Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 04: De Insecten
Part 13
De Schorskevers (Scolytidae, Bostrychidae) stemmen door de kleinheid van hun rolrond lichaam, door den dikken kop, die vooruitstekende bovenkaken draagt, maar waaraan de overige monddeelen een meer verborgen stand hebben, door de "gebroken" sprieten, die in een dikken knop eindigen, en door den langwerpigen vorm der oogen met elkander overeen. Zij verschillen van de leden der vorige familiën door de kortheid van den kop, van de tasters, sprieten en pooten. De larven vertoonen een zeer groote overeenkomst met die van de Snuitkevers, maar zijn minder ineengedrongen en hebben een meer rolronde gedaante. Ook uit de wijze waarop, zoowel larven als Kevers, tot gezelschappen vereenigd, in de boomschors of onmiddellijk daaronder, in de bast, gangen knagen, blijkt de verwantschap dezer Insecten. Het wijfje knaagt een "boorgat" in de schors; het onderste gedeelte van deze meestal eenigszins naar boven loopende gang, die tot in de bast en soms zelfs tot in het spint doordringt, is dikwijls tot een "paringskamer" verwijd. Zij legt, van hier uitgaande, in de schors, of zoowel in de schors als in het hout, of zelfs hoofdzakelijk in 't hout een meestal evenwijdig aan de oppervlakte gerichte "moedergang" aan, die aan weerszijden op onderling gelijke afstanden kleine uithollingen vertoont, welke ieder met een ei worden bedeeld. De kleine larven, die uit deze eieren komen, boren nu op haar beurt ter rechter- en ter linkerzijde van de moedergang, wanneer deze een loodrechte of schuinsche richting heeft, bovenwaarts en onderwaarts, wanneer zij nagenoeg horizontaal loopt, de meer of minder slangswijs gekronkelde "larvegangen" of "zijgangen", die allengs breeder worden, naarmate de larve in omvang toeneemt. Aan het einde van ieder dezer gangen komt een verwijding of "wieg" voor, waarin de larve van gedaante wisselt, eerst pop en later Kever wordt. De Kever werkt zich door de bast en de schors heen regelrecht naar buiten, waardoor dus een gaatje aan de oppervlakte ontstaat. Op deze wijze komen merkwaardige, vertakte figuren tot stand, welker grondvorm voor de verschillende soorten ongelijk is. Wanneer men bedenkt, hoe vruchtbaar deze kleine boomvernielers zijn en dat vele van hen in den loop van een jaar twee generaties voortbrengen, wordt het verklaarbaar, dat de Schorskevers in sommige jaren honderden en duizenden hectaren van de prachtigste bosschen vernielen, zooals b.v. tusschen de jaren 1870 en 1880 in het Bohemerwoud geschiedde. Verreweg de meeste Europeesche soorten tasten uitsluitend naaldboomen aan.
De Dennenscheerder (Blastophagus piniperda, Hylesinus piniperda) kan als voorbeeld dienen van het geslacht der Bastkevers, dat zich kenmerkt door een vertikalen, van boven zichtbaren kop, oogen met fijn gekorrelde oppervlakte, sprieten met eivormigen eindknop, die ringen vertoont en door zes leden met de schaft verbonden is, een voorborstring, welks rug- en flankgedeelte aaneengegroeid zijn, en een in twee lobben eindigend derde voetlid. De pekzwarte grondkleur van de genoemde soort gaat alleen op de sprieten en de pooten in roestrood over; kort na het verlaten van de pophuid is de kleur roestgeel of bruin. Bij gunstige weersgesteldheid vertoont deze Kever zich reeds in Maart; gewoonlijk echter heeft de paring eerst in April plaats. De broedplaatsen bevinden zich in sinds kort gevelde boomen, in boomstompen of onder de dikke schors aan het onderste gedeelte van nog overeindstaande stammen; op het boorgat volgt een eenigszins gebogen gang, die in de diepste lagen van de schors doordringt en verder hierlangs in verticale richting opstijgt. De zijwaarts uit de moedergang ontspruitende larvegangen zijn op korten afstand van elkander gelegen en kunnen een lengte van 8 cM. bereiken. Om zich te verpoppen knaagt de volwassen larve een weinig dieper in de schors een wieg. De pop is