Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 04: De Insecten
Part 10
De Bladkevers met twee klauwen van ongelijke grootte aan den voet vormen de groep der Ruteliden. Van de 600 hiertoe behoorende soorten vindt men er slechts betrekkelijk weinige in Europa en Nieuw-Holland, de meeste (200) in Azië, vele (183) in Zuid-Amerika; Noord-Amerika en Afrika zijn ongeveer even ruim bedeeld.
De Anisopliën (Anisoplia) zijn gemiddeld 9 à 11 mM. lang; men vindt ze in Europa en Azië op verschillende planten, vooral echter op grassen, dus ook op graangewassen; in Afrika komen slechts weinige soorten voor; in Amerika ontbreken zij geheel. Hun kopschild is naar voren verlengd en vormt vóór den kop een aan de spits bovenwaarts gebogen uitsteeksel.
Het fraaie Roggekevertje (Anisoplia fruticola) is bronsgroen van kleur, van onderen met een dicht vilt bedekt, op het halsschild van een geel haarkleed voorzien; de dekschilden hebben bij het mannetje een roestroode, bij het wijfje een meer geelachtige kleur; bij haar vindt men op de dekschilden, als omlijsting van het groene schildje, een zwarte vlek. Deze Kevers bezoeken ten tijde van den bloei, of kort daarna roggearen om de bloemdeelen of het eerste beginsel van de vrucht af te vreten en richten op deze wijze, wanneer zij in grooten getale voorkomen, een niet onbelangrijke schade aan. De larve gelijkt veel op een jonge engerling en wordt voor onschadelijk gehouden, ofschoon zij misschien ook wel de wortels van de graangewassen afvreet.
Soms hebben de rozen in onze tuinen veel te lijden van het Rozenkevertje (Phyllopertha horticola). Dit Insect, dat de fraaiste bloemen vernielt, komt in vorm met het vorige overeen, doch is een weinig platter, 9 à 11 mM. lang, glanzig blauwgroen en sterk behaard. Op zijne donkerbruine of zwarte dekschilden wisselen onregelmatige, overlangsche lijsten met reeksen van onregelmatige stippels af.--De larve leeft op de wortels van verschillende overblijvende planten en verschoont ook de potplanten niet.
De Reuzenkevers (Dynastidae) verschillen door de gelijkheid der beide klauwen aan iederen voet van de leden der vorige groep, door dwars gerichte, in een groeve van het borstschild verborgen voorheupen van de volgende onderfamilie. Zij verdienen hun naam, daar men onder hen de grootste en zwaarste leden, niet slechts van de familie der Bladsprietigen, maar van de geheele orde der Kevers aantreft. Bij hen ontwaart men de grootste afwijkingen tusschen het mannetje en het wijfje van dezelfde soort. De mannetjes zijn meestal, hetzij alleen op den rug van het voorborststuk, hetzij hier en op den kop, met hoornen en spitsen van de meest zonderlinge gedaante uitgerust, die eenvoudig beschouwd moeten worden als een tooi van het mannetje, welke bij het wijfje ontbreekt en bij het zoeken van een legplaats voor de eieren voor haar zelfs in de hoogste mate hinderlijk zou zijn. De meeste houden zich over dag verborgen in rottend hout, in gaten van boomen, onder dorre bladen en op dergelijke schuilplaatsen, worden des nachts wakker en gebruiken dan hunne vleugels; zij vliegen op een logge, ver hoorbare wijze, heffen daarbij de dekschilden slechts weinig op en richten ze niet zijwaarts.
De weinige larven van Reuzenkevers, die tot dusver bekend zijn, leven in rottend hout en gelijken veel op die van de Bladkevers door de dwarse rimpels op de huid en de zakvormige verwijding van het laatste achterlijfssegment. Vóór de gedaantewisseling, waaraan een veeljarig leven in den larvetoestand voorafgaat, vervaardigen de larven zich een stevig, dikwandig nest van de haar omgevende stof; de Kever blijft hierin, totdat hij na het verharden van zijn uitwendig skelet in staat is om zijn gevangenis te verbreken.
Deze onderfamilie omvat nagenoeg 500 soorten, die bijna uitsluitend den heeten aardgordel bewonen; verreweg de grootste helft behoort in Amerika thuis; eenige minder kolossale soorten komen over alle werelddeelen verspreid voor.
