Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 04: De Insecten
Part 14
Een van de kleinste en sierlijkste is de 10 mM. lange Kruisdragende Aardbok (Dorcadion crux), die in Klein-Azië, o.a. bij Smyrna, in Turkije en Zuid-Rusland gevonden wordt en er, naar 't schijnt, niet zeldzaam is. Witte, zijdeachtige haren bedekken een groot deel van het fluweelachtig zwarte lichaam, en vormen hierop het kruis, waaraan de soort haar naam ontleent, doordat zij een diepe, overlangsche groeve van kop en halsschild, den achterrand van het halsschild en een smal streepje aan weerszijden van den naad bekleeden. Zwarte gedeelten van de grootendeels witte dekschilden zijn: de zijrand, een streep langs den naad en een hiermede vereenigde middelvlek.
Het verst noordwaarts leeft de 4 mM. lange Zwarte Aardbok (Dorcadion atrum), die in sommige jaren in Thuringen en in de Hartz vrij talrijk is.
Een zeldzamer bewoner van dezelfde streken is de in 't zuiden meer algemeene Grijze Aardbok (Dorcadion fuliginator), de meest gewone soort rondom Parijs. (Lengte 16 mM.)
De 26 à 32 mM. lange Segryn-weverbok (Lamia textor) heeft een uit fijne, geelachtige haren samengesteld kleed, met zwartachtige knobbels als glinsterende stipjes er tusschen, waardoor het geheel een vuilbruine kleur verkrijgt. Men ontmoet dezen plomp gebouwden Kever op wilgen, in welker merg zijn larve gangen boort, die zij aan 't einde verwijdt, wanneer de tijd om van gedaante te wisselen nadert. Hier omhult zij zich met een uit houtvezels geweven cocon. Pooten heeft zij niet, wel een rolvormige knobbel aan 't einde van 't achterlijf. In Nederland komt zij te zeldzaam voor om belangrijke schade te veroorzaken.
Van alle inheemsche Insecten heeft de Langhoornige Dennenboktor (Acanthocinus aedilis) de langste sprieten; deze zijn borstelvormig, bij het mannetje 5-maal, bij het wijfje 2-maal zoo lang als het lichaam. De 11 sprietleden zijn met uitzondering van den top met donkere ringen versierd. Het wijfje heeft een langen achterwaarts gestrekten legboor. De lengte der dekschilden is ongeveer het dubbele van hun gezamenlijke breedte; zij zijn grijs door het dichte, viltachtige haarkleed, dat ook het overige lichaam bedekt, korrelig gestippeld en met 2 meer of minder duidelijke, naakte (en daarom bruine) dwarsbanden geteekend. De lange sprieten zijn bij de pop eerst naar achteren en daarna weer naar voren gebogen.
Vroeg in 't jaar vertoont deze Kever zich op omgehouwen dennenstammen en de hiervan achtergebleven stompen. Bij zonnig weer vliegt hij rond en bezoekt dan ook houtstapels en nog staande stammen. Soms ziet men het langsprietige Insect ook binnenshuis verschijnen, waar het als larve met timmerhout is binnengekomen.
De Groote Populierboktor (Saperda carcharias) is grijsachtig geel (het wijfje meer okergeel) door het viltachtige haarkleed, dat alleen ontbreekt op de spitsen der meeste sprietleden (die hierdoor zwart zijn) en op de korrelige verhevenheden der dekschilden. Men ziet dezen 24 à 30 mM. langen Kever van Juni tot Augustus aan den zonkant op stammen en takken van verschillende soorten van populieren en wilgen zitten. Uit de trage rust, waarin hij dan verkeert, ontwaakt hij waarschijnlijk eerst tegen den avond door den drang tot voortplanting. De eieren worden zoo diep mogelijk geborgen in spleten aan den voet van den stam, bij voorkeur van boomen van 6- à 20-jarigen leeftijd. De larven, die in 't eerste jaar dicht onder de schors gangen knagen, dringen na den winter dieper in het hout door en banen zich regelrecht een weg naar boven. In den tweeden zomer kort voor den overgang in den poptoestand zijn zij soms 39 mM. lang. Waar zij in grooten getale voorkomen, kunnen zij veel schade doen aan jonge populieren: de stam, waarvan 't onderste deel vele larven herbergt, zal bij een eenigzins belangrijke vermeerdering van de windkracht afbreken.
