Het Leven der Dieren: Deel 2, Hoofdstuk 10: De Stootvogels
Part 31
De door snavelvorm en bonte kleur zeer opmerkelijke Slobeend, in Groningen Lepelbek, in Friesland Slob, in Limburg Slobbereend genoemd (Spatula clypeata), vertegenwoordigt het geslacht der Lepelbekeenden (Spatula). Dit is kenbaar aan den snavel, die in lengte den kop overtreft, en van den wortel tot aan de spits sterk in breedte toeneemt, zoodat hij hier dubbel zoo breed is als daar; de mondspleet is langer dan de loop; de zeefplaatjes in het voorste derde deel van den bovensnavel zijn aan den rand tot lange, fijne, loodrecht naar onderen gerichte puntjes uitgegroeid. De kop en de bovenhals hebben een donkergroenen metaalglans; het onderste deel van den achterhals, de bovenrug en de korte schouderveeren zijn zwart met lichtgrijzen zoom, de lange, spitse, achterste schouderveeren wit met zwarte schaftstreep, de onderhals en de krop wit, de bovenste vleugeldekveeren eveneens wit, de overige lichtblauw; de metaalglanzig groene spiegel is van voren door een breede, witte streep begrensd; de onderrug en de staartwortel zijn zwartachtig groen, de borst en de buik kastanjebruin, de onderdekveeren van den staart zwart, de handpennen bruingrijs, de middelste stuurpennen bruin met witte kanten; het wit neemt toe op de verder buitenwaarts gelegen stuurpennen. Het oog is goudgeel, de snavel zwart, de voet roodachtig geel. Lengte 50 cM.
De gematigde aardgordel is het vaderland van de Slobeend; in het hooge noorden komt zij zeldzamer voor. In Europa vindt men haar van Zuid-Noorwegen af overal; in Amerika bewoont zij alle Vereenigde Staten tot aan Canada. Van hier trekt zij gedurende den winter tot naar Mexico, van Europa tot in Noord- en Middel-Afrika, van Middel-Azië tot Zuid-China, Indië en Australië. In Nederland ontmoet men haar van Maart tot October; zij broedt in het riet en aan begroeide waterkanten, zoowel in de zandstreken als op de klei, waar zij zich in polder- en molensloten ophoudt. Een klein getal blijft aan de kust den winter over. Ook in Oost-Pruisen, Polen en Denemarken is deze soort zeer gemeen, in Middel-Duitschland hier en daar woonachtig, in Zuid-Europa gedurende den winter zeer talrijk.
Hoewel het bekend is, dat de Slobeend zich met allerlei kleine ongewervelde dieren, met Insecten en hunne larven, met eieren van Visschen en Amphibiën, met jonge vischjes, zoetwaterslakken enz. voedt en ook malsche, plantaardige stoffen niet versmaadt, kunnen gevangen exemplaren moeielijker in 't leven gehouden worden dan alle overige Eenden; zij verkwijnen en sterven dikwijls bij de overvloedigste voeding, zonder dat men tot dusver heeft kunnen vinden, welke voedingsstof haar door het verblijf in de gevangenschap onthouden wordt.
De prijs der schoonheid komt toe aan de Carolina-eend (Lampronessa sponsa), een over geheel Noord-Amerika verbreide en daar menigvuldig voorkomende Vogel, die tegenwoordig op onze eendenvijvers voor goed geacclimatiseerd is. Zij vertegenwoordigt het geslacht der Pronkeenden (Lampronessa), kenbaar aan den snavel, die korter is dan de kop, naar voren slechts weinig smaller wordt en voorzien is met een sterk gekromden nagel, die de geheele breedte van de spits inneemt; de voeten zijn kort en krachtig, de vleugels middelmatig lang, smal en spits; de staart is lang, dik, breed, sterk afgerond en uit 16 pennen samengesteld. Het vederenkleed is prachtig, dicht, glanzig, aan den achterkop tot een lange, naar achteren overhangende kuif verlengd; aan den wortel van den bovensnavel en bij het oog komt een naakte streek voor.
