Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 04: De Insecten

Part 19

Chapter 193,576 wordsPublic domain

De Timmerbijen bouwen reeksen van cellen in hout; de meeste soorten bewonen de heete landen van Amerika, Afrika en Azië; verscheidene soorten die veel op elkander gelijken, treft men in Zuid-Europa aan; één daarvan wordt ook verder noordwaarts tot in sommige gewesten van Duitschland (doch niet bij ons) gevonden. Deze, de Paarsgevleugelde Timmerbij (Xylocopa violacea), is middelmatig groot; zijn lengte is verschillend en kan hoogstens 25 mM. bedragen; het geheele lichaam is zwart van kleur. Luid gonzend vliegt het wijfje, dat een broedplaats voor hare eieren zoekt, bij latten, houten schuttingen en palen rond; oud hout, een half vergane paal, een gedeeltelijk vermolmde boomstam, waarvan reeds eenige stukken schors zijn afgevallen, lachen haar het meest toe en maken den zwaren arbeid, dien zij te verrichten heeft, mogelijk. IJverig gaat zij aan 't knagen, totdat er een gat ontstaan is, waarin zij met haar lichaam kan doordringen, holt dit nog eenige mM. ver naar binnen uit en geeft vervolgens aan de gang een benedenwaartsche richting. Als beitels dienen de bovenkaken ieder afzonderlijk; te zamen vormen zij een niet minder doelmatige tang; geschikt om de houtspaanders naar buiten te vervoeren. Al dieper en dieper wordt de gang; zij is overal even wijd, aan 't einde een weinig buitenwaarts gekromd en kan een lengte van 31 cM. bereiken. Bij dezen arbeid gunt de zorgzame moeder zich bijna geen rust, tenzij om af en toe een uitstapje te maken naar de bloemen, uit welker honig zij nieuwe krachten put en die haar het stuifmeel verschaffen, dat zij met honig vermengt, om hiervan een nauwkeurig bepaalde hoeveelheid in het onderste deel van de gang op te hoopen. Nadat op dezen hoop larve-voedsel een ei is gelegd, wordt met een deksel, dat uit concentrische ringen van gekauwde houtvezels bestaat, de onderste cel van boven gesloten. Deze is ongeveer even hoog als wijd, b.v. 20 mM. Haar zolder dient tevens als vloer voor de tweede cel, die met een gelijke hoeveelheid voedsel en met een tweede ei wordt bedeeld. Op deze wijze gaat de Timmerbij voort, totdat de geheele gang in een reeks van boven elkander gelegen cellen veranderd is. Na het voltooien van dezen zwaren arbeid zijn hare krachten geheel uitgeput.

Weinige dagen later verlaat de jonge made het ei; zij ligt in gekromde houding in haar cel en vult deze nagenoeg, wanneer zij drie weken oud geworden is en in den poptoestand overgaat; dit geschiedt na het spinnen van een cocon. De larve, die de onderste cel bewoont, is de oudste en zal dus het eerst imago worden, de daarboven gelegene vervolgens en de bovenste het het laatst. Moet nu de eerstgeboren Bij wachten, totdat de jongste gereed is om haar gevangenis te verlaten en op deze wijze voor de overige een weg baant?--De jongen van de tweede generatie handelen zoo in de lente van het volgende jaar, omdat, het gure seizoen hen noodzaakte hun geboorteplaats als winterkwartier te gebruiken. De Timmerbijen, die in Augustus geboren worden, moeten echter spoedig naar buiten, waar zij dezelfde taak hebben te vervullen als hare ouders. De kortste weg wordt haar door de natuur gewezen. In de cel staat het Insect op den kop; zoodra het zich beweegt en naar voren dringt, zal het bemerken, dat de wand meegeeft. Deze aansporing volgend, komt het aan het einde van de kromming, die met houtzaagsel losjes gevuld is, waarna het slechts een dun laagje zacht hout heeft door te knagen om zich in de warme zomerlucht te bevinden. Dat het geval zich zoo toedraagt, wordt door Lepeletier aangenomen. Réaumur daarentegen bericht, dat de stammoeder een gat knaagt aan 't einde en soms nog een op het midden van de lengte van de gang, zoodat er in het geheel drie uitgangen zijn. De tweede Bij volgt de eerste na en zoo gaat het voort, totdat het geheele gezelschap uitgevlogen is en het nest ledig staat. In streken, waar de Timmerbijen zich voor goed gevestigd hebben, maken zij waarschijnlijk jaren achtereen gebruik van de oude broedplaatsen, waardoor haar bij gunstige weersgesteldheid de gelegenheid wordt verschaft om aan een talrijker nakomelingschap het aanzijn te geven dan haar anders mogelijk zou zijn.

