Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 04: De Insecten

Part 21

Chapter 213,660 wordsPublic domain

De wormvormige, pootlooze, witachtige larve heeft een hoornachtigen kop zonder oogen en 12 rompsegmenten. Zij kan zich niet van de plaats bewegen en moet door de werkmieren gevoederd worden. De zeer jonge larven stemmen volkomen overeen, hetzij er wijfjes of mannetjes of werkmieren uit ontstaan; later kan men een onbeduidend verschil in vorm waarnemen, duidelijker echter ongelijke grootte. Niet onmogelijk is het, dat, evenals bij de Bijen, uit onbevruchte eieren mannetjes voortkomen. Het onderscheid tusschen de wijfjes en de verschillende vormen van werkmieren begint waarschijnlijk eerst gedurende den larvetoestand; hoe dit geschiedt, is onbekend; dat ongelijke voeding er de oorzaak van zou zijn, mag men niet onderstellen, daar het voedsel voor allen uit druppels vocht bestaat, die de werkmier uitbraakt. De rijpe larve verandert in een vrije pop; bij sommige soorten spint zij vooraf een langwerpige, vuilwitte of bruinachtige cocon; de op deze wijze omhulde poppen vormen onder den onjuisten naam van "miereneieren" een handelsartikel, daar zij als voedsel voor kamervogels dienen. Bij andere soorten blijft het spinnen steeds achterwege. Nog andere houden in zooverre het midden tusschen de reeds genoemde, dat in haar nest zoowel naakte als ingesponnen poppen gevonden worden; toch hebben in dit geval alle larven spinklieren, zoodat men moet aannemen, dat door onvoldoende voeding of door een andere oorzaak sommige niet genoeg materiaal voor een cocon in hare spinklieren hebben. De larven van de Mieren met tweeledigen achterlijfsteel spinnen in den regel niet.

Evenals alle Vliesvleugeligen, voeden ook de Mieren zich hoofdzakelijk met zoete stoffen, om 't even of deze van plantaardigen of van dierlijken oorsprong zijn. IJverig zoeken zij de Bladluizen en Schildluizen op, om de zoete uitscheidingsproducten dezer diertjes op te slikken. Daarom zijn de Mieren altijd talrijk op plaatsen, waar vele Bladluizen zijn en doen zij deze geen leed. De werkmieren voederen, behalve de larven, ook de voortplantingsmieren en zelfs iedere werkmier van haar eigen volk, die voedsel vraagt, met waterheldere druppels, die zij uit haar mondopening laat vloeien. De inheemsche Mieren verzamelen geen voorraad; sommige in warmere gewesten levende soorten vergaren zaden van grassen, vooral graankorrels, in haar nest.

De meeste mierennesten worden in den grond gevonden. Forel onderscheidt ze in de volgende soorten:

(1). De aardnesten bestaan uit in den grond gegraven kamers en gangen, welker wanden soms, althans gedeeltelijk, door toevoeging van speeksel aan het zand stevig gemaakt, als 't ware gemetseld zijn; soms is de grond boven het nest opgehoogd, soms wordt de woning aangelegd onder een steen, die haar beschutting verschaft.

(2). De houtnesten worden op soortgelijke wijze als de vorige gebouwd in vermolmd hout, dat nog samenhangt; wegens de grootere duurzaamheid van de bouwstof is het beloop van de gangen voor een deel regelmatiger dan bij woningen in vochtige aarde. De stevigste gedeelten der jaarringen blijven meestal gespaard en dienen als muren; door de richting van de houtvezels wordt de vorm van de gangen en kamers bepaald. Daar de Mieren, die in hout nestelen, in den regel geen gave boomen aantasten, maar het bederf van de reeds gedeeltelijk vermolmde stammen bespoedigen, vooral dat van oude stompen, die broedplaatsen van allerlei ongedierte zijn, worden zij door den houtteler als bondgenooten beschouwd en beschermd. Door de werkzaamheid van deze Mieren ontstaan soms zeer samengestelde gebouwen.