De bovenkop en de wangstreek tusschen oog en snavel zijn glanzig donkergroen, de zijden van den kop en een groote vlek aan de zijde van den hals purpergroen met blauwachtigen weerschijn; de goudgroene kuifveeren zijn fraai geteekend met twee smalle, witte strepen: de eene ligt boven het oog, de andere begint bij het oog en is naar achteren gericht. De zijden van bovenhals en bovenborst zijn op fraai kastanjebruinen grond als 't ware met fijne, witte droppels bespat; de groenachtig purperblauwe schouderveeren, handpennen en stuurpennen hebben een fluweelachtig zwarten weerschijn; de veeren tusschen de schouders, het achterste deel van den rug en de bovendekveeren van den staart zijn zwartachtig groen, eenige van de zijdelings verlengde, smalle dekveeren van den staart roodachtig oranje, de onderdekveeren van den staart bruin. De kin en de keel, een band om den bovenhals, het midden van de borst en de buik zijn wit, de flanken op geelachtig grauwen grond met fijne, sierlijke, zwarte golflijnen geteekend, eenige langere veeren echter zwart, met breeden, witten zoom. Het oog is hoogrood, de snavel witachtig, in het midden geelachtig, aan den wortel donker bruinachtig rood, aan de spits zwart, de voet roodachtig geel. Lengte 45 cM.
Men vindt de Carolina-eend in de Vereenigde Staten overal, van Nieuw-Schotland tot aan de zuidkust; zij bezoekt op den trek geregeld Middel-Amerika en West-Indië.
Fraai is haar gestalte, prachtig haar kleed, niet minder lieftallig haar aard. Zij bezit alle eigenschappen, die ons in een Zwemvogel kunnen behagen. Aan het leven in de gevangenschap geraakt zij spoediger gewoon dan eenige andere Eend. Zelfs oud gevangen exemplaren schikken zich spoedig in de veranderde omstandigheden, beschouwen hun oppasser als een welwillend verzorger en luisteren reeds naar zijn stem, kort nadat zij hun vrijheid verloren. Eerder dan alle andere Eenden kan men haar vrije beweging veroorloven. Bovendien plant zij zich geregeld in de gevangenschap voort, wanneer haar slechts een geschikte gelegenheid om te broeden wordt verschaft.
In de vrije natuur voedt de Carolina-eend zich met graanvruchten en zaden, met malsche topspruitjes van verscheidene waterplanten en graansoorten, met Wormen, Slakken en Insecten, ook wel met kleine Amphibiën en andere Gewervelde Dieren; in gevangen staat is zij tevreden met zaad en visch, maar raakt langzamerhand gewoon aan alle spijzen, die de mensch gebruikt.
In de meeste gevallen is de Keizerspecht de bouwmeester van de woning, die alle wenschen van deze Eend bevredigt; soms moet zij zich met een verlaten hol van een Voseekhoorn, bij uitzondering zelfs met een rotsspleet behelpen. Het wijfje glipt met verwonderingwekkend gemak door de ingangsopeningen van verschillende holen, hoewel deze voor haar veel te klein schijnen. Meesterlijk verstaat zij de kunst om een holte tot nest in te richten. Dit wordt dan vele jaren achtereen door het paar gebruikt.
Van September tot in het begin van den winter is het vleesch van deze Eenden voortreffelijk van smaak; zij worden in dien tijd overal vervolgd en bij duizenden op de markt gebracht. Boven al hare uitheemsche verwanten munten zij uit door schoonheid; daar bovendien haar voortplanting geen bezwaren oplevert, geeft men te recht in eendefokkerijen aan haar de voorkeur.
De Duikeenden of Zeeëenden (Fuligulinae) kenmerken zich o.a. door korte pooten, die grootendeels onder de huid van den romp verborgen en dus ver naar achteren geplaatst zijn. Hierdoor staan zij met een opgerichte houding en hebben een gebrekkigen gang, maar kunnen des te beter zwemmen en duiken. De scheen is tot op het hielgewricht bevederd, de loop korter dan de middelste voorteen en sterk zijdelings samengedrukt; de lange voorteenen zijn door groote zwemvliezen vereenigd; de achterteen is met een zwemvliesje voorzien, daar zijn van weerszijden samengedrukte zool, zich tot een vrij naar beneden hangenden huidzoom heeft uitgebreid. De romp is kort, breed en plomp, meer ineengedrongen dan bij de Zwemeenden, de hals kort en dik, de kop groot, de snavel middelmatig lang, gewoonlijk breed, met korte zeefplaatjes voorzien, aan den wortel dikwijls gezwollen; de vleugels zijn kort en bol; de staart is middelmatig lang of kort, maar breed. Het vliegen vermoeit haar meer dan de andere Zeefsnaveligen, hoewel zij na eens een zekere hoogte te hebben bereikt, zich met snelle vleugelslagen tamelijk vlug voortbewegen.
