Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 04: De Insecten

Part 17

Chapter 173,851 wordsPublic domain

De jonggeborene rekt zich uit en wordt vriendelijk door hare zusters begroet, gelikt en gevoederd. Zoodra zij droog geworden is en zich volkomen krachtig gevoelt, na eenige uren dus, mengt zij zich onder het volk en vindt in den huiselijken kring genoeg te doen. De werkzaamheden, die gedurende de eerste 8 of 14 dagen door de jonge Bij worden verricht, bestaan waarschijnlijk in het voederen van de larven, het bebroeden, schoonhouden en afsluiten van haar woning, het uit den weg ruimen van de ledige eischaal en van de afgestroopte pophuid. Na verloop van dezen tijd bevangt haar een vurig verlangen naar vrije beweging. Nadat zij op de reeds vroeger beschreven wijze haar plaatszin op de proef gesteld en geoefend heeft, vliegt zij uit en toont zich even knap in 't verzamelen van voorraad als vroeger in 't verzorgen der jongen. Dit heeft vroegere schrijvers aanleiding gegeven tot de bewering, dat er twee soorten van werkbijen zouden zijn (voedsterbijen en draagbijen); in werkelijkheid echter houden de jonge Bijen zich met huiselijke werkzaamheden bezig en bemoeien de oude zich met den arbeid op het veld, in het woud en op het weiland. Dit gaat den geheelen zomer zoo door; alleen op gure, regenachtige dagen blijft het gezelschap thuis. Hoe gunstiger de weersgesteldheid is, des te grooter zal de hoeveelheid honig zijn, die in den korf bijeengebracht wordt, des te grooter ook het aantal eieren, dat de koningin legt.

Men zou kunnen meenen, dat de groote bedrijvigheid, die de koningin en hare zusters toonen en die zulk een sprekend kontrast vormt met de traagheid der mannetjes, aanleiding moet geven tot een allengs toenemende vijandelijke gezindheid jegens deze leegloopers, die aanvankelijk verborgen blijft, maar later tot een uitbarsting komt. In werkelijkheid moet men echter den moord, waarvan de mannetjes de slachtoffers zijn en die plaats heeft in een tijd, als het zwermen afgeloopen is (in niet zeer sterk bevolkte maatschappijen ongeveer in het begin van Augustus), toegeschreven worden aan het bewustzijn, dat deze voortplantingsdieren nu hun taak volbracht hebben. De werkbijen vallen op hen aan, jagen hen in den korf overal weg, drijven hen in een hoek en verschaffen hun geen voedsel meer, zoodat zij ellendig verhongeren moeten; het komt ook wel voor, dat zij hen bijten, bij de vleugels of andere lichaamsdeelen aanvatten en door het vlieggat naar buiten werpen; niet zelden maken zij nog kortere wetten met hen en steken hen met haar vergiftig wapen dood. Opmerkelijk is het, dat de werkbij in dit geval gebruik van haar angel kan maken, zonder van deze daad de noodlottige gevolgen te ondervinden, die steeds voorkomen, als zij ons steekt. De reden hiervan is, dat bij verwonding van onze huid de veerkrachtige en samentrekbare weefsels den angel zoo stijf omknellen, dat de van weerhaakjes voorziene steekborstels niet teruggetrokken kunnen worden en de Bij hare pogingen om zich te bevrijden moet bekoopen met het verlies van haar wapen en met een groote wonde in het achterlijf, die haar dood veroorzaakt.--Waarom geschiedt dit niet na het toebrengen van een steek aan het ten doode gedoemde mannetje?--Omdat de opening in de door chitine gepantserde huid open blijft en de met weerhaken uitgeruste angel zonder bezwaar teruggetrokken kan worden.--Wanneer de bevolking van een korf in den genoemden tijd hare darren niet doodt, kan men er zeker van zijn, dat de koningin niet meer aanwezig is; de ervaring heeft dit aan de imkers geleerd.