(3). Papiernesten bouwt o.a. de Zwarte Houtmier (Lasius fuliginosus); haar nest werd bij ons vooral in Gelderland in holle boomstammen gevonden. De sterke ontwikkeling van de speekselklieren, die een bindmiddel voor de losse houtdeeltjes leveren, stelt deze en andere Mieren in staat, om in holten van boomen muren te bouwen, die kamers en gangen begrenzen. Tot dezelfde groep kunnen gebracht worden de kolossale nesten der zoogenaamde Comehens op Portorico. Zij bouwen, gewoonlijk tusschen boomtakken, woningen zoo groot als een bijenkorf en bedekken den weg daarheen overal, langs de takken en den stam, op bladen, over steenen en op den grond, met een gewelf, dat zoomin licht als regen doorlaat en binnenwerks zoo wijd is als een penneschacht. Deze Mieren dringen ook in de huizen door, knagen gangen in allerlei houten voorwerpen en wijken bij hare tochten alleen dan van den rechtlijnigen weg af, wanneer zij ondoordringbare hindernissen ontmoeten.

(4). Een vierde groep van nesten zijn die met gemengd bouwplan. Het algemeen bekende nest van de Roode Boschmier (Formica rufa) kan hiervan een voorbeeld leveren. Het bestaat uit allerlei plantendeelen, stukjes van bladen, dennenaalden, kruimeltjes hars, maar vooral uit kleine stukjes hout, gemengd met kluitjes aarde. Met bewonderenswaardige volharding en krachtsinspanning worden deze materialen bijeengesleept, opeengestapeld en samengevoegd tot heuveltjes van 25 à 125 cM. hoogte. Onder den grond hebben deze woningen een nog grooteren omvang dan daarboven. De houtjes en steeltjes zijn zoo in elkaar gezet, dat zij tamelijk stevige gewelven vormen voor een groot aantal kamers en een nog grooter aantal gangen, verschillend van ruimte en vorm, maar uitnemend geschikt voor het doel en alle in elkander uitkomend. Van het binnenste van het nest stralen wegen uit naar schier alle zijden; korten tijd nadat de Mieren begonnen zijn zulk een pad te maken, is het zoo glad getreden, zoo duidelijk te onderscheiden van de omgeving, dat men alle kronkelingen gemakkelijk met het oog kan volgen. Gedurende den nacht zijn alle Mieren in het nest als in een vesting opgesloten; zelfs de gewone uitgangen zijn door voorgeschoven houtjes onkenbaar gemaakt. Zoodra het zonlicht zich een weg begint te banen door het gebladerte der omringende boomen, vertoonen zich enkele bewoners buiten het nest, langzamerhand komen er meer te voorschijn, die als 't ware achtereenvolgens alle gesloten deuren ontgrendelen. De ruime openingen, die zij bij warm en helder weder maken, worden, als er regen ophanden is, gesloten gehouden of op nieuw verstopt. Kleine balkjes worden erin gesleept, de dan overblijvende tusschenruimten met andere houtjes verstopt, totdat de poort aan het regenwater geen toegang meer verschaft.

(5). Tot de afwijkende nesten rekent men die, welke in geen der vorige groepen thuis behooren, zooals de nederzettingen van Mieren in spleten van muren en rotsen, in menschelijke woningen, enz.

De Mieren houden zich niet strikt aan één bepaalden bouwtrant, maar weten zich bij de keuze en de inrichting van haar woning beter naar de omstandigheden te schikken dan de meeste andere Insecten. Hoewel sommige soorten zich bijna uitsluitend onder steenen vestigen, andere (Camponotus b.v.) zich bij voorkeur in vermolmd hout ophouden, nemen allerlei Mieren, verreweg de meeste inheemsche althans, ook andere verblijfplaatsen voor lief en eigenen zich o.a. verlaten nesten van verwante soorten toe. Uit den aard van het nest kan men dus niet altijd met zekerheid afleiden, door welke soort van Mieren het bewoond wordt. De houtbewoners maken zelfs de houtige gallen van verschillende Galwespen voor eigen gebruik geschikt, zoodra de oorspronkelijke bewoners deze opzwellingen verlaten hebben.

Bij het bouwen en instandhouden van het nest spelen de bovenkaken en de voorschenen een hoofdrol; de werkmieren verrichten dezen arbeid en bovendien alle huiselijke bezigheden; dat dit deel van hun taak niet gemakkelijk is, zal ons blijken, als wij de verzorging van de jongen nagaan. Bij de Mierensoorten, welker arbeidsters tweeërlei vorm vertoonen, schijnt een zekere verdeeling van den arbeid voor te komen; men heeft althans opgemerkt, dat de grootkoppige zoogenaamde soldaten, die bij de rooftochten, welke sommige Mierensoorten ondernemen en waarvan andere de slachtoffers zijn, niet zoo zeer als verdedigers dan wel als aanvoerders en gidsen optreden; met hunne grootere bovenkaken verscheuren zij het vleesch en dergelijken buit en stellen hierdoor de minder forsch gebouwde arbeidsters in staat, om stukjes geëvenredigd aan haar lichaamskracht weg te slepen. Bovendien zal men dikwijls kunnen waarnemen, dat bij werkzaamheden, waarvoor de kracht van een enkele arbeidster niet voldoende bleek te zijn, een tweede en een derde komt helpen, zoodat met vereende krachten dikwijls een schijnbaar onmogelijke taak tot een goed einde wordt gebracht.