De Mortelbij (Chalicodoma muraria), die bij oppervlakkige beschouwing op een Hommel gelijkt, vereischt wegens de afbeeldingen geen uitvoerige beschrijving. Het zal voldoende zijn op te merken, dat het wijfje geheel en al zwart is, ook de vleugels, die bij de spits een lichtere kleur aannemen, en dat het mannetje een vosrood kleed heeft. De buik is, evenals de rug, sterk behaard; bij het wijfje zijn deze haren borstelvormig en achterwaarts gericht en dienen tot het verzamelen van stuifmeel voor de bereiding van voedsel. Deze soort behoort n.l. tot de Buikgaarders (Gastrilegidae). Zij komt in Middel- en Zuid-Duitschland voor, doch werd hier te lande nog niet waargenomen.

Nadat deze Bijen in Mei door een rond gat, dat zij in den wand van het nest knagen, naar buiten zijn gekomen, beginnen de 15 à 18 mM. lange wijfjes (de mannetjes zijn 11 à 13 mM. lang) cellen te bouwen, die zij tegen rotsen, doch ook wel tegen van mortel ontbloote muren, enz. vastplakken. Als bouwstof maken zij gebruik van fijne zandkorreltjes, die door middel van speeksel zoo stevig saamverbonden worden, dat men een spits werktuig met kracht hanteeren moet om een cel te openen. Deze heeft den vorm van een kleinen, ongeveer 27 mM. hoogen, naar boven nauwer wordenden vingerhoed en is van binnen glad, van buiten oneffen, zoodat men de zandkorreltjes op het gevoel onderscheiden kan. Zoodra de Bij het cilindervormige gedeelte van de cel gereed heeft, vult zij haar met honigbrij, legt er een ei op en voltooit daarna het gebouw zoo schielijk mogelijk, daar zich allerlei kwaad volk met roofzuchtige bedoelingen in de nabijheid ophoudt. Naast de eerste cel wordt een tweede gebouwd en zoo gaat het voort, totdat 6 à 8 (soms 10) cellen bijeen zijn; het aantal hangt af van de meer of minder gunstige weersgesteldheid. Het geheel heeft een golvende oppervlakte, maar wordt op zulk een wijze geëffend, dat het ten slotte veel overeenkomst heeft met een modderkluit, die door een straatjongen tegen den muur geworpen werd en hieraan vastgedroogd is. Slechts één wijfje heeft er aan gearbeid; zij sterft na het voltooien van dit werkstuk, in 't begin van Juli. Verscheidene soortgelijke kluiten komen in de nabijheid voor, die door andere wijfjes vervaardigd zijn, hoewel deze dieren volstrekt geen gezelligen aard hebben. Bij iedere ontmoeting blijkt dit; zij vliegen met de koppen tegen elkander aan en vallen gezamenlijk op den grond, waar zij den strijd voortzetten. De volwassen made omgeeft zich in haar cel met een glasachtig doorschijnend spinsel en ondergaat hierin hare gedaantewisselingen. De ontwikkelingsduur is, naar het schijnt, zeer verschillend; soms bevat de cel reeds in 't midden van Augustus een volkomen Insect, soms begint de imago-toestand eerst in 't volgende jaar. Toch verlaat de Bij eerst in Mei of in 't begin van Juni op de hierboven aangeduide wijze haar geboortehuis.

