Het Leven der Dieren: Deel 3.9, De Oerdieren

Part 2

Chapter 22,765 wordsPublic domain

"Na eenigen tijd van volstrekte rust worden uit de eenvoudige groote opening der schaal fijne vezels of draden, van een kleurlooze, doorzichtige, uiterst fijnkorrelige zelfstandigheid, vooruitgeschoven. De eerst te voorschijn komende zoeken tastend om zich heen, tot zij een vast lichaam, in dit geval de oppervlakte van het glas, gevonden hebben, waaraan zij zich in de lengte uitbreiden, terwijl uit het binnenste van de schaal nieuwe massa's te voorschijn komen. De eerste draden zijn zeer fijn; weldra ontstaan echter ook breedere, die, evenals de eerste, in lijnrechte richting snel in lengte toenemen, op hun weg zich dikwijls onder scherpe hoeken vertakkend, met naastbijzijnde samenvloeien, om hun weg gemeenschappelijk voort te zetten, tot zij langzamerhand, al fijner wordend, een lengte hebben bereikt, welke het lichaam van het dier zes- à achtmaal overtreft. Wanneer deze draden nu uit de groote massa voor de opening van de schaal allengs opgehoopte kleurlooze, fijnkorrelige, contractile substantie, zich naar alle richtingen hebben uitgebreid, houdt het groeien of langer worden der draden langzamerhand op. Daarentegen worden nu de vertakkingen talrijker; en vormen zich tusschen de dicht bij elkander liggende eene menigte bruggen of overgangen, die, onder voortdurende verandering van plaats, ten slotte één veranderlijke massa vormen. Waar in de peripherie van het sarcode-net, zooals wij dit fijne weefsel zullen noemen, meerdere vezels of draden elkander ontmoeten, daar vormt de steeds voortvloeiende zelfstandigheid zich tot breedere platen, waarvan weder naar alle richtingen nieuwe draden uitgaan. Bekijkt men deze draden nauwkeuriger, dan ontdekt men in en aan dezelve stroomende korreltjes, die, uit het binnenste der schaal vloeiend, langs de draden tamelijk snel naar de peripherie voortgaan, aan het einde der draden gekomen omkeeren en weder teruggaan. Daar echter voortdurend nieuwe korreltjes uit het lichaam stroomen, vertoont iedere draad een uitgaande en een terugkeerende stroom. In de breede draden, welke talrijke korreltjes bevatten, kan men deze beide stroomingen steeds gelijktijdig waarnemen; in de fijnere, die dikwijls minder dik zijn dan de doorsnede van zoo'n korreltje, is dit niet zoo goed te zien. Komt zoo'n korreltje op zijn weg op een punt, waar de draden bij elkaar komen, dan blijft het een poosje stil staan vóór het den eenen of anderen weg inslaat. Bij de brugvormige verbindingen der draden gaan ook de korreltjes daar over heen.

Deze draden bestaan uit een uiterst fijnkorrelige grondstof; een onderscheid van huid en grondstof is er niet aan te bemerken.

Ontmoeten de draden op hun weg ergens een of ander voorwerp dat eetbaar is, een Bacilaire (eencellige kiezel-alge), een kortere Oszillatoridraad, dan omstrengelen zij dit voorwerp, terwijl zij zich met andere dichtbijzijnde draden vereenigen, en hullen het geheel in. Dan houdt de toestrooming der korreltjes langs die draden geheel op; de draden krommen en verkorten zich, vormen hierbij een hoe langer hoe dichter net om het voorwerp, of dijen uit tot breede platen, tot deze massa, die de buit medevoert, de opening der schaal is genaderd, waarin het schielijk verdwijnt. Geheel dezelfde verschijnselen doen zich voor als de draden zich om een andere reden terugtrekken. De steeds doorgaande strooming der korreltjes houdt dan op, de draden krommen zich, laten het glas, waaraan zij zich hebben vastgehouden, los, vloeien in elkander en komen eindelijk als een vormlooze massa bij de opening der schaal aan, waarin zij langzaam verdwijnen."

