Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 04: De Insecten

Part 11

Chapter 113,743 wordsPublic domain

Men zou kunnen meenen, dat de larve nu, nadat zij de honig verbruikt heeft en geheel volwassen is, zich op de gewone wijze verder ontwikkelen en in den poptoestand overgaan zal. Toch is dit niet het geval. Haar huid geraakt los, zonder te barsten, en hierbinnen bevindt zich een van buiten hoornachtige pop, die bij oppervlakkige beschouwing veel op de vorige larve gelijkt. Deze "schijnpop" of "pseudochrysalide" gebruikt geen voedsel. Binnen de nogmaals losgerakende huid ondergaat het Insect een nieuwe gedaantewisseling en wordt een weekhuidige (tweede) pop, die na verloop van korten tijd in de echte (derde) pop verandert. Dit zijn de opeenvolgende phasen van de meest volledige metamorphose; bij sommige soorten komt zij eenigszins gewijzigd en afgekort voor.

De bij ons zeldzame Bonte Oliekever (Meloë variegatus, M. majalis) is over geheel Europa, het noordwesten van Azië en den Kaukasus verbreid en schijnt in Duitschland bijzonder overvloedig te zijn. Hij heeft een metaalachtig groene of blauwachtige kleur, vertoont in meerdere of mindere mate een purperen weerschijn en is met groote stippels en rimpels bezet; zijn dwars gericht halsschild wordt naar achteren een weinig smaller en heeft zeer flauw bovenwaarts gebogen randen. Zijn lengte wisselt af van 11 tot 36 mM., al naar de eerste larve (die 2 à 3 mM. lang en glanzig zwart is) in de cel van de Bij een geringe of een groote hoeveelheid honig vond.

De Gewone Oliekever (Meloë proscarabeus) wordt, zooals de naam te kennen geeft, (ook ten onzent) veelvuldiger aangetroffen dan de vorige soort; hij bewoont dezelfde landen als deze, is zwartblauw met paarsen weerschijn; fijne puntjes tooien den kop en het bijna vierkante halsschild; de dekschilden vertoonen wormvormige dwarsrimpels; bij het mannetje zijn het 6e en 7e lid van de sprieten schijfvormig verbreed, aan de onderzijde als 't ware afgeknaagd. De grootte is even veranderlijk als de vorige soort; bij kleine exemplaren steken de dekschilden zelfs een weinig voorbij het achterlijf uit.

De Spaansche Vlieg (Cantharis vesicatoria, Lytta vesicatoria) komt bij ons zelden voor, naar 't schijnt alleen in de provincie Gelderland. In Duitschland is zij in sommige jaren hier en daar buitengewoon talrijk en verraadt dan op grooten afstand haar tegenwoordigheid door het verbreiden van een sterk riekende uitwaseming. Esschen, ligusters, seringen en andere planten worden kaalgevreten door zulk een keverzwerm, die zoodra alles op is, verder trekt. De fraai groene, met vele rimpeltjes bezette dekschilden vertoonen ieder twee fijne, overlangsche ribben; bij het mannetje zijn zij smaragdgroen en langwerpiger, bij 't wijfje lichter goudgroen en breeder. De draadvormige sprieten bereiken bij het mannetje de helft van de lengte van 't geheele lichaam en zijn tweemaal zoo lang als die van het wijfje. De kop is hartvormig; het dwars gerichte halsschild heeft 5 stompe hoeken. Lengte 17 à 19.5 mM. De Spaansche Vlieg komt vooral in 't zuiden van Europa, doch ook in Zweden en Rusland voor. Fijngewreven en met de een of andere kleefstof vermengd, levert zij het materiaal voor de bekende trekpleisters; een alkoholisch aftreksel heet cantharidentinctuur.

Men kent meer dan 250 Cantharis-soorten; de meeste bewonen Afrika en Amerika.

