Het Leven Der Dieren Deel 2 Hoofdstuk 05 De Ralvogels Hoofdstuk
Chapter 3
Het verbreidingsgebied van dezen nog weinig bekenden Vogel reikt in Noord-Afrika tot aan de grenzen van Egypte en den Senegal, misschien nog verder zuidwaarts; bovendien strekt het zich uit over Spanje en Sicilië. Naar men zegt, komt hij ook niet zelden voor in 't zuiden van Frankrijk; één exemplaar werd in Oxfordshire gedood. Daar dit dier zeer verborgen leeft en moeilijk te vinden is, kan men niet licht oordeelen over zijn veelvuldigheid of zeldzaamheid in een gewest. Als woonplaats kiest de Torillo bij voorkeur woeste, met dwergpalmen dicht bedekte landstreken, zoowel in de onmiddellijke nabijheid van de zeekust als meer binnenslands of bij het gebergte; soortgelijke oorden bewoont hij in Afrika. Insecten en zaden, beide ongeveer in dezelfde mate, maken zijn voedsel uit.
Het nest, een met droog gras (of in 't geheel niet) gevoerd kuiltje in den grond, is in het gras of in het struikgewas zoo goed verborgen, dat men het slechts zelden vindt. Het bevat 4 of 5 eieren. Het mannetje en het wijfje lossen elkander bij het broeden af; als het wijfje gedood wordt, neemt het mannetje de taak van de moeder over. Evenals de meeste Ralvogels, loopen de jongen uit het nest weg, zoodra zij droog geworden zijn; evenals hunne verwanten, worden zij aanvankelijk met de teederste zorg door de beide ouders gehoed en door een zacht "kroe" bijeengeroepen. Behalve dit geluid hoort men van hen vooral in de morgen- en avondschemering een hoogst eigenaardig, zwaar, dreunend geraas, dat met het brullen van den Roerdomp vergeleken wordt, maar veel zwakker en zachter is.
De beroemdste soort is die, welke op de Soenda-eilanden bij wedkampen dienst doet en op Sumatra Poejoe heet (Turnix pugnax). Deze Vogels zijn niet zeldzaam, leven eenzaam, op bouwland, dikwijls in de nabijheid van bewoonde plaatsen. Ze worden door de inlanders in strikken gevangen en in kooien gehouden. Alleen de wijfjes worden voor den strijd opgekweekt; zij zijn grooter, sterker en moediger dan de mannetjes. Daarom heet, volgens Raffles, een Maleier, die onder de pantoffel zit, een "poejoe".
ZESDE ORDE.
DE KRAANVOGELS (Geranornithes).
De Kraanvogels houden het midden tusschen de drie orden van de Ralvogels, Pluviervogels en Stootvogels. Zij vormen slechts één onderorde (Gruiformes), die twee groepen van familiën omvat. Tot de eerste groep--de Kraanvogels i.e.z. (Grues)--behooren de familiën der Kraanachtigen (Gruidae), der Trompettervogels (Psophiidae) en der Slangenkranen (Dicholophidae). Tot de tweede groep--de Zonnevogels (Eurypygae),--behooren de Zonnerallen (Eurypygidae), de Ralkranen (Rhinochetidae) en de Oerkranen (Apornidae).
De 16 soorten van de familie der Kraanachtigen (Gruidae) vormen één geslacht--de Kranen (Grus)--en zijn over drie ondergeslachten verdeeld. Zij hebben een betrekkelijk langen, bijna rolvormigen, krachtigen, zijdelings niet samengedrukten romp, een langen, dunnen hals en een kleinen, fraai gevormden kop. De middelmatig dikke, rechte snavel, welks hoogte de breedte een weinig overtreft, is iets langer of weinig korter dan de kop; de bovensnavel heeft een afgeronden rug en een scherpe spits; de huid, die de snavel bekleedt, is aan de wortelhelft zacht, aan de spits echter hard. De bevedering van de zeer lange, krachtige pooten houdt ver boven het spronggewricht op; de voet bestaat uit een langen loop en vier teenen; de korte achterteen is zoo hoog aangehecht, dat hij bij 't gaan den grond slechts met de spits aanraakt; de buitenste en de middelste voorteen zijn verbonden door een dik spanvlies, dat zich tot aan het eerste gewricht uitstrekt; de klauwen zijn kort, flauw gebogen en stompkantig. In de groote, lange, breede vleugels is de derde handpen de langste; de laatste schouderveeren zijn langer dan alle overige vleugelveeren, soms sikkelvormig gebogen, in 't algemeen door een eigenaardigen vorm gekenmerkt. De tamelijk korte, afgeronde staart bevat 12 pennen. De kleine veeren, hoewel overvloedig, zijn stijf en liggen dicht tegen het lichaam aan; zij laten dikwijls een deel van den kop en van den hals onbedekt of zijn hier veranderd in fraaie pronkveeren; bij enkele zijn zij ook aan den voorhals lang en smal. Het mannetje en het wijfje zijn nagenoeg gelijk van kleur, doch ongelijk van grootte. De jongen verkrijgen na het eerste ruien een kleed, gelijkende op dat der ouden; alleen de pronkveeren hebben dan nog niet den definitieven vorm.