De Kleine Populierboktor (Saperda populnea) is 10 à 12 mM. lang en dankt aan de viltachtige beharing haar groenachtig of geelachtig grijze kleur, die op het halsschild door drie gele, overlangsche strepen, op ieder dekschild door een overlangsche reeks van gele vlekjes wordt afgebroken; de sprieten zijn, evenals bij de vorige soort, afwisselend zwart en grijs. In Mei of Juni ziet men haar op de bladen van den ratelpopulier; zij is veel beweeglijker dan haar grootere verwante. Op de plaats waar de larve omstreeks Juli onder de schors doordringt, ontstaat een kringvormige opzwelling. In den eersten zomer houdt zij zich onder de schors op; na de overwintering begeeft zij zich door den mergcilinder omhoog. In den regel vestigen zich verscheidene larven in één boom; in het aangetaste stammetje of takje merkt men daarom een aantal zwarte, overlangsche gangen op, die in den regel zijn dood ten gevolge hebben.
De familie van de Bladkevers (Chrysomelidae) omvat ongeveer 10000 soorten van kleine en zeer kleine, hoogstens middelmatig groote Kevers, die zoowel in den larve- als in den imago-toestand weeke plantaardige stoffen, vooral bladen, eten. Enkele van deze Kevers komen soms zoo overvloedig voor, dat de gekweekte planten groote schade door hen lijden. Zij hebben over 't algemeen een rolrond of half bolvormig, ineengedrongen lichaam, dat met heldere, bonte, dikwijls prachtige, metaalglanzige kleuren prijkt; vele inheemsche soorten worden daarom "Goudhaantjes" genoemd. De kop is meer of minder diep onder het halsschild verborgen en niet tot een snuit verlengd. De 11-ledige, korte, ongebroken sprieten zijn draad- of borstel-, bij uitzondering knotsvormig. De larven zijn meestal duidelijk gekleurd, hebben 3 paar korte, maar goed ontwikkelde pootjes en leven gewoonlijk, evenals hare ouders, aan de oppervlakte van de planten, waaraan beide voedsel ontleenen. De meeste Bladkevers hebben een naar voren of loodrecht naar onderen afhellend voorhoofd, zoodat de monddeelen de gewone plaats innemen; bij andere is het voorhoofd sterk naar onderen en naar achteren gebogen, zoodat ook de monddeelen achterwaarts gedrongen, min of meer verborgen zijn. De laatstbedoelde inrichting is een kenmerk van de vierde der 4 groepen, waarin men de familie verdeelt, en die men naar den vorm harer vertegenwoordigers "lange", "korte", "ronde" en "platronde" Bladkevers zou kunnen noemen.
De eerste onderfamilie, die der Eupoden, nadert door den langwerpigen lichaamsvorm tot de Boktorren; de kop is achter de oogen ingesnoerd; hierdoor en door de meerdere breedte der dekschilden is het smalle halsschild duidelijk begrensd; scherpe zijranden komen er niet aan voor.
De duidelijkste overeenkomst met de Smallijvige Boktorren merkt men op aan de fraaie Rietkevers (Donacia), waarvan vele soorten in Europa en Noord-Amerika gevonden worden. Men ziet ze in het laatst van Mei of in het begin van Juni, sommige soorten eerst in Juli, dikwijls in grooten getale op riet, zeggen en andere grasachtige, aan den waterkant groeiende planten of op de drijvende bladen van plompen en dergelijke gewassen, welker onder water gelegen deelen tot woonplaats gediend hebben aan hunne larven. Opmerkelijk is bij alle Rietkevers de eerste buikring door zijn groote lengte, welke die van alle overige buikringen te zamen genomen overtreft.
De Knotspootige Rietkever (Donacia clavipes, D. menyanthidis) is een van de langwerpigste leden van zijn geslacht en een van de weinige, welks wijfje (11 mM. lang) alleen door haar meerdere grootte van het mannetje verschilt. De bovenzijde is goudgroen, de onderzijde met zilverwitte haartjes dicht bedekt; de draadvormige, dicht bijeenstaande sprieten zijn zoo lang als het lichaam, de pooten roodachtig en aan 't einde van 2 enkelvoudige (niet getande) klauwen voorzien. De dekschilden zijn met reeksen van diepe putjes bezet, zeer fijn gerimpeld en van achteren ieder afzonderlijk afgerond. Men vindt deze Kevers, behalve in Mei en het begin van Juni, ook in October op het gewone riet.
