Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 04: De Insecten

Part 20

Chapter 203,628 wordsPublic domain

De Muur-leemwesp verschijnt in de laatste dagen van Mei; het wijfje houdt zich gedurende de geheele volgende maand bezig met werkzaamheden in 't belang van haar kroost. Voor het bouwen van haar nest zoekt zij een ouden muur van leem of den wand van een leemgroeve op en graaft hierin met de kaken een gat van ongeveer 15 cM. diepte. De losgemaakte leemkluitjes worden met speeksel en ongetwijfeld ook met het voor dit doel ingenomen water bevochtigd en verweekt; hiermede verlengt de Wesp den ingang harer woning tot een buis, welke dus langer wordt, naarmate het nest in diepte toeneemt. De gang, die aanvankelijk in horizontale richting in den muur opgaat, buigt zich verderop een weinig naar onderen. In de voltooide woning brengt de zorgvolle moeder larven van Bladkevers en van andere Insecten, b.v. van kleine Vlinders, die zij gedurende het vliegen tusschen de voorpooten en de borst geklemd houdt. Bij het nest aangekomen, gaat zij schrijdelings boven den buit staan, vat hem bij den kop, sleept hem (zie de afbeelding) naar den ingang en daarna tot in het achterste deel van het hol, waar zij hem tegen den wand drukt. De larve, die door den steek van den roover niet gedood, maar verlamd werd, neemt in de enge buis een ringvormige houding aan in overeenstemming met den vorm van haar lichaam. Verscheidene larven (soms 8 of meer) worden, evenals de eerste, in het hol gebracht en regelmatig naast elkander gelegd. Zoodra een voldoende hoeveelheid leeftocht bijeengebracht is, wordt in het nest een ei gelegd en de opening vervolgens met leem gesloten. Voor ieder volgend ei moet het wijfje opnieuw aan 't bouwen. Na weinige dagen komt de made uit het ei, verslindt de eene larve na de andere, zoodat er slechts de huid van overblijft en is na verloop van hoogstens 3 weken volwassen. Zij spint dan een vuil bruine, tamelijk stevige cocon en wacht hierbinnen als larve de lente af. Weinige weken voor den overgang in den imago-toestand verpopt zij zich; het verbreken van de afsluiting van het nest is voor de Wesp niet moeielijk.

De meeste Gezellig levende Wespen (Vespae sociales) of Papierwespen (Vespidae) wekken onze bewondering door den bouwtrant harer kasteelen en paleizen. Evenals de Honigbijen, maken zij raten, die echter niet dubbel zijn, maar uit één laag cellen bestaan met naar onderen gekeerde openingen; ook hier zijn onvolkomen ontwikkelde wijfjes (arbeidsters of werkwespen) met het bouwen belast. Als bouwstof voor de soms brooze, soms meer veerkrachtige wanden van hare kunstwerken gebruiken zij geen was, maar hoofdzakelijk plantaardige stoffen, flink gekauwd en gemengd met een overvloed van chitine-houdend speeksel. De zeer elastische, papierachtige nesten bestaan uit lange bastvezels, de kartonachtige uit een vilt van haren van planten of uit een mengsel van deze met vaatbundelstukjes van soortgelijken aard. De meer brokkelige bouwstof van de nesten onzer Paardewespen wordt vervaardigd van het schorsweefsel van verschillende boomen en is daarom altijd gestreept. Enkele uitheemsche Gezellige Wespen verwerken ook wel kleiachtige aarde of de mest van plantenetende dieren.