Nadat de lijken uit de woning verwijderd zijn, hervat het volk de gewone vreedzame bezigheden. De beste tijd, de gaartijd, is echter voorbij, althans in gewesten waar de heideplanten ontbreken; de bronnen van welvaart beginnen minder ruim te vloeien; soms moet de voorraad, die in betere dagen verzameld werd, reeds nu aangesproken worden, of ontwaakt de lust tot rooverijen. Wanneer er namelijk vóór en na den gaartijd niet veel te oogsten valt, toonen sommige Bijen een zeer diefachtigen aard. Ondanks de schildwachten, die aan den ingang van iederen korf geplaatst zijn, trachten zij in een vreemde woning door te dringen met het doel om de volle raten te plunderen, alsof het bloemen zijn. Als dit aan één of twee dieven gelukt, brengen deze een volgende maal een aantal kameraden mede; men heeft dan, naar het schijnt, met een georganiseerde rooverbende te doen. De bezoeken aan de suikerfabrieken, waarvan reeds melding werd gemaakt, zijn in den grond van de zaak niet anders dan dergelijke, meer algemeene rooftochten. Ook het aantal broedcellen begint te verminderen, ofschoon bij gunstige weersgesteldheid nog in October werkbijen geboren worden. Ten onrechte zou men kunnen meenen, dat aan het einde van den voor 't uitvliegen geschikten tijd, het volk veel talrijker moet zijn dan toen wij op St. Jansdag getuige waren van de vestiging van den staat: het tegendeel komt niet zelden voor, wanneer de weersgesteldheid ongunstig was. De dood van de darren brengt slechts een betrekkelijk geringe vermindering van de bevolking te weeg; daarentegen overkomt aan vele werkbijen een ongeluk en sterven vele een natuurlijken dood. In den eigenlijken gaartijd bedraagt de levensduur van de werkbij slechts 6 weken. Lang heeft hierover een andere meening geheerscht, waarschijnlijk, omdat men uit den langen levensduur van de koningin een verkeerde gevolgtrekking afleidde. Door de ervaring, opgedaan bij het invoeren van de Italiaansche Bij in Duitschland, werd alle twijfel uit den weg geruimd. Wanneer men n.l. in den aanvang van den gaartijd, waarin de Bij haar grootste bedrijvigheid ontwikkelt en het spoedigst versleten is, een bevruchte Italiaansche koningin in de plaats stelt van de stammoeder van een volk van gewone Bijen, zal dit na 6 weken op enkele exemplaren na geheel uitgestorven en door een volk van Italiaansche Bijen vervangen zijn. De werkbijen, die later in het jaar geboren worden, leven veel langer: zij overwinteren. Gedurende den winter vindt men in den korf de voorste raat geheel met honig gevuld en de cellen met wasdekseltjes gesloten, van de volgende minstens de voorzijde en van alle overige een meer of minder groot aantal der bovenste cellen; iets lager ontmoet men de eveneens met deksels gesloten bergplaatsen van bijenbrood en de ledige broedcellen. Niet zelden is de onderste helft van de cellen met bijenbrood, de bovenste helft met honig gevuld, gelijk de imker tot zijn verdriet bemerkt, wanneer hij den "honig snijdt", d.w.z. zich een deel van de raten toeëigent, hetwelk geschiedt, als de kruisbessen bloeien. Op de broedcellen zitten de winterrust houdende Bijen zoo dicht opeengedrongen als maar eenigszins mogelijk is. Evenals warmbloedige dieren door dicht bij elkander te gaan zitten warm blijven, verhoogen ook Insecten hun lichaamstemperatuur door zich tot groote massa's samen te voegen; op deze wijze ontkomen de Bijen aan den toestand van verstijving, waarin het Insect vervalt, dat eenzaam in de vrije natuur overwintert. Hiermede hangt echter samen, dat zij ook in den winter behoefte aan voedsel hebben en dus in het gunstige jaargetijde voorraad moeten vergaren. Slechts door een zeer strengen en langdurigen winter zou de temperatuur in den korf tot beneden 10° C. kunnen dalen; het is echter volstrekt noodig, dat de warmtegraad op deze hoogte wordt gehouden; dit geschiedt door het gebruiken van voedsel, door beweging (op koude winterdagen kon men het eigenaardige, hierdoor veroorzaakte gedruisch duidelijk hooren) en door de maatregelen, die de bijenhouder neemt, om de korven van buiten tegen de winterkoude te beschutten. Omdat het gebruik van voedsel de temperatuur van het lichaam, en hierdoor van den geheelen korf, verhoogt, hebben de Bijen in koude winters meer voedsel noodig dan in zachte. Door stijging van de temperatuur der buitenlucht tot de genoemde hoogte wordt menige Bij tot een uitstapje verlokt; ook als de bedoelde warmtegraad niet bereikt wordt, ziet men op sommige winterdagen enkele Bijen in snelle vlucht den korf verlaten en, nadat zij haastig water opgenomen of drek uitgeworpen hebben, in het warme nest terugkeeren. Daar de Bij zeer zindelijk is, laat zij haar drek nooit in den korf vallen, maar doet dit steeds in de vrije natuur. Soms moet zij de excrementen, wegens de koude, te lang in haar lichaam houden, of honig eten, die bedorven is, niet in goed gesloten cellen bewaard werd; ziekte is hiervan het gevolg; zij bevuilt dan haar woning, waardoor in den regel het geheele volk te niet gaat. Als de winter niet streng is, blijven de Bijen voortdurend bezig, al bepaalt hun werkzaamheid zich soms tot het overbrengen van den voorraad uit de achterste ruimten naar de meer in 't midden gelegene, waar de cellen reeds ledig zijn. De koningin begint trouwens meestal reeds in 't midden van Februari eieren te leggen en maakt hiervoor gebruik van een kleinen kring van cellen te midden van het winterleger.

