Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 04: De Insecten
Part 16
De Bijen of Bloemwespen (Anthophila) vormen de eerste familie van de orde der Vliesvleugeligen. Zij hebben den éénledigen dijring met de Roofwespen gemeen. Van deze onderscheiden de meeste Bijen zich door de sterke beharing van het ineengedrongen lichaam en door het eigenaardige maaksel der achtervoeten. Een gesteeld achterlijf, gelijk vele Roofwespen het hebben, komt bij geen enkele Bij voor; steeds is het "aanhangend"; bij de grootste soorten is de aanhechtingsplaats een klein kringetje, dat aan de onderzijde van de breede voorvlakte van het achterlijf en aan het ondereinde van het rugschild van het achterborststuk voorkomt; bij de kleinste soorten is dit kringetje naar weerszijden gelijkmatig versmald en neemt een elliptischen vorm aan.--Zooals bekend is, verzamelen de Bijen voor haar kroost honig en stuifmeel; bij het vervoer is de honig in haar lichaam geborgen; het stuifmeel dragen zij uitwendig, meestal in den vorm van kluitjes (in Gelderland "bouten" geheeten) aan de achterpooten, die voor dit doel op een zeer eigenaardige wijze ingericht zijn. Hieraan herkent men in verreweg de meeste gevallen een vrouwelijke Bij. Het eerste lid van den voet, dat hiel (metatarsus) wordt genoemd, is veel grooter dan de overige voetleden en evenaart in lengte bijna den scheen; deze begint smal bij de dij en neemt naar onderen geleidelijk in breedte toe; zijn achterrand, aan welks eene hoekpunt de hiel vastzit, is dus de kortste zijde van een zeer langwerpigen driehoek. De hiel, die, evenals de scheen, een opmerkelijk platte binnen- en buitenzijde heeft, kan met een nagenoeg rechthoekigen vierhoek vergeleken worden; het vrije hoekpunt aan zijn voorrand (het hieluitsteeksel) is dikwijls bij wijze van een schop verbreed en vormt dan met het vrije hoekpunt aan den achterrand van den scheen de wastang. De scheen, die soms op haar glanzige buitenzijde een weinig uitgehold en aan den rand met lange haren begroeid is, wordt hierdoor uitstekend geschikt om, als in een korfje, het stuifmeel te verzamelen en te vervoeren. Ook de buitenzijde van den hiel is uitgehold en met lange haren omgeven. De geheele inrichting heeft daarom den naam van korfje gekregen. Niet zelden wordt zij aangevuld door een voor het bijeenvegen van het stuifmeel bestemden borstel, die uit korte, stijve haren bestaat, welke op de binnenzijde van den hiel 10 of 11 dwarse reeksen vormen. De glans van de buitenzijde van scheen en hiel wordt veroorzaakt door een olieachtig uitzweetingsproduct, dat de stuifmeelkorrels bijeenhoudt. De Bijen, welker achterpooten de genoemde inrichting vertoonen, worden "scheengaarders" genoemd. Bij andere vormt de buitenzijde van den scheen geen korfje, maar komen aan den top van de dij en aan den heup van den achterpoot en zelfs aan de zijden van het achterlijf lange, ten deele gekronkelde haren voor. Door deze uitrusting zijn de "dijgaarders" evenzeer in staat om het onontbeerlijke "bijenbrood" in te oogsten. Andere Bijen gelijken door de breedte van den achterscheen en van den hiel op hare vroeger genoemde verwanten, maar kunnen deze toestellen niet voor het inzamelen van stuifmeel gebruiken; zij heeten "buikgaarders", omdat de korte, achterwaarts gerichte, borstelige, dicht bijeen geplaatste haren, die de onderzijde van het achterlijf bekleeden, bij hen voor het verzamelen, vasthouden en vervoeren van het stuifmeel dienen.--Hoe redden zich echter de Bijen, die ook dit middel tot het verkrijgen van leeftocht voor de jongen missen?--Zij laten het inzamelen van stuifmeel over aan hare voor dezen arbeid geschikte verwanten, maar leggen zich er op toe den voor anderen bestemden voorraad ten eigen bate aan te wenden door steelsgewijs hare eieren in vreemde nesten te leggen. De Bijen, die door de natuur tot dezen eigenaardigen vorm van parasitisme gedwongen worden, hebben den naam van Koekoeksbijen gekregen.