Het mannetje van den Herkules-kever (Dynastes hercules) is beroemd wegens zijn grootte en vorm. Het bereikt een lengte van 157 mM., waarvan de kleinste helft komt op den hoorn, die de rugzijde van het voorborststuk versiert. Deze is aan de onderzijde geel behaard en loopt van voren in twee takjes uit; hij overdekt den veel korteren hoorn, die van het voorhoofd uitgroeit. Beide hoornen zijn glanzig zwart, evenals het geheele overige lichaam, met uitzondering van de licht olijfgroene, met zwarte vlekken geteekende dekschilden.
Een meer bescheiden vorm heeft het mannetje van den inheemschen Neushoornkever (Oryctes nasicornis); hij heeft slechts één hoorn van middelmatige lengte op den kop en drie gelijke knobbels op de dwars gerichte lijst, waardoor het halsschild in twee afdeelingen is gescheiden; de grootste of voorste afdeeling is in het midden uitgehold. Op de dekschilden neemt men reeksen van fijne stippels waar; de kleur is zwartbruin, doch zweemt aan de onderzijde sterk naar rood. Het wijfje mist den hoorn; een stompe knobbel wijst de plaats aan, waar haar echtgenoot dit onderscheidingsteeken draagt. Lengte 36 à 37 mM.--Deze fraaie soort wordt vooral in de noordelijke helft van Europa gevonden en wel in de uitgeloogde run, het zoogenaamde "kif", waarmede de broeibakken der bloemkweekers gevuld zijn en die ook wel op tuinpaden wordt gestrooid. Op plaatsen waar zij zich eens gevestigd heeft, is zij gewoonlijk niet zeldzaam.--De larven van een andere soort (Oryctes simias) richten in de kokoswouden van Madagaskar door het knagen van gangen in den stam soms aanzienlijke schade aan. Men vindt stammen met holten ter dikte van een arm, die door honderden van larven bewoond worden.
De laatste onderfamilie van de Plantenetende Bladsprietigen omvat de Bloemkevers (Melitophila); zij volgt, wat rijkdom aan soorten betreft, op de groepen der Bladkevers en der Mestkevers, maar overtreft deze door de verscheidenheid van vorm en kleur harer leden. De Bloemkevers behooren voor 't meerendeel thuis in landstreken, waar de zon loodrecht hare stralen werpt; zij zoeken de geurige bloemen van kruiden en houtige planten op om in gezelschap van schuwe Vlinders, vroolijke Vliegen en altoos bezige Bijen hun maal te doen met stuifmeel; bovendien eten zij de organen, waardoor dit poeder wordt voortgebracht, voorts bloembladen en andere bloemdeelen; zij lekken ook wel het sap, dat uit de wonden van boomen vloeit. In den regel is het heupblad van het achterborststuk van boven zichtbaar door een uitsnijding van het dekschild onmiddellijk achter den schouder; hiernaar wordt deze onderfamilie verdeeld in de soortenrijke afdeeling van de Bloemkevers i.e.z. (Cetonidae) en de soortenarme van de Kwastkevers (Trichiidae).
Meer dan 1/3 van de geheele groep bewoont Afrika, nauwelijks 1/25 Europa; in alle werelddeelen is zij vertegenwoordigd; de prachtigste vormen zijn echter bewoners van tropische gewesten.
Een prachtig Insect is de mannelijke Grootste Goliath (Goliathus giganteus, G. Druryi) uit Opper-Guinea. De scheef naar voren afhellende kop draagt naast de oogen twee stompe, naar boven gerichte lappen en loopt van voren uit in een breed, kort, hoornachtig, gaffelvormig uitsteeksel met afgeknotte spitsen. Fluweelachtig zwart is de hoofdkleur; de kop, het halsschild, met uitzondering van 6 langwerpige vlekken, het schildje, een groote, driehoekige vlek op de dekschilden, die door de naad middendoor wordt gedeeld, en de buitenrand der dekschilden zijn krijtwit. De lengte kan 98 mM. bedragen. Het iets kleinere wijfje heeft meer glans, geen uitsteeksel op den kop, maar 3 tanden aan den buitenrand der voorscheenen. In 1770 leerde men dezen Kever voor 't eerst in Europa kennen; de verzamelaars stellen zooveel prijs op zijn bezit, dat zij soms voor het paar meer dan 50 gulden betalen. Van dit uitsluitend in Afrika levend geslacht heeft men later nog 5 andere soorten ontdekt. Een daarvan is de Gaffelneus [Goliathus (Dicranorrhina) Smithii] van Port-Natal, die niet door grootte, maar wel door andere eigenaardigheden aan de vorige herinnert. Dit fraaie Insect is bronsgroen; de schenkels, de scheenen, het schildje en de achterrand van het halsschild zijn rood, de dekschilden bruingeel met zwarte randen, een onduidelijke vlek op de schijf van het halsschild en twee vlekken op ieder dekschild zwart; aan de onderzijde is het achterlijf rood, het borststuk bruin. Het mannetje heeft voor op den kop een gaffelvormigen hoorn, die bij het wijfje ontbreekt; bij haar zijn daarentegen de voorscheenen aan den buitenrand met drie scherpe tanden gewapend.