geelachtig wit, evenals de larve, en verandert weldra in een Kever, die zich in 't laatst van Juli of in 't begin van Augustus door de schors heen een weg naar buiten baant. Nu eerst verricht de Dennenscheerder zijn schadelijksten arbeid. De jonge Kever houdt n.l. niet van reeds gevelde of kwijnende boomen, maar zoekt volkomen gave, liefst jonge dennen op, boort op een afstand van 1 dM. of meer van den top van een jonge, soms reeds kegels dragende loot een gat tot in het merg, vreet dit, steeds verder naar boven doordringend, uit en spaart ook het omliggende hout niet. Hij begeeft zich zóó tot boven in de twijg, of keert onderweg om en vreet nog een eind onder het boorgat verder. Soms blijft hij in dezelfde loot; meestal echter verlaat hij deze, om een tweede twijg op gelijke wijze te behandelen. Om het boorgat vormt zich een wal door het uitvloeien van hars; het takje breekt licht op deze plaats, zoodat in het najaar na harden wind de bodem vaak met jonge takjes bedekt is. Soms blijven de eindstandige kransen van twijgjes staan en worden de uitgevreten eindknoppen vervangen door nieuwe, die een dichte, struikachtige vertakking veroorzaken. Daar de boom hierdoor het uitzicht verkrijgt, alsof men hem kunstmatig gesnoeid heeft, wordt de Kever, die deze verandering teweegbracht, in Duitschland soms "woudtuinier" genoemd. Om te overwinteren verlaat hij in den regel den top van den boom en verschuilt zich onder een schorsschilfer aan het onderste gedeelte van den stam of boort hier nogmaals een gat, dat hem tot Maart van 't volgende jaar tot schuilplaats dient. De Dennenscheerder, die, behalve den groven den, ook den verwanten zeepijn en den Weymouthspijn aantast, wordt in Middel-Europa gevonden overal waar dennen voorkomen, in Noord-Europa tot in Zweden en Rusland.
De Kleine Dennenbastkever (Blastophagus minor) gelijkt veel op de vorige soort en komt er in levenswijze mede overeen, doch is minder algemeen verbreid, wordt meer plaatselijk gevonden. De moedergang is tweearmig, accolade-vormig ( } ); het middelste gangetje leidt naar het boorgat; iedere arm is hoogstens 5 cM. lang; de larvegangen zijn zelden langer dan 2.5 cM. Het geheele gangenstelsel is diep in 't spint ingesneden in het met gladde schors bedekte, bovenste deel van den stam van een staanden of gevelden, gaven boom. De poppen wiegen liggen soms 6 à 7 cM. diep in 't hout.
De Schorskevers i.e.z. (Bostrychus of Tomicus) hebben een bolvormigen kop, waarvan men aan de rugzijde niets of bijna niets kan zien, daar hij als een muts bedekt is door het halsschild; hiervan is de voorste helft dicht bezet met fijne knobbeltjes. De schaft van de spriet en de ronde, 4-ledige eindknop (welks eerste lid onbehaard is en de overige leden, die behaard zijn, van boven omsluit) zijn verbonden door een 5-ledigen steel. De dekschilden zijn gewoonlijk aan de spits afgeknot en naar binnen gedrukt; de zijranden van deze uitholling zijn meer of minder sterk getand.
Een van de grootste soorten van dit geslacht, de 5.5 mM. lange Letterzetter (Bostrychus typographus), richt groote verwoestingen aan in sparrenbosschen; deze worden door hem boven iedere andere soort van naaldhout verkozen. Ook in andere opzichten schijnt hij zeer kieskeurig te zijn; oud hout valt meer in den smaak dan jong, gevelde boomen heeft hij liever dan staande; ook de ligging van het oord is hem niet onverschillig. Kort na het eierenleggen sterven de wijfjes in hare gangen, of nadat zij deze met moeite verlaten hebben. De tot Kevers ontwikkelde jongen blijven nog een tijdlang op hun geboorteplaats en knagen van hier uit onregelmatige gangen. Deze soort is kenbaar aan de vier tandjes, die zich aan weerskanten van het indruksel aan het achtereinde van de dekschilden bevinden en waarvan het derde de overige in dikte overtreft. Het rood- of pekbruine pantser is ruig, geel behaard; de dekschilden vertoonen reeksen van groote stippels.