Wij zien hieruit dat een en dezelfde substantie voor de beweging, de voeding en de waarneming dient. De door vreemde lichaampjes aangeraakte voorste draden trekken zich samen, zij vormen dus voeldraden. In het binnenste der schaal van onze Gromia is slechts een contractile massa aanwezig. Daarin treden veranderlijke blaasvormige ruimten op en regelmatig vindt men in het achtergedeelte der schaal eenige kogelachtige kernen, die waarschijnlijk betrekking zullen hebben op de vermenigvuldiging.

EERSTE ORDE.

DE STRAALDIEREN OF LOBVOETEN (Radiolaria).

Geen enkele groep der Rhizopoden, ja geen enkele groep dieren, met uitzondering van de Insecten, is rijker aan fraaie vormen en verschillende gedaante dan de Straaldiertjes (Radiolaria), die, naar hun bouw geoordeeld, de hoogst geplaatste oerdieren moesten worden genoemd.

Hun lichaam bestaat uit twee hoofddeelen: het centraalkapsel en de buitenstof. Het eerste is de kern van het ééncellige dier en veel kleiner dan de buitenstof. Zij is besloten in een fijne huid, die meestal reeds zeer vroeg ontwikkeld wordt en die zij steeds behoudt. In het centrale kapsel bevindt zich nog een tweede, met een dunneren wand omgeven kern, de binnenblaas, het kernlichaam der cel, hetwelk echter ook door meerdere vaste kernen vertegenwoordigd kan worden. Verder omhult het centrale kapsel, behalve Protoplasma, ook nog holle ruimten, cellen (vakuolen) met een als water zoo doorschijnende vloeistof: oliedroppeltjes, pigmentlichaampjes, op kristal gelijkende, maar organische stof gevuld, en echte kristallen.

De kapselhuid is voorzien van talrijke, zeer fijne poriën, of van meerdere (meestal drie) of één groote opening. Door deze openingen heeft de inhoud van het centrale kapsel verbinding met de omringende buitenmassa. Maar ook deze is verre van eenvoudig gevormd en vertoont een driedubbele laag. Van de buitenste laag ontspringen de lange, zachte pseudopodiën, die dikwijls met elkander ineensmelten.

Er zijn eenzaam levende Straaldiertjes en zulke, welke koloniën vormen, die meerdere centraalkapsels bezitten.

Straaldiertjes zonder skelet zijn een groote zeldzaamheid. Het skelet is nagenoeg altijd kiezelig, slechts in zeer enkele gevallen bestaat het uit een organische stof, de Akanthin (stekel- of naaldstof). Nu eens zijn het enkele losse naaldvormingen, dan weder voegen zij zich te samen tot zeer sierlijk gevormde kogels van vlechtwerk, welke met regelmatig geplaatste stekels bezet zijn. Somtijds zijn meerdere zulke kogels concentrisch in elkander besloten en door kiezelbruggen met elkander verbonden. Een andermaal weder zien wij, hoe in het centrum van het wezen lange, straalsgewijs loopende stralen, altijd ten getale van 20, bijeenkomen, de huid van het centrale kapsel en het geheele buiten-protoplasma doorboren en zich daarbuiten door een meer of minder regelmatig kiezelvlechtwerk verbinden; of wel deze vormen nemen allerlei fantastische gedaanten aan, zooals helmen, korfjes, lantaarns, bloemen, zandloopers, of ontwikkelen zich tot doorgebroken vier- of driearmige kruisen, schijven, schalen, sporen en tot honderderlei andere vormen, welke met niets te vergelijken en buitengewoon belangwekkend zijn. Maar al deze vormen zijn elegant, ja van verrukkelijke schoonheid.

Onze plaat kan van dezen vormenrijkdom der Radiolariën slechts een flauwe voorstelling geven. Hoe sierlijk is het vlechtwerk van Rhizosphaera leptomita (fig. 1); Sphaerozoum Ovidimare (fig. 2) heeft slechts een weinig ontwikkeld skelet, doch is door den eigenaardigen vorm als kogelnest merkwaardig. Actinomma drymodes (fig. 3) met zijne drie in elkander gevatte holle kogels herinnert aan Chineesch beenen snijwerk. Als model voor een doekspeld kunnen Lithomespilus flammabundus (fig. 4) en Ommatocampe nereides (fig. 5) dienen. Carpocanium diadema (fig. 6), Clathrocyclas Ionis (fig. 9) en Dyctyophimus Tripus (fig. 10) herinneren aan sierlijke klokken en korfjes. Een echten diepzee-vorm vertoont Challengeron Willemoesii (fig. 7) en Heliosphaera inermis (fig. 8) blinkt vooral uit door haar buitengewoon sierlijk, regelmatig gevormd vlechtwerk-skelet.