Bij een groot aantal Kevers, (meer dan 11000 soorten) is de kop uitgegroeid tot een meer of minder langen "snuit", die aan zijn top de monddeelen draagt. Men noemt ze daarom Snuitdragers (Rhynchophora). Zij hebben aan iederen voet 4 leden (dikwijls een verborgen vijfde lid). Ook gedurende den larvetoestand komen zij in vorm overeen; zij zijn dan witachtige, meestal blinde maden, met duidelijk begrensden, door een hard chitine-pantser omhulden kop en buikwaarts gekromd lichaam, waaraan de pooten ontbreken of slechts door nietige stompjes aangeduid zijn. Deze Kevers gebruiken uitsluitend plantaardig voedsel. Het wijfje legt de eieren hetzij aan de oppervlakte van de plant, waarmede hare larven zich voeden, òf in een van buiten af hierin geboord gat, waarin het echter nooit met het geheele lichaam doordringt. Van eenige soorten leven de larven in den grond, de meeste vestigen zich in, slechts enkele aan de oppervlakte van de plant, waaraan zij haar voedsel ontleenen; dikwijls ondergaan zij alle gedaantewisselingen op deze plaats, en baant het Insect zich eerst als imago een weg naar buiten. Enkele larven parasiteeren in het lichaam van andere Insecten. Men kan in deze groep 4 familiën onderscheiden, die, naar typische geslachten, welke er toe behooren, Voelersnuitkevers (Bruchidae), Rechthoornsnuitkevers (Attelabidae), Echte Snuitkevers (Curculionidae) en Klanderkevers (Cossonidae) heeten. De laatstgenoemde vormen den overgang van de Echte Snuitkevers tot de Schorskevers (Scolytidae), die, ondanks den meestal niet tot een snuit verlengden, maar stomp eindigenden kop, zóó na verwant zijn met de Insecten, welke ook in dit opzicht den naam van Snuitdragers verdienen, dat men ze in deze groep als 5e familie moet opnemen, vooral ook, omdat zij met de overige gedurende den larvetoestand nagenoeg volkomen overeenstemmen. De vrouwelijke Schorskevers gedragen zich bij 't eieren leggen op een geheel andere wijze dan de overige leden der groep, daar zij met het geheele lichaam doordringen in de plant, die tot voeding van de larve bestemd is.

De Voelersnuitkevers (Bruchidae) zijn in alle werelddeelen, doch vooral in Amerika en Europa vertegenwoordigd; men kent er ruim 400 soorten van. Zij hebben een kort snuitje met duidelijken bovenlip en goed ontwikkelde, vóór den bek uitstekende, draadvormige tasters aan de onderkaak en de bovenlip (bij de overige Snuitdragers zijn zij zeer kort en kegelvormig). De sprieten zijn recht (niet, gelijk bij de Echte Snuitkevers "gebroken", d.w.z. in een schaft en een zweep verdeeld), uit 11 leden samengesteld, vrij (niet, zooals die der Echte Snuitkevers, in een groeve van den snuit aangehecht), in den regel onmiddellijk vóór de oogen geplaatst, soms meer of minder duidelijk knotsvormig, dikwijls getand, soms ook kamvormig. De levenswijze der larve is verschillend, sommige (Anthribus) ontwikkelen zich in vermolmend hout, andere (Brachytarsus) in voor de houtteelt schadelijke Schildluis-wijfjes, welker eieren zij verslinden, verreweg de meeste echter in zaden.

De laatstgenoemde ontwikkelingswijze vindt men vooral bij het soortenrijke geslacht der Zaadkevers (Bruchus). Deze zijn van geringe grootte, nagenoeg eirond, van onderen boller dan van boven. Achter de groote, hoefijzervormige oogen is de benedenwaarts gerichte kop tot een onduidelijken hals versmald. Onmiddellijk vóór de opening van dit "hoefijzer" zijn de geleidelijk in dikte toenemende sprieten aangehecht. Van de 5 buikringen is de eerste, die naar voren meestal in een spits uitloopt, langer dan alle overige; de dekschilden laten het groote stuitschild nagenoeg geheel onbedekt. Hunne larven, voor zoover bekend, leven in zaden, vooral van vlinderbloemige planten. In tegenstelling tot de overige Snuitkevers, die meestal traag zijn, loopen de Zaadkevers snel, en vliegen nu en dan. Als zij verschrikt worden, laten zij zich snel op den grond vallen.

De 5 mM. lange Erwtenkever (Bruchus pisi) is zwart, dicht bedekt met korte, geelachtig grijze en witte, aanliggende haren en op het halsschild aan weerszijden, dicht bij het midden, van een onder de beharing verborgen tandje voorzien; op ieder dekschild komt dicht bij het breed afgeronde einde een uit witte vlekken samengestelden dwarsband voor; de stuit draagt 2 eivormige, onbehaarde, groote vlekken. De 4 eerste leden van de knotsvormige sprieten zijn roodachtig geel, de voordijen zuiver zwart, de scheen en de voet van de voorpooten, de top van den scheen en de voet van de middelpooten roodachtig geel. Deze soort schijnt in Noord-Amerika en Zuid-Duitschland veelvuldiger voor te komen dan elders, maar werd ook hier te lande velerwege waargenomen. De Kever blijft, nadat zijn gedaantewisseling afgeloopen is, den geheelen winter in de erwt en verlaat eerst in 't voorjaar door een cirkelrond gaatje zijn winterkwartier.