De familie, waarmede wij ons nu zullen bezighouden, omvat meer dan 7000 soorten en hieronder de fraaiste en grootste van alle Kevers met 4 leden in den voet; fraai zijn zij zoowel door hun edelen vorm, die kracht en zelfvertrouwen verraadt, als door de verdeeling van de heldere kleuren, waarmede zij prijken, maar vooral door de in alle richtingen beweegbare sprieten, waaraan zij hun naam ontleenen. Ondanks hun vreedzamen aard, die geheel in overeenstemming is met hun voedingswijze--daar zij geen roovers zijn, maar planteneters--, maken de leden dezer familie, althans die van enkele harer afdeelingen, wegens hun slanken, bevalligen en tevens krachtigen lichaamsbouw te midden van de Insecten een soortgelijken indruk als de Adelaars te midden van de Vogels. Aan een zeer weinig hiermede harmonieerende vergelijking is de naam ontleend, dien zij bij het volk dragen. Toch zal men den naam Boktorren (Capricornia of Longicornia) niet kwaad gekozen achten, wanneer men hun kop van ter zijde beziet en meer bepaaldelijk let op hunne sprieten. Evenals de meeste familiën van de vorige groep zich duidelijk van alle overige Kevers onderscheiden door den tot een "snuit" verlengden kop, zoo vallen de Boktorren dadelijk in 't oog door hunne lange, dikwijls het overige lichaam in lengte overtreffende, borstel- of draadvormige sprieten, die uit 11 leden samengesteld zijn, waarvan het tweede zeer kort is. De bovenkaken loopen meestal uit in een scherpen tand; de tamelijk korte tasters hebben een bijl- of spoelvormig eindlid. Het achterlijf, dat vijf beweegbare buikringen heeft, is geheel verborgen onder de dekschilden; er zijn echter ook geslachten, waar het, evenals bij de Kortschildigen, grootendeels onbedekt blijft (Necydalis, Molorchus).
Over 't algemeen mag men de Boktorren bedrijvige dieren noemen. Bij zonnig weer of op warme, stille dagen ziet men ze vlug rondvliegen, om hun voedsel te zoeken op bloemen of op boomstammen, uit welker wonden sap vloeit; daarom treft men ze veelvuldig aan op houtmijten in bosschen. Andere achten de avonduren den meest geschikten tijd voor hunne uitstapjes. Vele brengen, wanneer men ze tusschen de vingers vasthoudt, een eentonig, sjirpend gedruisch voort door den achterrand van het rugschild van het voorborststuk tegen het korte, hierin doordringende uiteinde van het middelborststuk te wrijven.
De larven van de Boktorren gelijken op die van de Prachtkevers; verreweg de meeste leven in ziekelijk hout en hebben stellig voor 't meerendeel meer dan 1 jaar noodig voor haar ontwikkeling. Vele larven van kleinere soorten leven echter in de stengels en vooral in de wortelstokken van kruidachtige planten (wolfsmelk, hondstong, graanhalmen, enz.) en kunnen in enkele gevallen voor den landbouw nadeel opleveren.
De 2 onderfamiliën, waarin men de Boktorren verdeelt, zijn o.a. kenbaar aan de richting van den kop. Deze is bij de Scheefkopbokken (Cerambycitae) schuins naar voren gericht: het meest bij de Langkopbokken (Cerambycini), minder bij de Breedlijfbokken (Prionini) en de Smallijfbokken (Lepturini). Bij de Steilkopbokken (Lamiitae) daarentegen heeft de rugzijde van den kop een loodrechten of althans zeer steilen stand. Bovendien kenmerken zich de beide hoofdgroepen door de oogen, die bij deze min of meer niervormig, bij gene rondachtig zijn, door den vorm van het eindlid der kaaktasters, dat bij deze spits, bij gene afgeknot is en door de aanwezigheid of het gemis van een groeve op den voorscheen. Bij de Cerambyciten-larve is de kop breeder dan lang, en hebben de borstringen duidelijke pootjes; het omgekeerde komt voor bij de Lamiiten-larve.
Tot de Breedlijfbokken (Prionini) behooren de breedste, plompste en grootste leden der familie; het ruggedeelte van het halsschild is bij hen door een scherpen rand van de zijstukken gescheiden. Zij missen het vermogen om door het tegen elkander wrijven der reeds genoemde lichaamsdeelen geluid voort te brengen. De voorheupen zijn rolvormig en dwars gericht; de bovenlip is zeer klein of ontbreekt. Het aantal soorten van Breedlijfbokken is aanmerkelijk geringer dan dat der overige groepen, vooral in Europa. Twee daarvan komen, hoewel zeldzaam, ook in Nederland voor.