Het wijfje begeeft zich over dag onder water om de eieren ieder afzonderlijk op de dikke wortels van de voederplanten te leggen. De larve, die na 10 à 20 dagen de eischaal verlaat, voedt zich aanvankelijk met de fijnste wortelvezeltjes, later met dikkere en na de derde vervelling met de buitenste laag van de dikke stokspruiten. Ten slotte vervaardigt zij een perkamentachtige, zwartachtig paarse, eivormige cocon, die aan den wortel van de voederplant vastgehecht is en de pop gedurende haar rusttoestand van 20 à 25 dagen volkomen tegen het water beschut. De Kever komt er vóór den winter uit, houdt zich eenigen tijd vast aan de moederplant, laat zich vervolgens door het water naar de oppervlakte vervoeren en klimt hier bij de eerste de beste plant omhoog.
In de tropische gewesten van Azië en Afrika worden onze Rietkevers vervangen door grootere, 12 à 35 mM. lange soorten met een boller lichaam.
Bij het zoeken naar de oorzaak van de beschadiging, die men soms aan de bladen der witte leliën (Lelium candidum) onzer tuinen opmerkt, zal men glinsterend zwarte vochtige lichaampjes waarnemen, die langzaam bij den stengel opkruipen of druk bezig zijn de bladen af te knagen. Wat men van deze diertjes te zien krijgt, is de dreklaag, waarin zij zich hullen en die alleen aan de buikzijde ontbreekt. Bij nader onderzoek vertoonen zich dikke, naar voren dunner wordende, zespootige larfjes, die zich gedurende den zomer met de genoemde bladen voeden, daarna in den grond kruipen en hier in den poptoestand overgaan. In 't volgende voorjaar komen de algemeen bekende Leliekevertjes (Crioceris merdigera) te voorschijn. Met uitzondering van het halsschild en de dekschilden, die rood zijn, hebben zij een glanzig zwarte kleur. Hun gestalte gelijkt wel eenigszins op die van de Rietkevers, maar is meer gedrongen; hunne snoervormige sprieten, die slechts de halve lichaamslengte bereiken, en de pooten zijn dikker. De driehoekige kop verkrijgt door de uitpuilende oogen zijn grootste breedte; het halsschild heeft bij de schouders rechte hoeken. Dit 6.6 mM. lange Kevertje kan een sjirpend geluid voortbrengen, dat in verhouding tot de grootte van 't Insect zeer krachtig is; dit geschiedt door het uitsteken en terugtrekken van den laatsten achterlijfsring, die een in 't midden afgebroken en geribde ruglijst draagt, die tegen de talrijke chitine-schubjes aan de spitsen der dekschilden wrijft.
De leden van de tweede onderfamilie, de Camptosomaten, kenmerken zich door hun, in vergelijking met de Eupoden, meer gedrongen gestalte, die rolvormig, op de dwarse doorsnede nagenoeg cirkelrond is, door het ontbreken van een halsachtige insnoering aan den kop, die zich onmiddellijk tegen (het zijwaarts scherp gerande) halsschild aanvoegt, en door de vergroeiing van den 4en met den 5en achterlijfsring. De dekschilden zijn niet of slechts weinig breeder dan den achterrand van het halsschild. De larven houden het buikwaarts gekromde achterlijf verborgen in een meer of minder stevig, van haar drek vervaardigd huisje, dat, den kop en de borst vrijlatend, bij de beweging medegevoerd wordt. Zij toonen dus een iets grootere kunstvaardigheid dan de Leliekevertjes, die zich eenvoudig den rug met een dreklaag bedekken.
De kop van de Zaag- of Zakkevers (Clythra) is tot aan de oogen in het halsschild opgenomen; wegens de breedte van het voorhoofd zijn de meestal gezaagde, korte, vóór de oogen aangehechte sprieten ver van elkander verwijderd. De dekschilden reiken tot aan de spits van 't achterlijf.