Van het in alle werelddeelen (behalve Australië) vertegenwoordigde, 100 soorten omvattende geslacht der Wolbijen (Anthidium) komen 2 soorten (A. manicatum en A. punctatum) hier te lande voor. Haar achterlijf is bijna bolvormig, in het midden kaal en glad en, evenals de pooten, met gele vlekken geteekend, wat bij de Bijen zelden voorkomt. De zijden van het achterlijf zijn van bossen gele haren voorzien. Overigens zijn deze Insecten zwart met witte haren aan den kop, het borststuk en de pooten. Het mannetje is aanmerkelijk grooter dan het wijfje en heeft de beide laatste achterlijfsringen gedoornd. De wijfjes maken ovale, hoornachtige, kastanjebruine cellen in gaten van den grond of van boomen, in spleten van muren, enz. (ook wel in sleutelgaten van tuinhuizen). Als bouwstof gebruiken zij de wollige haren, die zij met hare bovenkaken van de bladen afscheren. Met luid gegons vliegen zij, bij rukken en zeer snel, van bloem tot bloem. De mannetjes blijven dikwijls, evenals de Zweefvliegen of Staande Vliegen (Syrphus), in de lucht "staan".

De Muurbijen (Osmia) bouwen nesten van zand in gaten en hoeken van muren en maken ook wel gebruik van de verlaten woningen van andere Bijen in palen, boomstammen, enz.; van sommige heeft men nesten gevonden in ledige slakkenhuisjes. Hier te lande komt o.a. voor de Roode of Gehoornde Muurbij (Osmia bicornis), zoo genoemd, omdat het kopschild van het wijfje tusschen de benedenranden der oogen twee vrij groote, eenigszins gebogen hoorntjes draagt, die evenwel door de sterke beharing van het aangezicht weinig in 't oog vallen. Het achterlijf draagt goudkleurig rosse haren, die op den buik borstelig, doch op den rug minder overvloedig zijn, zoodat de bronskleurig glinsterende chitine-huid er door schemert. De kop en het borststuk met de pooten zijn zwart met bruine haren.

Zeer nauw verwant aan het zooeven besproken geslacht is dat der Bladsnijders of Behangersbijen (Megachile). Bij haar heeft het wijfje de rugzijde van het achterlijf aanmerkelijk afgeplat en den angel meestal naar boven gericht. De kaaktaster, die bij de Muurbijen 4-ledig is, bestaat hier uit slechts 2 leden. Bij het mannetje zijn de eindleden der sprieten verbreed en de beide laatste achterlijfsringen naar onderen gekromd. Het wijfje gebruikt als nest gaten van boomen, spleten van muren en gaten in den grond en verdeelt deze in boven elkander geplaatste, vingerhoedvormige cellen, door ze op kunstige wijze te bekleeden met stukjes van bladen van sommige planten, die zonder eenig plakmiddel samengevoegd zijn. Men heeft deze Bijen uitknipsels van bladen van ratelpopulieren, beuken, wilgen, wilde papavers en rozen als bouwstof zien bezigen.

De Gewone of Rozenbladsnijder (Megachile centuncularis) heeft een deels bruingeel, deels zwartachtig borststuk. De nagenoeg kale rugzijde van het achterlijf prijkt slechts van voren met grijsachtige, ruige haren en van den tweeden tot den vijfden ring met witte, dikwijls afgebroken banden. De buikzijde is dicht begroeid met roodbruine zamelharen; de laatste achterlijfsring van het mannetje is van onduidelijke tandjes voorzien. Deze soort werd niet slechts in Europa, maar ook in Canada en de Hudsonsbaailanden opgemerkt. Hier te lande is zij vrij algemeen. In tuinen vindt men zeer dikwijls sporen van de werkzaamheid van Behangersbijen aan rozen, doch ook wel aan acacia's, beuken, wilde wingerd en andere planten, n.l. bladen met cirkelvormige of meer langwerpige uitsnijdingen. Deze Bijen vertoonen zich tegen het einde van Mei of in 't begin van Juni. Haar voornaamste arbeid bestaat in het bouwen van cellen. Haastig ziet men een Bij naar een rozenstruik vliegen, zich op een blad neerzetten en er een lapje van de vereischte grootte en vorm uitknippen. Het gevaar van uitscheuren van het lapje, dat peperhuisvormig gebogen tusschen de pooten wordt gehouden, voorkomt zij, door klapwiekend de laatste beten te doen, waarna de buit in een oogwenk naar de bestemde plaats wordt vervoerd. Indien de plaats haar aanstaat, keert zij zeer spoedig naar dezelfde struik terug om nieuwen voorraad op te doen. In de gang, die zij in een aarden walletje, in vermolmd hout of in de voeg van een muur heeft gegraven, wordt het medegenomen lapje, dat tot dusver saamgebogen was, losgelaten; door zijn veerkracht voegt het zich tegen den wand van de holte aan. De eerste laag bestaat uit 3 of 4 betrekkelijk groote lapjes, de daarop volgende uit even groote, die aan het eene einde smaller zijn dan aan het andere. De getande rand van het blad is steeds aan de buitenzijde, de afgeknipte rand aan de binnenzijde gelegen. In dezen koker schuift de Bij een derde laag bladstukjes, soms nog een vierde en een vijfde, steeds zorgend, dat zij de voegen tusschen de vorige bedekken; eindelijk is de kleine, vingerhoedvormige cel gereed en na vulling met honig geschikt om een ei te bevatten. Voor het sluiten van de cel dient een zuiver cirkelvormig lapje, dat tevens steun verschaft aan den afgeronden bodem van de volgende cel; zoo wordt de geheele gang met cellen gevuld; zij bevat er soms 6. De volwassen larve spint een cocon en blijft hierin tot aan de volgende lente; achtereenvolgens verlaten de Bijen het nest, de bovenste het eerst.