De moederlijke zorgen van de Werkmieren, strekken zich uit over de eieren, larven en poppen. De langwerpige, witte of lichtgele eieren--die zich later een weinig uitzetten en aan het eene einde krommen, waarbij zij tevens een glasachtig voorkomen verkrijgen--worden door het wijfje in een der kamers op een hoopje gelegd. De arbeidsters nemen ze een voor een op; door er ijverig aan te likken, voorzien zij, naar 't schijnt, de kiem van een als voedsel dienend doorschijnend vocht. Als het warm weer is, worden de eieren naar een bovenverdieping van de woning vervoerd, bij ongunstige weersgesteldheid daarentegen naar dieper gelegene vertrekken overgebracht. Dezelfde zorgen vereischen de larven, die bovendien met uitgebraakte druppels vocht gevoederd en door likken van het aanhangende vuil bevrijd worden. Ook de poppen krijgen, al naar het weer voor haar ontwikkeling al of niet gunstig is, in verschillende gedeelten van het gebouw een onderkomen en worden nu eens naar de eene, dan weer naar de andere plaats overgebracht. Zoodra men een steen optilt, die een mierennest bedekt, aan welks oppervlakte de poppen, wegens den zonneschijn, vertoeven, snellen de zorgvuldige verpleegsters onmiddellijk toe, grijpen ieder een van hare pleegkinderen en trachten het tegen gevaar te beschutten en in veiligheid te brengen door er ten spoedigste mede binnen in het nest te verdwijnen. Wanneer de jonge Mier gereed is om haar cocon te verlaten, bieden de arbeidsters haar de behulpzame hand, door het spinsel te verscheuren, welke arbeid bij alle overige Insecten aan het jonge dier zelf wordt overgelaten. De zorg voor het kroost bereikt dus bij de Mieren een nog hoogeren trap van volkomenheid dan bij de overige gezellig levende Vliesvleugeligen.

De gevleugelde mannetjes en wijfjes, die op bepaalde tijden, vooral in Augustus, in het nest verschijnen, houden zich een tijdlang daarbinnen verborgen; de wijfjes verrichten hier eenige huiselijke werkzaamheden; zij zijn behulpzaam bij het vervoeren van de larven en poppen. Daarna echter dartelen de voortplantingsmieren eenige dagen lang, als door razernij bevangen, in de lucht rond, verheffen zich tot een aanzienlijke hoogte en begeven zich soms op grooten afstand van het nest. De wijfjes, die weer in de nabijheid van het nest neerstrijken, worden door de arbeidsters gegrepen en in de woning teruggebracht, waar zij weldra hare vleugels verliezen, daar deze uitvallen of afgebeten worden. De mannetjes komen niet in 't nest terug, maar vinden gedurende het zwermen den dood. Duizenden voortplantingsmieren worden den buit van Vogels. Soms hebben hare zwermen onder de menschen vrees en schrik verbreid; vooral wanneer de gevleugelde Mieren van een uitgestrekt gebied, tot een wolk vereenigd, om een kerktoren zweefden en voor rook werden aangezien. Den 2en Augustus 1687, des namiddags om 3 uur, gaf dit verschijnsel aanleiding tot het gerucht, dat er brand zou zijn in den toren van de St. Elisabethskerk te Breslau. Een Engelsche scheepsdokter bericht, dat in September 1814 een 2 1/2 à 3 1/4 M. breede en 15 cM. hooge zwerm van groote Mieren het water over een afstand van 8 à 10 KM. bedekte.