De zooeven genoemde, merkwaardige organen voor het verzorgen der jongen komen alleen voor bij de vrouwelijke Bijen en bij de onvruchtbare wijfjes of zoogenaamde "werkbijen." Deze zorgen als moeders voor de nakomelingschap der "voortplantingsbijen" en vormen bij eenige tot maatschappijen vereenigde soorten een derden, zeer invloedrijken stand, welks leden, evenals de vruchtbare wijfjes of "koninginnen", met een angel gewapend zijn. De mannetjes of darren (ten onrechte soms "hommels" genoemd) bemoeien zich niet met het inzamelen van den leeftocht, missen de hiervoor dienende organen en zijn hierdoor armer aan goede kenmerken tot het onderscheiden van de soort. Niet zelden komt het voor dat mannetjes en wijfjes van dezelfde soort door verschillende namen aangeduid worden; het behoeft ons dus niet te verwonderen, dat bij Hommels, Andrenen en andere geslachten, die vele sprekend op elkander gelijkende soorten bevatten, een Babylonische naamsverwarring het bewijs levert van de uiteenloopende meeningen der dierkundigen.
De sprieten van alle Bijen zijn "gebroken", bij vele mannetjes is dit wegens de kortheid van de schaft nauwelijks merkbaar; bij hen zijn zij uit 12, bij de wijfjes uit 13 leden samengesteld; de zweep is draadvormig.--De voorvleugels (fig. 2) hebben altijd één randcel, die soms een aanhangsel vertoont, soms niet; voorts 2 of 3 onderrandcellen; het achterste deel van den vleugel is voor een betrekkelijk groot deel volkomen ongeaderd, omdat de beide overlangsche aders (de cubitus of onderrandader en de parallelader) bij verreweg de meeste Bijen achter de beide laatste dwarsaders ophouden.--Het achterlijf bestaat bij de wijfjes, zoowel bij de vruchtbare als bij de onvruchtbare, uit 6, bij de mannetjes uit 7 leden. Overal waar men honig voortbrengende bloemen vindt, treft men ook Bijen aan, die hier deels voor zichzelf, deels voor de jongen voedsel komen verzamelen. Toch schijnt het, dat de keerkringsgewesten, die zich door zulk een buitengewonen rijkdom aan bloemen onderscheiden, niet in dezelfde verhouding beter met Bijen bedeeld zijn dan de minder bloemen voortbrengende gematigde aardgordels.
De Gewone Honigbij (Apis mellifera) verschilt van alle overige Europeesche Bijen door het ontbreken van de doornen aan den breeden achterscheen. De vleugels hebben een van voren afgeronde randcel, die 4-maal zoo lang is als breed, en 3 gesloten onderrandcellen; de 3 middelcellen komen nagenoeg overeen wat grootte betreft; de laatste heeft den vorm van een smalle ruit en een zeer scheeven stand, daar haar voorste uiteinde veel dichter bij den oorsprong van den vleugel gelegen is dan het achterste. Het lichaam is zwart met zijdeachtigen glans, voor zoover het niet bedekt is met een vosroode, naar grijs zweemende vacht, die er een roodachtige tint aan geeft. De pooten en de achterrand der leden van het achterlijf hebben een bruine à geelroode kleur, althans bij het wijfje, dat voor des te edeler wordt gehouden, naarmate de pooten duidelijker een goudachtigen glans bezitten. De klauwen van het laatste voetlid zijn aan de spits in tweeën verdeeld. De kaaktasters verschillen in vorm van de liptasters: gene zijn éénledig; deze hebben 4 leden van tweeërlei gedaante: de beide eerste zijn lang en plat, de beide laatste klein en rolrond, (fig. 1: c).