Een groot aantal, ten deele zeer bevallige Bijen, welker wijfjes zoomin aan de pooten als aan den buik met zamelharen zijn uitgerust en die men daarom nooit met stuifmeel beladen in een gat ziet kruipen, worden als Koekoeksbijen (Cuculinae) beschouwd. Deze leggen hare eieren in de cellen van andere Bijen, misschien na hieruit vooraf het ei van de rechtmatige eigenares verwijderd te hebben, gelijk ook de Koekoek soms doet. De larve, die uit het ei van de indringster komt, voedt zich met den niet voor haar bestemden voorraad en ontwikkelt zich tot een gemakzuchtig schepsel ten koste van de nakomelingschap van het verwante Insect, dat zich met het bouwen van de cellen heeft afgesloofd. Dikwijls stemmen de Koekoeksbijen in uitzicht overeen met de soorten, waarbij zij parasiteeren en verschaffen zich door haar uniform toegang tot het vreemde nest.

De Parasiethommels (Psithyrus of Apathus) zijn door hun lichaamsbouw aan de Hommels nauw verwant. Van de 5 soorten, die in Nederland gevonden zijn, is de Veldparasiethommel (Psithyrus campestris) de meest gewone. De achterscheen heeft op de plaats, waar de scheen en de hiel bij de stuifmeelgarende Hommels uitgehold en kaal zijn, een bolle, behaarde oppervlakte; de wastang ontbreekt. De bovenzijde van het achterlijf is, met uitzondering van de laatste ringen, bijna kaal, zoodat de glanzige chitine-huid duidelijk zichtbaar is.

De meeste (n.l. 15) inheemsche soorten van Koekoeksbijen behooren tot het soortenrijke geslacht van de Wespbijen (Nomada), de bontste leden van de geheele familie. Haar lengte wisselt meestal af van 8.75 tot 13 mM.; zij zijn bijna kaal; het elliptische, van voren en van achteren spits toeloopende achterlijf draagt gele, witte of roode vlekken of strepen op glanzig zwarten of rooden grond. De voorvleugels zijn aan de buitenzijde dikwijls minder doorschijnend; zij hebben een groote randcel en 3 onderrandcellen. De Wespbijen parasiteeren hoofdzakelijk bij de Zandbijen (Andrena), doch ook wel bij de Smalbijen (Halictus); op plaatsen, waar deze Bijen gangen in den grond graven, zwermen hare parasieten in grooten getale rond. De vroegst verschijnende ziet men met hare gastheeren en andere Insecten op wilgenkatjes en later op bloeiende kruiden. 's Avonds, als zij zich ter ruste begeven, nemen zij een eigenaardige houding aan; met de kaken bijten zij zich vast aan een blaadje of twijgje, trekken alle pooten terug en hangen zoo in loodrechte richting aan den bek.