De Straaldiertjes bewonen uitsluitend de zee. Zij zijn zeer rijk aan soorten en Haeckel heeft 4318 soorten er van beschreven, die zich in 739 geslachten splitsen.

De kiezelskeletten der Straaldiertjes ontbreken bijna in geen enkelen zeebodem geheel, maar in de diepe zeeën vindt men ze het talrijkst. Zoo bestaan de lagen van den bodem van den Stillen Oceaan, tusschen 3000 en 8000 M., uit 80 procent, ja, op sommige plaatsen geheel, uit de schalen van uitgestorven Radiolariën en deze laag heeft hiernaar den naam van Radiolariënmergel gekregen.

In het zoete water leeft eene kleine groep verwante wezens, welke men tot de orde der Zonnediertjes (Heliozoa) heeft gebracht. Zij worden ook wel Zoetwaterstraaldiertjes genoemd.

TWEEDE ORDE.

DE KAMERLINGEN OF GAATJESDRAGERS (Foraminifera).

Aan de reeds beschreven Gromia's als éénkamerige, d. w. z. met een eenvoudige woning voorziene Wortelpootige Monothalamia, sluiten zich de zeer talrijke veelkamerige, de Polythalamia, aan. Hunne woning, meestal uit kalk, maar bij eenige geslachten ook uit kiezel bestaande, is samengesteld uit talrijke kamers, welke meestal ook van buiten kenbaar zijn. Bij eenige familiën liggen deze kamers in een rechte lijn achter elkander; bij andere vormen zij een onregelmatige samenhooping; bij de meeste gelijken zij sierlijke slakkenhuisjes. Zoo zien wij b.v. de fossiele Guttulina communis met slechts weinige zich vergrootende kamers één winding vormen. Eene opening voor het naar buiten treden der verlenging is slechts aan de laatste kamer zichtbaar. Van binnen zijn de kamers door gelijke openingen onderling verbonden.

Zeer sierlijke vormen vertoonen die, waar de kamertjes in een zich als een schroef windende spiraallijn ontstaan, op de wijze der Nautiliten en Ammoniten, zooals b.v. de evenzeer fossiele Dendritina vertoont. Ook deze familie behoort tot de afdeeling met een opening in de laatste kamer. Talrijk echter zijn de soorten bij wie alle kamers door fijne gaatjes doorboord zijn, uit welke de veranderlijke lichaamsverlengsels doorgaan en naar welke eigenschap de geheele afdeeling den naam Foraminiferen (van foramen, opening, gat) heeft ontvangen.

Het protoplasma vult alle kamers en verlengsels en fijne draden (stolonen) strekken zich van kamer tot kamer uit. In grootte wisselen deze wezens van 1/10 mM. doorsnede tot die van een gulden. Deze grootere vormen behooren echter allen tot voorwereldlijke familiën, de Nummiliten. Toch zijn er ook nu nog soorten van 30 mM. doorsnede.

Hoewel van deze Polythalamiën omstreeks 2000 soorten zijn beschreven, fossiele en nog levende, zal men dit getal tot een veel lager moeten terugbrengen, omdat het reeds gebleken is dat vele der vermeende zelfstandige soorten en schalenvormen zich in orden laten rangschikken met geleidelijke overgangen. Hierbij komt nog, dat vele soorten, in het bizonder die met vele kamers, op verschillende leeftijden een ander voorkomen hebben.

De verbazingwekkende menigte Rhizopodenschelpen in het zeezand van sommige kusten, heeft reeds vele bewonderaars gevonden. In een centigram fijn zand telde men 500 Rhizopodenschelpen, dat is in een ons 5 000 000.

De thans levende Rhizopoden der zee schijnen zich het liefst op te houden op zulke plaatsen, waar hun door eene rijkelijke vegetatie bescherming wordt geboden voor den golfslag en waar hunne zachte, teedere bewegingsorganen overal gelegenheid tot aanhechting vinden. Hier vinden zij te gelijk in de Diatomeën en Infusoriën, welke zich tusschen die planten ophouden, rijkelijk voedsel. De lievelingsplaatsen, waar vele Polythalamiën zich ophouden, zijn sponsen van alle soort, waar zij in nog meerdere mate bescherming en voedsel vinden.

