Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 04: De Insecten
Part 12
De 9 à 11 mM. lange Zwarte Dikbeksnuitkever, de Groote Zwarte Snuittor der houttelers (Otiorhynchus niger), is glanzig zwart; de pooten zijn, met uitzondering van de knieën en de voetleden, geelachtig rood; de dekschilden vertoonen overlangsche reeksen van groefjes, ieder groefje draagt een grijsachtig haartje. Men vindt hem het geheele jaar door in de naaldhoutbosschen van de gebergten; ook in de vlakten ontbreekt hij niet geheel; het gemis van vleugels bindt hem aan zijn geboorteplaats, noopt hem te blijven, waar hij zich eens vestigde. Omstreeks Pinksteren zijn de Kevers in de sparrebosschen het talrijkst; zij beknagen dan de jonge stammetjes onmiddellijk boven den grond. Langzamerhand gaan zij al hooger en hooger en eten met smaak van de in Mei groeiende spruitjes. De larven beknabbelen de wortels van de naaldboomen op de wijze van de engerlingen en worden meestal in kleine troepjes bijeen gevonden.
Deze soort kan een denkbeeld geven van de gedrongen gestalte der Dikbeksnuitkevers, een grootendeels Europeesch geslacht, dat ook in de overige landen om de Middellandsche Zee en in Azië voorkomt. Het bestaat uit niet minder dan 444 soorten, die voor 't meerendeel bergstreken bewonen; eenige worden uitsluitend in de Alpen op struikgewas gevonden.
De 9 mM. lange Gegroefde Dikbeksnuitkever (Otiorhynchus sulcatus), kenbaar aan de overlangsche groeve op het midden van den snuit, vindt men hier te lande algemeen in moestuinen, waar hij o.a. aan aardbezieplanten, primula's, sedums, cineraria's, klimop en wijnstokken knaagt.
De Langsnuitkevers (Rhynchaenides) hebben een langen, meestal rolronden snuit, sprieten met betrekkelijk korte schaft, die, achterwaarts gericht, het oog in den regel niet bereikt, aangehecht in een niet naar voren verlengde groeve, midden tusschen de spits van den snuit en de meestal langwerpige, dwars geplaatste oogen. De bovenkaken zijn afgeplat, de onderkaken gewoonlijk niet door de kin bedekt. De rand van het halsschild strekt zich meestal tot aan de oogen uit en bedekt deze dikwijls voor een deel.
Het zeer langwerpige, rolronde lichaam van de Stengelboorders (Lixus) is bedekt met een door uitzweeting gevormd, geel poeder, dat tot op zekere hoogte vernieuwd kan worden, wanneer het door afschuring verloren is gegaan. Dit geslacht is in alle werelddeelen vertegenwoordigd. De larven van de inheemsche soorten leven in stengels van verschillende kruiden, vooral van Schermbloemigen.
De Verlammende Stengelboorder (Lixus paraplecticus) heeft na verwijdering van het hem bedekkende, gele poeder een grijsbruine kleur; het halsschild is uiterst fijn rimpelig gestippeld en langs den voorrand bij de oogen met lange wimpers bezet. De soortnaam berust op de ongegronde meening, dat een Paard lam zou worden, indien het een larve van dezen Kever inslikte bij het opeten van de door haar bewoonde plant. Daar deze (de breedbladige water-eppe, Sium latifolium) in 't water groeit en volstrekt niet begeerd wordt door de Paarden, is er weinig kans, dat de bedoelde larve in een paardenmaag verdwaalt.
De Kever overwintert in een veiligen schuilhoek in de nabijheid van plaatsen, waar de plant, die tot voeding van de larve dient, in de lente zal ontspruiten. Wanneer zijn woning bij hoogen waterstand overstroomd wordt, geeft hij bewijzen van bekwaamheid als schipper of zwemmer. Dat deze Kever zich in 't water weet te redden, toont het wijfje ook bij het eieren leggen. Dit moet geschieden in een tijd, als de meeste van de door haar begeerde planten den stengel nog niet boven den waterspiegel verheven hebben. Zij daalt langs de bedoelde plant in het water af, boort met den snuit een gat in den stengel, legt hierin één ei en herhaalt deze bezigheid, totdat alle eieren gelegd zijn.