De Kranen bewonen alle faunistische rijken, behalve het Zuid-Amerikaansche. Ieder werelddeel heeft zijn eigenaardige soorten. Azië de meeste. Zij houden zich op in uitgestrekte moerassen, bij voorkeur, naar het schijnt, in die, welke aan bouwland grenzen, daar zij hun voedsel zoowel in het moeras als op den akker zoeken. Zij hebben een statigen, doch bevalligen gang, maken gaarne sierlijke, op danspassen gelijkende sprongen en nemen steeds een zekere deftigheid in acht; zij waden door tamelijk diep water en kunnen ook zwemmen; zij vliegen met gemak en fraai, dikwijls zwevend en groote kringen beschrijvend, meestal hoog boven den grond; de hals en de pooten worden daarbij recht uitgestrekt. Zij hebben een luide, doordringende stem en in verband hiermede meestal een buitengewoon lange luchtpijp; deze loopt met een groote kronkeling door een holte in den breeden kam van het borstbeen. Zij zijn schrander en verstandig, gewoonlijk ook vroolijk en speelsch, maar tevens strijdlustig en zelfs moordzuchtig; jegens hunne soortgenooten toonen zij zich buitengewoon gezellig; ook nemen zij gaarne leden van andere soorten van Kranen in hun kring op; om andere dieren bekommeren zij zich weinig of niet, of trachten hen te overheerschen, wanneer zij zich met hen inlaten. Hoewel zij van 's morgens vroeg tot 's avonds laat in de weer zijn, worden aan het opzoeken van 't voedsel slechts weinige morgenuren besteed, het overige deel van den dag is aan het gezellig samenzijn gewijd. Gedurende hun herfstreis, die zich tot aan de keerkringslanden uitstrekt, trekken zij nagenoeg zonder oponthoud voort, over dag zoowel als 's nachts; in merkwaardig korten tijd wordt het doel van hun tocht bereikt.
Hoewel alle Kranen af en toe ook Insecten en Wormen oppikken, kleine Amphibiën of Visschen verslinden en soms een vogelnest uitplunderen, beschouwen zij toch, naar 't schijnt, dierlijk voedsel eenvoudig als een versnapering. Allerlei zaden, vooral granen, bovendien knoppen, jonge spruitjes, wortels en knollen maken hun eigenlijk voedsel uit.
Zij nestelen in lage of althans moerassige gewesten, en broeden op twee langwerpig ronde eieren, die op groenachtigen grond bruin gevlekt zijn. Het mannetje en het wijfje broeden om beurten; beide brengen voedsel aan de jongen gedurende hun verblijf in het nest; waarschijnlijk duurt dit slechts kort en moet men de Kranen eer als nestvlieders dan als nestblijvers aanmerken.
De Kranen hebben weinig vijanden. De mensch vervolgt ze hier en daar om hun vleesch, of neemt de jongen uit het nest om ze groot te brengen. Zij wennen licht aan de gevangenschap, sluiten met hun verzorger een innigen vriendschapsbond en verschaffen hem genoegen door hunne sierlijke bewegingen, hun lieftalligen aard en hun verwonderlijke schranderheid. Het is niet moeielijk hen er aan te gewennen vrij uit en in te vliegen; ook telen zij in de gevangenschap voort.
