Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 04: De Insecten
Part 2
De vleugels zijn dikwijls gelijksoortig en bestaan dan meestal uit dunne, door chitine-aders gesteunde vliezen; soms echter zijn de voorvleugels geheel hard geworden en kunnen niet meer voor 't vliegen dienen; zij heeten dan dekschilden (elytra), omdat zij een beschuttend bekleedsel vormen voor de dunne, vliezige achtervleugels en voor de rugzijde van het lichaam. De aders of ribben dienen tot steun voor de dunne vleugelvliezen en omsluiten aan haar oppervlakte dikwijls vakjes, die men cellen noemt. De Tweevleugeligen bezitten alleen de voorvleugels; bij vele viervleugelige Insecten gaan de achtervleugels later verloren, vele leden der klasse zijn volkomen ongevleugeld.
De derde hoofdgroep van segmenten van het Insect, het achterlijf (abdomen), bestaat over 't algemeen uit 10 ringen. Slechts zelden is dit normale getal werkelijk aanwezig, daar de beide laatste leden meestal eigenaardige vervormingen ondergaan of geheel onontwikkeld blijven (reductie) of onder de vorige teruggetrokken worden. Ook kan de eerste ring van het achterlijf onbeweeglijk worden ten opzichte van het achterborststuk, waardoor het aantal borstsegmenten schijnbaar toeneemt. Aan den anderen kant kan door splitsing van den laatsten achterlijfsring (bij Sprinkhanen) een vermeerdering van het aantal leden tot elf veroorzaakt worden. Eigenlijke ledematen komen aan het achterlijf der volwassen Insecten niet voor; dikwijls echter treft men bij hen een legboor, stiften (styli), staarten (cerci), haken (unci) en andere aanhangsels aan, die men als vervormde ledematen kan aanmerken. Niet slechts de vorm van het achterlijf, maar ook de wijze waarop het met het borststuk verbonden is, heeft een belangrijken invloed op het voorkomen van het Insect. Wanneer zijn geheele voorvlakte nauw aansluit tegen den achterwand van het borststuk, noemt men het achterlijf vastzittend; als het met het borststuk volgens een dwarslijn samenhangt, heet het zittend; als de verbinding op één punt plaats heeft, noemt men het achterlijf aanhangend (wanneer het van voren niet dunner wordt, zooals bij de Honigbij) of gesteeld (wanneer het aan den wortel tot een meer of minder langen "steel" versmald is, zooals bij de Wegwesp). Terwijl sommige Insecten een buitengewoon dunne en slanke taille hebben, ontbreekt deze bij andere volkomen; alle denkbare overgangsvormen tusschen de genoemde uitersten komen voor en worden gewoonlijk door beperkende woorden, zooals "bijna" zittend, "nauwelijks" gesteeld, enz. op eenigszins vage wijze aangeduid.
Het huidskelet van het Insect biedt niet slechts door den vorm en de grootte der bestanddeelen, het aantal waarin zij optreden, hun stevigheid en den daarmede samenhangenden toestand der oppervlakte, maar ook door kleur en bekleeding een buitengewoon groote verscheidenheid aan. Met allerlei uit chitine samengestelde vormingen zijn verschillende deelen meer of minder dicht begroeid; haren, borstels en schubben bedekken niet zelden het lichaam overal zoo rijkelijk, dat de huid er geheel onder verborgen is. In dit geval hangt de kleur van het Insect hoofdzakelijk van deze bestanddeelen af. Niet slechts de bonte Vlinders ontleenen aan de schubben der vleugels hun kleurenpracht, maar ook Kevers en andere Insecten, vooral die, welke de tropische gewesten bewonen en als goud, zilver, smaragd en andere edelgesteenten schitteren, danken al haar schoonheid uitsluitend aan de structuur van de oppervlakte der hen bedekkende schubben, die, van verschillende zijden gezien, het licht telkens op andere wijze terugkaatsen. Haren (borstels) zijn het meest algemeen verbreide bestanddeel van het kleed der Insecten; waarschijnlijk ontbreken zij zelden geheel en al; de lichaamsdeelen, waarop zij met het ongewapend oog niet zichtbaar zijn, noemt men naakt.
