaea). De wijfjes zijn veel talrijker dan de mannetjes en missen de vleugels. Van Mieren, waarmede zij bij oppervlakkige beschouwing eenige overeenkomst vertoonen, kan men ze bij nader onderzoek gemakkelijk onderscheiden aan haar veel sterkere beharing. De kop is plat, op onregelmatige wijze gestippeld en hierdoor zeer oneffen; de bijoogen ontbreken. Het borststuk is niet minder ruw van oppervlakte, vierhoekig van omtrek en rood van kleur. Het achterlijf is zwart en met aanliggende, zwarte haren bedekt; de achterste gedeelten van eenige achterlijfsringen zijn bleek roestgeel. De korte, zwarte pooten zijn ruig, meer door borstelige haren dan door stekels. Het mannetje kenmerkt zich door het bezit van bijoogen en van vleugels, waarmede een gewijzigde vorm van het borststuk gepaard gaat. Bij hem zijn de middelrug en het schildje bruinrood; de drie lichte strepen op het achterlijf hebben een zilverachtigen glans; ook zijn onder de zwarte haren van het achterlijf en de voeten talrijke witte gemengd. Door den 3en en 4en achterlijfsring over elkander te wrijven kunnen zoowel de mannetjes als de wijfjes een schellen toon voortbrengen; misschien doen zij dit om elkander te roepen, daar hun levenswijze zeer uiteenloopt en hunne gewone verblijfplaatsen dus zeer verschillend zijn.

De wijfjes ziet men in den zomer op zandige wegen en hellingen altijd eenzaam rondloopen, bedrijvig als Mieren; de mannetjes ontmoet men veel minder veelvuldig op bloemen en op planten, die met Bladluizen bezet zijn. Beide zijn geboren in nesten van Hommels, waar hunne larven een parasitisch leven leiden. Het Spinmier-wijfje legt met haar langen legboor een ei in de Hommel-larve, die op de gewone wijze ontwikkelt, een spinsel vervaardigt en hierbinnen in den poptoestand overgaat. In de cocon vindt het laatste bedrijf van dit drama plaats, waarvan de ontknooping is, dat er, in plaats van een Hommel, een Spinmier aan 't daglicht verschijnt.

Dat niet alle soorten van Spinmieren zich ten koste van larven van Hommels ontwikkelen, blijkt in Zuid-Amerika, waar de laatstgenoemde Insecten zeer schaarsch, de eerstgenoemde evenwel zeer talrijk zijn. Vele van deze behooren tot de bontste van alle Vliesvleugeligen; haar uiterlijk herinnert aan dat van sommige Spinnen; op de Amerikaansche soorten is de naam Spinmier meer letterlijk van toepassing dan op hare weinig talrijke Europeesche verwanten.

De Roodkoppige Dolkwesp (Scolia haemorrhoidalis) is een van de weinige Europeesche (niet inheemsche) vertegenwoordigers van het geslacht der Dolkwespen, dat voornamelijk in de keerkringsgewesten thuis behoort; sommige soorten worden bijna 6 cM. lang en overtreffen waarschijnlijk alle overige Vliesvleugeligen in massa. De kenmerken van dit geslacht zijn: de diepe groeve tusschen de beide eerste achterlijfsringen, de korte, niet slechts sterk behaarde, maar ook stekelige pooten, waarvan de beide achterste paren de heupen ver van elkander verwijderd hebben, de lange, dikke sprieten van het mannetje en de korte, gebroken sprieten van het wijfje. Beide seksen zijn van vleugels voorzien; deze vertoonen (evenals bij de mannelijke Spinmieren) het streven naar onbestendigheid van het beloop der vleugeladers. (De bovengenoemde en vele andere soorten b.v. hebben 3 onderranden en 2 middelcellen; ook de omgekeerde getalsverhouding komt echter voor.) Niet minder afwijkingen vertoont het onderscheid tusschen de mannetjes en de wijfjes: soms zijn deze nagenoeg gelijk, soms zeer verschillend.

De Roodkoppige Dolkwesp wordt gevonden in Hongarije, Griekenland en Zuid-Rusland; zooals uit den geslachtsnaam blijkt, is het wijfje van een uitmuntend wapen voorzien. De zwarte kleur van het lichaam wordt afgebroken door 2 gele vlekken aan weerszijden van den 2en en den 3den achterlijfsring. Bij het wijfje zijn ook de bovenzijde van den kop en het schildje op deze wijze geteekend; bij haar dragen het rugschild van het voorborststuk en de bovenzijde van den 5en achterlijfsring roestroode haren. Bij het mannetje is de geheele rug van het borststuk tot aan het schildje en de bovenzijde van het achterlijf van het 4e segment af op deze wijze behaard.

Het wijfje van de Javaansche Scolia capitata is 5.9 cM. lang en op het achterlijf minstens 1.3 cM. breed.

De weinige gegevens, die men over de levenswijze van deze dieren bezit, doen hen kennen als parasieten. Twee soorten op Madagaskar leven als maden in de larven van groote Neushoornkevers. Van de Tuindolkwesp (Scolia hortorum) heeft men iets dergelijks ervaren. Burmeister heeft een Braziliaansche soort (Scolia campestris) in grooten getale uit de nesten van de Parasolmier zien komen.