Bij het nagaan van het verschil in gedaante van de mannetjes of darren, van het vruchtbare wijfje (de koningin) en van de werkbijen raadplege men de afbeeldingen. Het 13 à 15 mM. lange mannetje mist aan het 7-ledige, betrekkelijk korte en breede achterlijf den angel; zijn borststuk is gewoonlijk sterker behaard dan dat der wijfjes en draagt slankere pooten. De oogen zijn zeer groot en ontmoeten elkander boven op den kop; de sprieten hebben een korte schaft en schijnen hierdoor bijna niet "gebroken". De "zamelharen", het korfje en de wastang ontbreken zoowel bij het mannetje als bij het 13 à 18 mM. lange wijfje. Haar achterlijf is langer en slanker dan dat der darren en werkbijen; toch bevat het evenveel (6) leden als dat der werkbijen. Deze zijn 9 à 11 mM. lang en onderscheiden zich, behalve door haar korter en meer ineengedrongen achterlijf, door het bezit van de reeds genoemde werktuigen tot het verrichten van haar moeitevollen arbeid, waarbij ook noodig zijn de groote bovenkaken en de buitengewoon lange, sterk behaarde tong (fign. 1 en 2), die in den toestand van rust naar de keel wordt teruggeslagen. De Bij lekt de honig op als de Hond het water, n.l. met de tong; deze wordt in een door de liptasters en de onderkaken gevormde schede op en neer bewogen. De honig, die zich aan de haren van de tong heeft gehecht, wordt bij het terugtrekken aan de overige monddeelen afgeveegd en is dan ter rechter plaatse aangekomen om door de krop of honigmaag opgezogen te worden. Het lichaam van de werkbij is als 't ware een chemisch laboratorium, dat, naar gelang van de behoefte, brij voor de jongen, honig en was oplevert. De beide eerstgenoemde producten worden door den mond uitgeworpen; het was wordt uitgezweet door de achterste helft van de buikplaten van het achterlijf (fig. E: c) en vormt in deze "waszakken" dunne plaatjes, die met de wastang losgemaakt en vervolgens met de bovenkaken gekneed worden om als bouwmateriaal te dienen.
De Bijen vormen een goed geregelden staat; hierin stellen de werkbijen het volk voor, een door haar gekozen, vruchtbaar wijfje de algemeen beminde en vertroetelde koningin en de mannetjes de welgestelde, voorname leegloopers. Voor het in stand blijven van den staat zijn de mannetjes onmisbaar; zij worden geduld, zoolang de staat hen noodig heeft.
Van oudsher heeft de mensch de vlijt van de Bij geroemd en haar de eer aangedaan van als zinnebeeld te dienen voor deze verheven deugd. Ook de producten van haar vlijt heeft hij van vroegs af aan op hoogen prijs gesteld. Dit is de reden, waarom men de bijenstaten niet meer vrij in de natuur aantreft (tenzij bij uitzondering verwilderd) en ook niet kan opgeven, wanneer en waar zij voor 't eerst "huisdieren" zijn geworden. De heer der schepping wijst aan deze diertjes in de bijenkorven de plaats aan, waar zij hunne staten vestigen en biedt hun hierbij dikwijls in vele opzichten de behulpzame hand. In de duizenden van jaren, gedurende welke hij zich met hen heeft bemoeid, is het hem echter niet gelukt, eenige, zij het dan ook de geringste wijziging in hun aangeboren aard teweeg te brengen. Wij zullen een poging wagen, niet ten behoeve van den bijenhouder of ijmker, maar ten dienste van den weetgierigen vriend der natuur, het goed geregelde en toch veel bewogen leven der Bijen, naar waarheid te schetsen.
