Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 04: De Insecten

Part 15

Chapter 153,567 wordsPublic domain

De Koolzaad-aardvloo (Psylliodes chrysocephala) bewoont behalve de plant, die door haar soortnaam aangeduid wordt en waaraan haar larve soms groote schade toebrengt, ook verscheidene andere (en niet uitsluitend kruisbloemige) gewassen. In 't vroege voorjaar, als het winterkoolzaad opnieuw begint te groeien, ziet men een aantal plantjes, welker nog korte stengel, evenals de hieraan gehechte bladen, een bruine en geen groene kleur vertoont; bij andere hebben eenige schrale bijstengeltjes den reeds geheel vernielden hoofdstengel vervangen en is ook het bladerenrozet bruin geworden. Een nader onderzoek leert, dat bij gene boven, bij deze onder in den stengel larven van 2 à 6 mM. lengte huizen. Vele weken later ontmoet men larven van dezelfde grootte in hooger opgeschoten stengels, vooral in de geknikte, welker aantal dikwijls zoozeer is toegenomen, dat de akkers een treurig schouwspel opleveren; zij zien er uit, alsof menschen en vee ze in alle richtingen doorkruist en alles vertrapt hebben. De larven verslinden n.l. langzamerhand al het merg van den stengel, waarna deze geen weerstand meer kan bieden aan den wind. Hier en daar, vooral onder de aanhechtingsplaats van takken, merkt men ook gaten op, waardoor volwassen larven de voederplant verlieten om zich in den grond te verpoppen. Uit deze poppen komen in het najaar Kevers, die aan den voet van de bladstelen van het pas boven den grond gekomen winterkoolzaad eieren leggen; hieruit ontwikkelen zich larven, die in den stengel de strengste winterkoude trotseeren, in Februari of Maart in den poptoestand overgaan en ongeveer in het midden van Mei als Kevers op de planten verschijnen.

Bij het geslacht Psylliodes is de omtrek van het lichaam elliptisch en is de achtervoet boven het uiteinde van den scheen aangehecht. Bij de bovengenoemde, 4 mM. lange, 3 mM. breede soort is de tamelijk bolle rugzijde glanzig groenachtig of blauwachtig zwart; de voorste helft (zelden de geheele bovenzijde) van den kop, het onderste deel van de sprieten, benevens de pooten (met uitzondering van de dikke achterdij) zijn roodachtig geel, de vóór- en middeldij in den regel iets donkerder dan de vóór- en middelscheen.

Op een eenigszins andere wijze richt de Kool-aardvloo (Haltica oleracea), die op vele kruisbloemige en andere planten aangetroffen wordt, haar leven in. Zij overwintert als imago; daarna legt het wijfje eieren op de planten, die aan de larven voedsel verschaffen. In gunstige jaren volgen drie generaties elkander op. De Kever is langwerpig eivormig, ruim 4 mM. lang; zijn donker olijfgroene kleur vertoont een meer of minder duidelijken, blauwen weerschijn; alleen de sprieten en de leden van den voet zijn zwartachtig.

Zeer eigenaardig door voorkomen en levenswijze zijn de Schildpadtorretjes (Cassida). De onderfamilie der Bedektmondigen (Cryptostomata), waarvan zij deel uitmaken, heet zoo naar de mondopening, die wegens den loodrechten stand van het voorhoofd ver naar achteren verschoven is. De eivormige Schildpadtorretjes zijn gemakkelijk te herkennen aan hun van voren afgerond halsschild, dat den kop volkomen bedekt en, nauw aansluitend tegen de dekschilden, met deze een soort van rugschild vormt, welks randen in alle richtingen voorbij het lichaam uitsteken, zoodat er van boven niets anders zichtbaar is. Hun kleur is gewoonlijk grasgroen, geelachtig of roodachtig grijs, soms op den rug versierd met als goud of zilver glinsterende strepen, die na den dood verdwijnen. De 5 laatste sprietleden zijn tot een knots verdikt. Een groot aantal soorten van dit geslacht zijn in Europa (een tiental in Nederland), eenige weinige in Afrika gevonden. De van boven naar onderen afgeplatte, aan de zijden met doornen gewapende larven, welker aarssegment aan het einde van de rugzijde een vorkvormig aanhangsel draagt, leven vrij op bladen van kruidachtige planten en blijven hieraan vastgehecht gedurende den poptoestand. Alle overwinteren in geslachtsrijpen toestand en zorgen in 't begin van de lente voor hunne nakomelingen, die zich tamelijk snel ontwikkelen: ieder jaar kunnen twee generaties voorkomen.