Op twee verschijnselen uit het zoo merkwaardige leven der Mieren moeten wij nog de aandacht vestigen, n.l. op de betrekking tusschen haar en dieren van een andere soort, die hetzelfde nest bouwen en die men door de namen "slaven" en "vrienden" onderscheidt. Wanneer men twee soorten van Mieren in hetzelfde nest aantreft, spreekt men van een gemengde kolonie. Hierbij kunnen zich twee verschillende gevallen voordoen. Het kan voorkomen, dat de eene soort in hare drie vormen bij de andere inwoont; in dit geval spreekt men van gasten. Wanneer daarentegen van de eene soort uitsluitend arbeidsters in het nest gevonden worden en deze door de ware eigenaressen van de woning in den toestand van larven of poppen uit een ander nest geroofd zijn, noemt men deze slaven, gene roofmieren.--Tot de Gastmieren behoort de kleine, glinsterende, geelachtig roode Stenamma westwoodi, die nooit zelfstandig, maar steeds als gast van Formica rufa of F. congerens aangetroffen wordt, zoodat men wel moet aannemen, dat zij zonder de genoemde soorten niet zou kunnen bestaan.--Een Roofmier is Formica sanguinea, in welker nest men arbeidsters van Formica fusca, F. cunicularia en soms, doch zelden, ook van Lasius alienus vindt, die alle als larven of poppen naar het vreemde nest zijn overgebracht. Met dit doel begeven zich geheele legers van Bloedroode Roofmieren (die natuurlijk uitsluitend uit arbeidsters bestaan) naar de nesten van leden der 3 laatstgenoemde soorten, overweldigen ze en dooden alle bewoonsters, die zich te weer stellen. De arbeidsters, die zich in het vreemde nest uit de als buit medegenomen larven en poppen ontwikkelen, verrichten hier huiselijke werkzaamheden, alsof zij zich te midden van hare soortgenooten bevonden. De bedoeling, waarmede deze kinderroof geschiedt, ligt nog in 't duister, daar de geslachtlooze Bloedroode Roofmieren zich met denzelfden arbeid bezig houden als hare slaven. Anders is het gesteld met de Amazonemier (Polyergus rufescens). Zij rooft de larven van Formica fusca en F. cunicularia en geeft door zulke ondernemingen bewijzen van haar buitengewoon krijgszuchtigen aard, maar is overigens zoo afkeerig van den arbeid, dat zij verhongeren zou zonder de hulp van hare slaven, die haar van voedsel voorzien.

De Mierenvrienden (Myrmecophilen), die eveneens de mierennesten bewonen, behooren tot zeer verschillende orden van Insecten. Men kan ze in drie groepen rangschikken. (1) Die, welke uitsluitend gedurende den larvetoestand en als poppen te midden van de Mieren wonen en door deze als onschadelijke commensalen geduld worden. Een voorbeeld hiervan is de op een engerling gelijkende larve van de Gewone Gouden Tor (Cetonia aurata), die zooals gezegd is, zich voedt met de rottende stukjes hout van het onderste gedeelte van het nest van de Boschmier. (2) Andere mierenvrienden leven als imago in mierennesten, maar worden, behalve hier, ook op andere plaatsen aangetroffen. Dit geldt van verscheidene Krengtorren (Hister), van Kortschildige Kevers, van Bladluizen, die niet vrijwillig, maar door de Mieren overgebracht, bij haar als melkkoeien moeten leven. De Mieren betasten deze Insecten met de sprieten, belekken hen en weten hun door allerlei liefkoozingen een zoet vocht te onttroggelen; zij "melken" ze, zooals men zegt. Om dit gemakkelijker te kunnen doen, rooven zij deze weerlooze, zwakke diertjes, vervoeren ze naar hare nesten en leggen hierdoor volstrekt geen moederlijke genegenheid, maar een zeer gewoon egoïsme aan den dag. Dikwijls omgeven de Mieren een gezelschap van Bladluizen met een soort van wand, die van aarde of van andere bouwstoffen vervaardigd is, vervoeren de eieren van de genoemde dieren naar een door haar gebouwden stal of brengen door een overdekte gang haar nest in gemeenschap met een troep Bladluizen. In dit geval spreekt men van "bladluisstallen". In warme landen, waar de Bladluizen ontbreken, wordt haar plaats in de "stallen" ingenomen door de nauw aan haar verwante kleine Cicaden. (3). Tot een derde groep van mierenvrienden behooren die, welke in alle levenstijdperken uitsluitend in de nesten van bepaalde soorten van Mieren aangetroffen worden en zonder deze volstrekt niet zouden kunnen bestaan. Dit geldt van den Gelen Knotskever met zijne verwanten en van een nog grooter aantal Staphylinen.--Men kent tegenwoordig omstreeks 600 soorten van Insecten uit alle orden, doch hoofdzakelijk uit die der Kevers, welke tot de eene of de andere van de drie genoemde groepen van mierenvrienden gebracht kunnen worden. De meeste zijn gevonden in de nesten van de Zwarte Houtmier (Lasius fuliginosus) en van de Roode Boschmier (Formica rufa), bij deze 100, bij gene 150 soorten; van slechts weinige is echter tot dusver de betrekking, waarin zij tot hare gastheeren staan, voldoende bekend.