De Gouden Tor (Cetonia aurata) is een typische vertegenwoordiger van de geheele groep. Wie kent hem niet, den goudgroenen Kever, getooid met eenige geschubde dwarsgroeven op de achterste helft van de dekschilden, die bij warm, zonnig weer met luid gegons naar de bloeiende struiken en kruiden van tuinen, bosschen en weiden vliegt, waarbij de dekschilden gesloten blijven. Wanneer men hem aanvat, verweert hij zich door het uitwerpen van een vuilwit, vettig vocht van onaangenamen reuk uit den aars en tracht hierdoor waarschijnlijk zijn vrijheid te herkrijgen. Op oude eiken of andere boomen, die wonden hebben, waaruit sap vloeit, zitten de Gouden Torren dikwijls in troepen dicht bijeen en vallen op een afstand door hun aan goud herinnerenden glans in 't oog. Schadelijk zijn zij eigenlijk niet; wanneer zij echter in grooten getale voorkomen in een tuin, waar rozebottels gekweekt worden, is de verminderde opbrengst aan hen te wijten; bovendien verminken zij door het opvreten der bloemdeelen de rozen (vooral witte) van menigen anderen struik, die ter wille van de bloemen geplant werd.
De genoemde soort onderscheidt zich van hare naaste verwanten door een streep op de dekschilden aan weerszijden van den naad, waardoor deze den indruk maakt van een groeve; het bij alle leden van haar geslacht aan het middelste borstschild voorkomend uitsteeksel eindigt bij haar knopvormig. De larve leeft in rottend hout en werd dikwijls gevonden onder in de nesten van de Roode Boschmier (Formica rufa), waar zij zich voedde met de allengs verrottende stukjes hout, die de Mieren bijeenbrengen.
Behalve het gemis van de uitsnijding der dekschilden achter den schouder hebben de soorten, die zich om de Kwastkevers (Trichius) scharen, nog andere eigenaardigheden gemeen, die hun vorm aanmerkelijk wijzigen: het halsschild is meer kringvormig, dikwijls aan den achterrand lijstvormig gezwollen en schijnt smaller te zijn dan de dekschilden.
De Eremiet of Lederkever (Osmoderma eremita) verdient in de eerste plaats vermelding als de grootste Europeesche soort; zij vervangt in deze afdeeling als 't ware de Goliathkevers. Haar lengte bedraagt 26 à 33 mM. Bij ons is zij zeer zeldzaam; men vond haar in Gelderland in vermolmd hout. Zij is kenbaar aan haar glanzig zwartbruine kleur met paarsen weerschijn, de overlangsche groef op 't midden van het halsschild, de rimpelig gestippelde dekschilden en de lucht van juchtleer, die zij verbreidt en waaraan haar geslachtsnaam ontleend is. Daar de wilgen vaak rottende gedeelten vertoonen, leveren deze dikwijls een verblijfplaats aan den Lederkever. Men vindt hem eveneens in eiken, beuken, berken, linden en vruchtboomen, die ongezond, week hout bevatten; dit is het voedsel van de gedrongen gebouwde larve, die zich waarschijnlijk eerst na verscheidene jaren verpopt.
Een prettiger indruk dan de Eremiet maakt de Gestreepte Kwastkever (Trichius fasciatus). Evenals bij alle echte Trichiën, is het kopschild langer dan breed en van voren uitgesneden; het draagt, gelijk de kop en het halsschild, een ruig kleed van talrijke gele haren; die van de onderzijde en van de achterlijfsspits hebben een meer witte kleur; de beide aan den naad ineenloopende dwarsbanden op de dekschilden zijn geel. Bovendien verdienen de achterheupen vermelding, daar zij elkander aanraken. Deze soort, die in sommige jaren hier te lande, vooral op maandrozen, veelvuldig aangetroffen wordt, kruipt, evenals de Rozenkever, diep in de bloem, blijft hier bewegingloos zitten en vreet de binnenste bloemdeelen op. De larve leeft, evenals die van alle andere Trichiën, in rottend hout.