Zeer nauw verwant aan de bonte Heilipen (Heilipus) in Zuid-Amerika zijn de Naaldhoutsnuittorren (Pissodes), die hen in de gematigde en koude gewesten van het noordelijk halfrond vervangen. Deze bruine Kevertjes, welker lichter gekleurde vlekjes door bijeengeplaatste, haarvormige schubjes gevormd worden, leven, evenals de buitengewoon veel op hen gelijkende Hylobiën (Hylobius), ten koste van naaldboomen, die zij verzwakken door in de lente in de jonge spruitjes gaatjes te bijten, om het hieruit vloeiende sap machtig te worden. De schors geraakt los van de gewonde tak en deze sterft. Twee van de Kevers, die op deze wijze groote schade aan de houtteelt veroorzaken, zijn op de volgende bladzijde afgebeeld.
De Groote Dennensnuitkever (Hylobius abietis) geeft aan dennen de voorkeur en is grooter dan de andere soort; vandaar zijn naam. De dwarsbanden vormende vlekken op de meer of minder donkere, kastanjebruine grondkleur van de dekschilden worden door roestgele, borstelige haartjes voortgebracht. Door drie belangrijke eigenaardigheden onderscheidt deze Kever zich van de volgende soort: de sprieten zijn dichter bij den mond aan den dikkeren snuit gehecht; het schildje is vlak en driehoekig; de voorrand van het halsschild vertoont een tamelijk diepen inham. De voornaamste vliegtijd van den Kever (en bijgevolg ook het paren) valt in de maanden Mei en Juni; enkele paartjes ontmoet men echter nog in September. Zooals reeds gezegd werd, is deze Kever nadeelig voor de houtteelt, daar hij jonge dennen, overal waar de stam geen korstvorming vertoont, van onderen tot boven beknaagt.
De vuilwitte eieren worden in spleten van de schors van 't onderaardsche gedeelte van boomstompen gelegd, ook wel aan boven den grond uitstekende wortels, vooral echter aan de uiteinden van afgehouwen wortels. Dennen- en sparrenkappingen zijn daarom ware broeinesten voor deze Kevers.
De Rood- en Witbonte Dennensnuitkever (Pissodes notatus) verschilt van de vorige soort, die hij in schadelijkheid evenaart, doordat de sprieten aan het midden van een dunneren snuit zijn gehecht, door een rond en bol schildje en door den rechten, niet uitgesneden voorrand van het halsschild. Ook bij hem is de kleur bruin en zweemt nu eens meer naar geel, dan weer meer naar rood. De lichtkleurige, bijna witte bundeltjes van borsteltjes, waarvan er eenige op het gekielde halsschild voorkomen, vormen vóór het midden van de dekschilden groote vlekken, daarachter dwarsbanden. Onze soort verschilt van verscheidene andere leden van zijn geslacht door de ongelijkheid van de stippels der dekschilden.
Evenals de Groote Dennensnuitkever, vertoont ook zijn kleinere beroepsgenoot zich in Mei, maar in grooter aantal en op een uitgestrekter gebied. Aanvankelijk is het verkrijgen van voedsel zijn eenige zorg; hij maakt gaatjes in de schors van den groven den en den Weymouthspijn, minder dikwijls in die van den lork en den spar, haalt uit ieder slechts weinig voedsel en richt dus veel schade aan. De talrijke wonden, die hij aan de plant toebrengt, gelijken op naaldeprikken en veroorzaken door het uitvloeien van hars, een schurftig uitzicht van de oppervlakte. Meestal zoekt de Kever 4- à 8-jarige boompjes op; indien deze ontbreken, worden oudere, zelfs 30-jarige stammen niet versmaad. Het eierenleggende wijfje vindt men niet slechts op ziekelijke boomen van 15- à 18-jarigen leeftijd en nog oudere achterlijke stammen, maar ook op gave exemplaren en slechts bij uitzondering op boomstompen en reeds gevelde stammen.
Omdat de Kever bij voorkeur op denzelfden boom voedsel zoekt en eieren legt, wordt zijn werkzaamheid vooral voor jonge planten spoedig noodlottig.
