Het Leven der Dieren: Deel 2, Hoofdstuk 04: De Hoendervogels
Chapter 5
In zijne bewegingen heeft de Roode Patrijs veel overeenkomst met zijn inheemschen verwant; ook in dit opzicht mag men hem echter sierlijker en lieftalliger noemen. Hij loopt buitengemeen snel en met groote behendigheid, rent vlug tusschen rotsblokken en steenen door, toont hier zelfs een groote bekwaamheid in 't klauteren en maakt daarbij slechts zelden gebruik van zijne vleugels. Een karakteristieke eigenschap van dezen Vogel is, dat hij gaarne op boomen gaat zitten, en dit volstrekt niet uitsluitend in geval van nood, maar geregeld doet, overal waar boomen zijn, ongetwijfeld met de bedoeling om van uit de hoogte rond te kijken. Om te waarschuwen roept het mannetje zoowel als het wijfje zacht "reb reb," bij 't opvliegen luid "sjerb."
Gedurende het grootste deel van het jaar zijn de Roode Patrijzen vereenigd tot gezelschappen of koppels van 10 à 30 stuks, die dikwijls uit verscheidene familiën bestaan; deze doorkruisen hetzelfde gebied, maar doen dit niet zeer geregeld; ook komen zij niet op een bepaalden tijd op de drinkplaats bijeen, daar zij zeer weinig behoefte aan water hebben.
In Spanje wordt op deze Vogels druk jacht gemaakt. De vervolging neemt reeds een aanvang, zoodra de jongen de grootte van een Kwartel bereikt hebben. De jager spoort met behulp van Patrijshonden de vluchten op, of doorkruist op goed geluk de streek, waar de Vogels zich ophouden. In den herfst maakt men met goed gevolg gebruik van een lokvogel of "reclamo". Dit geschiedt ook in den paartijd, de meest geschikte tijd voor de jacht, die dan het aangenaamst en het eigenaardigst is. De jager begeeft zich met den lokvogel, die in een zoogenaamde klokkooi medegenomen wordt, naar oorden, waar hij Roode Patrijzen hoopt te vinden, en bouwt van de hier liggende steenen een muur van 1 M. hoogte, die hem als schuilplaats moet dienen; 10 à 15 schreden verder zet hij de kooi op een hoog gelegen plaats neer en vervangt den doek, waaronder de kooi tot dusver verborgen was, door een dunne laag rijsjes. Als de lokvogel goed is, begint hij dadelijk eenige malen achtereen "tak tak" te roepen, waarop dan de eigenlijke lokstem "takterak" volgt. In den regel komt nu binnen eenige minuten een Roode Patrijs bij de kooi, om naar zijn kameraad te kijken. Daar men in 't begin van den paartijd hanen als lokvogels gebruikt, zal de jager zoowel hanen als hennen en dikwijls zelfs een paar, van deze Vogels onder schot krijgen en ze gemakkelijk kunnen treffen, daar zij zich ongedekt vertoonen. Deze jacht duurt ongeveer 14 dagen. Een goede lokvogel wordt duur betaald, dikwijls kost hij 240 à 300 gulden; niet zelden maakt de jager gedurende den "reclamo-tijd" 60 à 80 paar Roode Patrijzen buit.
Op Sardinië, in sommige streken van Griekenland, veelvuldiger echter in Noordwest-Afrika, met inbegrip van de Kanarische Eilanden, woont de derde soort van het geslacht der Rotspatrijzen--het Klippenhoen (Caccabis petrosa). Hij kenmerkt zich vooral, doordat de halsband op kastanjebruinen grond van achteren wit gestippeld is. Evenals de beide vorige soorten treft men hem dikwijls levend in diergaarden aan.
Onze Patrijs, ook wel Veldhoen of Hoen genaamd (Perdix cinerea), verschilt van den Rooden Patrijs, behalve door de kleur, ook door de bekleeding van den loop, die zoowel aan de voorzijde als aan de achterzijde twee reeksen van schilden vertoont, door het ontbreken van de wratvormige spoor en door het maaksel van den vleugel, waarin de derde, vierde en vijfde slagpen de langste zijn. Het vederenkleed, dat vele kleurvariaties vertoont--in verband met het land, waar het dier voorkomt, de plaatselijke gesteldheid en de ligging van zijn woonplaats--is minder fraai dan dat van den Rooden Patrijs, maar toch zeer bevallig. Het voorhoofd, een breede streep over en achter het oog, de zijden van den kop en de keel zijn licht roestrood; de bruinachtige kop is met geelachtige, overlangsche strepen, de grauwe rug met roestroode dwarsbanden, lichte schaftstrepen en zwarte, fijne zigzaglijnen geteekend; de borst prijkt met een breeden band, die op aschgrauwen grond met zwarte golflijnen geteekend is, zich aan weerszijden van het onderlijf voortzet en hier door roestroode, aan weerszijden wit gerande dwarsbanden wordt afgebroken; op den witten buik staat een groote, hoefijzervormige vlek van kastanjebruine kleur. Het oog is nootbruin; een smalle, naakte ring om het oog en een streep, die zich van hier naar achteren uitstrekt, zijn rood; de snavel is blauwachtig grijs, de voet bruinachtig. Totale lengte 26, staartlengte 8 cM. Het wijfje is kleiner dan het mannetje en heeft nagenoeg dezelfde kleur; deze is echter minder fraai, de bruine vlek op den buik minder groot en minder zuiver, de rug donkerder.