Veel meer verscheidenheid dan in de bouwstof vindt men in het bouwplan en de aanhechtingswijze der nesten. Sommige liggen plat tegen de onderzijde van een blad of tegen een boomstam aan; andere omvatten met hun boveneinde een tak en hangen hieraan in den vorm van een rol, van een stompen kegel, van een bol of van een halven bol, of zijn verborgen tusschen takken en bladen, die er voor een deel binnen opgenomen zijn; in nog andere gevallen steunt het geheele gebouw op één of meer stelen. Het eenvoudigste nest blijft onbekleed en bestaat uit één laag of uit verscheidene lagen van zeszijdige cellen, die meestal een rozet vormen en welker openingen naar onderen gericht zijn. Tot het bouwen van zulk een eenvoudige woning bepalen zich de meeste Wespen, doch niet alle, vooral niet die, welke groote gezelschappen vormen. Deze omgeven in den regel hare raten met een hulsel; dit kan op tweeërlei wijze ingericht zijn, zoodat men van schotratige nesten en van zuilratige nesten spreekt. Een voorbeeld van de eerstgenoemde soort levert het sierlijke nest van de 6.6 mM. lange Polybia sedula uit Zuid-Amerika. Het wespje hecht zijn nest door middel van eenige steeltjes aan de onderzijde van een blad. Als de eerste raat gereed is, wordt hieronder op een afstand, die ongeveer met de halve lengte van een cel overeenkomt, als sluitstuk een schot aangebracht, dat aan de raat bevestigd is door het verlengen van haar buitenwand, waarin zijdelings een vlieggat is overgelaten. Naarmate het aantal leden van het gezelschap toeneemt, moet de woning vergroot worden. Dit geschiedt op zeer eenvoudige wijze, n.l. door tegen het schot van de eerste raat een tweede te bouwen, die bij de genoemde soort ongeveer denzelfden omvang heeft als de eerste; nogmaals worden de buitenwanden der randcellen verlengd en vervolgens in dwarse richting uitgebouwd tot een schot, dat op den reeds aangeduiden afstand onder de openingen der cellen gelegen is, waarbij eveneens een vlieggat overblijft in den verbindenden wand. In onze afbeelding is de derde raat voltooid en duiden loodrechte streepjes onder haar vloer het eerste begin van een vierde raat aan. Naar gelang van de behoefte kunnen de Wespen het aantal verdiepingen van haar nest vermeerderen, zoodat dit ten slotte een steeds langer wordende rol vormt.

Op eenigszins andere wijze bouwt Polybia rejecta. Zij laat in het midden van het schot een vlieggat open. Zulke nesten worden door geen enkelen Europeeschen Vleugelplooier, wel echter door een groot aantal Zuid-Amerikaansche soorten vervaardigd.

De Echte Wespen van de Oude Wereld (Vespa) benevens vele Amerikaansche soorten bouwen omhulde zuilratige nesten: de raten zijn onderling door zuiltjes verbonden en als de verdiepingen van een huis boven elkander gelegen; het geheel is omgeven met een "mantel", die er op een zekeren afstand van verwijderd blijft en één vlieggat heeft. Al deze nesten naderen door hun vorm tot een ei of een bol; naar hun inwendigen bouw kan men ze echter in twee soorten onderscheiden, die aanmerkelijk verschillen, zooals uit de vorenstaande afbeeldingen 3 en 4 blijkt. Het nest van de Zuid-Amerikaansche Chatergus apicalis bevat verscheidene raten, die onder elkander ieder door een steeltje aan een tak bevestigd zijn; de vorm van het aschgrauwe, papierachtige hulsel blijkt uit fig. 3. Terwijl hier de zuiltjes, die raten dragen, ieder afzonderlijk aan het tot steun dienend voorwerp zijn verbonden, vereenigen zij in de meeste gevallen de raten onderling, zooals b.v. in het nest van Polybia ampullaria, dat men in fig. 4 aan de onderzijde van een blad ziet hangen; tot verduidelijking moet hier bijgevoegd worden, dat de tweede raat door een zijdelingschen pijler aan den mantel bevestigd is. In hoofdzaken stemmen de nesten van onze Echte Wespen met die van de laatstgenoemde soort overeen; sommige hangen aan twijgen van struiken of boomen, andere vindt men in gaten van den grond, nog andere in holle boomstammen, onder vooruitstekende daken of op dergelijke tegen den regen beschutte plaatsen. Al deze gebouwen zijn slechts voor één zomer bestemd. In de lente wordt de arbeid begonnen door één bevrucht wijfje, dat den winter in een geschikte schuilplaats doorbracht, en later, geheel volgens het plan, dat door de stammoeder aangegeven is, voortgezet door de talrijke arbeidsters, die zich uit hare bevruchte eieren ontwikkelen. Als het gure seizoen nadert, vindt men deze met zooveel moeite samengestelde woning verlaten, evenals die der Hommels.