Eerst in April (of Maart) worden alle Bijen langzamerhand door de verwarmende zonnestralen uit haar winterkwartier gelokt. Met luid en vroolijk gegons vliegen zij in kringvormige banen rond, blijde als zij zijn, dat er een einde is gekomen aan haar langdurige opsluiting in een nauwe ruimte en dat zij door de stralen van de lentezon in staat gesteld worden om zich vrij te bewegen. Haar eerste zorg is het ledigen van het spijskanaal. Wanneer het toevallig treft, dat een huismoeder in dezen tijd de wasch in de buurt te drogen heeft gehangen, zal zij weldra tot haar groote ergernis ontwaren, dat onhandige drukkers haar hagelwit linnengoed in bruin gestippelde sitsen veranderd hebben: evenals andere rondvliegende Insecten, zetten de Bijen zich bij voorkeur op lichtkleurige voorwerpen neer. Op de genoemde inwendige reiniging volgt de groote schoonmaak van de woning; deze geschiedt met zooveel zorg, alsof er feest gevierd zal worden. Altijd zijn er eenige lijken van gestorven zusters naar buiten te brengen; bovendien ligt het in den aard der zaak, dat er door het rusteloos rondkrabbelen aan de raten eenige schade is toegebracht, die hersteld moet worden; de meeste moeite verschaft echter het bijeenzoeken en uit den weg ruimen van de honderden wasdekseltjes, die over den bodem verstrooid liggen en die bij het openen van de honigpotjes naar beneden vielen. Het uitvliegen neemt een aanvang, wanneer het weer hiervoor geschikt geworden is. Op de van ouds gebruikelijke wijze, die wij beschreven hebben, kan het echter niet lang meer gaan. Het volk zal, indien het niet te klein was, toen de winter begon en hierdoor niet te veel te lijden heeft gehad, nu te groot geworden zijn; de woning is te klein; er moeten maatregelen worden genomen om een zwerm te kunnen uitzenden.

De werkbijen beginnen plotseling een nieuwe soort van cellen te bouwen, wat vorm betreft, gelijk aan de gewone, doch grooter van inhoud. In ieder van deze legt de koningin geheel op dezelfde wijze als vroeger een ei, dat echter onbevrucht gebleven is. De werkbijen voorzien de cel van het brijachtige voedsel, verzorgen de jonge larve, totdat zij op den 8en levensdag gereed is om in den poptoestand over te gaan, sluiten de cel met een deksel af en bebroeden haar. Dit alles geschiedt op de reeds vroeger beschreven wijze. Op den 24en dag na het leggen van het ei wordt het deksel van de cel geopend, maar ditmaal komt er een dar en geen werkbij uit te voorschijn. Wegens de meerdere grootte van het mannetje was de voor hem bestemde broedcel grooter dan die der werkbijen.