Nu wij toch over de kleur van de Insecten spreken, moge terloops gewezen worden op een merkwaardig verschijnsel, dat hierbij valt op te merken. Vele Insecten gelijken zoo zeer op de hen omgevende of op andere (oneetbare) voorwerpen, zooals b.v. op uitwerpselen van Vogels, dat het groote moeite kost, ze te herkennen. De Groene Sprinkhaan is bijna niet te onderscheiden van het blad, waarop hij zit; de bruin gekleurde Vlinder schijnt één geheel te vormen met de schors van den boomstam, waarop hij rust. Soms wordt de overeenkomst tusschen de omgeving en het dier nog grooter, doordat ook andere eigenaardigheden van 't lichaam--zijn vorm en die van de hieraan voorkomende aanhangselen--tot vergissing aanleiding geven. Daar door dergelijke inrichtingen een dier aan de oogen zijner vijanden in meerdere of mindere mate onttrokken wordt, spreekt men van beschermende kleuren of van beschermende gelijkenis. De Spooksprinkhanen en de "Wandelende Bladen" leveren hiervan uitmuntende voorbeelden. Er zijn echter ook andere Insecten, die, getooid met de fraaiste en meest in 't oogvallende kleuren, onbezorgd door de lucht fladderen, of, op bladen en bloemen gezeten, zich door de zon laten koesteren en toch van insectenetende dieren niets te vreezen hebben. Hun veiligheid danken deze volkomen weerlooze dieren aan de treffende overeenkomst, die zij vertoonen met leden van geheel andere groepen, welke wegens hun vergiftigen angel of wegens de een of andere afkeerwekkende eigenschap door hunne vijanden gemeden worden. Deze hoogst zonderlinge toepassing van beschermde kleuren, waarvan de Engelsche natuuronderzoekers en reizigers Bates en Wallage in de keerkringsgewesten de eerste voorbeelden hebben waargenomen, werd door hen "mimicry" (nabootsing) genoemd en is nog steeds onder dezen naam bekend.
De spieren der Insecten zijn kleurloos of hebben een lichtgele tint; zij bestaan alle uit dwarsgestreepte spiervezels en vormen, te zamen met de huid, den "huidspierzak", waaraan een verdeeling in leden valt op te merken, welke met die van het uitwendig huidskelet overeenkomt. Op plaatsen waar de sterkste beweegkracht vereischt wordt, in het borststuk b.v. voor de vlieg- en kruiporganen, worden natuurlijk ook de meeste spieren gevonden.
Wat het zenuwstelsel betreft, herinneren wij aan hetgeen van den bouw der centrale deelen bij de Arthropoden in 't algemeen reeds gezegd is. Het bovenste ganglion van den slokdarmring, de hersenzenuwknoop, staat niet slechts met de oogen en sprieten, maar ook met de ingewanden in gemeenschap; de iets kleinere onderslokdarmzenuwknoop innerveert de monddeelen; de borst- en achterlijfsgangliën zenden zenuwen naar alle overige organen en door tusschenkomst van een afzonderlijken "sympathicus" ook naar de luchtbuizen. Bovendien onderscheidt men nog een met de hersenen samenhangend ingewandenzenuwstelsel, dat uit een onparige en een parige zenuw bestaat en afzonderlijke gangliën bezit.
De spijsverteringswerktuigen bestaan uit het spijskanaal en de hiermede verbonden klieren. Het voedsel volgt van den mond tot den aars een rechten of gekronkelden weg, die soms vele malen langer is dan de regelrechte afstand tusschen de beide genoemde openingen. Naar zijn bouw en verrichtingen onderscheidt men in het spijskanaal drie hoofdafdeelingen, die het best aangeduid kunnen worden met de namen voor-, middel- en einddarm. De voordarm bestaat uit de mondholte, waarin een of meer paren speekselklieren uitmonden, en den slokdarm, die zich dikwijls tot een krop verwijdt of door een langen steel met een zoogenaamde "zuigmaag" verbonden is of aan zijn einde een opzwelling (de "kauwmaag") vormt, welks gespierde wand aan de binnenste oppervlakte met als tanden dienst doende chitine-knobbels bezet is. In den nu volgenden middeldarm wordt de reeds begonnen vertering van de spijs voortgezet en het voedingsvocht of "chylus" bereid; daarom heet deze darm ook wel chylusdarm. De einddarm, die men verdeelen kan in dunnen, dikken en endeldarm, heeft ten doel de onverteerde voedseldeelen, den drek, naar buiten te voeren en staat bij zijn oorsprong in gemeenschap met een meer of minder groot aantal blinde zakken, die onder den naam van Malpighi'sche vaten bekend zijn en dezelfde verrichting hebben als de nieren der hoogere dieren.