In verband met haar vaardigheid in 't duiken houden deze Eenden meer van open en diep water dan van een ondiepen of met planten begroeiden plas. De meeste bewonen de zee, doch zoeken in den voortplantingstijd het zoetwater op; andere brengen hier nagenoeg haar geheele leven door. Een enkele, bovenwaartsche stoot van de roeiwerktuigen en het gelijktijdig uitbreiden van den staart naar beneden is voldoende om haar met den kop vooruit naar onderen te doen schieten. Zij kunnen niet, gelijk de Duikers, een door haar waargenomen buit onder water vervolgen, maar duiken min of meer loodrecht naar den bodem en komen na een afwezigheid van eenige minuten bijna precies op de plaats vanwaar zij verdwenen, weer boven. Zij zoeken haar voedsel op den bodem van 't water en kunnen een niet onbelangrijke diepte bereiken, deze bedraagt voor de in zee levende soorten, naar uit den aard van haar voedsel blijkt, soms ongeveer 100 M. Slechts weinige Duikeenden gebruiken bij voorkeur plantaardige spijzen, de meeste voeden zich met Tweekleppige Schelpdieren en andere Weekdieren, met Wormen, Schaaldieren, Visschen enz., gedurende hun verblijf in 't zoetwater ook met Insecten. Het van den bodem opgezochte voedsel wordt onmiddellijk, reeds gedurende het duiken, verzwolgen. Zij kwaken niet gelijk de Zwemeenden, maar brengen ratelende of langgerekte geluiden voort. Wat hare zintuigen en geestvermogens betreft, schijnen zij ongeveer op gelijke hoogte te staan met hare verwanten.
Meer dan de overige Zeefsnaveligen nestelen zij gezellig en vormen soms echte volkplantingen. Niet zelden leggen twee wijfjes, die soms zelfs tot verschillende soorten behooren, hare eieren in 't zelfde nest, broeden gemeenschappelijk en houden zich gezamenlijk bezig met het opvoeden en verzorgen der jongen zonder tusschen het eigen kroost en de vreemde kinderen onderscheid te maken. Vele stelen elkander de eieren af en rollen ze naar hare eigene nesten of lokken de jongen, die pas uit den dop komen, tot zich om ze te verzorgen. De eieren gelijken veel op die van de Zwemeenden, maar zijn meer afgerond en hebben een steviger schaal.
Verscheidene Duikeenden leveren door het dons, waarmede zij haar nest voeren, een belangrijk product; ook zijn sommige als wild zeer gezocht; van de meeste heeft het vleesch (ten gevolge van de eigenaardige voedingswijze) een onaangenamen, tranigen of sterken smaak, waardoor het, voor gastronomen althans, oneetbaar wordt.
De eereplaats onder de Duikeenden komt toe aan de Eidereenden (Somateria). Behalve door haar aanzienlijke grootte onderscheiden zij zich door haar zijdelings samengedrukten, in lengte den kop evenarenden, levendig gekleurden snavel, die bij enkele soorten aan den wortel knobbelvormig gezwollen is en steeds van hier tot aan de spits onmerkbaar in breedte en hoogte afneemt. De snavelrug verdeelt zich van achteren in twee takken, die ver tusschen de veeren van het voorhoofd doordringen; op de zijden van den bovensnavel reikt de bevederde huid tot onder de eenigszins naar voren verschoven neusgaten. De groote, onduidelijk begrensde nagel beslaat de geheele breedte van de bovensnavelspits.
De Eidereend (Somateria mollissima) heeft den bovenkop, den hals, den rug en de bovendekveeren van den vleugel wit, de bovenborst wit met roodachtige tint, het voorhoofd en de slaapstreek, den onderrug en den buik zwart, de wangen zeegroen; de slagpennen en stuurpennen zijn bruinachtig zwart, de veeren, die den spiegel vormen, donker fluweelachtig zwart. Het oog is roodachtig bruin, de snavel groenachtig geel, de voet olijfgroen. De lengte bedraagt 63 cM. Het wijfje is kleiner, haar roestkleurig kleed is aan den kop en den hals met bruine, overlangsche vlekken, overigens met zwarte, halvemaanvormige dwarsvlekken geteekend; haar spiegel is bruin met witten rand; de onderdeelen zijn donkerbruin met zwarte golflijnen.