De Geringde Wespbij (Nomada succincta), een van de grootste soorten, is 12 mM. lang. De kop en het borststuk zijn dofzwart met gele vlekken; met uitzondering van de zwarte bovenzijde van het eerste lid, zijn de sprieten roestgeel; het blinkend zwarte achterlijf draagt 6 gele banden. De scheen is geel of lichtroestrood met gele vlekken. Het vleugelschubje is zuiver geel; de vleugels zijn bruinachtig met roode aderen.

De Andrenen (Andrenetae) onderscheiden zich van de Echte Bijen door de kortheid van de tong, welks middelste lob lancet- of hartvormig is, en door den vorm van de liptasters, die uit 4 nagenoeg gelijke leden bestaan. Zij leven eenzaam; sommige leggen eieren in de nesten van andere Bijen; andere graven gaten in den grond en voorzien deze van honig en stuifmeel ten behoeve van de larve, die zich uit haar ei ontwikkelt. De Andrenen hebben de achterdijen en achterheupen aan de onderzijde, de achterscheenen aan de buitenzijde dicht behaard; wegens deze werktuigen tot het verzamelen en vervoeren van stuifmeel worden zij Dijgaarders (Merilegidae) genoemd. Tot deze groep behoort minstens het derde gedeelte van alle wilde Bijen, die bij ons op den honig der bloemen azen en door rustelooze bedrijvigheid en gezellig gegons de bloemrijke velden reeds vroeg in de lente verlevendigen. De Zandbijen, Aardbijen of Gravende Bijen (Andrena) beginnen den dans. Zij zijn het, die in den aanvang van de lente, in snelle vlucht, vergezeld door de meer bezadigde en bedaarde Huisbijen, om de wilgenkatjes en andere eerstelingen van het jonge jaar gonzen en zich lang bezinnen, voordat zij zich nederzetten om door een gastmaal het opstandingsfeest van de herlevende natuur te vieren. Op zonnige hellingen ziet men ze in menigte uit hare in gaten van den grond gelegen wiegen opstijgen. Zij zijn het, die op zulke plaatsen in grooten getale rondvliegen om aan hare nakomelingen een woning te verschaffen. De meeste leggen hare nesten in zandgrond aan: zij graven in schuinsche richting een 13 à 30 cM. diepe gang, aan 't einde voorzien van rondachtige holten of korte vertakkingen; deze cellen worden zeer ruim met stuifmeel bedeeld. Nadat in iedere cel een ei gelegd is, wordt haar opening en ten overvloede die van de hoofdgang met aarde gevuld.

Van de 3 gesloten onderrandcellen is de eerste bijna even lang als de beide andere te zamen; de tweede is de kleinste en nagenoeg vierkant; de derde wordt naar boven aanmerkelijk nauwer. De geheele buitenzijde van de achterpooten tot aan het einde van den hiel is bij het wijfje dicht bedekt met zamelharen; niet minder talrijk komen deze voor aan de zijden van het borststuk. Aan de binnenzijde van den hiel ziet men een uit dicht bijeenstaande, kortere haren samengestelden borstel. Als de wijfjes van haar bezoek aan de bloemen terugkeeren, zijn al deze lichaamsdeelen rijkelijk met stuifmeel bedekt. Het achterlijf is van voren versmald en ovaal, elliptisch of lancetvormig van omtrek; hieraan onderscheidt men gemakkelijk de mannetjes en de wijfjes. Bij deze is het van boven naar onderen meer afgeplat, bij de spits, d. i. aan den vijfden ring, van een haarkrans, de eindfranje, voorzien, die het kleine, zesde lid meer of minder overdekt. Het mannetje is kleiner; zijn achterlijf, hoewel meer langwerpig en van boven meer afgerond, is nimmer lijnvormig, gelijk dat der mannetjes van het verwante geslacht der Smalbijen (Halictus), welker wijfjes zich onderscheiden door een (glinsterende) kale, wigvormige vlek midden op de eindfranje.