De Looier of Lederbok (Prionus coriarius) is een groote Kever van 35 à 40 mM. lengte, met 3 dikke doornen aan den scherpen zijrand van 't halsschild, met dikke, bij 't mannetje 12-, bij 't wijfje 11-ledige sprieten, welker 9 laatste leden betrekkelijk kort en als peperhuisjes in elkander geschoven zijn; bij 't mannetje overtreft hun lengte die van 't halve lichaam, bij 't wijfje is zij geringer. Het halsschild is minder breed dan de gezamenlijke breedte van de beide lederachtig gerimpelde dekschilden, welker lengte ongeveer tweemaal zoo groot is. Het skelet is pekzwart en op de borst met grijze haartjes dicht bedekt. Deze Insecten ziet men omstreeks half Juli en Augustus aan 't duistere, onderste gedeelte van oude stammen of stoven van eiken, beuken en andere breedgebladerde boomen nagenoeg roerloos zitten. Als de schemering invalt, ontwaken zij en vliegen log en brommend rond; het mannetje zoekt dan het wijfje. De eieren worden gelegd in vermolmd hout; dit dient tot voedsel voor de larve en verschaft haar na voleindigden groei het materiaal voor den cocon, waarbinnen zij slechts korten tijd in den poptoestand verkeert.
De Timmerman (Ergates faber) is langwerpiger en meestal langer dan de vorige soort. De scherpe zijrand van het halsschild is fijn getand of gekerfd en draagt achter het midden een doorn. De lengte van de borstelige sprieten overtreft bij het 40 mM. lange mannetje de geheele, bij 't 50 mM. lange wijfje de halve lichaamslengte een weinig. Deze Kever is pikbruin of iets rooder; de larve, die een lengte van 60 à 65 mM. kan bereiken, houdt zich op in vermolmd hout van naaldboomen.
Tot de Langkopbokken (Cerambycini) behooren de edelst gevormde vertegenwoordigers der familie, die, welke met de langste sprieten en de fraaiste metaalkleuren prijken. Van het halsschild gaan het ruggedeelte en de zijstukken ongevoelig in elkander over en zijn niet, zooals bij de Prioninen, door een scherpen rand gescheiden. Het sjirporgaan is bij hen aanwezig. De voorheup is meestal bolvormig; de bovenlip goed ontwikkeld.
Vrij zelden vindt bij ons de Groote Eikenboktor [Cerambyx (Hammaticherus) heros]. Het door haar vertegenwoordigde (thans meestal Hammaticherus genoemde) geslacht, bevat groote, somber gekleurde, over de geheele wereld verbreide Kevers. Hun kop is ver naar voren gericht; de voorrand van het oog vertoont een diepe, tot voorbij het midden reikenden inham; de 11-ledige sprieten hebben het 3e, 4e en 5e lid aan den top sterk knotsvormig gezwollen, eindigen in een lang, dun, platgedrukt, schijnbaar verdeeld lid en zijn bij het mannetje aanmerkelijk langer, bij het wijfje niet korter dan het lichaam; het halsschild is overdwars gevoord of knobbelvormig gerimpeld, in het midden het breedst wegens een afgeronden of spitsen knobbel aan den zijrand; de lengte van de dekschilden is grooter dan hun gezamenlijke breedte. De genoemde soort is 40 à 45 mM. lang en glanzig zwart; de pekbruine dekschilden worden naar achteren smaller en roodachtiger; zij eindigen in een nauwelijks merkbaar spitsje aan den naad en worden verder naar voren al meer gerimpeld; de onderzijde en de pooten hebben door zijdeachtige beharing een zilverwitten weerschijn.
De meeste segmenten van de larven van deze en andere Boktorren hebben aan de rugzijde een hoornschild met korrelige oppervlakte. Hierdoor wordt de beweging in nauwe gangen gemakkelijker gemaakt. Deze larve leeft 3 à 4 jaar lang in gangen, die zij in het hout van oude eiken boort.
In Juli verlaat de Kever de pophuid. Overdag komt hij niet te voorschijn en steekt hoogstens het uiteinde van de sprieten door het vlieggat naar buiten. Na zonsondergang verlaat hij zijn schuilplaats en vliegt op betrekkelijk geringe hoogte bedrijvig rond.