Het verbreidingsgebied van de Eidereend is grooter dan dat van alle overige soorten. Zij bewoont het noorden van de geheele aarde, van de Jutlandsche eilanden tot Spitsbergen en van Europa's westkust langs alle noordelijke kusten tot Groenland en IJsland. Het zijn voornamelijk jonge exemplaren, die ons in sommige jaren 's winters komen bezoeken; steeds is hun aantal gering. Soms dwalen zij ook naar de binnenlanden van Duitschland en zelfs naar de Zwitsersche meren af. De zuidelijkste broedplaatsen zijn die van het eiland Sylt en van de kleine Deensche eilanden, die op gelijke breedte liggen; hoe verder men van hier noordwaarts gaat, des te talrijker schijnen deze Vogels te worden. Reeds in Middel-Noorwegen vindt men hen bij duizenden, gehoed en verzorgd door de kustbewoners, beschermd door speciale wetten, die ongelukkig niet overal worden nageleefd: IJsland en Groenland bewonen zij eveneens in grooten getale. In de zuidelijkste gewesten en landen van haar verbreidingsgebied blijven zij 's zomers en 's winters, daar de Golfstroom hun in de Noordzee bijna overal open water verschaft. Zelfs in de Oostzee blijven gewoonlijk open plekken, waarheen zij 's winters de wijk kunnen nemen; bij zeer strenge vorst moeten zij van hier vertrekken en begeven zich dan naar de Noordzee of zelfs naar den Atlantischen Oceaan. Van Groenland trekken de Eidereenden in de maanden September en October geregeld zuidwaarts, vereenigen zich in verbazend grooten getale op plaatsen, waar het voedsel overvloedig is en bedekken de zee in den letterlijken zin van 't woord over een uitgestrektheid van eenige vierkante kilometers. In April beginnen zij naar het noorden terug te keeren en zijn in den regel ook dan tot groote zwermen vereenigd.
De Eidereend is een echte zeevogel. Op het land beweegt zij zich hoogst moeielijk; haar gang is een gebrekkig hompelen, waarbij zij dikwijls struikelt en valt. Door het vliegen wordt zij steeds vermoeid; aanhoudend moeten de betrekkelijk kleine vleugels snel bewogen worden; meestal begeeft zij zich niet op groote hoogte, maar vliegt op korten afstand van den waterspiegel. Het water is haar element. Haar romp is bij 't zwemmen minder diep ingedompeld dan die van andere Duikeenden; zij zwemt sneller dan iedere andere bekende soort en bereikt bij het duiken grootere diepten. Holböll verzekert, dat zij haar voedsel soms op een diepte van 50 M. zoekt en wel 6 minuten onder water kan blijven.
Alle Eidereenden broeden eerst tamelijk laat in 't jaar, niet vóór 't laatst van Mei, gewoonlijk eerst in Juni of Juli. Met dit doel verzamelen zij zich om kleinere eilanden, waar zij gemakkelijk aan land kunnen komen. De paren scheiden zich van den grooten hoop af; het mannetje en het wijfje waggelen het land op om een geschikte nestplaats te zoeken en letten hierbij voornamelijk op een beschutte ligging. Daarom geven zij de voorkeur aan eilanden, die voor een deel met lage struiken begroeid zijn. Overal waar de mensch zich met het broeden van deze nuttige gasten bemoeit, worden toebereidselen voor hun ontvangst gemaakt; oude kisten worden op het strand neergezet, steenen met planken en rijshout bedekt en allerlei andere schuilplaatsen aangebracht. Zoo schuw de Eidereend vroeger was, zoo gemeenzaam is zij thans. Op de bescherming van den mensch vertrouwend, laat zij zich door zijn bedrijf volstrekt niet weerhouden of storen. Tot bij de eenzame hoeve van den kustbewoner komt zij aanwaggelen, tot in zijn woning zelfs zoekt zij een geschikte plaats voor haar nest; niet zelden komt het voor, dat enkele wijfjes van Eidereenden in kamers, stallen, bakovens en dergelijke plaatsen broeden, zoo zelfs dat de vrouw des huizes last van deze Vogels heeft. In den beginne wordt het wijfje op al hare wandelingen trouw vergezeld door haar man; deze verlaat echter zijn ega en haar nest, zoodra het broeden aanvangt en zoekt buiten, in de zee, de andere mannetjes op.