De oudste fossiele Mieren heeft men gevonden in lagen van de Lias-formatie; deze leefden dus in een der oudste afdeelingen van het secundaire tijdvak (waarin achtereenvolgens de trias-, lias-, jura- en krijtlagen zich hebben afgezet). In het tertiaire tijdvak kreeg deze familie zulk een grooten omvang, dat geen andere Insecten-familie haar evenaarde, wat het aantal soorten en geslachten betreft. De leigesteenten van Oeningen (in het Badensche meergebied) zijn dikwijls letterlijk bedekt met afdruksels van Mieren. Ook in het barnsteen treft men vele Mieren aan, voor 't meerendeel echter gevleugelde vormen.

De ± 1250 thans nog levende soorten van Mieren heeft men in 5 onderfamiliën verdeeld. Bij (1) de Kliermieren (Formicidae) bestaat de achterlijfssteel uit één schubdragend lid en vertoont het eigenlijke achterlijf in 't geheel geen insnoeringen. (2) De Tangmieren (Odontomachidae) stemmen door den bouw van het achterlijf met de leden van de vorige groep overeen; hare wijfjes en arbeidsters bezitten een gifangel. (3) Bij de Angelmieren (Poneridae) merkt men tusschen het eerste en het tweede lid van het eigenlijke achterlijf een insnoering op; den angel en den éénledigen achterlijfssteel hebben zij gemeen met de vorige groep en ook met (4) de Blinde Mieren (Dorylidae), zoo genoemd, omdat de wijfjes en de werkmieren geen oogen hebben. (5) Een tweeledige achterlijfssteel kenmerkt de Knoopmieren (Myrmicidae), welker wijfjes, evenals de vrouwelijke leden der 3 vorige groepen met een angel gewapend zijn.

De grootste Middel-europeesche Formiciden behooren tot het bij ons voorkomende geslacht der Kromrugmieren (Camponotus). De Paardemier (Camponotus herculeanus afgebeeld: fig. B) bewoont boschrijke bergstreken en bouwt haar nest in het onderste gedeelte van oude boomstammen, die des zomers in den zwermtijd, soms zwart zien van deze Insecten; vooral de (soms wel 17.5 mM. lange) wijfjes trekken dan zeer de aandacht. De gele, donker geaderde vleugels, steken ver voorbij het achterlijf uit. Het grootendeels glanzig zwarte lichaam vertoont bij nader onderzoek een grijzen weerschijn wegens de korte haartjes, die het bedekken. De mannetjes en de arbeidsters zijn op het borststuk glansloos en worden 8 à 11 mM. lang. Met denzelfden naam wordt een tweede, minstens even groote, Duitsche soort (Camponotus ligniperda) aangeduid, die zich van de vorige onderscheidt door donkerroode vlekken op het borststuk. Beide zijn voor de houtteelt schadelijk, daar zij niet slechts vermolmde, maar ook volkomen gave stammen (vooral van naaldboomen) tot woonplaats kiezen en het hout in eene sponsachtige massa veranderen.