De Hazelnootsnuitkever (Balaninus nucum) en de andere leden van zijn geslacht hebben van alle inheemsche soorten der familie den langsten snuit. Ieder kent den Hazelnootworm; nog beter trouwens het gaatje, waardoor deze larve den noot verliet om in den grond van gedaante te wisselen, daar zij in geen der wormstekige noten nog aanwezig is; de half of geheel uitgevreten zaadkern en de hier achtergebleven drekkruimels zijn de eenige sporen van haar vroegere aanwezigheid. Tegen het einde van Juli (of ook wel vroeger) boort het wijfje tot in het hart van den half-volwassen Hazelnoot een gaatje en legt hierin een ei, dat met den snuit zoover mogelijk naar binnen geschoven wordt. Daar dit zoo vroeg geschiedt, groeit de opening weer dicht, of sluit zich althans in zoover, dat men goed toekijken moet om haar te vinden. Van Mei af kan men den 8 mM. langen Kever op hazelaars en eiken zien. Hij heeft een zeer langen, borstelvormigen, aan den wortel gestreepten en gestippelden snuit van roodbruine kleur, die een weinig vóór het midden de slanke, knievormig gebogen sprieten draagt; de schaft past juist in een groeve, die zich tot aan het oog uitstrekt; de zweep eindigt in een bijna knopvormige knots. Het eivormige, zwarte lichaam is overal met geelachtig grijze haartjes begroeid; het bolle, ronde schildje en de schouders dragen lichtere haartjes, waardoor op de dekschilden, welke gezamenlijk een hart vormen, een teekening ontstaat, die aan de verdeeling van een dambord herinnert.
Andere soorten van dit geslacht--de Groote Eikelsnuitkever (Balaninus glandium) en de Kleine Eikelsnuitkever (Balaninus turbatus)--leven als larve in eikels. Geen van beide komt op de lijst van inheemsche Balaninen voor.
Van de 18 Europeesche soorten van dit geslacht werden 6 in Nederland gevonden. Ook in andere werelddeelen is het vertegenwoordigd.
De Bloesemsnuitkevers (Anthonomus) zou men wegens hun vorm voor groote, plompe Apioniden kunnen houden; zij verschillen er echter duidelijk van door hunne gebroken sprieten en door de lichte vlekken of strepen, die op de overigens bruine dekschilden voorkomen op plaatsen waar lichter gekleurde haartjes groeien. Andere kenmerken leveren de dunne, rechte snuit, de kleine, ronde oogen, de dunne sprieten met 7-ledige zweep en het groote schildje. Ook dit geslacht is over de geheele wereld verbreid, doch in Amerika minder sterk vertegenwoordigd dan elders. De grootste Europeesche soorten, hoewel niet langer dan 4 mM., zijn zeer nadeelig voor de vruchtboomen. In het begin van de lente boort het wijfje gaatjes in de blad- en bloemknoppen, schuift in ieder één of twee eieren, waaruit larven geboren worden, die door het leegvreten van den knop, hem niet tot ontwikkeling laten komen. Daar de buitenste schubben van de aangestoken knoppen een bruine kleur verkrijgen, ziet de appel- of perenboom, die veel van deze en dergelijke Insecten te lijden heeft gehad, er "verbrand" uit. De 4 mM. lange Appelbloesemkever (Anthonomus pomorum) heeft twee onduidelijke, scheeve, door grijze haartjes veroorzaakte strepen op elk der beide dekschilden, waardoor deze gezamenlijk twee V-vormige figuren vertoonen. Bij den iets kleineren Perenbloesemkever (Anthonomus pyri) loopen deze strepen recht en bereiken den rand der dekschilden niet geheel.
De larve van de Bladschavers (Cionus) komen voor op de bloemen en jonge vruchten van sommige planten en gelijken, wanneer op hun hoornachtigen kop niet gelet wordt, wel eenigszins op slakjes. Om zich vast te houden maken zij gebruik van de knobbeltjes aan de buikzijde van de voorste segmenten en overigens van een kleverig vocht, dat door een terugtrekbaar buisje aan 't voorlaatste segment ontwijkt en het geheele lichaam bedekt. De plompe, bijna bolvormige kevertjes zijn fraai geteekend; regelmatige, door een lichtere beharing gevormde vlekjes doen een mozaïek ontstaan op den anders gekleurden grond. De rolronde snuit wordt in den rusttoestand teruggebogen tegen de borst, die echter geen duidelijke groeve vertoont. De zweep van de sprieten bestaat uit slechts 5 leden.