Nog meer afwijkingen van de reeds geschetste levenswijze komen voor. Terwijl het aantal dieren toeneemt, worden, meestal aan de randen der raten, een derde soort van cellen gebouwd, gewoonlijk 2 of 3 in 't geheel, soms echter 2- of 3-maal zooveel of nog meer. Zij hebben een loodrechten stand, zijn rolvormig en van een grootere hoeveelheid was vervaardigd; de ruimte daarbinnen is nog grooter dan die in de darrewieg. Ook in elk van deze cellen legt de koningin een ei. De cel wordt van een beter soort van voedsel voorzien, na zes dagen op een andere wijze gesloten n.l. met een bol deksel (waardoor deze voor de pop bestemde verblijfplaats eenigermate gelijkt op die waarin sommige Vlinders zich ontwikkelen) en vervolgens met meer ijver "bebroed", dan andere cellen. Na zestien dagen wordt hierbinnen een vruchtbaar wijfje geboren. Indien men haar toestond de cel te verlaten, terwijl de oude koningin zich nog in den korf bevindt, zouden deze beide een strijd voeren op leven en dood, daar het vruchtbare wijfje geen tweede naast zich duldt. De werkbijen, die de jonge koningin beschermen, weten dit en laten haar daarom nog niet vrij, hoewel zij hierover haar misnoegen toont door een toetend geluid. De oude koningin herkent de stem van haar mededingster en is zeer onrustig. De werkbijen, gedreven door het voorgevoel, dat er een belangrijke gebeurtenis zal plaats grijpen, vormen als 't ware twee partijen; de eene bestaat uit oudgedienden, de andere uit jongelui. De onrust is wederkeerig en neemt gaandeweg toe. Het woest dooreenloopen van de vele duizende bewoners van den korf (de verwachting, dat er iets bijzonders zal voorvallen, heeft de meeste weerhouden zich naar buiten te begeven) veroorzaakt in de overvulde woning een ondragelijke hitte. Een deel van het volk zit of hangt in groote trossen, onder het voortbrengen van een sterk bruischend gedruisch, vóór het vlieggat, welk verschijnsel door den bijenhouder "voorliggen" wordt genoemd. De weinige Bijen, die nu beladen van haar uitstapje terugkeeren, gaan meestal niet, zooals anders geschiedt, schielijk naar binnen om haar vracht kwijt te raken, maar voegen zich bij de voorliggende Bijen. In den korf neemt de onrust steeds toe; daar heerscht een voortdurend gesuis en gebruisch; alle Bijen krabbelen door en over elkander heen; van orde schijnt geen sprake meer te zijn.

Op eens komt hals over kop, als een waterstraal, die met geweld door een nauwe opening wordt geperst, een zwerm van 10000 à 15000 (oude) Bijen, waarbij de oude Koningin uit het vlieggat te voorschijn, vult de lucht, als vlokken van de hevigste sneeuwbui, of gelijkt op een wolk, die de zon verduistert. Bij het heen en weer zwenken in de lucht ontstaat een eigenaardige, luide, vroolijke toon, die men het "zwermgezang" noemt. Dit schouwspel dat wel 10 minuten aanhoudt, wordt gevolgd door een ander, dat niet minder merkwaardig is. Aan een tak van een naburigen boom; aan een stuk schors, dat met dit doel door den imker aan een stok werd bevestigd, of op een andere plaats hecht zich een dicht opeengedrongen hoop Bijen vast; aanvankelijk had deze den omvang van een vuist; langzamerhand groeit hij aan, totdat de geheele wolk zich verdicht heeft en een zwarte, naar beneden hangende "tros" vormt, waarbinnen zich de koningin bevindt. Dit is de "hoofdzwerm" of "voorzwerm", welks uittocht, evenals die van de "nazwermen", welke in sommige gevallen op den eersten zwerm volgen, meestal in de middaguren plaats heeft; de reis strekt zich niet ver uit, daar de koningin door tal van eieren bezwaard en dus te log van beweging is. De bijenhouder, die aan allerlei kenteekenen de voorwetenschap ontleent van 't geen er gebeuren zal, heeft een nieuwe kast, een nieuwen korf, of welken anderen naam zijn inrichting ook mag dragen, gereed; nadat de tros er zorgvuldig in geborgen is, wordt de woning met een deksel gesloten en naar de voor haar bestemde plaats gebracht. Dit is de eerste volkplanting, die zich van het oude volk afscheidt; zij ontwikkelt zich geheel en al op de reeds vroeger beschreven wijze, met dit verschil, dat de koningin niet behoeft uit te vliegen, geen mannetje noodig heeft om voor haar taak berekend te zijn. De bijenhouders zijn er zeer op gesteld, dat het zwermen vroegtijdig geschiedt, daar in dit geval het nieuwe volk des te eerder de vereischte grootte heeft om een overvloedigen wintervoorraad in te zamelen en niet licht de zoo kostbare ondersteuning met kunstmatig voedsel zal behoeven.