Een merkwaardige Bloemkever van Amboina is de Langarmige Kwastkever (Enchirus longimanus). Wanneer het mannetje, wiens lichaam 65 mM. lang is, de voorpooten uitstrekt, bedraagt de afstand van de spits van het achterlijf tot het einde van den voet niet minder dan 131 mM.
De reeks van de Ongelijkledige Kevers (Heteromera), kenbaar aan de 5-ledige voor- en middelvoeten en 4-ledige achtervoeten, vangt aan met de familie der Zwartlijven (Melasomata). Hoewel de 600 geslachten, waarover men de ruim 4500 bekende soorten van deze familie verdeeld heeft, een zeer verschillenden lichaamsvorm hebben, merkt men in andere opzichten tusschen hen (en meer nog tusschen hunne larven) een zoo groote overeenstemming op, dat alle gezamenlijk een goed afgerond geheel uitmaken. De kop is voor de helft verscholen onder het halsschild; de tamelijk korte sprieten zijn meestal uit 11 leden samengesteld en parelsnoer- of draadvormig. De heupen van ieder paar pooten zijn bijna altijd op zekeren afstand van elkander geplaatst; de kogelvormige voorheupen draaien in gesloten pannen; de voetklauwen zijn meestal enkelvoudig, slechts zelden gespleten. Aan het achterlijf onderscheidt men duidelijk 5 vrije ringen. Daar de meeste dezer "zwartrokken" de vleugels missen en zelfs hunne dekschilden dikwijls langs den naad vergroeid zijn, ontbreekt hun niet slechts de aandrift, maar over 't algemeen ook de geschiktheid om zich in de lucht te verheffen; zij mijden daarom het licht, vestigen zich bij voorkeur op een vochtigen bodem, onder steenen, achter rottende wortels en schorsschilfers, in vuile hoeken van huizen, enz. en nemen van hun vieze omgeving ook een onaangename lucht over; in alle opzichten zijn deze liefhebbers van de duisternis dus hoogst onbeminnelijk. Hoewel verreweg de meeste zich kenmerken door sombere kleuren en een lichtschuwe levenswijze, behooren tot deze familie ook eenige soorten, die met lichtere kleuren en met metaalglans prijken, van goed ontwikkelde vleugels gebruik maken en op boomstammen verblijf houden.
De weinige larven van Zwartlijven, die men kent, gelijken alle op den Meelworm; het langwerpige, wormvormige, van boven naar onderen eenigszins samengedrukte lichaam loopt uit in één spits of in 2 aanhangsels en is geheel met een glad, hard, meestal licht gekleurd pantser bedekt; het wordt gesteund door zes 5-ledige pooten; de kop draagt 4-ledige sprieten en aan iedere zijde 2 of 5 oogen.
In de eerste plaats bespreken wij een over geheel Europa verbreide, bij voorkeur kelders en dergelijke donkere hoeken van huizen bewonende duisterling, den Gewonen Rouwkever (Blaps mortisaga). Alle leden van zijn geslacht hebben een min of meer vierhoekig halsschild, een langwerpig eivormig achterlijf, dat door de vergroeide, ieder in een spits eindigende dekschilden geheel bedekt is, twee doornen aan 't einde der voorscheenen en weinig samengedrukte, kort bewimperde voeten, die steeds veel korter zijn dan de scheen. Bij de genoemde soort onderscheidt het mannetje zich van het wijfje door een bosje geel vilt in 't midden van den achterrand van den eersten buikring; de spitsen der dekschilden zijn bij beide even lang.
Tusschen muren van overoude bouwvallen in Yucatan vindt men een Kever (Zopherus Bremei), waaraan een geheimzinnige macht wordt toegeschreven. In zijn vaderland wordt hij beschouwd als een middel om booze geesten te verdrijven en, aan een kettinkje bevestigd, door vrouwen op de borst gedragen: men beweert, dat hij op deze wijze zonder voedsel twee jaar kan blijven leven. Taschenberg heeft zulk een talisman levend te Halle gezien. Het halsschild was donker, het linker dekschild rood, het rechter dekschild lichtgroen; zij hadden deze kleur niet van nature, maar waren met fluweelachtige lapjes zoo zorgvuldig beplakt, dat de kunstbewerking niet in 't oog viel; het lichaam was omgeven met een smal gouden plaatje, dienende tot bevestiging van een fijn gouden kettinkje.