De Helmkruid-bladschaver (Cionus scrophulariae) leeft in talrijke troepen op het van Mei tot Augustus bloeiende knoopige helmkruid (Scrophularia nodosa). Deze 4 à 5 mM. lange Kever is zwart en dicht met schubben bedekt; de zijden van de borst en het voorborststuk zijn sneeuwwit, de dekschilden donker leikleurig, de uitpuilende strooken tusschen de strepen fluweelachtig zwart; ieder van deze is met witte dambordvlekken, het voorste en achterste deel van den naad met een fluweelzwarte vlek geteekend. In de laatste helft van Juli verpopt de larve zich; de gedaantewisseling wordt voorafgegaan door een zeer overvloedige afscheiding van kleverig vocht; het inkrimpen van 't lichaam brengt een scheiding teweeg tusschen de huid en de haar bedekkende laag en doet een glasachtige, eivormige cocon ontstaan, waarbinnen de beide laatste vervellingen plaats hebben. Uit deze cocon, die aan een steeltje van de bloeiwijze vastgehecht is, komt ongeveer 3 weken later de Kever te voorschijn.
Behalve de genoemde, komen hier te lande nog 5 andere Cioniden voor, die nagenoeg alle op Toortskruid en Helmkruidsoorten leven.
De Wilgensnuitkever (Cryptorhynchus lapathi) is de eenige Europeesche vertegenwoordiger van een 200 soorten omvattend Zuid-Amerikaansch geslacht. De snuit van dezen Kever wordt in den toestand van rust geborgen in een diepe groeve van de borst, die tusschen de heupen der middelpooten eindigt. Het lichaam is met een dicht schubbenkleed bedekt en schijnt hierdoor zwartbruin en wit, op het laatste derde gedeelte van de dekschilden krijtwit. Bundels van overeindstaande, zwarte schubben vormen op het halsschild en de dekschilden talrijke oneffenheden. Dit fraaie, 7.5 à 9 mM. lange Insect leeft op wilgenhakhout en elzen; het knaagt niet aan de bladen, wel aan de schors, doch zonder veel schade te veroorzaken. Het wijfje legt de eieren één voor één op den stam of de takken van de genoemde planten. De larve voedt zich aanvankelijk met de houtlaag, die onmiddellijk onder de schors gelegen is; de plekken waar dit geschiedt, zijn dikwijls kenbaar aan de talrijke gaatjes, die hier aan de oppervlakte voorkomen; daarna boort zij een recht naar boven stijgende gang in 't hout. Het meest vindt men haar in de knoestige stammen van knotwilgen, die door haar werkzaamheid en die van andere in 't hout borende Insecten eerder sterven dan anders het geval zou zijn. Meer schade richten de larven aan in jonge elzenaanplantingen en elzenhakhout: zij boren in jong en oud hout gangen, waardoor de boompjes sterven.
De Snuitkever van de koolzaadknobbels (Ceuthorhynchus sulcicollis) is donkerzwart, niet zeer glanzig, met grijze schubjes bekleed, die aan de bovenzijde fijn en niet talrijk zijn, van onderen, vooral bij de schouders, dichter bijeenstaan. Lichtere plekken, zooals bij andere soorten door sterke opeenhooping van dergelijke schubjes ontstaan, komen bij deze niet voor. De gemiddelde lengte bedraagt nauwelijks 3 mM. bij 2 mM. breedte over de schouders. Het wijfje legt eieren op het onderste gedeelte van den nog jeugdigen bovenaardschen, of dicht bij de oppervlakte van den grond op den onderaardschen stengel van het koolzaad of van allerlei als groente gekweekte koolsoorten, maar ook van de herik, een op akkers veelvuldig voorkomend onkruid. Op de plaats waar het ei onder de opperhuid gelegd werd, ontwikkelt zich langzamerhand, ten gevolge van den prikkel door de knagende larve teweeggebracht, een knobbel of gal. Het hierdoor aan de plant toegebrachte nadeel is echter niet groot. Als de larve volwassen is, begeeft zij zich door een ronde opening naar buiten in den grond, waar de volgende gedaantewisselingen plaats hebben. De Kever knaagt aan de bloemen en hauwen en richt hierdoor eenige schade aan. Van veel beteekenis is ook deze echter niet.