De Boonenkever (Bruchus rufimanus) gelijkt veel op de vorige soort, van welke hij zich onderscheidt door een betrekkelijk langer halsschild met onduidelijker zijtandjes, ook door kortere dekschilden, die eenigszins anders geteekend zijn. De voordijen zijn roodachtig geel. De larve leeft in paardenboonen en groote boonen, waarschijnlijk niet in erwten.

Veelvuldiger dan deze komt hier te lande de Wikkenkever (Bruchus granarius, B. seminarius) in de genoemde boonen voor. Ook in Middel- en Noord-Duitschland is hij de algemeenste van de drie. Naar het schijnt, blijft hij minder tot een enkele soort van zaden beperkt; men heeft hem ook uit wilde wikken en verschillende lathyrus-soorten verkregen; hij overwintert niet in deze kleine zaden, maar op den grond; de boonen verlaat hij echter eerst in de lente.--De Linzenkever (Bruchus lentis) leeft als larve in linzen, andere uitheemsche soorten in gleditschia-, mimosa-, acacia- en palmzaden, enz.

De familie der Attelabiden (Attelabidae) is merkwaardig door de bij Kevers zoo zelden voorkomende bewijzen van moederlijke zorg, die vele harer leden geven. Door de rechtheid der meestal knotsvormige sprieten gelijken zij op de leden der vorige familie, door de kortheid der tasters op die der volgende. Zij hebben een snuit van zeer verschillende lengte. Kort en dik is deze bij den 3 à 5 mM. langen, inheemschen Eikenbladroller (Attelabus curculionides), die van Engeland tot Spanje en van Siberië tot den Kaukasus verbreid is. De kop en de onderzijde zijn donker zwart, het halsschild en de dekschilden bloedrood. Het wijfje maakt een nest voor haar ei door een blad, op de middelnerf na, dwars door te knippen en het bovenste stuk, bij den top te beginnen, rugwaarts op te rollen. Door het binnenwaarts vouwen van de eene helft verkrijgt het nest, een deksel, welks rand door de middelnerf wordt gevormd. Het blad is meestal van een eik, soms van een echten kastanje of van een els. De larve vindt in het "rolletje" voedsel en een winterkwartier, doch verpopt zich in den grond.

Kort en dik is de snuit ook bij den Hazelaardikkopkever (Apoderus coryli), wiens geslacht zich o.a. van het vorige onderscheidt, doordat de kop achter de uitpuilende oogen sterk verlengd en door eene dunne, halsvormige insnoering verbonden is met het halsschild, dat van voren evenzeer in een dun steeltje uitloopt. Dit kevertje welks lengte van 6,5 tot bijna 9 mM. afwisselt, is glanzig zwart; het halsschild, de met overlangsche reeksen van stippels bezette en daartusschen gerimpelde dekschilden en de dijen, met uitzondering van de spits, zijn rood. Het komt bij ons, in geheel Duitschland en verder noordwaarts tot in Zweden, vooral in sommige jaren, veelvuldig voor. Meestal verschijnt het tegen het midden van Mei op hazelaars, laag eikenhakhout, elzen, beuken en hangbeuken, voor zoover deze struikachtig groeien. De schade, die het op bedoelde boomen aanricht, is gering. In 't oogvallend zijn echter de door het wijfje vervaardigde rolletjes, die den vorm hebben van een klein geldrolletje, waarvan er 2, 3 en soms nog meer aan één groot blad gevonden worden en die dit volkomen ongeschikt maken voor zijne gewone verrichtingen. Het wijfje snijdt te dien einde op eenigen afstand van de bladsteel de eene bladhelft en de middelnerf door en zet de insnijding nog over een deel van de andere bladhelft voort; de schielijk door verwelking slap wordende lap wordt opgerold, zoodat de middelnerf de lengteas van de rol vormt en deze aan weerszijden gesloten wordt door de spits van het blad en van de gedeeltelijk afgesneden slip. De plooien van de rol beschutten het barnsteengele eitje, soms 2 of 3 eieren, die stellig gedurende het wikkelen en niet eerst na voltooiing van het nestje gelegd worden. De larve voedt zich met het binnenste van zijn nest en verandert het langzamerhand in een slangsgewijs gekronkeld drekdraadje van zwarte kleur. In de meeste gevallen zal waarschijnlijk de rol door het afvallen van het beschadigde blad op den grond te recht komen, voordat de larve volwassen is.