De Tuinboktor [Cerambyx (Hammaticherus) cerdo] is als 't ware een verkleind evenbeeld van de vorige soort (20 of hoogstens 30 mM. lang), ook zwart van kleur en door zijdeachtige haartjes op sommige plaatsen als zilver glinsterend, doch met stomp eindigende dekschilden. In levenswijze verschilt zij aanvankelijk van haar grootere verwante: bij zonnig weer ziet men haar bedrijvig rondvliegen, om hagedoorns, sneeuwballen, kornoeljes en andere bloeiende struiken te bezoeken en zich aan hun honig te laven. Haar larve leeft achter de schors en in het hout van eiken-, appel-, kersen- en andere boomen, maar tast ze alleen dan aan, wanneer ze reeds ziekelijk zijn.
De Rozenboktor of Muscusboktor [Cerambyx (Aromia) moschata] heeft staalblauwe sprieten en pooten, metaalachtig groene of bronskleurige bovendeelen, een glanzig halsschild en nagenoeg doffe dekschilden. Het halsschild is zeshoekig, breeder dan lang, op de schijf zwak gerimpeld en grof gestippeld, aan den scherpen zijrand van een doorntje voorzien; op ieder der zeer fijn en dicht gerimpelde dekschilden komen 2 onduidelijke ribben voor. Deze 15 à 25 mM. lange Kever leeft als larve in, en als imago op wilgen (in Juni en Juli). Men herkent hem reeds op eenigen afstand aan den reuk, dien hij verbreidt en waarop de bovenstaande namen doelen.
Verscheidene Boktorren leven als larven in oud timmerhout en worden daarom nu en dan in balken, daksparren, enz. van oude huizen aangetroffen. Waarschijnlijk geldt dit van geen soort in meerdere mate dan van de Huisboktor [Callidium (Hylotrupes) bajulum]. Deze is pikzwart of bruin van kleur en met grijze haartjes begroeid, vooral op het halsschild. Opmerkelijk is het verschil in grootte van de leden dezer soort: 6.5 à 19.5 mM. Het wijfje steekt in Juni of Juli haar langen legboor in spleten van allerlei houten voorwerpen. De groote boorgaten, die soms in deurposten, tuinpalen, raamkozijnen, tuingereedschap, enz. aangetroffen worden, moeten, althans voor een deel, aan deze Tor toegeschreven worden.
Zeer talrijk en over de geheele wereld verbreid zijn de leden van het geslacht der Pronkboktorren (Clytus). Deze langpootige, kortsprietige Kevers, die flink loopen kunnen en, als de zon schijnt, gaarne van hunne vleugels gebruik maken, zijn meestal kenbaar aan de bonte, grootendeels gele teekening, die zij vertoonen. De borstel- of draadvormige sprieten zijn steeds korter dan het lichaam; hun aanhechtingsplaats ligt tusschen den inham in het oog en het daarvoor gelegen deel van de voorhoofdslijst, die zich over den sterk afgeronden kop uitstrekt. De dekschilden zijn verschillend van vorm, soms rolrond, soms afgeplat en van achteren versmald. Veelvuldig ontmoet men in den zomer op tuil- en schermvormige bloeiwijzen de Gewone Pronkboktor (Clytus arietis), kenbaar aan het bolvormig halsschild, de naar voren allengs dikker wordende dijen en de rolronde dekschilden, die ieder afzonderlijk aan de spits afgerond zijn. Haar lengte wisselt af van 10 tot ruim 15 mM. De goudgele teekening wordt veroorzaakt door dicht bijeenstaande, aanliggende haren; zij bedekken den voor- en den achterrand van het halsschild, het schildje, vier dwarsbanden op de dekschilden, den achterrand van de buikringen en eenige vlekken op de borst. De sprieten en de pooten zijn rood, de voorpooten althans van den scheen af.--De larve houdt zich op achter de schors van omgehouwen stammen of achtergebleven stompen van verschillende breed gebladerde boomen, o.a. eiken en beuken.
De Smallijvige Boktorren (Lepturini) zijn gemakkelijk te herkennen aan een halsvormige insnoering, gevormd door het smaller worden van het achter de oogen gelegen deel van den kop, welks voorste deel tot een soort van snuit verlengd is en nagenoeg ronde oogen draagt; hiervoor of hiertusschen zijn de korte, meer of minder van elkander verwijderde sprieten aangehecht.