Bij het over alle werelddeelen verbreide geslacht der Veldwespen (Polistes) is de omtrek van het halfzittende achterlijf langwerpig eivormig; zijn eerste lid (hoewel niet tot een steel versmald, zooals bij het geslacht Polybia) is trechtervormig, loopt van voren uit in een punt, die verbonden is met het van achteren spits toeloopende achterborststuk, welks schuins afhellend rugschild aanleiding geeft tot de wijde kloof, die het borststuk van het achterlijf scheidt. De leden van dit geslacht bouwen zeer eenvoudige, steeds onbedekt blijvende nesten, die meestal slechts één raat bevatten, waaraan zelden een tweede wordt toegevoegd.

De Fransche Papierwesp (Polistes gallica), komt niet slechts in Frankrijk, maar ook in Duitschland veelvuldig voor; hier te lande heeft men haar nog niet waargenomen. Haar lichaam is op verschillende wijzen geteekend met talrijke gele vlekken en banden op zwarten grond. Het wijfje is 14, het mannetje 13, de arbeidster 11 mM. lang. Evenals bij de Gewone Bijen, ontstaan de mannetjes uit onbevruchte, de arbeidsters en wijfjes uit bevruchte eieren. In 't begin van de lente verlaat het wijfje haar winterkwartier en begint aan een tak van een struik, aan een stam (zooals in onze afbeelding) of onder een vooruitstekend gedeelte van een muur haar nest te bouwen, dat aanvankelijk uit slechts weinige, aan een kort zuiltje bevestigde cellen bestaat, maar mettertijd een rozet van 3 à 9 cM. middellijn vormt. Slechts in buitengewoon gunstige zomers neemt het aantal leden van het kleine gezelschap zoo sterk toe, dat een tweede raat noodig wordt, die met de eerste door een middelzuiltje verbonden is.

De meeste inheemsche soorten van het geslacht der Echte Wespen (Vespa) zijn zwart en geel en stemmen door de verdeeling harer kleuren zoozeer overeen, dat het soms moeite kost ze met zekerheid van elkander te onderscheiden, vooral omdat bij sommige de mannetjes in het laatstgenoemde opzicht van de wijfjes verschillen. Gewoonlijk hebben de overigens zwarte ringen van het achterlijf van achteren een gelen zoom, die aan de rugzijde in 't midden van den voorrand een zwarten inham heeft en bij het wijfje met twee zwarte stippen geteekend is; bij de arbeidsters zijn deze zoomen iets smaller en meer uitgetakt, daar het geel de zwarte stippen niet altijd geheel omgeeft. Het achterlijf heeft een spoelvormige gedaante; het is aan den wortel recht afgeknot en volgens een klein vlakje verbonden met het eveneens steil afhellende rugschild van het achterborststuk; het is dus volkomen "zittend": de hier aanwezige tusschenruimte is nauw en diep. Slechts weinige soorten van dit geslacht bewonen Europa; veel grooter is haar aantal in de gematigde en koude gewesten van Amerika; ook vindt men ze in China, op Java en het Indische vasteland. De raten van hare nesten zijn beschut door een bladerigen mantel.

Van de 8 inheemsche soorten van dit geslacht is de 20 à 23 mM. lange Paardewesp of Horzelwesp (Vespa crabro) de grootste; hieraan en aan de grootendeels roode kleur van de voorste lichaamshelft kan men haar gemakkelijk van hare verwanten onderscheiden. Zij komt in geheel Europa, noordwaarts tot in Lapland voor. Bij ons schijnt zij in de kleistreken te ontbreken; in de zandstreken, althans in die van de oostelijke provinciën, vindt men haar vrij algemeen. De naam "Horzel", waarmede zij dikwijls aangeduid wordt, zou aanleiding kunnen geven tot verwarring, daar er ook Tweevleugelige Insecten zijn, die dezen naam dragen. In Overijsel heet zij Horp, in Gelderland Horentje of Hoornaar.