De Viervlekkige Zakkever (Clythra quadripunctata) is 3.5 à 5 mM. lang, glanzig zwart, van onderen fijn grijs behaard; ieder dekschild heeft twee zwarte vlekken op glanzig geelrooden grond. Men ziet dit bij ons niet veelvuldig Kevertje des zomers op gras en kreupelhout, vooral op wilgen; het ontwikkelt zich in den tijd van één jaar uit een larve, die zich in een zwart zakje ophoudt. De larve vervaardigt dit zakje van hare uitwerpselen, spint het van boven dicht en ergens aan vast, als zij winterslaap gaat houden, en doet dit na den winter nogmaals, voordat zij in den poptoestand overgaat. Men heeft deze larve dikwijls gevonden in mierennesten o.a. in die van den Rooden Boschmier (Formica rufa).
Veelvuldiger dan de Zakkevers vindt men hier te lande een tiental soorten van Valkevers (Cryptocephalus), kenbaar aan de lange, draadvormige sprieten (bijna de langste, die bij eenigen Bladkever voorkomen) en aan de dekschilden, die een deel van het stuitschild onbedekt laten. Evenals de leden der vorige soort, laten zij zich met opgetrokken pooten en achterwaarts gerichte sprieten van hun rustplaats naar beneden vallen en houden zich gedurende geruimen tijd dood, als men hen niet met de noodige voorzichtigheid nadert.
De Zijdeharige Valkever (Cryptocephalus sericeus), 6 à 8 mM. lang, is in Augustus en September in duinstreken vrij algemeen, vooral op de hoofdjes van leeuwentand (Leontodon) en havikskruid (Hieracium). Hij heeft een fraaie, goudgroene, paarsblauwe of purperroode kleur met zijdeachtigen glans; de sprieten zijn zwart; het halsschild en de dekschilden vertoonen verwarde en grove, ingedrukte putjes, de dekschilden bovendien onduidelijke, grove, overlangsche strepen.
De meest typische vertegenwoordigers van de onderfamilie der Goudhaantjes (Cyclica) zijn maar weinig langer dan breed en kunnen overigens, wat vorm betreft, zeer goed met een plat-bolle (planconvexe) lens vergeleken worden: het platte vlak stelt de min of meer eivormige buikzijde van 't lichaam voor; het halsschild heeft scherpe zijranden, is niet door een halsvormige insnoering van den kop gescheiden en stemt van achteren in breedte met de dekschilden overeen; zijn bovenzijde vertoont dezelfde kromming als de daarvoor en daarachter gelegen afdeelingen en ligt er meestal gaafrandig tegen aan. De larven van de meeste soorten leven vrij aan de oppervlakte van bladen; de overige maken gangen in het bladmoes.
Bij de Goudhaantjes i.e.z. (Chrysomelini) strekt het halsschild, dat meestal een weinig breeder is dan lang, zich over den kop tot aan de oogen uit; de aanhechtingsplaatsen van de draadvormige, naar de spits een weinig dikker wordende sprieten zijn een weinig onder het midden van den binnenrand der oogen gelegen en dus door een tusschenruimte gescheiden. De Kevers prijken dikwijls met fraaie, metaalglanzige kleuren; de vrij op bladen levende larven zijn gekleurd, van boven met vele duidelijk zichtbare, donkere wratten bezet, van 3 pootjes aan de borst en van een als naschuiver dienenden, benedenwaarts gerichten, gezwollen aarsrand voorzien.
Het 9 à 12 mM. lange, 5 à 6 mM. breede Populierhaantje (Lina populi) is zwart met groenen of blauwen weerschijn, zijn halsschild is aan de zijden zacht afgerond en eenigszins knobbelig gezwollen; de uiterste spits van de roode, na den dood sterk verbleekende dekschilden is zwart. Deze zwarte spits ontbreekt bij het 9 mM. lange Kleine Populieren-goudhaantje (Lina tremulae), dat overigens dezelfde kleur heeft. Beide soorten komen op wilgen- en populieren-hakhout, vooral op jonge ratelpopulieren, dikwijls naast elkander voor. Zij vertoonen zich na hun winterslaap, zoodra de bladen groen beginnen te worden. Evenals hunne kort daarna verschijnende larven (kenbaar aan de sterk behaarde, zwarte wratten aan de zijden van het lichaam), laten zij van de bladen slechts de nerven over. De pop hangt met benedenwaarts gerichten kop aan het blad.