Het Schildpadtorretje van de bieten (Cassida nebulosa fig. 1-5), een van de meest verbreide inheemsche soorten, is kenbaar aan de volgende eigenaardigheden: de achterhoeken van het halsschild zijn breed afgerond, de dekschilden vertoonen regelmatige, overlangsche reeksen van putjes, door lijstvormige tusschenruimten gescheiden, en sterk uitpuilende schouders. De oude exemplaren zijn van boven roestkleurig bruin met roodachtigen koperglans en onregelmatige, zwarte vlekken op de dekschilden; de kop en de pooten zijn roestkleurig geel; de knotsvormige sprieten, (met uitzondering van het roestgele wortelgedeelte) zijn zwart; in den regel hebben ook de dijen deze kleur, zoo ook de buik (met uitzondering van een breeden, roestgelen rand) en de borst. De larve is geelachtig groen, welke kleur op den kop een donkerder, op de zijdoornen een lichtere, meer witte tint heeft; de ademgaten zijn wit, evenals 2 dichtbijeengeplaatste, boogvormige strepen op den rug. De pop (fig. 4 en fig. 1: *) is met de spits van het achterlijf, dat in een gevorkt aanhangsel eindigt, in de afgeworpen larvehuid verborgen, heeft, om zich hieraan vast te hechten, aan het achterlijf zijwaarts gerichte doorntjes en keert de buikzijde naar het blad, waaraan de larve bij den overgang in den poptoestand zich vasthoudt. In de eerste helft van Juni kan men dit Insect in al zijne ontwikkelingsphasen aantreffen op de melden (Chenopodium), die veel op hoopen puin en op akkers groeien. Wanneer dit voedsel niet in voldoende hoeveelheid voorhanden is, gaan de Schildpadtorretjes, evenals de Zwarte Aarskevers ook op de te velde staande suikerbieten en mangelwortels over en richten hier soms groote schade aan door het uitvreten van de bladen.

Daar het wijfje hare talrijke eieren bij hoopjes op de benedenzijde der bladen legt, vindt men hier de larven tot meer of minder groote gezelschappen vereenigd, die gaten in het blad knagen en het later ook van den rand af uitvreten. Bij warm weder groeien de larven flink en volgen de vervellingen schielijk opeen. Zij hebben de zonderlinge gewoonte hare uitwerpselen neer te leggen op het in twee lange borstels eindigend aanhangsel van het aarssegment, dat achterwaarts gericht is, zoolang het diertje in rust verkeert, doch bij dreigend gevaar als een parasol boven den rug wordt gehouden tot beschutting tegen vijanden en tegen de zonnestralen (vergelijk fig. 1: ** en 3). Na een rusttijdperk van 8 dagen verlaat de Kever de pophuid; hij houdt zich op aan de bovenzijde van het blad en vliegt bij zonnig weer dikwijls rond. De eerste Kevers vertoonen zich reeds in het begin van Juni. Als de omstandigheden gunstig zijn, ontwikkelen zich 3 generatiën in den loop van één jaar; de laatste overwintert als imago onder bladen of in den grond.

In Azië, maar vooral in Amerika, treft men nog fraaier gekleurde en prachtiger glinsterende Schildpadtorretjes aan; die van het geslacht Coptocycla hebben glasachtige, met metaalglanzige vlekken prijkende dekschilden, maar komen in vorm met de inheemsche soorten overeen. Een goudgroene soort, de Braziliaansche Juweelkever (Desmonota variolosa), wordt, in goud gevat, als broche of oorhanger gebruikt.

TWEEDE ORDE.

DE VLIESVLEUGELIGEN (Hymenoptera, Piezata).