Voor den bloedsomloop dient een hart, dat den vorm heeft van een lange, gespierde buis, die onmiddellijk onder de huid van den rug in het achterlijf gelegen is en daarom ook ruggevat wordt genoemd. Door insnoeringen is het, in verband met de segmentatie van de overige organen, in een ongelijk groot aantal kamers verdeeld, die ieder door een paar spleetvormige openingen het bloed in zich opnemen. Door spiersamentrekkingen, die aan het als een blinden zak eindigende, achterste deel aanvangen en naar voren voortschrijden, wordt het bloed voortgestuwd naar de voorste kamer en door deze uitgestort in de onmiddellijk daarop volgende "aorta", die zich tot in den kop uitstrekt en vervolgens de vloeistof vrij in de lichaamsholte laat uitvloeien. Langs dezen weg begeeft het zich in regelmatige stroomen naar alle lichaamsdeelen, keert ten slotte, vier hoofdbanen volgend, naar het hart terug en begint, na hierin door de zijdelingsche spleetopeningen te zijn doorgedrongen, een nieuwen omloop. Het bloed is meestal kleurloos, soms geelachtig of groenachtig, zelden rood.
Een tegenstelling met de zooeven genoemde, eenvoudig ingerichte organen, vormt het voor de ademhaling dienende luchtbuizennet (tracheeënstelsel), dat zich in alle deelen van het lichaam sterk vertakt en op sommige punten blaasvormig verwijdt; hierdoor wordt de zuurstof van de lucht of van het water aan het bloed toegevoerd en het als eindproduct van de stofwisseling gevormde koolzuur verwijderd. Van de hoofdstammen leiden korte, dikke takken naar buiten, naar de ademgaten (stigmata). Deze bevinden zich meestal aan de zijden der ringen, aan het achterlijf meestal in het vlies, dat twee opeenvolgende ringen verbindt, en zijn altijd paarsgewijs geplaatst. De opening van ieder ademgat is door een chitine-ring omgeven en kan naar verkiezing gesloten of geopend worden. De luchtbuizen zelf worden door een spiraalvormige verdikking van hun chitineuze binnenste oppervlakte altijd opengehouden en vertoonen zich, omdat zij met lucht gevuld zijn, als zilverkleurige draden. De Insecten, die het water bewonen, komen van tijd tot tijd aan den waterspiegel om met het viltachtig bekleedsel van de buikzijde van den stam of met andere voor 't zelfde doel geschikte lichaamsdeelen een zekere hoeveelheid lucht onder water mede te nemen. Andere Insecten, die in het water hunne gedaantewisselingen ondergaan, bezitten gedurende den larvetoestand veder-, draad- of kwastvormige aanhangsels, die de ademgaten vervangen en door hunne zeer fijne luchtkanaaltjes voor de uitwisseling van koolzuur tegen zuurstof zorgen. Men noemt deze organen tracheeënkieuwen en spreekt in dit geval van een gesloten luchtbuizenstelsel. Verstopping van de ademgaten brengt bij het Insect vrij schielijk den dood door verstikking teweeg.
De meeste Insecten hebben geen stem. Slechts weinige brengen geluiden voort, die reeds in overouden tijd door de onderzoekers nagegaan, door de dichters verheerlijkt werden. Men moet onderscheid maken tusschen de geluiden, welke veroorzaakt worden door het tegen elkander wrijven van bepaalde lichaamsdeelen, die met lijsten, rimpels en andere oneffenheden voorzien zijn, en de tonen, voor welker vorming een echt stemorgaan aanwezig is, dat, evenals bij de hoogere dieren, met de ademhalingswerktuigen in gemeenschap staat. Een aantal Kevers maken een knarsend geluid, vooral wanneer men ze vasthoudt; dit geschiedt steeds door verschillende harde deelen van hun lichaam tegen elkander te wrijven. Het op grooten afstand hoorbare gesjirp der Sprinkhanen wordt voortgebracht door de achterpooten langs de vleugels of deze tegen elkander te wrijven en heeft met de ademhalingswerktuigen niets te maken. Bij het gonzen en brommen van de Bijen, Hommels, Vliegen, enz. gedurende het vliegen spelen niet slechts de snelle beweging der vleugels, maar ook vliesjes aan het einde van sommige luchtbuizen een rol. De zoogenaamde Zingcicaden bezitten, behalve een dergelijk muziekinstrument, ook nog een eigenaardigen klankbodem, waardoor haar stem op verren afstand hoorbaar wordt.