De meeste Lepturinen vliegen bij zonnig weer bedrijvig rond; zij bezoeken bloeiende struiken en kruiden, vooral scherm- en tuilvormige bloeiwijzen, niet slechts in bosschen, maar ook op weiden en randen van akkers, dikwijls op grooten afstand van houtige planten. Zij worden over vele geslachten verdeeld, die door allerlei tusschenvormen verbonden zijn. De kenmerken, waardoor zij zich onderscheiden, zijn daarom niet gemakkelijk toe te passen. Zij berusten vooral op eigenaardigheden van het halsschild en de dekschilden (die door hun vorm, door oneffenheden aan hun oppervlakte en door de verhouding tusschen hunne breedten van elkander kunnen verschillen), voorts op de meer of minder fijne verdeeling der oogen. De larven voeden zich met rottend hout.
Op bloeiwijzen van schermbloemigen vindt men des zomers niet zelden den 16 mM. langen Sporendragenden Smalbok [Leptura (Strangalia) armata]. Deze is grootendeels zwart van kleur; de drie eerste buikringen zijn echter geel met zwarte vlekken, de sprieten, pooten en dekschilden wasgeel, behoudens zwarte ringetjes op de sprieten en den voet (benevens zwarte vlekken op de binnenzijde der achterdijen en 4 zwarte getakte banden op de dekschilden); deze zijn scheef afgesneden en hebben aan den buiten-achterhoek een doorntje, dat aanleiding gaf tot den soortnaam. De larve bewoont stammen van berken en andere boomen.
In de eerste dagen van Juni ziet men op heldere dagen de mannetjes van den Veranderlijken Schutterbok (Toxotes meridianus) druk rondvliegen langs bloeiende heesters en kruiden, steeds bereid om zich te laten vallen, zoodra men tevergeefs naar hem grijpt; de wijfjes zijn gewoonlijk trager en houden zich meer verborgen. Zij vertegenwoordigen een geslacht van langpootige en langsnuitige Kevers met van voren en van achteren ingesnoerd halsschild en langwerpige dekschilden, die naar achteren bij het wijfje sterk, bij 't mannetje echter weinig smaller worden. De draadvormige sprieten zijn bijna altijd even lang als het lichaam. De kleur van de genoemde soort varieert binnen wijde grenzen: sommige exemplaren zijn effen zwart, andere geheel en al roodachtig geelbruin. De grootte wisselt af van 13 tot 22 mM.
De Tangbokken (Rhagium) zijn kenbaar aan hun dikken, bijna vierzijdigen kop met korte, parelsnoervormige sprieten, die de helft van de lichaamslengte bereiken. Het halsschild draagt aan weerszijden een spitsen doorn.
De Korthoornige Tangbok (Rhagium indigator) heeft licht geelachtig bruine dekschilden, dicht bedekt met een witachtig vilt, dat slechts op enkele plaatsen ontbreekt en het zwartachtige chitine-pantser blootlaat, n.l. op de drie uitpuilende, overlangsche lijsten van elk der dekschilden en op twee meer of minder regelmatige dwarsbanden van beide te zamen. De larven houden zich op achter de schors van naaldboomen.--Op dezelfde wijze leeft de zeldzame Dubbelgestreepte Tangbok (Rhagium bifasciatum).
De Steilkopbokken (Lamiitae) heeten zoo wegens den verticalen stand van den kop: de hoek, die voorhoofd en kruin met elkander vormen, is minstens recht, soms zelfs scherp.
Voorbeelden van deze onderfamilie levert het geslacht der Aardbokken (Dorcadion) dat 70 Europeesche, doch (voor zoover bekend) geen inheemsche soorten bevat. Sommige hebben de dekschilden langs den naad vergroeid. Deze zijn ongevleugeld. Het waas van fluweelachtige haren, dat hun zwart of bruin chitine-pantser ten deele bedekt, is gemakkelijk te verwijderen. De zijrand van het halsschild draagt een doorn. De larven leven bij wijze van "engerlingen" in den grond en zijn soms schadelijk door het afknagen van wortels van landbouwgewassen. De Kevers vertoonen zich meestal reeds in de lente, loopen op droge plaatsen op den bodem, of op muren rond en verbergen zich bij ongunstige weersgesteldheid onder steenen. De wijfjes verschillen soms zoozeer van de mannetjes, dat men ze voor leden van verschillende soorten zou houden.