De Kraan, veelal Kraanvogel, in Limburg Koenekraan genoemd (Grus communis of Grus cinerea), is de eenige soort van zijn geslacht, die ons land op den doortrek bezoekt, meestal in October en November, soms ook in 't voorjaar (Februari tot Mei). De hoofdkleur der volwassen Vogels is fraai aschgrauw; wit zijn echter de wangen en de zijden van den hals; zwart de teugels, de keel en een groot deel van den onderhals, een groote vlek in den nek, de handpennen en de spitsen der achterste armpennen (die sikkelvormig verlengd en grootendeels losbaardig zijn). Het voorhoofd en de kruin zijn met zwarte, haarvormige veeren bekleed, het achterhoofd is nagenoeg kaal en rood. De oogen zijn bloedrood; de snavel is grijsgroen, maar de wortel van den ondersnavel heeft in 't voorjaar een roodachtige tint; de pooten zijn zwartachtig. Totale lengte 140, staartlengte 21 cM.
Een breede gordel van de Oude Wereld, van het oosten van Middel-Siberië tot Skandinavië en van de lage toendra tot op de breedte van Middel-Europa is het broedgebied van den Kraan; uit Siberië trekt hij door China tot Siam en Indië, uit Europa tot Middel- en West-Afrika. In Duitschland nestelt hij waarschijnlijk niet anders dan ten oosten van de Elbe.
De in Oost-Azië voorkomende prachtige Witte Kraan (Grus leucogeranos) werd eenige malen in Europa geschoten. Met uitzondering van de zwarte stuurpennen is hij schitterend wit, de naakte kop bloedrood, het oog lichtgeel, de snavel lichtrood, de poot licht-karmozijnrood. Hij is 120 cM. lang. In Japan en China wordt deze Vogel in hooge eer gehouden; men ziet hem op Japansche schilderijen, veelal op takken van sparreboomen zittend, dikwijls afgebeeld.
De Antigone-kraan (Grus Antigone) uit Trans-Baikalië, die soms in de steppen van Zuid-Rusland geschoten wordt en dus tot de Europeesche Vogels behoort, onderscheidt zich van onzen Kraan door het grootere naakte kopveld en den afgeronden staart.
Vaker dan door de beide laatstgenoemde soorten wordt ons werelddeel bezocht door de buitengewoon sierlijke Juffer van Numidië [Grus (Anthropoides) virgo], die in de steppen van Middel-Azië thuis behoort en naar Zuid-Indië, Middel- en Zuid-Afrika trekt. Zij onderscheidt zich van hare reeds beschreven verwanten door den korten en ronden snavel, den geheel bevederden, van achteren met twee lange pluimen versierden kop; behalve de veeren van den onderhals zijn ook de bovendekveeren van den vleugel verlengd; zij zijn niet losbaardig of gekroesd, maar steken eenvoudig ver voorbij de overige uit. Haar vederenkleed is bijzonder fijn en grootendeels licht loodkleurig grijs, de voorhals met zijne afhangende pronkveeren is donkerzwart, de kuifveeren zijn zuiver wit, de slagpennen grauwzwart. Het oog is hoog karmijnrood, de snavel aan den wortel vuilgroen, bij de spits hoornkleurig, de snavelspits zelf lichtrood, de poot zwart. Zij is 85 cM. lang.
Bij zwermen verschijnt onze Kraan in October in Soedan en vestigt zich hier op groote, boven den waterspiegel uitstekende zandbanken in de rivieren. In Indië komt hij ter zelfder tijd in aanzienlijken getale en bewoont dan soortgelijke plekken. In Duitschland ziet men in 't begin van October en tegen het einde van Maart geregeld talrijke vluchten van Kranen, die zich in den regel streng houden aan hun zichtbare, wigvormige rangorde; de hoogte, waarop zij trekken, is zeer verschillend. "Ik heb ze," schrijft Altum, "niet slechts bij nevelachtig weer, maar eens ook bij volkomen heldere lucht zeer laag, ongeveer 50 M. boven den grond zien trekken; in enkele gevallen daarentegen vliegen zij zoo hoog, dat men een zakverrekijker moet gebruiken, om ze te herkennen. Hooge gebergten trachten zij op hun tocht te vermijden. Opmerkelijk is het, dat zij bij ons, in Munster, een nagenoeg west-oostelijke of oost-westelijke richting volgen in plaats van een noord-zuidelijke of zuid-noordelijke; in andere gewesten wijzigen zij echter hun koers." Wanneer de zwerm in wanorde geraakt, o.a. door een schot, beschrijven de Vogels kringen en vormen een verwarden hoop. "Meermalen rusten zij onderweg, doch niet op vast bepaalde plaatsen; allen, die een rustenden Kraanvogelzwerm zagen, waren steeds zeer verrast over dit hun geheel onbekende verschijnsel. Deze opmerking geldt echter slechts voor Munsterland. Men weet, dat zij in vele kuststreken en eilanden van de Middellandsche Zee in grooten getale neerstrijken." In vroegere jaren werden zij in Nederland op den trek veel meer algemeen aangetroffen dan thans, intusschen merkt men ze nog jaarlijks in de groote heidevelden van Gelderland en Noordbrabant rustende op (Schlegel). In enkele jaren worden zij echter ook hier te lande in grooten getale waargenomen, o.a. in October 1889 in Overijsel en Gelderland. "De vrij sterke zuidoostelijke wind, welke in die dagen heerschte over een groot deel van Europa, heeft vermoedelijk deze Vogels op hun reis naar 't zuiden eenigszins van de gewone richting doen afwijken en hen doen dralen deze voort te zetten" (Albarda).