Laat ons aannemen, dat het St. Jansdag is en dat een nazwerm (de beteekenis van deze uitdrukking zal weldra blijken) zooeven in zijn geheel opgevangen is en, geborgen in een ledigen korf (aan een zijner opstaande zijden voorzien van het bekende kleine vlieggat, waarvoor zich een vliegplankje bevindt), een plaats heeft gekregen in den bijenstal. Pas is de korf hier neergezet of de eene Bij na de andere verschijnt op het vliegplankje en "presenteert" zich, d.w.z. strekt de pooten, zoodat het lichaam zoo hoog mogelijk opgeheven wordt, richt de voorpooten zijwaarts, houdt het achterlijf hoog en gonst door op een eigenaardige, trillende wijze de vleugels te bewegen. Door deze vreemde gebaren geeft zij haar blijdschap, haar prettige gemoedsstemming te kennen. De bijenhouder kan er uit opmaken, dat hij bij het bergen van den zwerm ook de jonge koningin in de korf heeft gedaan, dat zij er niet buiten bleef, hetwelk bij een verkeerde behandeling (of op een voor de vangst ongunstige verzamelplaats van den zwerm) wel had kunnen geschieden. Als deze fout begaan werd, of als de zwerm om een andere reden niet tevreden is met de nieuwe woning, blijft hij er geen oogenblik in. In woesten haast stormt het geheele volk naar buiten en zwermt angstig rond, totdat het de koningin gevonden heeft, die het eens voor al als leidsvrouw heeft gekozen. Wanneer zij niet gevonden wordt, keert het geheele volk naar de oude woonplaats terug; indien de nieuwe woning niet bevalt, begeeft de zwerm zich op weg om een andere te zoeken. In onze nieuwe korf is echter alles in orde en gaat iedereen onmiddellijk aan den arbeid: de eerste cellen worden gebouwd; deze bevinden zich aan den zolder van den korf. De bijenhouder verlicht in dit geval gewoonlijk de taak van de Bijen, door eenige ledige raten, die hij steeds in voorraad heeft, voor het inrichten van de nieuwe woning beschikbaar te stellen. Dit vermelden wij evenwel slechts in 't voorbijgaan. De diertjes hebben de noodige bouwstoffen bij zich. Daar zij wel wisten, dat de huiselijke bezigheden hun voorloopig geen tijd zouden laten om voedsel te verzamelen, hebben zij vooraf een drievoudig maal gedaan, om geen honger te lijden en om het onontbeerlijke was te kunnen bereiden. Deze stof laten zij in den vorm van kleine plaatjes tusschen de buikplaten (fig. E: c) te voorschijn komen, als zij haar noodig hebben. Als een guirlande, die uit één enkele of uit een dubbele reeks of, als het werk verder gevorderd is, uit vele reeksen van individuën bestaat, hangen zij aan elkander. Dit geeft aanleiding tot een eigenaardig krabbelen, daar iedere Bij goed oppassen moet om te verhoeden, dat de grond onder hare voeten wegzakt, met andere woorden, dat zij de steunpunten, die hare buren haar verschaffen, niet verliest. De taak van den handlanger en die van den bouwmeester wordt hier door hetzelfde individu vervuld. Iedere werkbij neemt haar buurvrouw de wasplaatjes onder den buik weg, kauwt dit materiaal en vermengt het met speeksel; ieder, die dit werk verricht heeft, begeeft zich naar de plaats waar gebouwd wordt en drukt er zijn waskluitje aan vast. Aanvankelijk ontstaat hierdoor een rechte, niet wiskundig regelmatige kant of lijst; tegen deze worden ter rechter- en ter linkerzijde in horizontale richting cellen aangebracht, welker zijvlakken aaneensluiten en welker bodems elkander aanraken, totdat de loodrecht hangende, naar rechts en naar links van openingen voorziene schijven ontstaan, die men raten noemt. Iedere zijde van de raat vormt een sierlijk net van zeszijdige mazen, zoo regelmatig als wij ze met cirkel en lineaal kunnen maken. De cellen zijn, zooals men weet, zeshoekig, hebben een napvormig uitgeholden bodem en zijn aan hun open einde, van voren dus, recht afgesneden, 7 mM. diep en 5 mM. breed, gemeten tusschen het midden van twee tegenovergestelde zijden (niet van hoek tot hoek); de eene is precies even groot als de andere. De korf zal mettertijd zoovele van deze raten bevatten, alle in dezelfde richting geplaatst, als de beschikbare ruimte toelaat, met dien verstande, dat tusschen twee opeenvolgende steeds een ruimte overblijft, zoo groot als de diepte van een cel bedraagt. Reeds na eenige uren vinden wij in onze korf een driehoekig beginsel van een raat van ongeveer 10.5 cM. basis en hoogte.