Het geslacht Chrysomela telt ongeveer 150 leden, die voor 't meerendeel Europa bewonen; de fraaiste soorten, die met buitengewoon levendige, metaalachtige kleuren prijken, vindt men vooral in bergstreken. De meeste leven ieder op een bepaalde plantensoort; de larven zijn rolrond, eenigszins bultig, doch hebben aan de zijden geen behaarde wratten. De fraai staalblauwe Chrysomela violacea zoekt verschillende soorten van munt (Mentha) op. Chrysomela cerealis draagt roode of goudgele en blauwe overlangsche strepen en komt uitsluitend onder steenen voor, op droge berghellingen, welker armoedig graskleed waarschijnlijk voedsel levert aan de larve. Met een sterken, goudachtigen glans en blauwe strepen op de dekschilden prijkt Chrysomela fastuosa, die op hennipnetels (Galeopsis), koornaren, enz. gevonden wordt. In den regel treft men deze kevertjes in groote troepen op hunne voederplanten aan.
De Colorado-kever of Aardappelkever (Leptinotarsa decemlineata) ontleent zijn naam aan den Amerikaanschen staat Colorado, waar hij inheemsch is en op een aan onzen aardappel verwante soort van nachtschade leeft. Toen in het door hem bewoonde gebied, als gevolg van de kolonisatie, de aardappelteelt werd ingevoerd, ging hij dadelijk op de nieuwe plant over en verspreidde zich sedert 1859 langzamerhand, de aardappelakkers volgend, over de meer oostwaarts gelegen staten. In 1874 bereikte hij de kusten van den Atlantischen Oceaan en had dus in 15 jaren een weg van ongeveer 3000 KM. afgelegd. In het jaar 1877, toen hij voor 't eerst in Europa werd opgemerkt, had hij zich in Amerika reeds over een oppervlakte van 3850000 KM2 verspreid, of liever over een nog grooter gebied, daar hij, naar men later vernam, reeds tusschen 1870 en 1880 in Mexico doordrong. In 1876 waren de oostelijke Vereenigde Staten, die door scheepvaart in levendig verkeer met Europa staan, zoozeer met deze Kevers besmet, dat zij in de havensteden in grooten getale voorkwamen en bij gunstigen wind op de schepen overgingen. Daar de Colorado-kever gedurende de overtocht (en nog wel veel langer) zonder voedsel in leven kan blijven, behoeft men zich er niet over te verwonderen, dat hij weldra, ondanks het tijdig (reeds in 1875) door de meeste Europeesche staten uitgevaardigde verbod van aardappelinvoer uit Noord-Amerika, in ons werelddeel zijn intocht deed. In 1876 werd te Bremen een levende Colorado-kever gevonden. In Juni 1877 bleek te Mühlheim aan den Rijn, in de onmiddellijke nabijheid van Keulen, dat dit schadelijk insect in Europa zeer goed aarden kan. Op een aardappelakker van 30 à 40 are werden een groot aantal Kevers en larven van deze soort ontdekt. Onmiddellijk werden maatregelen genomen om de ramp te keeren; deze hadden echter niet het gewenschte gevolg; althans reeds in het laatst van Juli van 't zelfde jaar werden opnieuw jonge larven waargenomen in de nabijheid van den vroeger aangetasten akker. De toen aangewende middelen van bestrijding hebben zoo goed gewerkt, dat de Colorado-kever zich tot dusver op de genoemde plaats niet weer vertoond heeft. Een tweede geval van soortgelijken aard kwam in Aug. 1877 voor bij Schildau, op de grens van het koninkrijk Saksen. Hier had de besmetting zich uitgebreid over niet minder dan 17 akkers, die echter zoo afdoende gezuiverd werden, dat de vijand zich niet opnieuw vertoond heeft. Eerst 10 jaar later, in Juli 1887, werd de Colorado-kever opnieuw waargenomen, ditmaal over een uitgestrektheid van 4 HA., in de buurt van Torgau. Hier, zoowel als te Lohe, bij Meppen in Oost-Friesland, waar in Aug. 1887 een akker van 49 A. aangetast bleek te zijn, is men er in geslaagd de schadelijke Insecten uit te roeien. In andere deelen van Europa schijnt de Colorado-kever tot dusver niet voorgekomen te zijn. Sedert jaren heeft men niets meer van hem vernomen.