Als bouwstoffen voor het nest dienen uitsluitend stoffen, die in de onmiddellijke nabijheid te vinden zijn; fijne rijsjes, zeewier, gras, afval van stroo of dergelijke materialen worden zeer slordig opeengestapeld, maar met een dichte en overvloedige binnenbekleeding voorzien; deze bestaat uit de fijne donsveeren van het onderlijf, die de leggende Eidereenden zich zelf uitplukken en als kostelijke belooning voor den mensch, die hen vriendschappelijk beschermde, achterlaten. De 6 à 8 eieren, waarop het wijfje broedt, zijn zuiver eivormig en hebben een gladde schaal van vuilgroene of grijsgroene kleur. Reeds na verloop van weinige dagen zit de broedende moeder zeer vast op het nest; overal waar zij aan den mensch gewoon geraakt is, verlaat zij bij diens komst haar plaats niet, maar drukt slechts den kop op den grond en breidt de vleugels een weinig uit om zich onkenbaar te maken. Gewoonlijk stemt de kleur van haar kleed zoo volkomen overeen met die van den omringenden bodem, dat het den ongeoefende werkelijk moeite kost den Vogel te onderscheiden en te vinden. Ook op eilanden, die ver van bewoonde plaatsen liggen, vliegt de Eidereend eerst dan op, als de mensch dicht bij haar nest gekomen is. Als zij in de buurt van menschelijke woningen broedt, kan men haar van 't nest optillen om de eieren te bekijken en haar vervolgens weer neerzetten, zonder dat zij aan wegvliegen denkt.
Voordat de Eend haar nest verlaat, hetgeen zij, wanneer men haar niet stoort, gewoonlijk in de morgenuren doet, bedekt zij de eieren zeer zorgvuldig met dons om ze warm te houden. Zij vliegt daarna zoo schielijk mogelijk naar zee, om hier ongeveer een half uur lang ijverig te duiken en den krop te vullen met zooveel schelpdieren als zij bergen kan, voordat zij naar haar nest terugkeert. De jongen, die na 25 of 26 dagen voor den dag komen, zijn allerliefste, met een dicht en tamelijk bont donskleed bedekte diertjes; zij toonen reeds op den eersten levensdag hun bekwaamheid in 't zwemmen en duiken en kunnen ook tamelijk goed loopen, althans beter dan hunne ouders. De moeder brengt haar kroost dadelijk, zelfs voordat het geheel droog is, naar de zee, die zij voortaan slechts dan verlaat, als de jongen vermoeid zijn en de golfslag te hevig is om ze op haar rug te laten uitrusten. Als de oude Eend gedood wordt, terwijl de jongen de moederlijke hulp nog niet kunnen ontberen, voegen deze zich bij een andere troep kinderen, welker moeder de vreemde eendjes even liefderijk behandelt als haar eigen kroost. De jonge eendjes groeien snel en kunnen zich reeds na weinige weken zoo goed redden, dat zij geen oppassing meer behoeven; toch blijven zij nog tot de volgende lente bij hunne ouders en houden zich in het tweede levensjaar zooveel mogelijk bij de oude mannetjes op. In haar prille jeugd eten de Eidereenden kleine Schaaldieren en Weekdieren; later bepalen zij zich bijna uitsluitend tot Tweekleppige Schelpdieren, zonder evenwel kleine Visschen en andere zeedieren te versmaden.
Hoewel de bewoners van het hooge noorden aan de Eidereenden belangrijke voordeelen te danken hebben, worden niet overal maatregelen genomen om deze bron van inkomsten in stand te houden. Tweemaal kan men de pas gelegde eieren en het dons wegnemen; de Eidereend zal voor de derde maal het nest met dons bekleeden en eieren leggen. Daarna moet men haar echter laten broeden, omdat zij na een derde storing de streek voor goed verlaat. Volgens dezen regel handelen de eigenaars van de "Eiderholme" (broedplaatsen van Eidereenden) in het zuiden van Noorwegen. Uit 24 nesten wordt één KG. gezuiverd dons verkregen, dat den verzamelaar f 20 à 27 oplevert. Het eerst ingezamelde dons is het beste; het product van de tweede inzameling is middelsoort; het dons, dat uit het nest genomen wordt, nadat de jongen het verlaten hebben, verschilt in prijs niet veel van het fijnste ganzendons. Het zuiveren, waardoor allerlei bijmengselen, zooals zeegras en wier, verwijderd worden, is een tijdroovende arbeid. Wegens den hoogen prijs van het eiderdons komen vervalschingen van dit artikel niet zelden voor. Het echte is kenbaar aan de bruine kleur en de witte schatten der veertjes en ook hieraan, dat het bij het schudden niet uiteenstuift.