Het soortenrijke geslacht der Muizentandsnuitkevers (Baridius, vroeger Baris) is over de geheele wereld verbreid. De Kever is kenbaar aan zijn langwerpig eivormige gedaante en aan de zwarte, dikwijls met een metaalachtig groenen of blauwen glans prijkende kleur van zijn zeer hard uitwendig skelet. Ook kent men hem aan de gewoonte om de dijen met de daartegen aanliggende scheen en voet loodrecht naar onderen te richten en den snuit met de spits tegen de voorste dijen te drukken, als hij, om aan vervolgingen te ontkomen, zich dood houdt. De kop is bolvormig; de oogen zijn klein en onmiddellijk bij den wortel van den snuit geplaatst. Deze is rolrond, dik, een weinig gekromd, aan de spits van onderen scheef afgesneden, als de knaagtand van een Muis; vóór het midden zijn de sprieten aangehecht; de schaft is in den toestand van rust in een diepe groeve verborgen.
De Raapzaad-muizentandsnuitkever (Baridius chloris) is glinsterend groen, soms met blauwachtigen weerschijn, zonder den snuit 4 mM. lang; het halsschild heeft verspreide stippels, doch is in het midden bijna glad; de ruimten tusschen de stippels zijn veel grooter dan deze; de dekschilden zijn eenvoudig gestreept. Zijn witte larve boort in het onderste deel van den stengel van koolzaad, raapzaad en andere kruisbloemige planten gangen, die zich tot aan de uiterste spitsen van de wortels uitstrekken; hierin ondergaat zij ook haar gedaantewisseling. Soms legt de Kever eieren op het winterkoolzaad; de larven, die zich hieruit ontwikkelen, komen reeds in Juni als Kevers voor den dag. Andere exemplaren overwinteren in den grond, paren eerst in 't volgende jaar en brengen eieren voort, die in den nazomer Kevers worden en dan dadelijk in den grond kruipen om te overwinteren. Hier te lande werd deze schadelijke soort nog niet waargenomen.
Eenige geslachten van Snuitkevers gelijken door den lichaamsbouw van het volkomen Insect, maar nog meer door den vorm en de levenswijze der larve, zoo zeer op de Schorskevers, dat sommige schrijvers gemeend hebben hen niet met de Echte Snuitkevers vereenigd te mogen laten. Zij zijn onder den naam van Kossoniden (Cossonidae) tot een afzonderlijke familie verheven, die met de vorige groep den langen snuit en de knievormig gebogen sprieten gemeen heeft. Alle pooten hebben een hoornachtigen haak aan 't einde van den scheen. De spriet eindigt in een niet of onduidelijk geleden, meestal eivormigen knop. Vooral bij de Echte Kossoniden (Cossonidini) gelijken de op (of bij) het midden van den snuit aangehechte sprieten (die een van boven steeds sponsachtigen eindknop dragen) door hun kortheid en vorm veel op die der Schorskevers. Beide hebben bovendien het achterlijf geheel verborgen onder de langwerpige dekschilden, die gezamenlijk een halven cilinder vormen, welks breedte vrij wel die van het langwerpige, van voren versmalde, van achteren ingesnoerde halsschild evenaart. De Echte Kossoniden zijn kleine, zwarte, voor 't meerendeel smalle en gladde kevertjes, waarvan 2 soorten (Cossonus linearis en Rhyncolus elongatus) hier te lande onder boomschors leven.
Bij de overige leden der familie, bij de Klanderkevers (Calandrini), blijft het stuitschild onbedekt en zijn de niet zeer bolle dekschilden meestal niet veel langer dan hun gezamenlijke breedte bedraagt; hunne sprieten zijn betrekkelijk lang en aan den wortel van den snuit, bij sommige zelfs onmiddellijk vóór de oogen ingeplant. Met uitzondering van eenige kleine, Zuid-Europeesche soorten, behooren zij uitsluitend in warme landen thuis, daar men aanneemt, dat de beruchte, thans over de geheele wereld verbreide Klanders, waaraan zij hun naam ontleenen, oorspronkelijk tot de heete luchtstreek beperkt waren en met bezendingen graan naar gewesten met meer gematigd klimaat overgebracht zijn.