De Vleugelplooiers of Wespen (Diploptera, Vesparia) onderscheiden zich van alle andere Vliesvleugeligen, doordat in den toestand van rust de voorvleugels overlangs geplooid worden; de achterste, aan den achtervleugel grenzende helft wordt onder de voorste helft geborgen; haar bovenzijde komt op de bovenzijde van den achtervleugel te liggen; de op deze wijze geplooide vleugels vinden hun plaats aan de zijden van het achterlijf, bedekken dit niet. Op het naakte of bijna naakte lichaam heeft de zwarte huidkleur, die bij de Bloemwespen in den regel voorkomt, meestal niet de overhand; gele (ook wel witte) vlekken of strepen op den kop en het achterlijf brengen met het zwart een bonte afwisseling teweeg. Onze Wespen hebben, evenals de Bijen, gebroken sprieten; bij de mannetjes valt dit wegens de geringe ontwikkeling van de schaft minder duidelijk in 't oog. Een gifangel treft men uitsluitend aan bij het vrouwelijke geslacht en bij den derden stand, waar deze voorkomt. Ofschoon de Wespen zelf slechts op zoete stoffen azen, die zij met de meestal korte tong oplekken, verwennen zij hare larven niet door dergelijke lekkernijen, maar brengen ze groot met andere Insecten, die zij vooraf gekauwd hebben. De meeste leden van deze familie bewonen de warme landen; in Europa is het aantal soorten betrekkelijk gering.

De lichaamsbouw en gedeeltelijk ook de levenswijze van de Wespen, geeft aanleiding tot een verdeeling in drie onderfamiliën. Bij sommige hebben de voorvleugels slechts twee gesloten onderrandcellen en zijn de sprieten uit slechts acht leden samengesteld: met deze kenmerken rustte moeder natuur de Parasietwespen (Massaridae) uit.

De Leem- of Muurwespen (Eumenidae) vormen de tweede onderfamilie. Zij hebben in den voorvleugel drie gesloten onderrandcellen; de tong is lang en driedeelig. De gebroken sprieten nemen naar de spits een weinig in dikte toe en bestaan uit 12 à 13 leden. De middelste teen draagt aan 't einde één spoor. Evenals de vorige, leven deze Wespen eenzaam. De meeste leggen in leemwanden of in steile hellingen van uit vet zand bestaande heuvels, eenige in dorre plantenstengels, reeksen van cellen aan en gebruiken leem als bouwstof. De inheemsche soorten althans maken hare nesten nooit in gewone aarde of in los zand en verzorgen hare jongen eens voor al met een voldoenden voorraad van larven.

De meeste leden van de 3e onderfamilie, van de Papierwespen (Vespidae), leven gezellig, bouwen zeer kunstige nesten en hebben, gelijk de Gewone Bijen en Hommels, arbeidsters, onvruchtbare wijfjes, die het kroost grootbrengen. Naar het uitwendige stemmen zij in nagenoeg alle opzichten met de leden der vorige groep overeen; de middelscheen echter draagt aan 't einde twee sporen en de tong is kort en vierlobbig.

Een buitengewoon talrijk, over de geheele aarde verbreid Leemwespen-geslacht, waarvan hier te lande 6 soorten gevonden zijn, is Odynerus. Het kenmerkt zich door een aanhangend achterlijf: het eerste lid is meer of minder klokvormig, slechts weinig smaller dan het tweede; het achterlijf is op de plaats van verbinding dezer beide leden eenigszins ingesnoerd, vooral aan den buik vertoont het een diepe groeve. Bijna alle soorten zijn zwart met helder gele dwarsbanden op het achterlijf; sommige hebben bovendien nog gele vlekjes aan den kop of aan het borststuk.

Bij de Muur-leemwesp (Odynerus parietum), zijn de gele teekening en de grootte (6.5 à 13 mM.) zoo wisselvallig, dat een zeer uitvoerige beschrijving noodig zou zijn om haar met zekerheid van eenige verwante soorten te onderscheiden. Het rugschild van het naborststuk vertoont een overlangsche groeve en helt naar den eersten achterlijfsring zeer steil af; deze heeft van achteren een gelen rand, die zich naar weerszijden ver uitstrekt; de overige achterlijfsringen zijn aan de rugzijde met even ver reikende banden getooid; ook aan den buik merkt men gele zoomen aan de schilden op. In den regel zijn de pooten beneden het midden van de dij geel. Vooral door de gele vlekken op den kop en het borststuk verschillen de variëteiten onderling.