De beide genoemde Kevers zijn niet de eenige Attelabiden, die door het oprollen van bladen nesten voor hunne eieren maken. Dit bedrijf wordt ook uitgeoefend door een aantal andere soorten, die hieraan den naam van Bladrollers (Rhynchites) danken, hoewel deze niet voor allen letterlijk juist is. De Rhynchiten zijn in alle werelddeelen, met uitzondering van Australië vertegenwoordigd, vooral echter in het noordelijke halfrond en meer bepaaldelijk in de Oude Wereld. Gemiddeld zijn zij even groot als de leden van het vorige geslacht; hun kleur is meestal blauw, groen, koperrood of bronsbruin, met metaalglans, doch zonder teekening. Hun kegelvormige kop is niet tot een hals versmald; de oogen komen vooraan den wortel van den snuit; deze is verschillend van lengte en draagt ongeveer in 't midden de rechte sprieten, welker leden, geleidelijk dikker wordend, aan den top een van achteren bladerige, drieledige knots vormen.

De 5 à 6 mM. lange Staalblauwe Druivensteker (Rhynchites betuleti, R. alni) is blauw, soms goudgroen, glanzig en onbehaard. Deze Kever voegt op allerlei boomen en struiken verscheidene bladen tot een rolletje bijeen en kan, als hij in grooten getale optreedt, in perenboomgaarden, vooral echter in wijngaarden, aanzienlijke schade aanrichten. Hij verschijnt in Mei of Juni: in het woud op beuken, espen, linden, eenige soorten van wilgen en berken, daarbuiten op Canadeesche populieren, perenboomen, kweeën en wijnstokken. Hij eet het liefst sappige, kruidachtige plantendeelen, maakt zijne bladrollen bij voorkeur van jonge bladen, en bepaalt zich daarom niet tot één boomsoort. Als er geen jonge bladen meer zijn, schaaft hij, over de bovenzijde van een blad loopend en den snuit er tegen aan drukkend, smalle strookjes van de opperhuid en het bladmoes af, zoodat alleen de opperhuid van de onderzijde overblijft. Het aantal bladen, dat voor het maken van een der sigaarvormige bladrollen vereischt wordt, hangt af van de boomsoort: van kleine bladen zooals van beuken, perenboomen, wilgen, zijn verscheidene noodig; van groote, zooals van kweeën en wijnstokken, is één voldoende; het gat, dat de Kever in een spruit of in een bladsteel boort, stuit den toevoer van sappen naar het hooger gelegen plantendeel, dat, als het verwelkt is en slap naar beneden hangt, gemakkelijk opgerold kan worden. In het voltooide rolletje wordt één ei gelegd; soms bevat het verscheidene eieren, hoogstens 6. De larven, die na 8 à 12 dagen uitkomen, vreten gangen in het binnenste van haar woning, blijven hier, tot zij volwassen zijn, banen zich vretende een weg naar buiten en verpoppen zich in den grond. Van Mei tot in het begin van Juli vindt men op pas gerolde bladen Kevers, die daarna verdwijnen. In September ziet men er opnieuw eenige verschijnen, die zich uit de vroegst gelegde eieren van het loopende jaar ontwikkeld hebben; deze kruipen in den grond, overwinteren en komen in 't volgende jaar weer voor den dag.

De 4 à 5 mM. lange Populierensteker (Rhynchites populi) gelijkt veel op de vorige soort, maar heeft de dekschilden minder dicht met stippels bezet en is tweekleurig: van boven koperrood of groen met goudglans, van onderen, op den snuit en de pooten staalblauw. Hij draait de bladen van verschillende soorten van populieren ineen.

De nog kleinere, nauwelijks 4.5 mM. lange, zuiver zwarte en zeer weinig behaarde Zwarte Berkensteker (Rhynchites betulae) leeft op berken, elzen en beuken en maakt zijn broedrol steeds van één blad.

Nog andere soorten leven als larven in onrijpe vruchten; een voorbeeld hiervan is de fraaie Pruimenboorder (Rhynchites cupreus). Deze is even groot als de Populierensteker, bronskleurig, op den rug een weinig lichter, zwak grijs behaard, heeft een slanken snuit, op de dekschilden duidelijke stippelreeksen, met eveneens gestippelde tusschenruimten; de larve vindt men in jonge pruimen en kersen, ook in vruchten van Sorbus aria en Sorbus torminalis.