Tot de zeer soortenrijke orde der Vliesvleugeligen behooren de Bijen, de Hommels, de Mieren, de Wespen, die, althans bij name, aan iedereen bekend zijn. Alle vertoonen een groote overeenkomst in lichaamsbouw, hoewel zij een zeer verschillende levenswijze hebben. Hun huidskelet onderscheidt zich door hardheid; de drie borstringen zijn onbeweeglijk verbonden; de monddeelen zijn voor 't bijten en kauwen geschikt en kenmerken zich door de sterke ontwikkeling van de tong; de vier gelijksoortige vleugels zijn weinig geaderd en schijnbaar naakt, de voorste langer en breeder dan de achterste; zij ontwikkelen zich na een volkomen gedaantewisseling. Bij sommige ontbreken de vleugels geheel; bij andere biedt de verdeeling der vleugeladers zulke karakteristieke verschijnselen aan, dat hieraan gemakkelijk waarneembare kenmerken zijn ontleend, waarvan bij de rangschikking gebruik wordt gemaakt.

In den geslachtsrijpen toestand leven de Vliesvleugeligen bijna zonder uitzondering van zoete vloeistoffen, die zij met de tong oplekken en aan bloemen en aan Bladluizen ontleenen. Zooals bekend is, scheiden deze teere, uitsluitend van plantensappen levende diertjes, die in den regel tot groote gezelschappen vereenigd voorkomen, een zoet vocht uit, soms in zoo groote hoeveelheid, dat het de bladen als een vernis bedekt. Andere Insecten, vooral Vliegen en Vliesvleugeligen maken hiervan gretig gebruik en voeden zich bijna uitsluitend met deze suikersoort. De insectenverzamelaar weet bij ervaring, dat hij nergens een rijkeren buit kan verkrijgen dan op plaatsen, waar glanzige, dikwijls zwartachtige vlekken op de bladen van struiken reeds op eenigen afstand de aanwezigheid van talrijke bladluiskoloniën verraden.

Even gelijkaardig als het voedsel van de geslachtsrijpe dieren, even verschillend is de levenswijze en de lichaamsbouw van de larven. Eenige hebben een groot aantal pooten (sommige niet minder dan 22) en prijken in den regel met bonte kleuren; deze worden "bastaardrupsen" genoemd; zij leven op de bladen, die haar tot voedsel dienen en ontwikkelen zich tot Bladwespen. Hare verwanten, de Houtwespen, ontstaan uit wormvormige larven, die gangen in het hout knagen en hierin voortdurend verblijf houden. Beide soorten van larven toonen door den bouw van haar lichaam en door haar meer zelfstandig optreden een hoogeren trap van ontwikkeling dan de larven van alle overige Vliesvleugeligen, die wegens het gemis van pooten met volle recht den naam van maden dragen. Sommige van deze maden leven in planten, zonder gangen in stengels of bladen te boren, maar houden zich op in eigenaardige opzwellingen, die een gevolg zijn van haar aanwezigheid en algemeen bekend zijn onder den naam van gallen. De Insecten, die zich uit deze maden ontwikkelen, heeten daarom Galwespen. De andere maden bewonen eenzaam of gezellig nesten, die voor haar gereed gemaakt en van voedsel voorzien worden. De Bloemwespen verzamelen met dit doel honig en stuifmeel, de Roofwespen maken andere Insecten buit.

Zeer groot is voorts het aantal der maden, die parasitisch in het lichaam van andere Gelede Dieren leven. Terwijl zij zich tot Sluipwespen ontwikkelen, werken zij mede tot het bewaren van het evenwicht in de natuur: daar het leven van elke Sluipwespmade aanleiding geeft tot den dood van een der plantenetende Insecten, blijft de vermenigvuldiging van deze binnen zekere grenzen beperkt. Mocht het al voorkomen, dat door een samenloop van gunstige omstandigheden de bedoelde grenzen overschreden worden, dan wordt hiervan onmiddellijk partij getrokken door de Sluipwespen, die, voor hunne jongen een bijzonder groot aantal "gastheeren" vindend, zich sterker dan gewoonlijk vermenigvuldigen en hierdoor het aantal van de bedoelde Insecten binnen de gewonen perken terugvoeren. In den regel herbergt iedere "gastheer" slechts één made, voor zoover deze tot een der groote soorten van Sluipwespen behoort; daarentegen verschaft hij niet zelden voedsel aan honderden maden van kleinere soorten. Om een voorstelling te verkrijgen van de kleinheid dezer wezens, bedenke men, dat de kleine Bladluizen door zulke parasieten geteisterd worden en dat zelfs de nog kleinere eieren van Insecten het noodige materiaal voor de ontwikkeling van andere Sluipwespmaden bevatten.