De grootste soorten vereenigt men in het geslacht der Palmenboorders (Rhynchophorus), waarvan hierachter een in den Oost-Indischen archipel vertegenwoordiger is voorgesteld. Het zeer harde pantser is zeer dikwijls zwart of roodbruin, maar ook wel rood, geel of grijs, effenkleurig of gevlekt. De wijfjes verschillen meestal duidelijk van de mannetjes door den vorm van snuit, pooten, sprieten, enz. Van slechts enkele soorten zijn de larven bekend; deze houden zich bij voorkeur op in eenzaadlobbige planten (palmen, bananen, suikerriet) en in cycadeeën; dikwijls komen zij in grooten getale voor en richten dan een aanzienlijke schade aan.
Bij het mannetje van de hierachter afgebeelde soort is het voorste gedeelte van den snuit van boven, bij wijze van een kam, dicht bezet met zwarte borstels; bij het wijfje is de snuit kaal. Het schild is zeer lang; de dekschilden zijn overlangs gegroefd. De kleur is zwartbruin, dikwijls als met een waas bedekt en op sommige plaatsen, vooral op het halsschild, sterk naar rood zweemend.
De kleinste soorten van de geheele onderfamilie behooren tot het geslacht Calandra. Twee daarvan zijn met handelswaren, waarschijnlijk uit het oosten, niet slechts naar alle oorden van Europa, maar zelfs naar alle deelen van de wereld overgebracht. De Korenklander (Calandra granaria), wiens larve bekend is onder den naam van "Zwarte Korenmot", bewoont graanpakhuizen en korenzolders, omdat hij en zijn larve van meel en graankorrels leven; de larve bepaalt zich tot den eenen korrel, waarin haar moeder een gaatje boorde en een ei legde. De larve vreet den korrel uit en heeft haar volle grootte bereikt, wanneer van zijn woonplaats nog maar alleen het schilletje over is, waarbinnen zij in den poptoestand overgaat. 5 à 6 weken na het leggen van het ei, in het begin van Juli, komt de eerste Kevergeneratie voor den dag. 14 dagen later beginnen ook deze jonge Kevers zich voort te planten, zoodat vóór den winter een tweede generatie het levenslicht aanschouwt, om weldra in spleten en naden van vloeren en balken en in andere hoeken van den graanzolder te overwinteren. Sedert lang weet men, dat zindelijkheid en een flinke luchtverversching de beste beveiligingsmiddelen zijn tegen dezen gevaarlijken vijand. In den laatsten tijd heeft men met goed gevolg een doelmatige handelwijze toegepast tot het verdrijven van den Klander; door den graanhoop worden op ruim 3 M. afstand van elkander draineerbuizen gelegd, die als luchtkokers dienen; zij staan ieder afzonderlijk met de buitenlucht in gemeenschap, maar kunnen ook met elkander verbonden worden, zoodat zij gezamenlijk één uitgang hebben. Hierdoor zal in den hoop dezelfde temperatuur heerschen als in de buitenlucht en worden de kevertjes, die van warmte houden en veel warmte noodig hebben om zich te ontwikkelen, genoopt om den hoop te verlaten. Deze inrichting heeft bovendien nog het voordeel, dat zij gelegenheid geeft om (zonder nadeel voor het graan, zonder het gevaar voor broeiing te vergrooten) het graan hooger opeen te stapelen, dan anders mogelijk zou zijn geweest.
De kleur van den Korenklander wisselt af van roodbruin tot zwartbruin; de sprieten en de pooten zijn iets lichter; zonder den snuit is hij 3.75 mM. lang en, over de schouders gemeten, 1.5 mM. breed. De dunne, kromgebogen snuit is ongeveer zoo lang als het halsschild, en draagt aan zijn wortel, onmiddellijk vóór de oogen, de "gebroken" sprieten, welker zweep uit een 6-ledigen steel en een langwerpig eivormigen eindknop bestaat. Het platte, van voren slechts weinig versmalde halsschild is dicht bezet met diepe, langwerpige putjes, die slechts één glanzige, overlangsche strook in het midden vrij laten. De dekschilden, die gezamenlijk even breed zijn als het halsschild en welker zijranden evenwijdig loopen met den naad, zijn vóór den stuit gezamenlijk afgerond en zijn bedekt met diepe reeksen van putjes, die gladde tusschenruimten overlaten.
Gelijk deze Kever van rogge, tarwe en maïs leeft, voedt zich de veel op hem gelijkende Rijstklander (Calandra oryza) met rijst; men vindt hem in rijstpakhuizen, waar hij wel in leven blijft, maar zich niet meer voortplant.