Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 04: De Insecten
Part 18
De bedoelde Bijen heeten Meliponen (Melipona); met de Gewone hebben zij het gemis van een doorn aan den achterscheen gemeen, maar verschillen er in allerlei andere opzichten van, ook door haar geringere grootte. Vooral verdient vermelding, dat zij geen angel hebben. Om zich te verdedigen maakt zulk een Bij gebruik van hare krachtige kaken. Het in haar lichaam bereide was treedt niet tusschen de buikplaten, maar tusschen de rugplaten van de achterlijfssegmenten naar buiten.
De Meliponen bouwen hare raten bij voorkeur in holle boomstammen, doch ook wel in spleten van loodrechte oevers en in Termieten-heuvels; zij metselen de spleten en andere openingen dicht, zoodat er slechts één vlieggat overblijft, dat soms van een buis- of trechtervormigen toegang voorzien is. Voor deze en ook voor eenige andere werkzaamheden gebruiken zij als bouwmateriaal geen was, maar harsachtige en andere plantaardige stoffen, zooals ook door de Gewone Bij worden gebezigd, hoofdzakelijk echter een kleiachtige grondsoort. Deze bouwstoffen worden op dezelfde wijze vervoerd als het stuifmeel, dus als "bouten" aan de achterpooten.
Het inwendige van 't nest, hoewel van was vervaardigd, verschilt aanmerkelijk van dat onzer bijenkorven, vooreerst omdat de broedcellen en de "proviandkruiken" in 't geheel niet op elkander gelijken. De raten met broedcellen kunnen, wat haar inrichting betreft, het best met die van onze Gewone Wesp vergeleken worden, wanneer men deze het onderste boven keert; het zijn horizontale platen, die uit een enkele laag van cellen bestaan, welker opening naar boven is gericht; deze platen liggen bij wijze van verdiepingen boven elkander en zijn door korte zuiltjes vereenigd. De voorraad van honig en bijenbrood (stuifmeel met honig) wordt geborgen in afzonderlijke dikwandige "proviandkruiken", die in den regel den vorm van een vogelei hebben en alleen, wanneer zij dicht bijeenstaan, elkander op de aanrakingsplaats plat drukken.
Een ander verschil is, dat de cel vóór het eierenleggen door de werkbijen met bijenbrood gevuld wordt. Onmiddellijk nadat de jonge Bij haar wieg verlaten heeft, worden de wanden van de cel afgebroken en op den afvalhoop geworpen of opnieuw als bouwstof gebruikt. Ook de geledigde proviandkruiken worden meestal uit den weggeruimd en door andere vervangen.
Buitengewoon groot is het aantal soorten van dit geslacht, van elkander verschillend door grootte, door de houding van het lichaam, door de lucht die zij verbreiden, door de wijze van vliegen en door temperament. Van sommige verstomt het luid gegons oogenblikkelijk, wanneer men tegen een door haar bewoonden boomstam klopt. Terwijl deze zich schuw verbergen, stellen andere zich te weer en toonen haar weerbaren aard door het plaatsen van schildwachten bij het vlieggat. Iederen mensch, die haar den honig wil rooven, vliegen zij onmiddellijk onder luid gegons in 't gelaat, in het haar van het hoofd of van den baard, of in de ooren; dikwijls verbreiden zij tevens een zeer scherpe lucht, die zelfs tot duizelingen en walging aanleiding kan geven. De nauwelijks zichtbare wonde, die een gevolg is van haar beet, veroorzaakt na verloop van eenige uren een pijnlijk, brandend gevoel en een ondragelijke jeukte; den volgenden dag bevindt zich op deze plaats een met vocht gevulde blaar ter grootte van een erwt, die door een vuurrooden rand omgeven is. Hoewel deze blaar schielijk verdwijnt, behoudt de huid nog weken lang de roode kleur.
Ook Meliponen worden soms in een soort van korven gehouden, o.a. in sommige gewesten van Java de Selemprang (Melipona minuta), die niet veel grooter is dan een Mier en het was levert, dat de Javanen bij het batikken van katoenen stoffen gebruiken.