Alle begin is moeielijk. Dit spreekwoord wordt bewaarheid bij de stichting van iederen nieuwen bijenstaat. De plaats waar zij gelegen is, verschilt van die, waar hare burgers geboren werden. Een zeer nauwkeurige bekendheid met de omgeving is dus volstrekt noodig voor iedere Bij, die uitvliegen gaat. Nu blijft de Bij, gelijk gebleken is, in zoo hooge mate verknocht aan een eens aangenomen gewoonte, dat zij verscheidene malen precies tegen de plaats van de korf, waar vroeger de ingang was, zal aanvliegen, wanneer men haar woning en dus ook het vlieggat verschoven heeft, al bedraagt de verplaatsing slechts weinige centimeters. Om derhalve haar "plaatszin" te verscherpen, om zich de omgeving van de kleine opening, die voor haar als uitgangs- en ingangspoort dient en die naast zoovele volkomen gelijke openingen gelegen is, goed in 't geheugen te prenten, zal elke Bij, terwijl zij aanhoudend naar rechts en naar links om zich heenkijkt, steeds bedachtzaam en ruggelings de korf verlaten en het vliegplankje betreden. Zij volgt bij het uitvliegen aanvankelijk een uit korte bogen bestaanden weg, gaat zitten, verheft zich opnieuw, al grootere bogen beschrijvend en deze tot cirkels aanvullend, maar vliegt nog altijd achteruit. Thans eerst is zij zeker van haar zaak en zal bij haar terugkomst het vlieggat zonder fout terugvinden; na een korten aanloop schiet zij regelrecht in snelle vlucht omhoog en is uit het oog verdwenen. Zij kan, als het noodig is, haar reis 2 uur ver voortzetten. Haar gewone doel is, bloemen en harsachtige stoffen op te sporen; indien er evenwel suikerfabrieken in de nabijheid zijn, weet zij deze zeer goed te vinden en zal hier met hartstochtelijken ijver komen snoepen, meestal met groot gevaar voor haar leven. Duizenden vinden in de fabriekslokalen den dood, omdat zij er wel in kunnen komen, maar geen kans zien er weer uit te geraken. Zwaar beladen vliegen zij tegen de vensterruiten aan, krabbelen hierlangs omhoog, vallen afgemat op den grond en bezwijken.--Vierderlei stoffen worden ingezameld: honigsap (nectar), water, stuifmeel en harsachtige uitvloeiingen. Het eerstgenoemde vocht lekken zij met de tong op, brengen het naar den mond, slikken het door, bergen het in de honigmaag en braken het als honig weer uit. Het water, dat natuurlijk op dezelfde wijze opgenomen wordt, dient als voedsel voor het dier zelf en is noodig bij het bouwen en bij het bereiden van het voedsel voor de larven: de Bij vergaart het echter niet in de korf, maar moet het telkens, als er behoefte aan bestaat, gaan halen. De behaarde lichaamsdeelen, de kop en het borststuk, worden, terwijl de Bij in de bloemkroon doordringt, als 't ware bij toeval met stuifmeel bepoederd; dit wordt met de pooten bijeengeborsteld en aan de achterpooten vastgehecht. In grooter hoeveelheid verkrijgt de Bij deze stof echter door haar arbeid, door met bewustzijn, opzettelijk, gebruik te maken van hare werktuigen. Met de lepelvormige, scherpe bovenkaken, bijt zij de kleine helmknoppen stuk, wanneer deze zich niet reeds van zelf geopend hebben, neemt met de voorpooten hun inhoud op, brengt dezen op de middelpooten en van daar op de achterpooten over, waar het reeds vroeger genoemde korfje van den scheen en de daaronder gelegen hiel met de hen omgevende wimpers het echte toestel voor het verzamelen van het stuifmeel vormen. Hieraan wordt het gemakkelijk samenbakkende stuifmeel met de andere pooten vastgekleefd en dikwijls tot dikke klompen, de zoogenaamde "bouten", samengevoegd. Van de knoppen der populieren, berken en andere boomen en van de voortdurend hars leverende naaldboomen, maakt de Bij de bruikbare bestanddeelen met de kaken los en verzamelt ze eveneens in het korfje.--Dat het inzamelen van stuifmeel door de Bijen, zoowel door onze "tamme", als door de talrijk "wilde" soorten, een hoogst belangrijken invloed oefent op de bevruchting van de eitjes der planten, die in sommige gevallen op geen andere wijze tot stand kan komen, is een algemeen bekend feit, dat wij hier niet nader behoeven toe te lichten.
Zoodra de Bij een voldoende lading heeft, vliegt zij, geleid door haar wonderbaarlijk goed ontwikkelden plaatszin, langs den kortsten weg naar haar woning. Hier aangekomen zijnde gaat zij in den regel op het vliegplankje zitten om een weinig te rusten, loopt daarna snel naar het vlieggat en begeeft zich in den korf. De door haar medegebrachte schatten worden, al naar hun aard, op verschillende wijze afgestaan. Met den honig wordt de een of andere hongerige zuster gevoederd of een der voor proviandbergplaats bestemde cellen gevuld. Eenige cellen bevatten honig voor het dagelijksch gebruik, andere, en dit zijn juist de bovenste cellen van iedere raat, dienen als voorraadkamers voor later; de gevulde worden onmiddellijk met een dekseltje van was gesloten, nadat de Bij er uit den angel een drupje mierenzuur op heeft laten vallen om den honig voor bederf te bewaren. De "bouten" stroopt zij zich af en stampt ze vast in een der cellen, die tot berging van het zoogenaamde bijenbrood dienen en op verschillende plaatsen van de raat gelegen zijn. Ook bijt zij er wel eens een stuk af en verzwelgt dit, of wordt door een harer zusters op deze wijze van haar last bevrijd. De harsachtige stoffen, die men stopwas of voorwas (propolis) noemt, worden gebruikt voor het dichtmaken van gaten en spleten, waardoor vocht of koude zou kunnen binnendringen, en voor het kleiner maken van het vlieggat. In enkele gevallen is het noodig hiermede vreemde voorwerpen te omhullen, die wegens hun grootte niet door het vlieggat naar buiten geworpen kunnen worden en welker rotting anders de lucht in den korf zou verpesten. Naar men zegt, heeft men wel eens een Muis of een Naakte Slak, die op deze wijze gebalsemd was, in den korf gevonden.