De Vetkevers (Pimelia) komen vooral aan de zeekusten voor, waar zij zich onder steenen, in ledige slakkenhuizen, tusschen hoopen aangespoelde wieren verborgen houden en ruimschoots de rottende stoffen vinden, die hun tot voedsel dienen, 40 soorten van dit geslacht vindt men in Zuid-Europa, een nog grooter aantal in Noord-Afrika en Voor-Azië tezamen genomen.--Pimelia distincta uit Spanje kenmerkt zich door een glinsterend glad, aan de zijden met fijne knobbeltjes bezet halsschild en doffe, rimpelig gestippelde dekschilden, ieder voorzien van glanzige naadlijsten en van 4 glanzige, overlangsche ribben, die tusschenruimten van gelijke breedte overlaten.
Ten slotte moeten wij nog een soort gedenken, het eenige lid van de familie misschien, waarmede men te huis kennis kan maken zonder in meer dan één opzicht onaangenaam getroffen te worden. De Meeltor (Tenebrio molitor) wordt zoo genoemd, omdat haar larve, de "Meelworm", die een gezocht voedsel is voor Nachtegalen en andere insectenetende kamervogels, bij voorkeur op den vloer van meelbewaarplaatsen, enz. verblijf houdt. Deze Insecten nemen echter ook wel minder zindelijke woonplaatsen voor lief. Een vogelliefhebber, die voor zijne Zangvogels Meelwormen fokte in een ouden pot, waarin gewoonlijk oud brood, zemels en lompen werden geworpen, liet door hen kleine Zoogdieren en Vogels skeletteeren; zorgvuldig knaagden zij er alle aan rotting onderhevige bestanddeelen af. Meelwormen komen voorts niet zelden voor in duiventillen, in mest, in reten van vloeren; uit alles blijkt, dat zij niet kieschkeurig zijn, zoomin op hun spijs als op hun woonplaats, indien deze slechts droog en gene in overvloed voorhanden is. De Meelwormen zijn glanzig geel, 28 mM. lang en veranderen in Juli in teere, witte poppen. Na eenigen tijd komt de 15 mM. lange Kever uit de pophuid te voorschijn; zijn aanvankelijk gele kleur verandert langzamerhand in donkerbruin; de lichter gekleurde buik heeft een roodachtigen weerschijn. Dit Insect is tamelijk plat en met uitzondering van den kop bijna overal even breed; de drie hoofddeelen van den stam hangen los aaneen. Zijn geheele oppervlakte is dicht bedekt met fijne stippels; de dekschilden zijn fijn gevoord.
De soortenarme familie van de Waaierdragers (Rhipiphoridae) is merkwaardig door haar afwijkende ontwikkelingswijze; zij omvat slechts kleine, weinig in 't oogvallende kevertjes, welker vertikaal geplaatste kop als door een steel aan het halsschild bevestigd is en bij 't mannetje pluim- of kamvormige, bij 't wijfje meestal eenvoudig gezaagde sprieten draagt.
De Zonderlinge Waaierdrager (Metoecus paradoxus), een van de grootste leden der familie (7.6 à 10 mM. lang), is zwart; de zijden van het halsschild en de buik zijn geelrood, de dekschilden van het mannetje geheel of ten deele geel; de sprietleden dragen, te beginnen bij het vierde, ieder 2 lange, wimpelvormige aanhangsels, terwijl die van het wijfje ieder slechts één tand bezitten.
Deze Kever heeft het nest van de gewone Wesp, die in gaten van den grond huist, tot geboorteplaats. De larve gelijkt veel op die van de Spaansche Vlieg en is 5 mM. lang; de dop draagt 3-ledige sprieten en enkelvoudige oogen, elk der drie volgende segmenten één paar gelede pooten, welker drie voetleden bladvormig verbreed zijn en aan 't einde 2 of 3 klauwen bezetten benevens een hechtschijf, die in vorm overeenkomt met de eindlobben van een vliegensnuitje. Waarschijnlijk begeeft de Metoecus-larve zich uit eigen beweging naar een nog niet met een deksel gesloten broedcel van het wespennest en kruipt in het lichaam van de hier aanwezige larve door een aan de rugzijde gemaakte wonde. Nadat de parasiet zich eenigen tijd gevoed heeft met de sappen van zijn gastheer, zonder diens edele deelen te beschadigen, dringt hij nogmaals door de huid heen, maar nu van binnen naar buiten, vervelt en wordt een made; in deze gedaante zuigt hij zich aan de wespenlarve vast en vlijt zich tegen haar eenigszins uitgeholde buikvlakte aan. Zoodra nu de Metoecus-larve 6 mM. lang geworden is, vervelt zij nogmaals, zuigt vervolgens haar gastheer geheel uit en gaat in diens cel in den poptoestand over. Twee dagen nadat de Wespen de naburige cellen verlaten hebben, komt ook de jonge Kever voor den dag; voor de geheele gedaantewisseling zijn 12 à 14 dagen noodig geweest. In kleinen getale vindt men deze Kevers in het einde van Augustus of het begin van September op bloemen.