Laten wij nu terugkeeren naar het volk, dat zooeven zijn oude koningin met een zwerm van zusters zag vertrekken. Hier heeft intusschen althans één jonge koningin haar wieg verlaten en de plichtmatige eerbewijzen ontvangen van het deel van 't volk, dat reeds vroeger aan haar verknocht was; ongetwijfeld komt haar als eerstgeborene de hoogste waardigheid toe, daar de moeder voor haar het veld geruimd heeft; hare rechten zouden onbestreden blijven, indien er geen mededingsters bestonden, die aanspraken op het gezag kunnen laten gelden. Soms geven deze nog na 3, 7 of 9 dagen aanleiding tot de afscheiding van nazwermen, iedere volgende natuurlijk minder talrijk dan de vorige; soms echter neemt het zwermen met den voorzwerm een einde. Zoowel na het eene als na het andere geval komen moord en doodslag voor, daar er geen twee koninginnen in één staat kunnen blijven. Wanneer er geen nieuwe zwerm meer kan worden uitgezonden, omdat het aantal bewoners van den korf te zeer is afgenomen, worden alle koninginnen, op één na, door het volk gedood; zelden komt het voor, dat een duel tusschen twee vorstinnen het pleit beslecht.

Een nazwerm verwijdert zich verder van de korf, wegens de grootere lichtheid en vlugheid van het nog onbevruchte wijfje, en vereischt dus meer zorg en oplettendheid van den kant van den bijenhouder. Wanneer deze ontbreken, zal de zwerm na korten tijd de plaats, waar hij zich verzameld heeft, verlaten, om in een hollen boom, een spleet van een muur of een dergelijke geschikte ruimte een nieuwen staat te grondvesten. In den regel gaat een volk, dat op deze wijze in de vrije natuur aan zich zelf overgelaten is, reeds in den eerstvolgenden herfst of winter te niet; dat het in gunstige omstandigheden jaren lang in dezen toestand van verwildering kan blijven bestaan, blijkt echter uit eenige voorbeelden.

Zeer zelden komt, behalve de genoemde zwermen, ook nog een zoogenaamde "maagdenzwerm" voor, n.l. wanneer het aantal leden van een vroegtijdig uitvliegenden názwerm zoo schielijk toeneemt, dat hij in den loop van den zomer een nieuwe volkplanting kan uitzenden.

Nu wij den gewonen gang van zaken in een bijenstaat hebben leeren kennen, moeten nog eenige buitengewone gebeurtenissen besproken worden, die te merkwaardig zijn om er over te zwijgen. Stel eens, dat een volk door het een of ander toeval zijn koningin verliest en geen koninklijke broedcellen met eieren bezit. Wat dan geschiedt, hangt af van de omstandigheden, waaronder dit ongeluk plaats vindt. Het kan voorkomen, dat op dit tijdstip sommige broedcellen voor werkbijen nog een ei of een larve bevatten en dus nog niet met een wasdekseltje gesloten zijn. Dan wordt in groote haast een van de cellen, die een ei of een zeer jonge made bevat, tot een koninklijke broedcel verbouwd; nadat verscheidene van de daaronder gelegen hokjes weggebroken zijn om ruimte te verkrijgen wordt in korten tijd aan de kinderkamer een ronden vorm en een vertikalen stand gegeven, De jonge bewoonster van dit verblijf wordt vervolgens opgekweekt met het eigenaardige, voor jonge koninginnen bestemde voedsel. Op den gewonen tijd zal het blijken, dat de genomen moeite niet vruchteloos is geweest: een vruchtbaar wijfje komt uit de verbouwde cel te voorschijn. Wanneer dit redmiddel niet te baat genomen kan worden, omdat alle broedcellen reeds met een wasdeksel gesloten zijn, wordt de krachtigste en grootste werkbij ten troon verheven: dit geschiedt door haar van allen arbeid te ontheffen, te koesteren, te verzorgen, als een koningin te voederen, kortom geheel op dezelfde wijze te behandelen als de legitieme vorstin. Weldra zal zij beginnen eieren te leggen, daar de hiervoor geschikte organen bij alle werkbijen wel aanwezig zijn, maar onontwikkeld blijven, tenzij hun groei door rust en een goede verzorging mogelijk wordt gemaakt. De maden, die uit deze eieren voortkomen, hebben echter geen ruimte genoeg voor haar ontwikkeling in de kleine, voor werkbijen bestemde cellen, waarin zij zich bevinden; deze moeten met een sterk uitpuilend deksel gesloten worden; de hieruit voortkomende Bijen zijn n.l. uitsluitend darren, daar de bevruchting van de tot koningin gepromoveerde werkbij achterwege is gebleven.--Bij het kloppen tegen een korf, die een koningin bevat, hoort men een onmiddellijk weder ophoudend bruischen; een korf zonder koningin is kenbaar aan het lang voortduren van dit gedruisch. Zulk een stam sterft na verloop van korten tijd uit, tenzij de bijenhouder er een koningin aan toevoegt.