De mannetjes, die zich met het bouwen van cellen en het inzamelen van bouwstoffen en leeftocht niet bemoeien, hebben geen andere bezigheid, dan een uitstapje in de middaguren; met afhangende pooten en luid gonzend vliegen zij dan eenigen tijd rond. Reeds in de eerste dagen van haar verblijf in den korf gevoelt de koningin behoefte om terzelfder tijd ook zulk een uitstapje te ondernemen. Na korte afwezigheid keert zij in den korf terug en is nu in staat om gedurende haar geheele leven, dat 4 of 5 jaren kan duren, ieder jaar 50000 à 60000 voor 't meerendeel bevruchte eieren te leggen. In hare laatste levensjaren is het aantal eieren geringer; in den regel laat men haar, in 't belang van de bijenmaatschappij, niet langer dan 4 jaar in functie. Als de koningin in de eerste 8 dagen niet uitgevlogen is, blijft zij onvruchtbaar.
46 uren na haar terugkomst in den korf begint zij eieren te leggen. De voorste raat en de voorwand van de volgende worden in den regel voorloopig niet voor 't eierenleggen gebruikt. De bovenste cellen van iedere raat zijn met een dekseltje gesloten en bevatten honig; hieronder bevinden zich de broedcellen. Bij haar arbeid, die meestal slechts door korte rustpoozen wordt afgebroken, vergezellen haar de werkbijen, die haar voedsel verschaffen, haar met de sprieten en met de tong streelen, kortom haar alle mogelijke liefdediensten bewijzen. In iedere cel, waarin zij een ei zal leggen, steekt zij vooraf den kop, als 't ware om zich te overtuigen, dat alles in orde is, komt daarna weer te voorschijn en steekt het achterlijf in de cel; zoodra zij er weer uit gekomen is, ziet men achter in de cel ter zijde van den onderwand, tegen den bodem aan, het rechtopstaande ei. Het is melkwit, doorschijnend, ruim 2 mM. lang, flauw gekromd en aan zijn onderste uiteinde slechts weinig smaller dan van boven. Onmiddellijk legt een werkbij op den bodem van de broedcel een klein hoopje witte gelei, die zij in haar "laboratorium" van honig, bijenbrood en water bereid heeft. Op den 4en dag komt uit het ei de larve te voorschijn, die het voorkomen heeft van een wormpje met een aantal ringvormige groeven in de huid; zij eet het gereed liggende voedsel op, strekt het lichaam met den kop naar den uitgang en wordt verder door de werkbijen gevoederd. Zonder te vervellen en zonder iets uit te werpen, groeit zij zoo snel en wordt zoo dik, dat zij op den 6en of 7en dag van haar leven de geheele cel vult. Hare zorgvuldige pleegmoeders rekken met de kaken den rand van de cel uit, buigen hem naar binnen om de opening te vernauwen en vullen deze verder aan met een glad dekseltje van was. De nu volkomen gesloten cel blijft niet onbewaakt; voortdurend is zij met een dicht opeengedrongen hoop Bijen bedekt, die als 't ware aan 't "broeden" zijn. Daarbinnen spint de made een zijden hulsel om haar lichaam, werpt haar huid af en verandert in een vrije pop. Op den 21en dag na het leggen van het ei wordt het deksel door drukking van binnen afgestooten. Onmiddellijk nadat de nieuwe burgeres haar cel verlaten heeft, wordt deze door de een of andere werkbij onder handen genomen en geschikt gemaakt om op nieuw als broedcel voor een ei te dienen, door het gladmaken van den rand der opening, enz.