Dikwijls is het voor een ongeoefend oog moeilijk om aan uitwendig waarneembare kenmerken de mannetjes en de wijfjes van een en dezelfde soort te onderscheiden, daar zij bijna volkomen overeenstemmen. Toch zijn er ook vele Insecten, waar het verschil tusschen de dieren van beiderlei sekse zoo sterk in 't oog valt, dat men zich er volstrekt niet over behoeft te verwonderen, dat sommige onderzoekers het mannetje onder dezen, het wijfje onder een anderen naam beschreven en als leden van verschillende soorten aangemerkt hebben. Zoo hebben b.v. bij eenige orden van Insecten de mannetjes vleugels, terwijl de wijfjes ongevleugeld zijn en is het lichaam van deze op geheel andere wijze gebouwd of gekleurd dan dat van gene.
Met uitzondering van enkele soorten, welker leden als larven het lichaam van het wijfje verlaten, leggen alle Insecten eieren tot het in stand houden van hun soort. Hoewel de zorg voor de nakomelingschap zich op een geheel andere wijze openbaart dan bij de hoogere dieren, vooral bij de Vogels, verdient zij in niet mindere mate dan deze onze bewondering. Terwijl de Vogel zijne eieren zelf uitbroedt en de jongen grootbrengt, laat het Insect de eerstgenoemde verrichting aan de zonnewarmte over; het smaakt meestal niet eens het genoegen zijne jongen te zien en is nog veel minder in de gelegenheid om hen gedurende hun ontwikkeling te beschermen en te onderrichten. Zijn zorg bepaalt zich dus tot het leggen van de eieren op een geschikte plaats, welke taak uitsluitend door de moeder wordt vervuld. Door een aangeboren begaafdheid geleid, weet het wijfje de plant te vinden, waaraan het jong na het verlaten van het ei zijn voedsel ontleent. Andere Insecten, welker jongen zich uitsluitend met rottende plantaardige of dierlijke stoffen voeden, weten deze voor hunne eieren geschikte broedplaatsen te vinden. Vele Muggen, Vliegen, Libellen en verwante soorten, die in den volkomen toestand in den volsten zin van 't woord bewoners van de lucht zijn, houden zich gedurende haar jeugd in 't water op; daarom laten de wijfjes van deze Insecten hare eieren in 't water vallen of hechten ze aan waterplanten vast. Zij, die in het lichaam van andere Insecten of zelfs van warmbloedige dieren hun jeugd doorbrachten, weten, als voor hen de tijd van eierleggen gekomen is, het voor "gastheer" hunner jongen geschikte dier te vinden en het met een of meer eieren te belasten, hetzij door zich direct op hem neer te zetten, of wel door hun slachtoffer, dat in het hout of op een andere wijze verborgen is, met hun langen legboor te treffen. Steeds komt het er op aan, voor de eieren de juiste plaats te vinden, ze op een doelmatige wijze vast te hechten of met een beschuttend hulsel te voorzien, als het noodig is, hen tegen de winterkoude of tegen andere nadeelige invloeden te vrijwaren.