De logge, brommige Hommels (Bombus), die in menig opzicht aan de Beren herinneren en welker meestal onderaardsche woningen kunstelooze holen zijn, staan ver beneden de hoog ontwikkelde Bijen in hare groote steden, kunnen zich niet meten met de heerschzuchtige Wespen en Hoorntjes in hare van papier en karton vervaardigde roofridderkasteelen. Er ligt echter een zeker poëtisch waas over hun eenvoudig landelijk leven; tot kleine gezelschappen (familiën) vereenigd, die ieder een verborgen aarden hut bewonen, "vlieten hunne dagen gelijk een kalmen regen heen." De Hommelfamilie bestaat uit vierderlei leden, daar er, behalve mannetjes en onvruchtbare wijfjes (gewoonlijk "arbeidsters" genaamd), tweeërlei wijfjes in voorkomen: groote en kleine. Iedere familie stamt af van een "groot" wijfje, dat na de paring in een veiligen schuilhoek, doch in geen geval in de ouderlijke woning, den winter slapend heeft doorgebracht. In Maart of April vieren de Hommels hun opstandingsfeest. Overal verlaat, naar het schijnt, de Aardhommel het vroegst zijn winterkwartier. De eerste zorg van het wijfje is het opzoeken van een geschikte broedplaats; intusschen spreekt zij tot haar eigen versterking Flora's eerstgeborenen om honig aan. Een met gras begroeide molshoop, die door de Mieren nog niet in beslag genomen werd, een gekronkelde gang van denzelfden bouwmeester, een verlaten muizengat of een andere holte van soortgelijken aard wordt tot woonplaats gekozen door de Hommels, die in den grond nestelen. Zij, die boven den grond bouwen, geven de voorkeur aan een dicht met mos begroeide plek, een hoop afgevallen bladeren onder verwilderde struiken of zelfs aan een verlaten vogelnest op of in de nabijheid van den grond. Al deze woningen komen in zooverre overeen, dat hun toegangsopening verborgen en op tamelijk grooten afstand gelegen is. In het nest brengt de stammoeder stuifmeel en honig; 4 weken later ontwikkelen zich uit de door haar gelegde eieren, de eerste arbeidsters, die veel kleiner zijn dan haar moeder; bij de steeds voortdurende uitbreiding der familie is haar hulp hoog noodig. Hoe talrijker deze wordt, des te minder dikwijls vliegt de stammoeder uit; meer en meer bepaalt zij zich tot het eierleggen. Te dien einde vervaardigt zij van was een napvormige cel op een zachte onderlaag, waarin, behalve voedsel (een brijachtig stuifmeelmassa), verscheidene eieren gelegd worden; daar deze door de overige Hommels als een lekker hapje worden beschouwd, past de moeder er op en sluit de cel zoo schielijk mogelijk. Zoo noodig wordt de cel vergroot en herhaaldelijk geopend om er nieuw voedsel in te brengen; cocons, die door de pop verlaten zijn, worden als bewaarplaatsen voor den honig ingericht. De larve is in 10 à 12 dagen volwassen, spint zich in en verandert in een pop; de rusttoestand duurt gemiddeld 14 dagen; daarna maakt de jonge Hommel met de kaken een opening in zijn hulsel en wordt bij deze werkzaamheid door zijne zusters geholpen. De geheele ontwikkelingsduur bedraagt dus een maand, maar kan door aanhoudende warme weersgesteldheid en overvloed van voedsel eenige dagen verkort worden; in 't tegengestelde geval zal hij langer zijn.