In noordelijker gewesten, Lapland, IJsland, Spitsbergen, Groenland, wordt aan een geregelde exploitatie van de broedplaatsen der Eidereenden niet gedacht: zoomin de Vogels als hunne eieren worden ontzien: gene bij duizenden gedood, hoewel hun vleesch tranig is, de nesten zonder eenige beperking van hun inhoud beroofd. Op Spitsbergen zijn de gevolgen van deze roekelooze handelwijze reeds duidelijk te bespeuren; terwijl vroeger de donsproductie eenige duizenden KG. bedroeg, moet men zich thans met evenveel honderden KG. tevreden stellen. De Vogels worden geschoten of in netten gevangen. Niet zelden kan de jager, die in den herfst bij de Groenlandsche kust een der hier zwemmende zwermen in een roeiboot nadert, de Vogels bij twintigen tegelijk met één schot dooden. Voorts rooven Raven en Jagers de eieren en de jongen, Jachtvalken en Poolvossen bovendien de volwassen Vogels.
Voor het leven in de gevangenschap zijn de Eidereenden evenmin geschikt als de overige in zee levende Duikeenden; zij verkwijnen zelfs bij de best mogelijke verzorging, hoewel men hen rijkelijk voorziet met Mossels, het voedsel, dat zij ook in de vrije natuur bij voorkeur gebruiken. In den regel sterven de in diergaarden aanwezige exemplaren in den zomer, in 't begin van den ruitijd. Aan voortplanting in de kooi valt bij hen niet te denken.
Zeeëenden i. e. z. (Oidemia) noemt men eenige groote Duikeenden van donkere kleur, welker tamelijk lange, doch breede snavel, bij de oude mannetjes vooral, op de achterste helft van den bovensnavel een knobbel vertoont; de nagel is even breed als lang en neemt de geheele breedte van de spits in. De voeten hebben een korten loop en zeer lange teenen. De korte staart is wigvormig. Het zachte, fluweelachtige vederenkleed is donker van kleur, soms lichter gevlekt op den kop en de vleugels.
De Zwarte Zeeëend, ook wel Zwarte Bergeend of Wigstaart genoemd (Oidemia nigra), is effen glanzig zwart; het wijfje en de jongen zijn donkerbruin met grijsachtig witte onderdeelen. De snavel is blauwzwart, bij 't mannetje met uitzondering van een breede, oranjeroode zadelvlek om de neusgaten; de knobbel op den bovensnavel is bij 't wijfje zeer weinig ontwikkeld; het oog is donkerbruin, de voet zwartachtig olijfgroen. Lengte 52 cM.
De Bruine Zeeëend, te Rotterdam ook wel Groote Noordsche Duiker en (evenals vele andere Duikeenden, die op den trek uit het noorden tot ons komen) Noordsche Eend genoemd (Oidemia fusca), komt in kleur met de vorige soort overeen, maar heeft een witte vlek onder het oog en een witten spiegel; de geheele snavel is oranjerood (bij 't wijfje zwart) met uitzondering van den rand en den wortel, die zwart zijn; de voet is bleek vleeschrood (bij 't wijfje groenachtig geel), het oog parelwit (bij 't wijfje bruin). Lengte 55 cM.
De Zeeëenden behooren in de noordelijke zeeën van beiden halfronden thuis en broeden bij binnenwateren in de toendra, slechts op enkele plaatsen, o. a. bij de bergmeren in 't zuiden van Noorwegen, bezuiden den poolcirkel. De beide genoemde soorten bezoeken ons 's winters van September tot Mei op den trek. Van de eerstgenoemde, die 's winters in groote vluchten langs de kust wordt waargenomen, treft men ook in den zomer soms enkele exemplaren aan. De Bruine Zeeëend is meer aan de hooge zee gebonden. Beide loopen en vliegen op plompe wijze, maar zijn meesters in 't duiken. De Lappen, Samojeden, Ostjaken, Toengoesen en dergelijke volken dooden deze Vogels gedurende den ruitijd in menigte en vinden ze lekker; de bewoners van zuidelijker gewesten houden er niet van.
De snavel van de Duikeenden i. e. z. (Fuligula) is langer dan de loop en aan den wortel niet gezwollen; de neusgaten zijn achter het midden gelegen; de nagel is langer dan breed en beslaat niet de geheele breedte van de snavelspits. De staart bestaat uit 14 pennen en is aan den top afgerond.