"De eenige soort, die in ons land noemenswaardige schade heeft veroorzaakt," zegt Ritzema Bos, "rolt geen bladeren samen om er eieren in te leggen, maar deponeert deze in dunne twijgjes, die door middel van den snuit ten deele afgesneden, ten deele afgestoken worden. Naar deze gewoonte heb ik aan Rhynchites conicus den naam Takafsteker gegeven. Dit kevertje is zonder den snuit 3 mM. lang, donkerblauw met groenachtigen metaalglans; de pooten en de snuit zijn zwart. In Mei en Juni vindt men het in tuinen en boomgaarden op alle mogelijke ooftboomen. Het bevruchte wijfje zoekt een jong takje op, duidt door een inkerving met den snuit de plaats aan, waar het naderhand het scheutje denkt af te bijten, klimt hooger, boort, gewoonlijk niet ver van den top van het twijgje, een gaatje tot in het merg en legt er een ei in, dat met den snuit op de rechte plaats wordt geschoven. Deze arbeid duurt dikwijls een vol uur. Daarna gaat de moederkever over tot het afsnijden van den scheut. Eerst wordt deze afgezaagd: de Kever drukt op een bepaalde plaats van den tak zijn snuit stevig vast en beweegt hem heen en weer. Heeft hij op deze wijze een insnijding van eenige diepte gemaakt, dan steekt hij daarin zoolang zijn snuit, tot het takje geheel doorgestoken wordt en eindelijk afvalt." De larve verlaat na 8 dagen het ei, voedt zich met het inwendige, vooral met het merg van het takje, is na 4 weken volwassen, kruipt, hoogstens 1 dM. diep, in den grond en komt hieruit in 't volgende voorjaar als Kever te voorschijn.

De Spitsmuiskevertjes (Apion) worden zoo genoemd naar den vorm van den kop, die in een dunnen, rolvormigen snuit eindigt. Het peervormige lichaam is zwart, blauw of groen, soms menierood; het vertoont metaalglans, doch geen vlekken; de dekschilden bedekken het geheele achterlijf en zijn gewoonlijk diep gevoord. Deze kleine, fraaie kevertjes zijn over de geheele wereld verbreid en vormen omstreeks 400 soorten; hiervan zijn ongeveer 60 inheemsch; eenige kan men gedurende het geheele jaar waarnemen.

Het Klaverspitsmuisje (Apion apricans, A. fagi) heeft een nagenoeg overal even dikke, weinig gebogen snuit, die bij het midden de knotsvormige sprieten draagt. Het van voren versmalde halsschild is dicht met stippels bezet; deze vormen in de voren der dekschilden overlangsche reeksen. Het glanzig zwarte kevertje heeft het onderste deel der sprieten, de voorpooten en de dijen der overige pooten roodachtig geel; de knieën en de voeten van alle pooten zijn echter zwart. Het wijfje legt verscheidene eieren op de hoofdjes van klaver; tegen den tijd van 't eerste maaien zijn de larven volwassen en verpoppen zich tusschen de bloemen van het hoofdje.

Dezelfde levenswijze hebben Apion assimile en Apion trifolii. Van andere soorten leven de larven en poppen in zaden, vooral van Vlinderbloemigen, of in stengels, b.v. van malva.

Een hoogst zonderlinge gedaante hebben de Langlijfkevers (Brenthidae); bij geen andere leden der orde vertoonen alle deelen van den stam zoo duidelijk het streven om zich te verlengen. De horizontaal gerichte kop loopt uit in een geleidelijk dunner wordenden snuit, die al naar de soort zeer veel verschil in lengte vertoont en bij het mannetje dikwijls veel langer is dan bij het wijfje. Met uitzondering van een Zuid-Europeesche soort (Amorphocephalus coronatus) zijn alle Brenthiden bewoners van andere werelddeelen. De hiernaast afgebeelde Brenthus anchorago leeft in Brazilië. De donker roodbruine grondkleur wordt op de vleugelschilden door 2 bloedroode (of geelachtige), overlangsche strepen afgebroken. Dergelijke teekeningen, ook vlekken, komen bij vele leden dezer familie voor.

Bij de Echte Snuitkevers (Curculionidae) draagt de tot een snuit verlengde kop aan den top monddeelen, waaraan de bovenlip steeds ontbreekt en de tasters zeer klein en kegelvormig zijn. De 8- à 12-ledige sprieten zijn aangehecht in een groeve van den snuit, altijd "gebroken" (in een schaft en een zweep verdeeld) en meestal knotsvormig. De voeten hebben meestal een sponsachtige zool; het derde lid is gewoonlijk in twee lobben verdeeld.