Het wijfje, dat gedurende den winter op een veilige schuilplaats verborgen was, begint in de eerste dagen van Mei een nest te bouwen: aan een balk, in een ledigen bijenkorf van het oude model, in een hollen boomstam of op een andere eenzame plek. Het eerste beginsel van het gebouw bestaat uit een deel van het bolvormige omhulsel, aan welks binnenzijde de eerste raat met van onderen geopende, zeszijdige cellen door tusschenkomst van een stevig steeltje bevestigd wordt. De bouwstof bestaat uit de groene schors van verschillende boomen, vooral van jonge esschen, die soms aan alle zijden afgeschild worden en hierdoor veel schade lijden. Zoodra een klein aantal cellen gereed is, begint de bouwmeesteres eieren te leggen. Vijf dagen later verlaat de larve het ei en vindt in de cel een voorraad voedsel, die uit fijn gekauwde Insecten (o.a. Bijen) bestaat en soms met honig vermengd is. Op den negenden levensdag is de made volwassen; haar lichaam vult de cel volkomen en steekt er zelfs voor een klein deel uit; daarom heeft het deksel, waarmede zij zelf haar wieg sluit, een zuiver halfbolvormige gedaante. Veertien dagen later wandelt de jonge Paardewesp-arbeidster voor 't eerst buiten haar cel; zij heeft dus in 't geheel vier weken voor haar ontwikkeling noodig gehad. Zoodra zij bekomen is van den eersten schrik over haar ongewonen toestand, poetst zij zich de sprieten en pooten en kruipt weer in haar wieg om deze te reinigen en voor de ontvangst van een tweede ei geschikt te maken. Als zij reeds zusters op haar weg ontmoet, ontneemt zij aan de eerste de beste, die met voedsel in het nest terugkomt, een stukje en eet het op. Nadat zij op deze wijze 2 dagen aan huiselijke bezigheden heeft besteed, vliegt zij met hare zusters uit, gaat op de jacht, brengt bouwstof aan en verzuimt niet ook voor haar eigen onderhoud te zorgen. Weldra is de eerste raat niet meer voldoende; er wordt een zuiltje aan gebouwd, dat steun verschaft aan een beginsel van een tweede raat, die van de vorige gescheiden is door een tusschenruimte gelijk aan de lengte van een cel. Naar gelang van de behoefte wordt het aantal pijlers vermeerderd; deze nemen geen bepaalde plaats in, maar zijn des te talrijker, naarmate de bodem van de raat een grootere uitgestrektheid verkrijgt. Een voltooid, vrij hangend nest heeft nagenoeg den vorm van een bol; van onderen, een weinig zijwaarts, bevindt zich in den mantel een opening voor het uit- en invliegen. In de nabijheid van het vlieggat zijn schildwachten geplaatst; bij naderend gevaar begeven zij zich in het nest om de bewoners te waarschuwen, die nu woedend op de rustverstoorders aanvallen en gebruik maken van hun giftig wapen.

Na het midden van September, maar vooral in het begin van October, worden ook mannetjes en volkomen ontwikkelde wijfjes geboren. Als het ruwe jaargetijde nadert, halen de tot dusver zoo liefdevolle kinderenverzorgsters, de jongen, die nog in de cellen aanwezig zijn, uit hun wieg en laten ze ellendig omkomen. Allengs bezwijken ook de mannetjes en de arbeidsters; alleen de bevruchte wijfjes overwinteren in een hiervoor geschikten schuilhoek.

De 10 à 14 mM. lange Roode Wesp (Vespa rufa) is kenbaar aan de roode vlekken en banden, die, nevens zwart en geel, den tweeden, soms ook den eersten, achterlijfsring tooien. Zij nestelt in den grond en vormt slechts kleine staten. In Nederland en Duitschland is zij zeldzaam; ook in Noord-Amerika wordt zij gevonden.

Eveneens in den grond (vooral in verlaten holen van Muizen en Mollen) vindt men het nest van de 12 à 16 mM. lange Gewone Wesp (Vespa vulgaris), die op Madeira, in Noord-Afrika en (overal veelvuldig) in Europa vliegt; het gele kopschild is gewoonlijk met een naar achteren breeder wordende, zwarte, overlangsche streep geteekend.

Nog talrijker is hier te lande op dezelfde plaatsen de even groote Duitsche Wesp (Vespa germanica); zij verschilt van de vorige o.a. door de kleur van den eersten ring van het achterlijf, bij de Duitsche geel met 3 zwarte vlekken, bij de Gewone zwart met gelen zoom. Gene werd, behalve in Europa, ook in Syrië, het noorden van Indië, in Algerië en Amerika aangetroffen.