Wanneer men later in 't jaar, in 't midden van den zomer, een nest opent, kan het er uitzien als bij 1 in de afbeelding; soms echter hebben de hier zichtbare, vingerhoedvormige cellen verschillende grootte en zijn in verscheidene lagen boven elkander gelegen, waardoor het geheel eenigszins aan een druiventros herinnert. In het nest bevinden zich arbeidsters van ongelijke statuur; tegen het einde van Juli ziet men voor 't eerst kleine wijfjes; zoowel deze als gene stemmen in lichaamsbouw met de stammoeder overeen, maar houden, wat grootte betreft, ongeveer het midden tusschen het groote wijfje en de mannetjes. Deze "darren" vervullen een veelzijdiger taak dan die van de bijenmaatschappij, nemen deel aan alle werkzaamheden, vliegen uit om voedsel voor zich te zoeken, helpen bij het herstellen van het nest en bij het bebroeden der cellen; in den nazomer echter verlaten zij voor goed de gemeenschappelijke woning en houden zich tot aan hun dood daarbuiten op. De arbeidsters en de kleine wijfjes verrichten het belangrijkste deel van den arbeid en zijn onvermoeid. Van 's morgens vroeg tot 's avonds laat kan men de bedrijvige Hommels zien en hooren. Op sombere en onaangename dagen, als ieder ander Insect een schuilplaats opgezocht heeft, laat in den avond, als alle over dag werkzame bloemenliefhebbers reeds ter ruste zijn gegaan, vliegt de Hommel eenzaam en brommend van de eene bloem naar de andere. Veel meer verscheidenheid bieden de werkzaamheden in het nest aan: het herstellen en vergrooten van de woning, het afknagen van overtollige en het aaneenhechten van nog voor den dienst geschikte cellen, het veranderen van de ledige cocons in honigpotten, het voederen der larven en het bebroeden der cellen, die larvenpoppen bevatten, kortom al wat er in 't belang van de gemeenschap te doen valt, behoort tot de taak van de arbeidsters; dit geldt ook van de kleine wijfjes, welker zorgen soms nog door het moederschap vermeerderd worden; de door haar gelegde eieren zijn aanmerkelijk kleiner dan die van de stammoeder en leveren uitsluitend mannetjes op.
In Augustus verschijnen de groote wijfjes, de eenige leden van het gezelschap, die den winter kunnen overleven. Naarmate deze nadert en de voeding schraler wordt, neemt ook het aantal geboorten af; ten slotte sterft de familie, op de groote wijfjes na, geheel uit.
Voor ongeveer 200 jaar verhaalde Gödart, dat zich in ieder hommelnest een "trompetter" bevindt, die zich iederen morgen op het dak van de woning begeeft om door luid gegons het geheele gezin te wekken en tot het hervatten van den arbeid aan te sporen. Dit verhaal, dat men reeds voor lang naar het rijk der fabelen had verwezen, werd door Professor Hoffer te Graz, eenige jaren geleden, althans voor Bombus ruderatus, bevestigd. Deze zag op het hoogst gelegen punt van een nest, dat hij in een afzonderlijk hokje had geplaatst om het beter te kunnen nagaan, een klein wijfje, dat het lichaam hooghield, den kop naar onderen richtte en met hevig trillende vleugels een schel geluid liet hooren, dat ongetwijfeld door de lucht, die uit de ademgaten ontweek, versterkt werd; bovendien zag hij op verschillende plaatsen Hommels, die door gaten in het dak van het nest het kopje naar buiten staken. Dit verschijnsel herhaalde zich iederen morgen. Toen de trompetter was weggevangen, verscheen den volgenden dag een ander klein wijfje als plaatsvervangster. De berichtgever vermoedt, dat zulk een trompetter alleen in sterk bevolkte nesten voorkomt.
Hoe verborgen hun verblijfplaats ook is, toch ontbreekt het den Hommels geenszins aan indringers in hunne nesten, om niet eens te spreken van de Vogels, die het Insect zelf opvangen om het onmiddellijk te verslinden of aan een doorn te rijgen voor later gebruik. De Groote Veldmuis, de Wezel en de Bunzing zijn de ergste vernielers van de hommelnesten; deze worden bovendien bewoond door tal van parasieten, die zich met den hier verzamelden voorraad voeden (gelijk de larven van de Koekoekhommels doen), of de kinderen des huizes verslinden. Tot deze ongenoode gasten behooren eenige Parasietvliegen (zooals Volucella, Myopa, Conops), de Spinachtige Mieren (Mutilla), de larven van de Oliekevers, enz. De Hommels zelf zijn behept met Kevermijten, evenals de Doodgravers en de Paardenmestkevers.