Ehrenberg heeft reeds tientallen jaren geleden, vele honderden slibmonsters onderzocht, welke uit alle zeeën verzameld waren, onder anderen op eene diepte van 3000-4000 M. Bijna geregeld vormden schelpen van Polythalamiën een groot percentage daaraan, wat, als men het menigvuldig voorkomen daarvan aan moerassige oevers in aanmerking neemt, geen verwondering kan baren.

De nieuwere zorgvuldige onderzoekingen omtrent de diepte en gesteldheid van den zeebodem, hebben het groote aandeel aangetoond dat de Polythalamiënschelpen aan de vorming van dien bodem, van de Arctische tot aan de Antarctische Zonen hebben gehad. Onder andere geslachten, welke een geringer procentental leveren, komen vooral Globigerina en Orbulina in aanmerking, de eerste uit ballen of kogels van steeds toenemende grootte samengesteld, de andere een enkelen regelmatig gevormden kogel vertoonend. De overblijfselen van hunne schelpen komen over duizenden vierkante mijlen oppervlakte van den zeebodem voor en in zulk een massa, dat zij een karakteristiek hoofdbestanddeel van den bodem vormen, zoodat men spreekt van Globigerinengrond en Globigerinenslijk.

Sleept men het net langs den zeebodem, vooral waar men het eenige vademen, zelfs tot op 100 vademen, moet laten zinken, dan vangt men eene ongehoorde menigte van zulke levende Foraminiferen, welke het Globigerinenslijk vormen. De Globigerinen zelf zijn in vele zeeën zeer talrijk, en hun karakteristiek voorkomen is geheel verschillend van de op den bodem liggende schelpen, zoodat er niet den minsten twijfel kan bestaan, dat deze Foraminiferen in de nabijheid van de oppervlakte leven en dat de geheele schelpenmassa, waaruit de bodem bestaat, van boven komt.

Wat de Engelsche natuuronderzoekers hebben medegedeeld omtrent het aandeel, dat de Foraminiferen aan de vorming der aardlagen hebben gehad, is eigenlijk niets anders dan eene bevestiging en uitbreiding van de ontdekkingen van Ehrenberg. Hij erkende reeds de groote overeenkomst van vele thans levende Foraminiferen met die, welke de reusachtige krijtlagen hebben gevormd, en sprak van "levende krijtdiertjes". Maar niet alleen van het silurische tijdperk tot aan de krijtformatie hebben zij zich bezig gehouden met hun reuzenarbeid aan de vorming onzer aarde, even groot of nog grooter schijnt hun aantal te zijn in het onderste tertiaire gesteente, zoodat men in het Bekken van Parijs de Miliolitenkalk, in West-Frankrijk de Alocolinenkalk en ten slotte in eene lange en breede, langs beide zijden van de Middellandsche Zee tot in den Himalaya uitgestrekte Zone, de Nummulitenkalk genoemd heeft naar de geslachten van Rhizopoden, uit welker overblijfselen zij grootendeels en somtijds alleen bestaan.

DERDE ORDE.

DE AMOEBEN (Lobosa).

De reeds sinds het midden van de 18e eeuw bekende Amoeben zijn deels met een schaal voorzien, deels naakt.

Wie geen gelegenheid heeft het wonderbare spel van het Pseudopiën-net te zien, vindt misschien gemakkelijker een met het microscoop bekenden vriend, die hem een verwant wezen uit het zoete water kan laten zien, n.l. het Kapseldiertje (Arcella). In volmaakten toestand is het omgeven door een bruine, ondoorzichtige schaal met gewelfde rugzijde en een ingedrukte buikzijde met een kringvormigen mond in het midden daarvan. Het diertje gelijkt volmaakt op een sierlijk doosje. Uit den mond komt een gedeelte van de weeke lichaamszelfstandigheid in korte veranderlijke verlengsels. In het weeke lichaam der Arcellen zijn verscheidene kernen, elk met haar kernlichaampje, bevat. Jonge exemplaren zijn doorzichtig, zoodat men de bewegelijke protoplasmalichaampjes goed kan waarnemen.