Voordat zij hun reis naar 't zuiden aanvangen, komen zij, evenals de Ooievaars, op bepaalde plaatsen bijeen. Zoolang hun verblijf in den vreemde duurt, blijven zij steeds tot talrijke zwermen vereenigd, waarin zij ook leden van verwante soorten opnemen. Met hen vliegen zij gemeenschappelijk iederen morgen naar de velden om hun voedsel te zoeken, keeren in de voormiddaguren terug; overigens blijven zij den geheelen dag en nacht op de eilanden in de rivieren en houden zich van tijd tot tijd bezig met het schoonmaken en ordenen van hunne veeren; daar zij in dit seizoen ruien, is deze zorgvuldigheid noodig. In zwermen verlaten zij hunne winterkwartieren en nog vereenigd komen zij in 't moederland terug; hier echter splitsen de legers zich allengs in kleinere troepen en deze in paren; ieder paar vestigt zich in een oord, dat met het oog op de voortplanting goed gekozen is en aanmerkelijk verschilt van hun verblijfplaats gedurende den winter. In Indië of in Soedan is de Kraan een strandvogel; in het noorden van Europa of Azië wordt hij een volslagen moerasvogel. Hij bewoont hier de groote moerassen van de vlakte en de toendra, waar hij als broedplaats een plek uitkiest, die met laag sekgras of riet begroeid is, maar toch een vrij uitzicht toelaat. Van hier vliegt hij uit om de akkers te bezoeken, die hem nu en gedurende den zomer voedsel moeten verschaffen.
Alle bewegingen van den Kraan zijn fraai en getuigen van een meer dan gewone begaafdheid. Flink van afmetingen en samenstel, behendig, scherpzinnig en verstandig als hij is, dragen al zijne handelingen den stempel van een door groote talenten gerechtvaardigd zelfvertrouwen. Met lichten, sierlijken, maar toch statigen tred stapt hij voort, gewoonlijk bedaard en fier loopend, slechts in tijd van nood haastig rennend; zonder inspanning verheft hij zich met één of twee sprongen boven den bodem; weinige, ver uitgestrekte slagen met de krachtige vleugels brengen hem op de vereischte hoogte, gestadig en zonder overhaasting, maar toch met flinke vaart, den hals naar voren, de pooten achterwaarts strekkend, vliegt hij regelrecht op het bepaalde doel af. Toch ziet men dezen Vogel zich niet zelden vermaken met vroolijke sprongen, dartele gebaren, zonderlinge standen en echte danspassen, waarbij hij met de vleugels slaat, buigingen maakt, zich telkens omdraait en met den snavel steentjes en stokjes omhoog werpt. Ook kan hij met weinig merkbare vleugelslagen gedurende geruimen tijd om een zelfde punt prachtige kringen beschrijven. Werkelijk bewonderenswaardig is zijn schranderheid. In uiterst korten tijd heeft hij zich op de hoogte gesteld van den stand van zaken en in verband hiermede zijn levenswijze ingericht. Zonder schuw te zijn, is hij toch buitengewoon voorzichtig en laat zich niet licht in de val lokken. Nooit verliest hij de zorg voor zijn veiligheid uit het oog; ieder gezelschap zet wachten uit, die nauwgezet hun taak vervullen; het zal nooit terugkeeren naar een plaats, waar het verontrust werd, zonder vooraf verspieders uit te zenden.