Even groot of iets grooter is de Middelste Wesp (Vespa media), welker aan boomtakken hangende nesten in Gelderland langs den Rijn niet zeldzaam zijn; in sommige jaren is zij in enkele streken van Duitschland buitengewoon talrijk. Het borststuk heeft roode vlekken en gele figuren van den vorm van het cijfer 7; de gele strepen op het overigens zwarte achterlijf zijn minder helder, meer bruinachtig.

Ook de zeldzame, 12 à 18 mM. lange Woudwesp (Vespa sylvestris) hecht haar nest in het loover van boomen en struiken, althans boven den grond vast; het bestaat uit een papierachtige massa, die de Wesp vervaardigt door de afgeschaafde buitenste laag van vermolmd hout met haar speeksel te vermengen.

De onbeschaamdheid en de teugellooze wildheid van de Wespen zijn aan iedereen genoegzaam bekend; het duidelijkste bewijs hiervan krijgt iemand, die, zonder erg en volkomen onbewust van de nabijheid van een wespennest, welks ingang naast het door hem bewandelde voetpad gelegen is, door den geheelen zwerm overvallen en gestoken wordt. Voor eenige jaren overkwam dit ongeval aan een herdershond, die zijn meester hielp koeien te bewaken. Op een van de talrijke molshoopen, waarmede het land als bezaaid was, zat de trouwe wachter van de kudde. Plotseling springt de Hond onder geweldig gehuil in den naburigen stroom. De herder, die niet begreep, wat er voorgevallen was, snelt zijn bondgenoot te hulp, lokt hem naar zich toe en vindt het dier met Wespen bedekt. IJverig bezig met het verdrijven van de door het koude bad afgekoelde, driftige beestjes, heeft hij niet opgemerkt, dat onder zijne voeten zich een vulkaan bevindt. De vertoornde Insecten kruipen hem bij de beenen, aan den binnenkant van de broekspijpen omhoog; ook hij moet ten slotte in het water eenige verlichting zoeken van de pijn, die door de toegebrachte steken veroorzaakt wordt. Steeds grooter wordt de verwarring: het blijkt, dat de molshoopen tot woonplaats dienen aan een groot aantal wespenzwermen, die men vroeger niet had opgemerkt. Ook de grazende koeien hebben in eenige van deze nesten getrapt en worden door de hoogst opgewonden bewoners aangevallen. Alle Runderen springen brullend van pijn in 't water en delven aanvankelijk het onderspit in den strijd met het angeldragend gedierte. Het kostte groote moeite en de medewerking van vele helpers om langzamerhand de orde te herstellen. Alle pogingen om de nesten te vernielen en de weide voor het grazende vee bruikbaar te maken bleven zonder resultaat. De Wespen bleven gedurende dit seizoen heer en meester over het slagveld.

Het luid en dreigend "Tsoe! Tsoe! Tsoe!" van de Wesp, die door het geopende venster naar binnen vliegt, veroorzaakt vrees en schrik. Zij zoekt hier een Vlieg, een Spin, een stukje vleesch of een zoet hapje en laat zich niet afschrikken door de vervolging, waaraan zij blootgesteld is van den kant der rechtmatige bewoners, die niet op dit bezoek gesteld zijn.

De jongen worden op dezelfde wijze grootgebracht als die der Paardewespen; zoodra de gemeente met een jonge burgeres verrijkt is, begint deze deel te nemen aan de werkzaamheden harer oudere zusters. Aan cellen bouwen, jagen, moorden, kinderenvoeren en het vernieuwen van hare eigene, niet gespaarde krachten is haar kortstondig leven gewijd. In den herfst verschijnen de mannetjes en de volkomen ontwikkelde wijfjes om te zorgen, dat het geslacht niet uitsterft, want de stammoeder is nu uitgeput. De bevruchte wijfjes zoeken een veilig winterkwartier op; vóór den winter sterven alle overige leden van het gezelschap.