De wijfjes van de meeste soorten dezer groep maken een opening in de huid van de larve, in welker lichaam zij één of meer eieren leggen; de hieruit komende maden leven verborgen in haar gastheer; er zijn er echter ook, die zich aan de oppervlakte van zijn lichaam hechten. Sommige soorten van de geslachten Pteromalus, Bracon, Spathius, Tryphon, Phygadeuon, Cryptus, Pimpla en andere, die wij later nog zullen leeren kennen, leven als maden parasitisch buiten op de bastaardrupsen van sommige Bladwespen, op de rupsen van eenige Bladrollers en Uilen uit de orde der Vlinders en op larven van Kevers, die achter boomschors of in hout wonen. Ook nog in andere opzichten dan de reeds genoemde kan er verschil bestaan tusschen de wijzen, waarop de Sluipwespmaden gebruik maken van het lichaam van haar gastheer. De rijpe maden van sommige soorten (en wel vooral die, welke gezellig parasiteeren) verlaten de rups, welker lichaam zij op de huid na verslonden, om zich op dit overblijfsel te verpoppen. Andere met Sluipwespmaden behepte rupsen spinnen zich op de gewone wijze in; de insectenverzamelaar, die een fraaien Vlinder hoopt te verkrijgen, ziet zich echter teleurgesteld; in plaats van een vlinderpop vindt hij bij 't openen van de cocon hierbinnen het zwarte, langwerpige pophulsel, dat door een volwassen Sluipwespmade stevig en duurzaam als van perkament vervaardigd werd. In een derde geval heeft de niet spinnende rups nog juist kracht genoeg om in een pop te veranderen, die volkomen gaaf schijnt. Wanneer men haar in een insectenkooi plaatst, blijkt het echter mettertijd, dat zij bij aanraking zich niet meer kromt en een ongewoon gering gewicht heeft, uit welke beide verschijnselen men met zekerheid kan afleiden, dat ook hier bedrog in 't spel is. Na verloop van eenigen tijd vertoont de pop een opening aan de kruin en ligt deze, als een dekseltje losgeknaagd, naast het ledige uitwendig skelet; vroolijk wandelt, in plaats van den Vlinder, een Sluipwesp, misschien wel een slanke Ichneumon, in de kooi rond.

Soms moet een parasiteerende made als gastheer dienen voor het jong van een andere soort van Sluipwesp, die dus een parasiet is van een parasiet. Dit verschijnsel, dat men "parasitisme van den tweeden graad" zou kunnen noemen, draagt er niet toe bij om de studie van de hoogst merkwaardige betrekking, die tusschen deze diertjes bestaat en waarmede wij nog zeer onvolledig bekend zijn, voor den onderzoeker gemakkelijker te maken.

Het bovenstaande moge voldoende zijn om den lezer een oppervlakkig denkbeeld te geven van de Blad-, Hout-, Gal-, Sluip-, Roof- en Bloemwespen. Wij moeten nu nog een vluchtigen blik werpen op den lichaamsbouw dezer Insecten om hen met zekerheid van andere en van elkander te kunnen onderscheiden. De kop is vrij vóór de borst geplaatst, is er als 't ware door een steeltje mede verbonden en schijnt, van boven gezien, bijna altijd breeder dan lang. Aan zijn kruin merkt men nagenoeg altijd 3 bijoogen op, welke glinsteren als pareltjes in een diadeem. De sprieten zijn draad- of borstelvormig, zelden naar den top knotsvormig verdikt, soms recht, soms gebroken. In verhouding tot de lichaamslengte zijn zij nooit bovenmatig groot, evenmin bijzonder klein, daarentegen altijd naar voren gericht.

De omtrek van de borst is gewoonlijk eivormig, soms echter cilindrisch, in den regel aan de bovenzijde eenigszins bultig; de grenzen der drie ringen zijn door naden aangeduid. De voorste ring is het minst ontwikkeld: zijn ruggedeelte is zeer smal en wordt halskraag genoemd; het borstgedeelte biedt juist ruimte genoeg voor de aanhechting der voorpooten. Het grootste deel van de rugzijde van het borststuk behoort tot den middelsten ring; men onderscheidt er zeer dikwijls drie afdeelingen aan, de zoogenaamde lobben, waarvan de middelste in het schildje eindigt.