Zoolang het jonge dier door de eihuid omsloten is, heet het embryo of kiem. Op het oogenblik waarin het de eischaal verlaat, d. i. geboren wordt, houdt het op embryo te zijn en wordt een larve, daar het in de meeste gevallen volstrekt niet op het volkomen Insect gelijkt, maar als 't ware een "masker" draagt, aan een Worm gelijk, op of in de aarde kruipt en den steeds nijpenden honger met bladen, dieren of rottende stoffen stilt, terwijl zijne ouders in een geheel andere gestalte met rappe vleugels door de lucht zwieren en honigsap of dauwdruppels in zich opnemen. Tusschen beide toestanden ligt die van pop, een tijdperk van rust, als overgangsstadium. Eerst daarna verschijnt het imago, het volkomen Insect. In dit geval spreekt men van volkomen gedaantewisseling (metamorphose). Deze komt echter niet bij alle Insecten voor. Bij sommige (die echter in de minderheid blijven) gelijkt de larve in hoofdzaken op hare ouders; alleen de vleugels, eenige leden van sprieten en tasters of andere eigenaardigheden, die men gemakkelijk over 't hoofd kan zien, ontbreken; in dit geval is de gedaantewisseling onvolkomen. Wanneer het geslachtsrijpe dier in 't geheel geen vleugels heeft, vallen de kenteekenen van de gedaantewisseling weg.
Bij de Insecten komt een trapsgewijze ontwikkeling voor, die met verscheidene vervellingen van de larve gepaard gaat. De vervellingen hebben na bepaalde tijdruimten plaats, bij sommige vroeger, bij andere later; zij komen meer of minder dikwijls voor, meestal echter niet vaker dan zesmaal en vertoonen eenige overeenkomst met een ziektetoestand. De larve blijft zonder beweging zitten, gebruikt geen voedsel en is in dezen tijd bijzonder gevoelig voor uitwendige invloeden, vooral voor een ongunstige weersgesteldheid, totdat eindelijk de oude chitine-laag in den nek een barst verkrijgt en het met een nieuw kleed bedekte wezen, dat soms ook een andere kleur aangenomen heeft en op een andere wijze getooid is, zich onder krampachtige windingen vrijmaakt van het nu noodelooze hulsel. De verandering bepaalt zich echter niet tot uitwendig waarneembare lichaamsdeelen, ook van binnen heeft het dier een verjongingskuur ondergaan. De vrij-levende larven werpen geregeld hun huid af; dit geschiedt echter niet altijd bij die, welke, van de buitenwereld en haar vijandigen invloed afgesloten, in andere dieren leven. De larvetoestand is voor de Insecten het eenige tijdperk van groei; daarom onderscheiden de larven zich door haar buitengewone vraatzucht en door de zeer sterke ontwikkeling harer spijsverteringsorganen. In 24 uur kan de rups van een Vlinder meer dan het dubbele van haar gewicht aan plantaardig voedsel gebruiken en hierdoor haar gewicht met een tiende vermeerderen; in 30 dagen wordt haar gewicht 950 maal zoo groot als het op het oogenblik van de geboorte was. Welke verwoestingen de van plantaardige stoffen levende larven in tuinen en wouden, op weiden en akkers kunnen aanrichten, weten zij, die hierdoor schade lijden, het best te beoordeelen.
De larven der Insecten met volkomen gedaantewisseling hebben voor 't meerendeel een langwerpig, door gelijksoortige ringen begrensd lichaam, maar verdienen daarom den naam van "Wormen" niet, dien men hun dikwijls geeft. Vooreerst zijn er larven met en larven zonder pooten. De eerstgenoemde hebben dan geregeld aan de drie eerste ringen na den kop, aan het toekomstige borststuk, 3 paar gelede, in 1 of 2 klauwen eindigende ledematen, die men borstpooten of ware pooten noemt. Bovendien kunnen aan eenige of aan nagenoeg alle ringen van de volgende lichaamsafdeeling ook nog achterlijfspooten of valsche pooten voorkomen; deze zijn nooit geleed, maar eenvoudig vleezige uitstulpingen van de huid. Zulke larven heeten rupsen. Haar hoornachtig harde kop is met bijtende monddeelen voorzien, zelfs dan, wanneer het geslachtsrijpe dier een zuiger bezit. Zeer vele larven hebben in hun lichaam twee spinklieren, ter bereiding van eene taaie stof, welke tot draden kan worden uitgetrokken, die aan de lucht verharden. Zij dient meer bepaaldelijk op zeer jeugdigen leeftijd maar ook later tot beveiliging, in tijden van nood als middel om te ontvluchten; vooral echter komt zij te pas bij den overgang uit den toestand van larve in dien van pop, daar vele larven een spinsel (cocon) vervaardigen waarbinnen zij zich verpoppen. Zooals bekend is, levert het spinsel van sommige rupsen de kostbare zijde.