De familie der Mieren (Formicina) behoort eveneens tot de gezellig levende Vliesvleugeligen, welker maatschappijen op sommige tijden uit drieërlei standen samengesteld zijn: de gevleugelde wijfjes en mannetjes en de steeds ongevleugelde arbeidsters of onvolkomen ontwikkelde wijfjes. Deze kunnen zelfs 2 of 3 vormen vertoonen; bij de Europeesche soorten komt dit verschijnsel zelden, bij de uitheemsche dikwijls voor. Een van deze vormen kenmerkt zich door de buitengewone grootte van den kop; zulke arbeidsters worden onder den naam van soldaten van de overige onderscheiden. De mierenstaat is, evenals de bijenstaat, veeljarig.

De kop van de Mier is betrekkelijk groot, soms bij de arbeidsters zeer groot, daarentegen klein bij de mannetjes. Het meest wordt de aandacht getrokken door de krachtige kaken, die meestal sterk verbreed en op de kauwvlakte scherp of getand zijn. De liptasters bestaan uit 2 à 4 leden; de tong is minder sterk ontwikkeld dan bij de overige gezellig levende Vliesvleugeligen. Kenmerken voor de onderscheiding van hoofdgroepen leveren de zoogenaamde voorhoofdslijsten of lijstvormige uitsteeksels van den kop, die, boven de sprieten beginnend, zich naar boven en naar achteren uitstrekken hetzij in onderling evenwijdige richting of uiteenwijkend,--rechtlijnig of S-vormig gebogen. De sprieten zijn "gebroken"; bij de mannetjes valt dit soms, wegens de kortheid van de schaft, niet duidelijk in 't oog; de 9- à 12-ledige zweep is draadvormig of door het dikker worden van de leden naar de spits eenigszins knotsvormig. De 3 enkelvoudige oogen op de kruin zijn bij de arbeidsters dikwijls afwezig.

Het borststuk vertoont bij de gevleugelde Mieren geen belangrijke eigenaardigheden; het is echter bijzonder smal en loopt van boven in een stompen kant uit bij exemplaren waar het nooit vleugels draagt; vooral hieraan dankt het geheele lichaam zijn eigenaardig voorkomen. De vleugels zijn tamelijk losjes bevestigd en vallen uit, zoodra de paring heeft plaats gehad. Hun aderenstelsel is weinig ontwikkeld. De pooten zijn slank; een éénledige dijring verbindt de heup en de dij, evenals bij alle Roofwespen en Bijen; de voet is vijfledig.

Het achterlijf bestaat uit 6, bij de mannetjes uit 7 ringen; het is altijd door een steel met het borststuk verbonden; de wijze waarop dit geschiedt, oefent grooten invloed uit op de geschiktheid van het Insect om de spits van het achterlijf (met den hieraan soms voorkomenden angel) naar voren te krommen. Bij het beschrijven van den lichaamsvorm is men gewoon den steel als een afzonderlijke afdeeling te beschouwen. Hij kan éénledig of tweeledig zijn en vormt in 't eerstgenoemde geval tusschen het rugschild van het achterborststuk en het achterlijf een knoopvormige verdikking, of gelijkt op een aan de hoeken afgeronden kubus. In den regel echter draagt zijn bovenzijde een van voren naar achteren gerichte, vierhoekige, afgeronde, naar boven min of meer uitpuilende dwarslijst, de zoogenaamde schub. Als de steel tweeledig is, vormt het tweede lid een bolvormigen of een zijdelings verbreeden knoop; het eerste lid is van voren steelvormig, van achteren tot een knoop verdikt. De mannetjes zijn gemakkelijk van de wijfjes te onderscheiden aan den kleinen kop, de langere en dunnere pooten, de smallere bovenkaken; zij hebben één lid meer in 't achterlijf en in de zweep van de sprieten en verliezen nooit de vleugels, gelijk de wijfjes. Deze en de werkmieren zijn zeer bijtlustig en laten een sterk zuur, dat mierenzuur wordt genoemd, in de wonde vloeien; te dien einde is de spits van het achterlijf, waaruit dit zuur ontwijkt, naar voren gekromd. Andere Mieren, vooral die met een tweeledig steeltje, hebben, evenals de Bijen en de Wespen, een angel en gebruiken dezen als wapen. In beide gevallen veroorzaakt het mierenzuur, dat in de wonde dringt, een brandende pijn en een lichte ontsteking.