Alle Snuitkevers, met uitzondering van eenige weinige soorten van slechts middelmatige grootte, leven van planten; de verbreiding van deze hangt ten nauwste samen met die van gene, daar vele Keversoorten aan bepaalde planten gebonden zijn. De wijfjes blijven bij het leggen der eieren aan de oppervlakte van de plant, die aan hunne larven voedsel zal verschaffen, dringen er niet met het geheele lichaam in door, gelijk de Schorskevers doen. Geen enkel plantendeel, van den top van den wortel tot aan dien van den stengel, knoppen zoomin als bladen, bloemen zoomin als vruchten, is veilig tegen de Snuitkeverlarven. Zij gelijken het meest op die van de Diefkevers, maar hebben een ronden, benedenwaarts gerichten kop en een pootloozen, min of meer behaarden romp. De sprieten zijn slechts in den vorm van wratjes, de oogen niet of in beperkten getale aanwezig. De familie der Snuitkevers overtreft alle andere keverfamiliën door rijkdom aan soorten. Alleen in het Europeesch-Kaukasisch faunistisch gebied heeft men niet minder dan 204 geslachten met 2664 soorten van deze familie gevonden. Het overwicht van de Snuitkevers over de andere Keverfamiliën neemt toe, naarmate men den evenaar nadert. In Amerika zijn zij nog sterker vertegenwoordigd dan in de Oude Wereld. Vooral het zuiden schijnt onuitputtelijk te zijn aan nieuwe soorten. Er zijn er bij, die door hare prachtige kleuren en door de wijze waarop deze samengevoegd zijn, wedijveren in schoonheid met de kostbaarste kleinodiën, die ooit een kunstenaarshand schiep. En aantal Snuitkevers zijn merkwaardig door hun schadelijken invloed op landbouw en houtteelt. In de meeste gevallen is het de larve, in eenige de Kever, zelden echter het Insect in beide ontwikkelingstoestanden, waardoor het nadeel veroorzaakt wordt.

Voor het verkrijgen van een algemeen overzicht van deze familie, verdient het aanbeveling haar naar de lengte van den snuit, die zulk een belangrijken invloed oefent op het voorkomen dezer Insecten, te verdeelen in Kortsnuitkevers (Curculionides) en Langsnuitkevers (Rhynchaenides), zoo genoemd naar de beide groote geslachten Curculio en Rhynchaenus, die sinds lang in een groot aantal kleinere, scherp begrensde groepen gesplitst zijn.

Bij de Kortsnuitkevers is de snuit kort en breed. De sprieten hebben een lange schaft, die achterwaarts gebogen minstens tot de oogen reikt; zij zijn dichter bij de spits van den snuit dan bij de rondachtige oogen aangehecht in een groeve, die zich uitstrekt tot aan de dikke bovenkaken; de onderkaken zijn meestal bedekt door de kin van de onderlip. Deze onderfamilie wordt in twee groepen verdeeld, waarvan de eerste uit soorten met vleugels, de tweede uit ongevleugelde vormen met langs den naad vergroeide dekschilden bestaat. Van elke groep zullen wij een voorbeeld geven.

De 3.5 à 4.5 mM. lange Gestreepte Grijze Snuitkever (Sitones lineatus) is grootendeels met grijze of groenachtig grijze schubben dicht bedekt; de kop, drie overlangsche strepen op het halsschild en drie ondiepe groeven tusschen de reeksen van stippels op ieder dekschild, zijn echter met lichtere, meer geelachtige schubben bekleed. Deze Kevers loopen snel; bij helderen zonneschijn vliegen zij ook. Bij aanraking laten zij zich als dood op den grond vallen, waar men ze wegens hun kleur niet licht wedervindt. Met verscheidene andere soorten, die ten deele moeielijk onderscheiden kunnen worden, kruipen zij na het ontwaken uit den winterslaap in grooten getale op den grond en tusschen lage planten rond. Als voedsel schijnen zij vlinderbloemige planten te verkiezen boven alle andere, zooals af te leiden valt uit hun talrijkheid op akkers, waar erwten, paardenboonen, lucerne en dergelijke voederplanten verbouwd worden. De Kever vreet den rand der bladen van pas ontkiemde zaden of nog jonge plantjes af; de larve knaagt aan hunne wortels.