De pootlooze larven heeten maden; sommige hebben een hoornachtig harden kop; bij andere neemt het voorste deel van 't lichaam geen bepaalde vorm aan, kan tot een spits verlengd en ver teruggetrokken worden, maar vertoont zelfs geen sporen van bijtende monddeelen of van andere den kop kenmerkende organen.
Zooals reeds gezegd is, heeten de Insecten met volkomen gedaantewisseling pop (pupa) gedurende het tijdperk, dat bij het einde van het larveleven aanvangt. Men heeft ook wel eens bij Insecten, die een onvolkomen gedaantewisseling ondergaan, van pop (nympha) gesproken en dezen naam gegeven aan de larve gedurende het tijdperk na de voorlaatste vervelling, waarin zij echter slechts zelden bijzondere eigenaardigheden vertoont. Onmiddellijk na de vervelling, die aan den overgang in den toestand van pop voorafgaat, kan men bij deze de ledematen: sprieten, beginsels van vleugels, pooten, ieder afzonderlijk door een doorschijnend vliesje omhuld, oplichten en van den romp verwijderen; zij kleven er echter na verloop van korten tijd stevig aan vast en vormen een geheel, dat niet slechts door de ledematen, maar ook door de drie hoofdafdeelingen van het lichaam en door de geleding van het achterlijf een duidelijk beeld levert van het toekomstige Insect. In vele gevallen echter moet de laatste larvehuid ook nog dienst doen tot beschutting van de pop, die uit het door haar bedekte lichaam ontstaat; dit krimpt eenigszins in en de nu loszittende huid verhardt langzamerhand. Daar het op deze wijze gevormde hulsel meestal den vorm van een tonnetje heeft, worden zulke poppen, die een eigenaardigheid zijn van de Vliegen, tonnetjespoppen genoemd. Soms gelijken zij veel op poppen die op geheel andere wijze ontstonden. Dikwijls omgeeft, zooals reeds gezegd is, de larve haar lichaam met een cocon en kan deze wegens zijn dichtheid en perkamentachtige geaardheid bij uitwendig onderzoek niet herkend worden als een product van de spinklieren. In de meeste cocons is trouwens de samenstelling uit een draad nog waar te nemen. De vrije poppen, die zoomin het eene als het andere hulsel bezitten, zijn nooit onmiddellijk aan de zonnestralen en aan weer en wind blootgesteld, maar in den grond, onder bladen of boomschors, binnen in andere lichamen of op een andere beschutte plaats verborgen. Alleen poppen, die met een tonnetje of een cocon bedekt zijn, vindt men soms open en bloot liggen; men mag dus wel aannemen, dat het pophulsel, van welken aard ook, veiligheid moet verschaffen aan het voor een volkomener toestand zich voorbereidende dier, daar het niet in staat is zich te verweren of het gevaar te ontvluchten.
Men zou het Insect kunnen vergelijken met de éénjarige plant, die slechts éénmaal in haar leven een stengel met bladen, bloemen en vruchten voortbrengt, en haar levensdoel bereikt heeft, zoodra de vruchten rijp geworden zijn, omdat door de hierin aanwezige, voor ontkieming geschikte zaden het voortbestaan van de soort verzekerd is. Ook het Insect bevindt zich aan den eindpaal van 't leven, zoodra het, na achtereenvolgens ei, larve en pop te zijn geweest, geslachtsrijp geworden is en gepaard heeft. Het mannetje sterft zeer kort daarna, het wijfje niet voordat het de bevruchte eieren te rechter plaatse heeft neergelegd, waarvoor een korten, doch als de winter tusschenbeide komt, een langere tijd vereischt wordt. Dat een bijenkoningin jaren lang voortgaan kan met eieren te leggen is een van de zeldzame uitzonderingen op den overigens algemeenen regel. Men mag dus het leven van een Insect kort noemen, hoewel het dikwijls langer duurt dan dat van de éénjarige plant, waarmede het zooeven vergeleken werd. Bij sommige soorten geschiedt de ontwikkeling zoo snel, dat er binnen het jaar eenige geslachten elkander opvolgen, bij andere soorten zijn verscheidene (hoogstens ongeveer 5) jaren noodig voor de volledige reeks van verrichtingen van een enkele generatie.