De Roode Boschmier (Formica rufa, fign. A en C) heeft een bovenwaarts gerichte, bijna omgekeerd hartvormige, scherprandige schub op den achterlijfssteel, een bruinrood, met borstels begroeid borststuk met zwartachtige vlekken en bruine pooten; dit geldt van de 4, 5 à 6 mM. lange werkmier. Het mannetje is effen bruinzwart, met een door fijne haartjes veroorzaakten, aschgrauwen weerschijn; het is 11 mM. lang, ruim 1 mM. langer dan het glanzig zwartbruine à zwarte wijfje, wier achterlijf van voren en van achteren bruinrood is en dat geelachtig getinte vleugels heeft. Deze soort bewoont geheel Europa, Azië tot Oost-Indië en Noord-Amerika. Van alle inheemsche Mieren bouwt zij de grootste nesten; van haar vooral zijn de voor vogelvoer bestemde mierenpoppen (de zoogenaamde miereneieren) afkomstig. Om deze te verkrijgen worden de Mieren met larven en poppen in zakken geschept en naar een opene, liefst zandige plek gebracht, waar een terrein van 10 à 15 M2 geëffend, met een walletje omgeven en van eenige met dennenrijs toegedekte gaten ter grootte van een menschenhoofd voorzien wordt. De mierenvangers schudden hier hunne zakken leeg en wachten, totdat de werkmieren de larven en poppen in de kuilen hebben gebracht, die niet de veilige bergplaatsen zijn, waarvoor zij gehouden werden, daar de op buit beluste mensch ze weldra ledigt. Alleen in het kleine dorpje Hinterwildalpen in Stiermarken, verzamelde men ieder jaar, volgens Henschel, 50 à 70 HL. gedroogde cocons en doodde dus 96 à 134 millioen poppen. Dit bedrijf is in sommige landen, o.a. in Pruissen, verboden wegens de groote diensten, die de Roode Boschmier (evenals vele andere Mieren) aan de boschcultuur bewijst door het verslinden van schadelijke Insecten. Deze worden in de nabijheid van hare nesten geheel uitgeroeid.--De Roode Boschmier overwintert op een diepte van 1 M. in den grond.

Het gemis van een angel wordt aan de Formiciden vergoed door het bezit van buitengewoon groote gifklieren, welker inhoud door sommige soorten tot op aanzienlijken afstand kan worden uitgespoten. Dientengevolge wordt aan de hand, waarmede men eenige malen tegen het nest van de Roode Boschmier heeft geklopt, een eigenaardige, aromatische geur waargenomen. Eens had Taschenberg dit gedaan op een nest, dat aan den rand van het woud en tamelijk hoog gelegen was, zoodat het door de toen juist ondergaande zon beschenen werd. Eenige oogenblikken later, omkijkend naar de Mieren, die ter verdediging van haar woning waren toegesneld en duidelijk haar toorn te kennen gaven, vertoonde zich een prachtig schouwspel; honderden van zilverkleurige fonteintjes, door de zonnestralen verlicht, verhieven zich tot op een hoogte van 62 cM., en gaven, terugvallend, aanleiding tot een fijnen nevel, die de lucht met geurige dampen bezwangerde. Een seconde later was dit voorbij; uit het geritsel der losse bestanddeelen van het nest, dat in de plechtige avondstilte op een afstand van vele schreden hoorbaar was, bleek echter, dat de opgewondenheid van het mierenvolk nog voortduurde.

Op een (weinig in 't oog loopend) verschil in vorm van de sprieten, van de voorhoofdslijsten en van den achterlijfssteel berust de scheiding van het geslacht der Lasiën (Lasius) van dat der Formicinen i.e.z. (Formica). Deze, waarvan 5 soorten in ons land gevonden zijn, nestelen uitsluitend in den grond; gene, waarbij 9 inheemsche, bouwen haar nest op zeer verschillende plaatsen. Dat van de Glanzig Zwarte Boschmier (Lasius fuliginosus) wordt in oude boomstammen gevonden, zoowel in die, waarvan het hout nog samenhang genoeg bezit om het graven van gangen toe te laten, als in zulke, die door het knagen van den tand des tijds reeds in molm veranderd zijn, dat dan, met speeksel gemengd, de bouwstof van de gangen en kamers levert. Met uitzondering van het Pyreneesche en het Balkan-schiereiland, bewoont deze soort geheel Europa.--De Dofzwarte Tuinmier (Lasius niger), die in geheel Europa en in Noord-Amerika, ook op Madeira, gevonden wordt, nestelt, al naar het uitkomt, in den grond, in holle boomen, tusschen mos, in spleten van rotsen en muren, enz.--De Gele Weidemier (Lasius flavus), bekend door hare zeer pijnlijke beten, bouwt nesten in den grond op weiland. Steeds hebben de grassen in de onmiddellijke nabijheid van dit nest een minder welig uiterlijk dan elders, daar hare wortels tot woonplaats dienen aan de Bladluizen, welker uitwerpselen een belangrijk deel van het voedsel der Gele Mieren uitmaken. In 't najaar ontstaan uit de geslachtlooze Bladluizen wijfjes en mannetjes, welker eieren met een harde schaal omgeven zijn. De Mieren verzamelen deze eieren en brengen de hieruit voortkomende Insecten op de planten, welker sap hun tot voedsel dient. Op deze wijze verzekeren zij zich van het bezit van een behoorlijk aantal "melkkoeien".