Bij andere vormen, zooals b.v. bij de Euglypha alocolata, is de schaal zakvormig; haar vrije rand schijnt gezakt en hare oppervlakte is samengesteld uit regelmatige, zeer kleine, zeshoekige schubjes. De protoplasma-verlengsels zijn tamelijk lang, zacht en meestal aan het einde vertakt.

Van de Arcellen tot de naakte Amoeben is slechts een schrede. Doorzoekt men met een sterk vergrootglas slib uit stroomend water of den inhoud van afgietsels van allerlei soort, dan wordt het oog weldra geboeid door kleine, levende, slijmachtige klompjes, die volmaakt op de weeke lichaampjes van de arcellen gelijken en ook, evenals die, een kern bezitten.

Het Amoebenlichaam bestaat uit een buitenste doorschijnende, iets vastere laag (schors, estosarc) en een daarbinnen bevatte korrelige, half vloeibare sarcodemassa (merg, endosarc). In deze laatste bevinden zich talrijke, kleine lichaampjes, deels tot het lichaam behoorende, deels van het voedsel afkomstig. De eerste zijn kleine korreltjes, kleine vetbolletjes en uiterst kleine kristalletjes. Voorts is er een ronde of eironde kern (nucleus) in bevat, die door een duidelijk vlies begrensd is. In den jongen toestand bevindt zich in die kern een enkel kernlichaampje; later splitst zich haar inhoud in een aantal kleine bolletjes, die zich in het inwendige van het lichaam verspreiden. Deze bolletjes zijn de kiemen of kiemkorrels (sarcoblasten). De zoogenaamde kern is derhalve eigenlijk een voortplantingsorgaan.

De Amoeben hebben betrekkelijk een niet onaanzienlijke grootte, zooals b.v. Pelomyxa villosa, die een doorsnede van 2 mM. en meer bereikt. Zij zijn cosmopolitisch verbreid en misschien zijn het wel dezelfde soorten. In Duitschland en in Noord-Amerika komen ten minste dezelfde soorten voor. De meeste soorten bewonen het zoete water, doch ook de zeeën, ja, er zijn zelfs soorten, die op het land voorkomen en nog wel op geheel droge plaatsen: onder mos en dergelijke planten, welke aan rotsen, muren, boomen en op daken groeien, derhalve op plaatsen waar het water geheel ontbreekt en die het meest zijn blootgesteld aan uitdrogen door de zon.

De echte Wortelpootigen, waarvan hiervoor gesproken is, worden reeds door verschillende natuuronderzoekers van naam, evenals dit vroeger met de Sponsen het geval was, niet meer tot de dieren gerekend. De bewegelijkheid der sarcode achten zij niet voldoende om deze wezens een, zij het ook nog zoo onbeteekenende, ziel toe te kennen, door wier bezit de Rhizopoden zich boven de mechanische gevoeligheid der Mimosen zouden verheffen. Ware het ons vergund de levens- en ontwikkelingsgeschiedenis der Slijmzwammen (Myxomycetes) te bespreken, aan welker plantachtige natuur tot heden niemand twijfelt, dan zouden wij daarbij protoplasma-toestanden ontmoeten, in welke zich alle beschreven verschijnselen van de veranderlijke verlengsels der wortelpootige dieren herhalen.

Reeds bij den laatsten grondvorm van bewerktuigde (organische) wezens, de protozoën, vinden wij onder de Infusoriën op den laagsten trap staan Monas (Protomonas), een wezentje waarbij nòch kern nòch contractile blaas voorhanden is. Het lichaampje is geheel homogeen en breidt zich, tot rust gekomen, als eene kleine Amoebe of Actrinophrys uit, die met andere, op dergelijke wijze gevormde, Amoebenachtige wezens tot een plasmodium samenvloeit, waarom vervolgens een kyste (uitwendig hulsel) ontstaat.

Zulke vormen stellen een verband daar tusschen de Flagellaten en de Rhizopoden, maar ook met de Myxomyceten of Slijmzwammen, die zonder twijfel tot het plantenrijk behooren.

En hiermede zijn wij genaderd tot de grenzen tusschen het dieren- en het plantenrijk. Verder te gaan veroorlooft het bestek van dit werk niet.

AANTEEKENING

[1] Tradescantia zebrina, de bekende hangplant met overlangs gestreepte bladeren. Bew.