Bij geen andere Insectengroep heeft de wijze van verbinding van het borststuk met het achterlijf zulk een grooten invloed op het voorkomen van het dier als juist bij de Vliesvleugeligen, waar alle gevallen van verbinding (aangegroeid, zittend, aanhangend en gesteeld) kunnen voorkomen. Het achterlijf is samengesteld uit 6 à 9 ringen, welk getal bij sommige tot 3 verminderd is.--Zeer merkwaardig is de inrichting van het werktuig, waarmede het wijfje eieren legt. Bijna altijd dient hiervoor een hoornachtigen, uit 3 à 4 deelen samengestelden stekel, die door twee zijdelingsche scheeden als door een foedraal omgeven is. Aan den stekel onderscheidt men een bovenste, dikwijls gootvormige helft, de eileider, en een onderste, kleinere helft, bestaande uit de zoogenaamde graten, die nauw tegen elkander aansluiten en door sponningen met de bovenste helft verbonden zijn. De graten hebben den vorm van een priem, een mes, een boor, een zaag, kortom van een snijdend werktuig; hiermede moet het Insect het voorwerp doorboren, dat zich bevindt tusschen den eileider en de plaats waar het ei gelegd zal worden. Bij vele Sluipwespen en bij alle Roof- en Bloemwespen kan de stekel in het achterlijf teruggetrokken worden; hij is dan kort en heeft een scherpere punt dan de fijnste naald; natuurlijk is hij ook geschikt om hem, die het wagen durft een van deze diertjes van zijn vrijheid te berooven, een gevoeligen steek in den vinger toe te brengen. Er valt hierbij echter een onderscheid waar te nemen. De pijn, die door den steek van een Sluipwesp veroorzaakt wordt, gelijkt op die van een prik met een naald en houdt niet lang aan. Wanneer daarentegen een Roofwesp of een Bloemwesp met haar wapen iemand treft, zal deze een lang aanhoudende, brandende pijn ondervinden; de gewonde plaats wordt rood en zwelt eenigszins op, omdat het Insect niet slechts stak, maar te gelijker tijd gif in de wonden liet vloeien. Dit gif is een mengsel van twee vloeistoffen, afkomstig uit twee klieren aan den wortel van den stekel. De eene bevat mierenzuur, de andere een zwak alkalische vloeistof. Men heeft den gifstekel ook wel angel (aculeus) en de bezitters van dit orgaan Angeldragers (Hymenoptera aculeata) genoemd. Het werktuig, dat uitsluitend voor 't leggen van de eieren dient, hoewel het dikwijls het voorkomen van een angel heeft, heet Legboor (terebra) en verschaft aan zijne eigenaars den naam van Legboordragers (Hymenoptera terebrantia).

Van de pooten valt te vermelden, dat bij de Blad-, Hout-, Sluip- en Galwespen een tweeledige dijring voorkomt, welks naast aan den stam gelegen lid het langste is; éénledig is de dijring bij de Roof- en Bloemwespen. De voet is gewoonlijk uit 5 leden samengesteld.