Eigenlijk leert men den Kraan nooit naar behooren kennen, zoolang hij in vrijheid verkeert; men moet hem in gevangen toestand nagegaan hebben, om over hem te kunnen oordeelen. Zoo voorzichtig hij den mensch ontwijkt, terwijl hij vrij is, zoo innig geraakt de tamme Kraan aan zijn meester gehecht. Met uitzondering van de schranderste Papegaaien, is er geen enkele Vogel, die op gelijke wijze als hij met den mensch verkeert, diens gebaren leert begrijpen en zich zoo goed verstaanbaar en verdienstelijk weet te maken. Hij beschouwt zijn meester niet eenvoudig als verzorger, maar ook als vriend en beijvert zich dit te toonen. Gemakkelijker dan iedere andere Vogel geraakt hij gewoon aan het erf, aan het huis van zijn heer, leert hier elke kamer, elke ruimte kennen, den tijd bepalen en de verhouding beoordeelen waarin andere menschen of dieren tot zijn gastheer staan. Hij toont een bewonderenswaardig begrip van orde, duldt geen twist onder het pluimvee, hoedt het vee, zonder dat zulks hem gelast wordt, als een goed afgerichte Hond, straft door berispend geschreeuw of gevoelige snavelbeten en beloont door vriendelijke gebaren, buigingen en danspassen. Hij sluit vriendschap met menschen, die hem genegenheid betoonen en zoekt hun gezelschap; hij duldt echter geen beleediging en toont maanden, ja zelfs jaren lang wrok over een ongepaste bejegening. Gezelligheid schijnt voor hem een behoefte te zijn; hij is echter keurig op zijn gezelschap. De echtgenooten zijn elkander onveranderlijk getrouw; voor hunne kinderen gevoelen zij de warmste genegenheid; aan soort-, geslachts- en familiegenooten betoonen deze Vogels een zekere hoogachting. Toch komt het voor, dat Kranen uit minnenijd gedurende den trek of bij andere samenkomsten toornig op elkander worden en vol woede strijden. Men heeft in diergaarden meer dan eens een bitteren haat opgemerkt tusschen Kranen van verschillende soorten; soms heeft de een den anderen gedood. Toch behooren zulke gebeurtenissen tot de uitzonderingen, want eigenlijk zijn de Kranen wel plaagziek en moedig, maar niet boosaardig, valsch en arglistig. Hun stem is zeer luid, gewoonlijk een schetterend, soms juichend, soms ratelend klinkend "groe" of "koer"; in moerassen of op open plekken in het woud brengen zij ook een geluid voort, waardoor iemand, die het voor de eerste maal hoort, verschrikt kan worden, omdat het dikwijls veel gelijkt op een vreeselijk hulpgeschreeuw.
Onze Kraan eet graan en zaden, grassprietjes en landbouwplanten, vooral graag erwten; soms eet hij vruchten of pikt Wormen en Insecten op, vooral Kevers, Sprinkhanen, Krekels en Libellen; af en toe vangt hij een Kikvorsch of een andere Amphibie. In de gevangenschap geraakt de Kraan aan de meest verschillende voedingstoffen gewoon.
Onmiddellijk na zijn aankomst in het vaderland neemt het Kraanvogelpaar bezit van het moeras, waarin het van plan is te broeden en duldt binnen een zekeren kring geen tweede paar, hoewel het iederen voorbijtrekkenden zwerm met luid geschreeuw begroet. Eerst als de moerassen groener worden en de struiken in 't blad komen, beginnen de beide Vogels een nest te bouwen. Veel moeite besteden zij hieraan niet: dorre rijsjes worden op een eilandje, een sekgraspol, een platgetrapten struik of een andere verhevenheid bijeengebracht, droge halmen en rietbladen, cypergrassen, biezen en grassen in meer of minder groote hoeveelheid hier opgestapeld en het midden van den hoop een weinig uitgehold. In dit kuiltje legt het wijfje 2 groote, langwerpige eieren met dikke, grof korrelige, bijna glanslooze schaal; deze vertoont op grijsachtig groenen, bruinachtigen of lichtgroenen grond een teekening, die uit grijze en roodachtig grijze ondervlekken, met roodbruine en donkerbruine bovenvlekken, stippels en krullen bestaat, doch overigens sterk varieert. Het mannetje en het wijfje broeden om beurten en verdedigen hun kroost tegen een naderenden vijand; zij doen dit gezamenlijk, wanneer diegene, welke niet broedt, maar de wacht houdt op het oogenblik van den aanval, dezen niet alleen kan afslaan. Zij hebben er merkwaardig goed slag van om zich gedurende den broedtijd aan het oog van den waarnemer te onttrekken en de plaats waar zij nestelen, niet te verraden.