De Hommels stemmen door het maaksel van hun lichaam in hoofdzaken met de Honigbijen overeen, met dit belangrijk verschil echter, dat de breede achterscheen met twee einddoornen uitgerust is en dat de eveneens breede hiel, in plaats van het tandje, een groot, goed ontwikkeld hieluitsteeksel draagt. Het korfje aan de achterpooten treft men natuurlijk alleen bij de wijfjes en de arbeidsters aan. De tong is lang, in uitgestrekten toestand minstens even lang als het lichaam; de beide eerste leden van de liptasters omsluiten haar als een buis (de beide volgende leden vormen een kort, zijwaarts gericht aanhangsel; de liptaster is derhalve tweevormig; de kaaktaster daarentegen is klein en éénledig). Op de kruin staan de bijoogen op een rechte lijn. Het kleinere en slankere mannetje is kenbaar aan den kleineren kop, de langere sprieten, die wegens de kortheid van de schaft schijnbaar niet gebroken zijn, en het smallere achterlijf. De achterpooten missen het korfje en het hieluitsteeksel en zijn aan de buitenzijde met lange haren begroeid. De kleinste leden van het geheele gezelschap zijn de arbeidsters, die overigens door lichaamsbouw en kleur met de groote en kleine wijfjes volkomen overeenstemmen. Daarentegen bestaat er tusschen de mannetjes en wijfjes soms een niet onbelangrijk verschil van kleur.
De Aardhommel (Bombus terrestris) is grootendeels begroeid met zwarte haren, die echter op de 3 laatste ringen van het achterlijf door witte, op den tweeden achterlijfsring en den halskraag door gele vervangen zijn, waardoor gordelvormige strepen ontstaan. De drieërlei leden van het gezin zijn gelijk van kleur, maar zeer verschillend van grootte: het overwinterende wijfje is 26 of meer mM. lang, het mannetje 13 à 22, de arbeidsters 13 à 18.75 mM. Deze soort is over geheel Europa en het noorden van Afrika verbreid.
Bij den ongeveer even grooten Tuinhommel (Bombus hortorum) is de spits van het achterlijf eveneens wit; de halskraag, meestal ook het schildje en de eerste achterlijfsring, benevens het eerste en het derde lid van de borst, zijn geel.
De Steenhommel (Bombus lapidarius) is even groot als de beide vorige soorten; grootendeels fraai-zwart van kleur, heeft hij echter de 3 laatste achterlijfsringen vosrood. Bij het mannetje zijn de kop, het voorste deel van het borststuk, dikwijls bovendien ook het schildje, geel.
De Moshommel (Bombus muscorum) is grootendeels geel; het borststuk is roodachtig, zoo ook de wortel van het achterlijf, waar echter ook enkele bruine en zwarte haren tusschen de roodachtige groeien; de beharing van het overige achterlijf is door bijmenging van grijs lichter geel. De lengte van dit Insect wisselt af van 18.75 tot 22 mM. Deze Hommel wordt zoo genoemd, omdat hij de komvormige holte in den grond, die hem tot nest dient, met een van mos (soms ook wel van gras) tamelijk los geweven gewelf bedekt. Wanneer men voorzichtig te werk gaat, kan men het opnemen; het geheele gebouw gelijkt op een omgekeerd vogelnest, waarin de cocons, die ongeveer den vorm van eieren hebben, ordeloos, maar door kleine klompjes bruine was aaneenverbonden, naast elkander liggen. Terwijl men nog bij het nest staat, zoeken de Hommels het verspreide mos weder bijeen; alle leden van het gezelschap, zonder onderscheid van sekse, nemen aan den arbeid deel. Zij dragen de bouwstof niet, maar schuiven haar ineen. Langzamerhand ontstaat hierdoor een gewelf van 26 à 52 mM. dikte. Inwendig wordt het met een papierdikke laag van een harsachtige stof bekleed.
Men kent ongeveer 80 vertegenwoordigers van het hommelgeslacht uit alle werelddeelen behalve Australië; in Nederland heeft men er 9 van gevonden.