Het gevreesde Insect is zeer na verwant aan de vroeger genoemde inheemsche soorten en komt in levenswijze met het Populierhaantje overeen: het vermenigvuldigt zich echter veel sterker, daar het wijfje, naar beweerd wordt, niet minder dan 1000 dooiergele, langwerpige eieren legt, die zij in platte hoopjes van 35 à 40 stuks aan de onderzijde der bladen vastlijmt. Bovendien hecht de larve zich niet aan een blad om in den poptoestand over te gaan, maar brengt dit rusttijdperk in den grond door.
De vuilige grondkleur van den Kever kan met die van grof leder vergeleken worden; de kop, het halsschild en de geheele onderzijde zijn zwart gevlekt; dezelfde kleur hebben de top van de knotsvormige sprieten, de knieën en de bovenzijde van den voet. De vlekken op het midden van het halsschild zijn soms H-, meestal V-vormig. Bovendien prijkt ieder dekschild met 5 zwarte, overlangsche strepen van ongeveer gelijke breedte; ook de naad is zwart.
De vleezige, dikke larve gelijkt volkomen op die van de inheemsche Chrysomelen; zij heeft een zeer glanzige, vuil roodachtig gele kleur, waarop de sterker gechitiniseerde deelen een zwarte teekening vormen. Zwart zijn de kop, de leden van de pooten, een dwars gericht, overlangs middendoor gedeeld schild op de achterste helft van het voorborststuk, twee overlangsche reeksen van ronde vlekken, gevormd door twee platte wratjes aan weerszijden van elk der 7 eerste achterlijfsringen en van het eerste en het laatste lid van het borststuk, benevens een klein dwarsschild aan de bovenzijde van den 8en en den 9en achterlijfsring. Aan weerszijden van de aarsopening komt een naschuiver voor. Lengte hoogstens 12 mM.
De 9 à 10 mM. lange pop is roodachtig geel met een zwartachtigen doorn aan 't laatste segment.
De Kevers overwinteren in den grond; naar men beweert, vertoeven zij op een diepte van meer dan 63 cM.; in April vindt men ze in grooten getale bij het diep omwerken van den bodem. Zoodra de aardappelakkers groen geworden zijn, vertoonen zij zich op de bladen waarmede zij zich voeden. Na de voortplanting sterven de geslachtsrijpe individuën; de larve zet de vernieling van de bladen voort, groeit snel, begeeft zich in den grond om in een pop te veranderen, waaruit na een korte rust de Kever te voorschijn komt, welks nakomelingen in 't zelfde jaar nogmaals eieren leggen, die vóór den winter volwassen zijn. In Amerika komt soms een derde generatie tot rijpheid. Wanneer deze vijanden van de aardappelplant hare groene bovenaardsche deelen vernielen, heeft de vorming van knollen niet of zeer gebrekkig plaats, tot groote schade voor den aardappeloogst.
Algemeen bekend en ten deele zeer slecht befaamd zijn de kleine, in den regel tot buitengewoon groote gezelschappen vereenigde Bladkevertjes, die, door hunne dikke achterdijen tot springen geschikt, den karakteristieken naam van Aardvlooien (Halticini) dragen. In een zeer groot aantal soorten verdeeld is deze groep over de geheele aardoppervlakte vertegenwoordigd. Die van het rijke Zuid-Amerika bereiken een lengte van 8.75 mM.; de inheemsche zijn kleiner, voor 't meerendeel slechts 2 à 3 mM. lang. Evenals hunne naaste verwanten--de Helmkevers (Galerucini), die het vermogen om te springen missen en waarvan sommige door het skeletteeren van bladen van struiken en boomen schade veroorzaken--verschillen zij van de leden der vorige groep door de plaatsing der sprieten, die dicht bij elkander, tusschen de oogen, zijn ingeplant. De meeste overwinteren als imago, sommige als larve; in beide gevallen beginnen zij reeds vroeg in 't jaar in tuinen en op akkers schade aan te richten; deze wordt vooral dan merkbaar, wanneer zij zich aan jonge plantjes (raapzaad, leukojen, koolsoorten, enz.) vergrijpen. Hun oude, wetenschappelijken naam Altica of Haltica heeft plaats moeten maken voor een groot aantal nieuwe geslachtsnamen. Men kent meer dan 350 Europeesche soorten van Aardvlooien, waarvan een 90-tal in Nederland gevonden zijn. Vele soorten bepalen zich tot één enkele plant, de meeste worden echter, behalve op de plaats waaraan zij haar soortnaam ontleenen, ook elders aangetroffen.