"Men komt niet verder dan tot het bloote vermoeden," zegt Naumann, "dat deze door zijn groote in 't oog vallende Vogel ergens in het moeras zijn nest moet hebben; de plaats waar het gelegen is, weet hij steeds te verbergen; bij het gaan naar het nest neemt hij reeds op grooten afstand een gebogen houding aan en blijft voortdurend gedekt tusschen struiken en hooge kruiden: bij 't naderen van een rustverstoorder sluipt hij op even geheimzinnige wijze weg; zichtbaar wordt hij eerst, als hij ver van het nest in het open moeras opvliegt; soms, wanneer het geraas niet al te dichtbij komt, verlaat hij het nest in 't geheel niet. Niet minder moeielijk is het bereiken van het nest door het diepe moeras heen, wanneer een gelukkig toeval tot de ontdekking van het plekje heeft geleid." Bovendien maakt de Kraan zich in dezen tijd op een eigenaardige wijze onkenbaar. "Eens," verhaalt E. von Homeyer, "lag ik in een veilige hinderlaag naast een moeras, dat door een paar Kranen bewoond werd en keek naar de bevallige bewegingen van de beide schrandere Vogels, toen het wijfje, dat geen bespieders in haar nabijheid vermoedde, met terzijdestelling van de schroomvalligheid van haar soort en van haar sekse, haar toilet begon te verfraaien. Zij nam een zekere hoeveelheid slijk in haar snavel en bestreek zich hiermede den rug en de vleugeldekveeren, zoodat deze deelen van haar kleed de fraaie, blauwachtig aschgrauwe kleur verloren en een doffe, aardachtig grijsbruine tint aannamen. Uit liefde voor de wetenschap schoot ik het fraaie dier en vond de veeren van het bovenlijf zoo volkomen doordrongen met kleurstof, dat het mij onmogelijk was deze door de zorgvuldigste wassching te verwijderen; misschien had het speeksel er toe medegewerkt om haar zoo innig met de veeren te verbinden. Hierdoor was in een oogenblik de verklaring verkregen van een verschijnsel, dat ik jaren lang te vergeefs had trachten op te helderen: de eigenaardige kleur van den Kraan gedurende den broedtijd. Alleen in dezen tijd merkt men de bedoelde verkleuring op; de veeren, die de verkleurde bij het ruien vervangen, hebben het gewone uitzicht; op het kleed van geen der uit het noorden komende Kranen, die door Duitschland trekken, treft men roestplekken aan, omdat zij hunne kleine veeren reeds gewisseld hebben." Door het scheikundige onderzoek werd deze verklaring in alle opzichten bevestigd.
De Kroonkraan [Grus (Balearica) pavonina], heeft tot kenmerken een krachtigen romp, een middelmatig langen hals, een grooten kop, een middelmatig langen, kegelvormigen snavel, een langen loop en een goed gevuld vederenkleed. Het voorste gedeelte van de kruin wordt ingenomen door een fluweelachtige pluim; de kroon op den achterkop bestaat uit borstelvormige, over hun geheele lengte schroefsgewijs gekronkelde, naar boven in alle richtingen uiteenwijkende draden; de veeren van hals en voorborst zijn verlengd, de bovendekveeren van den vleugel losbaardig, de dikke, gezwollen wangen en de keel naakt. De hoofdkleur van het kleed is zwart, de kroon goudgeel met zwart gemengd; de vleugeldekveeren zijn zuiver wit, de eerste schouderveeren roestkleurig bruin, de laatste goudgeel. Het oog is wit, het bovenste deel van de wang licht vleeschkleurig, het onderste deel hoogrood, de snavel zwart, aan de spits witachtig, de voet zwartachtig grijs. Gedurende het leven vertoonen de veeren een blauwachtig waas, waardoor deze een grijsachtige tint verkrijgen. Totale lengte 99, staartlengte 22 cM.
Het vaderland van dezen Vogel in Middel-Afrika wordt naar 't noorden begrensd door den parallelcirkel van 16° N.B., oostwaarts en westwaarts door den Oceaan. In Zuid-Afrika wordt hij door een nauw verwante soort vervangen. Hier bewonen deze Vogels bij paren of troepen de met kreupelhout bedekte, lage rivieroevers of de niet zeer dicht begroeide wouden; zij begeven zich echter dagelijks naar de eilanden in den stroom om hier te drinken en te dansen. Gedurende den regentijd ontmoet men ze bij paren, in andere tijden van het jaar in troepen, die soms uit meer dan 100 stuks bestaan. Deze zwermen voegen zich ook wel bij de in Soedan overwinterende scharen van Gewone Kranen en Juffers van Numidië.