Van de tot dusver beschouwde Gezellig levende Bijen (Sociales) kan men de overige leden van de onderfamilie der Echte Bijen (Apiariae) onder den naam van Eenzaam levende Bijen (Solitariae) onderscheiden. Zij leven steeds bij paren; arbeidsters (onvolkomen ontwikkelde wijfjes) komen bij haar niet voor, omdat het eierleggende wijfje wegens de wijze, waarop zij haar kroost verzorgt, geen hulp noodig heeft. Met de leden der vorige groep hebben zij het eigenaardig verschil tusschen de kaak- en de liptasters gemeen: de beide eerste leden van den liptaster zijn steeds lang en plat, de beide laatste kort en rond; de kaaktaster daarentegen bevat geen andere dan cilindervormige leden. Wij zullen deze groep verdeelen in Scheengaarders, Buikgaarders en Koekoeksbijen.
De Scheengaarders (Podilegidae) stemmen door het maaksel der achterpooten met onze Hommels overeen. Bij sommige, voor 't meerendeel uitheemsche soorten hebben de wijfjes den achterscheen en den hiel aan de buitenzijde onbehaard, zoodat deze lichaamsdeelen een korfje vormen. Bij vele inheemsche soorten ontbreekt het korfje en zijn de achterscheen en de hiel zoowel aan de buiten- als aan de binnenzijde dicht met "zamelharen" bedekt. Evenals de andere niet parasiteerende eenzaam levende Bijen vervaardigen zij cellen van verschillende bouwstoffen (uitgezonderd was) tot berging van een voldoende hoeveelheid voedsel (een mengsel van honig en stuifmeel) voor de ontwikkeling van het hierop gelegde ei. Na het sluiten van de cel is de taak van de moeder afgeloopen. De made ondergaat de gedaantewisseling in de voor haar bestemde ruimte en verlaat deze als Bij, misschien eerst 10 of 11 maanden na het leggen van het ei, door een gat, dat zij in den wand der broedcel knaagt. Haar wacht geen liefdevolle verzorging, zooals aan de Gewone Bijen en Hommels gedurende het eerste tijdperk van het imago-leven ten deel valt. Evenals de meeste dieren moet zij gedurende haar kortstondig leven, zonder eenige hulp van anderen, gewapend met de haar aangeboren begaafdheden, den strijd om het bestaan voeren.
De Metsel- of Pelsbijen (Anthophora), die in geheel Europa en Noord-Afrika door talrijke soorten vertegenwoordigd zijn, worden ook in Zuid-Amerika en Azië gevonden. De eindklauwen van den voet zijn tweedeelig, de achterscheen is met twee doornen gewapend; de gebroken sprieten zijn bij het mannetje en het wijfje gelijk van vorm en middelmatig lang; de bijoogen staan in een driehoekje. Niet slechts door haar gedrongen bouw, maar ook door de dichtheid en de kleur van het haarkleed herinneren deze Bijen aan de Hommels; toch is een enkele blik op de achterpooten, althans bij het wijfje, voldoende om te weten, dat men met een ander geslacht te doen heeft. Het verschil tusschen de beide seksen bestaat in het ontbreken van den borstel bij het mannetje; daarentegen zijn bij hem de middelvoeten dikwijls op een andere wijze behaard; in den regel is het onderste gedeelte van zijn aangezicht ivoorwit; bij het wijfje is het even zwart als de overige deelen van den kop. Door deze en andere belangrijke afwijkingen is het, evenals bij de Hommels, ondoenlijk om op het uitzicht af het mannetje en het wijfje als leden van dezelfde soort te herkennen; zekerheid hierover verkrijgt men alleen door het waarnemen der dieren in de vrije natuur.
Zij wonen in den grond, in spleten van muren, gaten van boomen of barsten van leemwanden, maken hier gangen, die door dwarsschotten (van leem of zand met speeksel gemetseld) in cellen worden verdeeld, verschijnen reeds zeer vroeg in 't jaar en vliegen buitengewoon snel met een bijna fluitend gedruisch van de eene bloem naar de andere.