Ten slotte zij nog opgemerkt, dat men naar de kleur (vooral van de koningin) 6 variëteiten van Bijen onderscheidt, (a) Het effenkleurige, donkere ras, dat wij reeds beschreven hebben, is de Noordelijke Bij, die over alle noordelijke landen verbreid is en tot voor weinige jaren hier geen mededingers had naar de gunst van den mensch; men vindt haar echter ook in het zuiden van Frankrijk en Spanje, in Portugal, in eenige gewesten van Italië, in Dalmatië, Griekenland, de Krim, op de eilanden en in de kuststreken van Klein-Azië, in Algerië, Guinea, Kaapland en in een groot deel van Amerika, voorzoover het in den gematigden aardgordel gelegen is. (b) De Italiaansche Bij (Apis ligustica) onderscheidt zich door de bruinroode of roodachtig gele kleur van de beide eerste ringen van het achterlijf, het zwarte schildje en de hoogroode pooten van de koningin. Zij komt voor in de noordelijke gewesten van Italië, in Tirol en Italiaansch Zwitserland; sedert 1853 is dit ras in vele streken van Duitschland, sedert 1862 in Australië ingevoerd. (c) De Kaukasische Bij, die van de vorige verschilt door de gele kleur van het schildje, komt voor in het zuiden van Frankrijk, in Dalmatië, het Banaat, op Sicilië, in de Krim, op de eilanden en het vasteland van klein-Azië en in den Kaukasus. (d) De Egyptische Bij (Apis fasciata) kleiner dan de vorige rassen (werkbij 10 mM. lang), heeft het schildje en (op den zwarten rand na) ook de beide eerste achterlijfsringen roodachtig geel; het achterlijf van de werkbijen en darren is overigens witachtig behaard. Zij behoort thuis in Egypte en is van hier uit verbreid over Sicilië en oostwaarts over Arabië tot aan den Himalaja en China. In den laatsten tijd werd zij ook in Duitschland geacclimatiseerd. De Egyptische Bij gaat onmerkbaar over in (e) de Afrikaansche Bij (Apis Adansonii), die in geheel Afrika (met uitzondering van Egypte en Algerië) gevonden wordt; zij heeft de borst met het achterlijf grijsgeel behaard. (f) De nog kleinere Zwarte Bij (Apis unicolor) is alleen op Madagascar en Mauritius inheemsch.

De Indische Bij (Apis indica) is kleiner en vermoedelijk van een andere soort dan de onze: men vindt haar in Kasjmier, waar iedere landman voor haar in de muren van zijn woning cilindervormige ruimten overlaat, en ook in een deel van Pendsjab.--Een grootere soort dan de onze komt voor in de zuidelijke gebergten van Indië; verscheidene volken van deze Bijen leven bij elkander; haar honig heeft echter, naar men zegt, dikwijls vergiftige eigenschappen.

In de keerkringsgewesten, vooral in Brazilië, op de Soenda-eilanden en op Nieuw-Holland, worden verscheidene soorten van "wilde" Bijen gevonden. In het eerstgenoemde rijk zijn zij onder den gemeenschappelijken naam van "Abelhas" bekend en verschaffen den mensch, die hare nesten weten te vinden, een rijken voorraad van honing.--Op een zeer eigenaardige wijze weten de inboorlingen van Nieuw-Holland de nesten van wilde Bijen op te sporen. Zij vangen er een, plakken haar een wit veertje op 't lichaam, laten haar weder vliegen en zetten haar over heg en steg, door kreupelhout en bosschen achterna. Ondanks de moeielijkheden, die zulk een drijfjacht oplevert, verliezen de jagers, naar 't schijnt, de gemerkte Bij slechts zelden uit het oog en vinden in den regel als loon voor hun moeite het gezochte nest.