De nu volgende familie is die der Blaartrekkers (Vesicantia of Cantharidae), zoo genoemd, omdat de meeste soorten een eigenaardige stof (cantharidine) voortbrengen, die, op de huid gebracht, blaren veroorzaakt, daarom voor het maken van trekpleisters dient en bij enkele ziektegevallen inwendig als geneesmiddel wordt gebruikt. Behalve door de zooeven genoemde eigenschap, die echter niet bij alle leden der familie voorkomt, stemmen deze in de volgende opzichten overeen: de kop, die zich door een zeer bolle kruin onderscheidt, is loodrecht geplaatst ten opzichte van de lichaamsas, van achteren tot een hals versmald en geheel en al zichtbaar; op het voorhoofd of vóór de oogen draagt hij de 9 à 11-ledige sprieten. Het halsschild is aan den voorrand smaller dan aan den kop, aan den achterrand veel smaller dan de buigzame dekschilden. De 4 voorste pooten hebben 5, de achterste slechts 4 leden. De meeste van de ruim 800 soorten behooren in de warme gewesten thuis.
Van de Weeklijfkevers of Oliekevers (Meloë) kent men een zeventigtal soorten, waarvan slechts enkele Amerika, de overige het oostelijk halfrond, met uitzondering van Australië, bewonen. De bovenstaande afbeelding maakt een uitvoerige beschrijving overbodig. De dekschilden voegen zich niet volgens een rechte naad aaneen, maar de wortel van het eene is over dien van het andere gelegen, gelijk dit regel is bij de Rechtvleugeligen.
De Oliekevers vertoonen zich vroeg in 't jaar, kruipen in 't gras en op de wegen rond, zijn het talrijkst in de maand Mei en nemen daarna weer in aantal af, zoodat er tegen het einde van Juni waarschijnlijk geen enkele van over is. Hun voedsel bestaat uit laaggroeiende planten, o.a. boterbloemen en jonge grassen, die zij des morgens en tegen den avond gretig verslinden. Bij aanraking trekken zij de pooten en de sprieten op en laten door alle kniegewrichten druppels van een olieachtig, geel vocht ontwijken. Het wijfje legt in gaten, die zijzelf in den grond graaft, meer dan 1000 eieren. Na 28 à 42 dagen komen de larven uit, die men wegens hare 3 voetklauwen "Triangulinen" heeft genoemd, en zoeken bloemen op, die door Bijen druk bezocht worden, bij voorkeur boterbloemen, madeliefjes en dergelijke. In dichte zwarte hoopen kan men de Meloë-larven hier zien zitten. Zij zoeken er echter geen voedsel gelijk andere pas uit de eischaal ontsnapte larven; haar eenig doel is op den rug van het honingzoekende Insect te klauteren. Het kleine diertje zal, als het zich tusschen de haren van de Bij bevindt, deze geen kwaad doen, maar haar eenvoudig als middel van vervoer gebruiken. De Bij is, evenals ieder rechtschapen vrouwelijk Insect, uitsluitend bedacht op het instandhouden van haar soort, bouwt een cel, vult deze met zoeten proviand en legt hierop haar ei. Op dit oogenblik heeft de gewaande "Bijenluis" gewacht. Zij laat zich van haar weldoenster afglijden en gaat op het ei zitten, welks moeder na het sluiten van de cel al het noodige meent gedaan te hebben, om aan haar kroost een goede toekomst te verzekeren. Voor onze larve begint nu eigenlijk eerst het leven. Zij verslindt den inhoud van het ei, haar eerste voedsel, legt de vermomming af, die zij tot dusver droeg, gaat in den weekhuidigen toestand over en ziet er nu geheel anders uit dan vroeger. Nu is de honig voor haar een geschikt voedsel; zij groeit als kool en bereikt weldra de vereischte grootte. Het op een Engerling gelijkende diertje op de linkerzijde van onze afbeelding stelt een Meloë-larve in haar tweeden toestand voor.