De Ruige Metselbij (Anthophora hirsuta), voor zoover bekend de eenige inheemsche vertegenwoordiger van haar geslacht, nestelt in spleten van muren; zij is over het geheele lichaam dicht behaard, het borststuk en de wortel van het achterlijf zijn rood of geelbruin; het toestel voor het verzamelen van stuifmeel is geel; overigens is dit Insect zwart van kleur.
Het wijfje van de Ruigpootige Metselbij (Anthophora retusa) komt in grootte en gestalte met de vorige soort overeen, maar is over het geheele lichaam zwart; alleen de zamelharen zijn roestrood. Het iets kleinere en slankere mannetje draagt op den kop, het borststuk en den wortel van het achterlijf vosroode haren, die verder achterwaarts in aantal afnemen en door zwarte haren vervangen worden. Het mannetje vliegt later dan zijn ega, die in het Zevengebergte en in het Parijsche bekken bij voorkeur de gaten, die aan de trachyttufrotsen zulk een eigenaardig voorkomen verschaffen, tot broedplaatsen kiest.
De Leemwand-metselbij (Anthophora parietina) bewoont gaten in oude leemwanden en bemoeielijkt voor ongenoode gasten den ingang naar haar nest door den rand der opening te verlengen tot een eenigszins naar onderen gekromde buis, waarvoor kluitjes leem uit den muur en speeksel het materiaal verschaffen. Het wijfje is iets kleiner dan dat van de vorige soort en, met uitzondering van de roestroode spits van het achterlijf, zwart behaard.
Bij een andere groep van Scheengaarders onderscheiden de mannetjes zich door de buitengewone lengte der sprieten, die men, wegens de eenigszins knobbelvormige opzwelling van het voorste uiteinde van ieder lid, met de hoornen van een Steenbok zou kunnen vergelijken. Deze soorten heeten daarom Hoornbijen (Macrocera).
De Gewone Hoornbij (Eucera longicornis), die in 't einde van Mei begint rond te vliegen, heeft reeds in het midden van Juni veel van haar schoonheid verloren, omdat haar vacht deels verbleekt, deels door schuring verloren gaat. Het mannetje, gedurende de jeugd op den kop, het borststuk en de beide eerste ringen van het zeer bolle achterlijf dicht bedekt met fraai vosroode haren, is nu kaal en vaal: de statige hoornen en de gele kleur van het kopschild en de bovenlip is al wat hem rest van zijn vroegeren tooi. Het wijfje is een weinig grooter dan haar gemaal en heeft een geheel ander voorkomen; door den borstel aan den achterscheen onderscheidt zij zich ook van veel op haar gelijkende Zandbijen. De als broedplaats dienende gladde buis in den grond wordt door dwarsschotten in cellen verdeeld, die van achteren naar voren in aantal toenemen, zoodra de achterste met honig en stuifmeel gevuld en met een ei bedeeld is.
Amerika is zeer rijk aan soorten van Hoornbijen, die met de onze veel overeenkomst vertoonen, zoowel in kleur als door het eigenaardig verschil tusschen het mannetje en het wijfje.
De opzichtigste leden van de geheele familie zijn de Timmerbijen (Xylocopa). Op den eersten indruk afgaande, zou men ze kunnen houden voor groote Hommels met een platter, op den rug meestal kaal achterlijf; bij nadere beschouwing merkt men echter een aantal belangrijke verschilpunten op. De vleugels zijn meestal donker van kleur met paarsen of bronsachtigen weerschijn. De randcel van den voorvleugel loopt aan weerszijden spits toe en is van achteren eenigszins snavelvormig naar binnen gebogen en van een meer of minder duidelijk aanhangsel voorzien. De niet bijzonder breede achterscheen is, evenals de lange hiel, aan de buitenzijde dicht behaard en hierdoor voor het inzamelen van stuifmeel geschikt. Behalve door geringere grootte en de minder overvloedige beharing van de achterpooten, onderscheidt zich bij vele soorten het mannetje van het wijfje door een geheel andere vacht, of door het bezit van breedere leden aan de voorpooten, of door de grootte der oogen, die op de kruin een geringe tusschenruimte overlaten.