Elke vleugel bestaat uit een dun vlies, dat naakt schijnt, maar bij microscopisch onderzoek kort behaard blijkt te zijn. Soms is het volkomen helder, meestal een weinig dof, als 't ware berookt; niet zelden heeft het een gele tint of zijn de buitenranden zwartachtig; dikwijls strekt het doffe gedeelte zich in den vorm van strepen over den vleugel uit. De vleugels hebben in vergelijking met die van de overigens nauw verwante Netvleugeligen slechts weinige aders, die onderling of met den vleugelrand op zulk een wijze verbonden zijn, dat zij een aantal zoogenaamde cellen begrenzen. Gedurende het vliegen is elke voorvleugel met zijn achtervleugel verbonden, doordat fijne haakjes van den voorrand van dezen over bepaalde plaatsen van den achterrand van genen sluiten. Op de plaats van aanhechting van den voorvleugel ligt een beweegbaar, hoornachtig plaatje, het zoogenaamde vleugelschubje, dat zich dikwijls door een bijzondere kleur onderscheidt en vaker om deze reden dan wegens zijn eigenaardigen vorm de aandacht verdient. Een ander chitinevlekje, dat juist omdat het hoornachtig is, evenals de aders, in kleur verschilt van het dunne vleugelvlies en duidelijk in 't oog valt, bevindt zich aan den voorrand van de meeste vleugels achter het midden en heet vleugelstip; waar zij ontbreekt, zijn de aders zeer gering in aantal of geheel afwezig. De vleugeladers en de door haar gevormde cellen verdienen ook hierom meer bepaaldelijk onze aandacht, daar zij voor verreweg de meeste Vliesvleugeligen kenteekenen ter onderscheiding opleveren, zonder welke de geslachten onmogelijk bepaald kunnen worden. Hierbij verdient opgemerkt te worden, dat twee dikke aders, de randader (costa) en de onderrandader (subcosta), dicht bij elkander liggend, bij sommige Bladwespen tot een hoornachtig strookje vereenigd, den voorrand van den vleugel vormen en hem zijn voornaamsten steun verschaffen; de reeds genoemde stip is eenvoudig een verbreeding van de randader, of wordt gevormd, doordat beide aders over een korten afstand uiteenwijken. In den vleugel van de echte Sluipwespen, waar hoogstens 3 onderrandcellen voorkomen (of door het verdwijnen van de middelste slechts 2) verdient juist de middelste als onderscheidingsteeken zeer de aandacht en heeft daarom een bijzonderen naam gekregen, n.l. die van spiegelcel (fig. 3: '', tusschen c' en c'''). Een tweede eigenaardigheid, waaraan men de bedoelde vleugels kan herkennen, bestaat in de samensmelting van de eerste onderrandcel met de bovenste middelcel; dikwijls is dan nog een klein stukje van de tusschen beide gelegen ader, de "adertak", over gebleven (fig. 3 bij c'). De lancetvormige cel (fig. 1: 1 en fig. 9: 1) komt alleen bij de Bladwespen voor en biedt door haar vorm belangrijke onderscheidende kenmerken aan. Soms loopt zij eenvoudig als een smalle strook, die zich aan 't voorste en achterste uiteinde een weinig oorvormig verbreedt, naar den schouder; soms wordt zij door een korte, rechte (fig. 1) of door een aanmerkelijk langere, schuinsche ader (fig. 9) in twee cellen verdeeld. Een andere wijziging, die aan de lancetvormige cel kan voorkomen, is, dat de haar begrenzende aders in 't midden ineenvloeien en over een meer of minder grooten afstand een enkele ader vormen; men noemt haar dan ingesnoerd. Van een gesteelde lancetvormige cel spreekt men, als de bedoelde enkele ader tot aan den schouder doorloopt, zonder zich vooraf weer in tweeën te splitsen. Het stelsel van vleugeladers in den kleineren achtervleugel kan men, wegens de belangrijke vereenvoudiging, die het onderging, nu eens wel, dan weer minder gemakkelijk op soortgelijke wijze beschrijven als in den voorvleugel; ook de hier opgemerkte eigenaardigheden leveren belangrijke kenmerken ter onderscheiding van soorten op.

De vleugels ontbreken geheel bij eenige echte Sluipwespen van het voormalige geslacht Pezomachus, bij sommige aan de Sluipwespen verwante Insecten (Braconiden), bij eenige Galinsecten, bij de arbeidsters der Mieren en bij de wijfjes van de Mutillen of Spinmieren.

Vele Vliesvleugeligen brengen een gonzend of brommend geluid voort, zooals iedereen van Hommels, Bijen en Wespen gehoord heeft. Een soort van tonen, die men ook bij de Vliegen en andere Insecten opmerkt, wordt veroorzaakt door de snelle beweging van de vleugels. Een andere soort van tonen ontstaat, doordat de Vliesvleugeligen (en de Vliegen) door de ademgaten van het borststuk en het achterlijf lucht naar buiten stuwen; zij doen dit willekeurig. Niet alle ademgaten zijn van zulk een stemorgaan voorzien, maar hoofdzakelijk die van het borststuk, bij de sterk brommende Bloem- en Roofwespen daarentegen die van het achterlijf en bij zeer weinige zoowel deze als gene.

Fossiele Vliesvleugeligen komen reeds in de Jura-formatie voor; zij zijn hier echter zeldzaam; bovendien is het van sommige dezer fossielen twijfelachtig of zij wel tot de genoemde orde mogen worden gebracht. Veelvuldig ontmoet men deze Insecten, vooral Mieren, in tertiaire lagen en in het barnsteen. Het aantal levende soorten schat men op 25000.