De Patrijs bewoont Nederland, Duitschland, Denemarken, Skandinavië, Groot-Britannië, België, het noorden van Frankrijk, geheel Hongarije, Turkije, een deel van Griekenland, Noord-Italië, Asturië, Leon, Opper-Katalonië en eenige gewesten van Aragon, is veelvuldig in Middel- en Zuid-Rusland, de Krim, Klein-Azië en wordt in andere Aziatische landen vervangen door een soort, die veel op hem gelijkt. Op Nieuw-Zeeland heeft men hem geacclimatiseerd. Overal verkiest hij vlakten boven gebergten; in de lage streken van Zwitserland b.v. is hij veelvuldig, men ontmoet hem hier op geen grootere hoogte dan 1000 M. boven den zeespiegel. Voor zijn welzijn heeft hij goed bebouwde gewesten noodig, die rijk zijn aan afwisseling; hij houdt daarom van streken, waar hier en daar boschjes, met struikgewas bedekte heuvels of althans dichte hagen voorkomen. Het woud wordt door hem gemeden, niet echter de woudzoom en de boschjes in de nabijheid; evenmin schuwt hij natte, moerassige plaatsen, wanneer deze althans hier en daar met houtgewas begroeid zijn en kleine eilandjes bevatten, die even boven het water uitsteken. Bij ons houdt hij zich op in graanvelden of op ander bouwland, maar ook bij heidevelden, op droge weilanden, aan open plaatsen in het bosch, op geestgronden, in duinpannen of op de duinen zelve.
Weinige Vogels blijven het eens door hen gekozen gebied standvastiger bewonen dan de Patrijs. De ervaring leert, dat de jongen blijven wonen in de streek, waar zij geboren zijn. Wanneer dit wild in een jachtterrein is uitgeroeid, duurt het dikwijls lang, voordat van de grenzen af weer enkele paren in de verlaten streek doordringen en haar op nieuw bevolkt hebben. In Noord-Duitschland en ook hier te lande heeft men opgemerkt, dat bijna in iederen herfst rondzwervende Patrijzen verschijnen, soms in groote gezelschappen. Men beweert, dat deze Hoenderen, die door de jagers "Trekpatrijzen" worden genoemd, kleiner zijn dan de zoogenaamde "Stand-" of "Bergpatrijzen".
Gewoonlijk stapt de Patrijs met ingetrokken hals en gekromden rug in gebukte houding voort; als hij haast heeft, loopt hij meer rechtop met vooruitgestoken hals. Even goed als zijne verwanten verstaat hij de kunst van zich te verbergen, maakt hij gebruik van iederen schuilhoek, en "drukt" zich in geval van nood op den vlakken grond, in de hoop van niet opgemerkt te worden. Hoewel men zijn vlucht niet log kan noemen, vereischt toch deze beweging veel inspanning en vermoeit hem spoedig. Bij het opvliegen moet hij zijne vleugels snel en met gedruisch bewegen; eens op een zekere hoogte gekomen, schiet hij over groote afstanden met onbewogen vleugels door de lucht en geeft slechts nu en dan door snelle vleugelslagen aan zijn lichaam een nieuwe vaart. Hij vliegt niet graag hoog en zelden ver in één vlucht, vooral niet bij een hevigen wind, daar deze hem letterlijk medesleurt. Evenals zijne verwanten gaat hij niet op boomen zitten, althans niet, zoolang hij gezond is; hierop komen echter uitzonderingen voor. Het behoort reeds tot de zeldzaamheden, dat een Patrijs zich op het dak van een huis neerzet. Daarentegen ziet men hem soms een kunst beoefenen, tot welke men hem niet in staat geacht zou hebben: hij kan n.l. zwemmen.
Zijn gewoon geluid is de duidelijke, ver hoorbare klank "kirrhik," die men zoowel van den vliegenden als van den zittenden Vogel verneemt. De oude haan gebruikt dezen in "kirrhèk" veranderden loktoon zoowel om zijn wijfje en zijne kinderen te roepen als om een tegenstander tot den strijd uit te dagen. Beangste Hoenderen gillen "riepriepriepriep" of brengen een als "tert" klinkend, ratelend geluid voort. De jongen piepen als tamme kuikens en roepen later: "truupekier tuup." Een prettige gemoedsstemming wordt door een dof "koerroek" aangeduid, het waarschuwend sein is een zacht "koerr".
De Patrijs is schrander en verstandig, voorzichtig en schuw, maakt wel degelijk onderscheidt tusschen vijanden en vrienden, wordt door de ervaring wijzer en geeft blijken van groote geschiktheid om zich in verschillende levensomstandigheden te voegen. Hij is gezellig, vredelievend, trouw en offervaardig, buitengewoon teeder jegens zijn wijfje en zijne kinderen; al deze goede eigenschappen toont hij echter veeleer in den engen familiekring dan jegens andere dieren, al behooren deze tot zijn eigen soort. Om zijn bezitting te verdedigen strijdt de eene haan wakker met den anderen; een vereeniging van twee gezinnen gaat steeds met vechtpartijen gepaard; daarentegen worden jongen, die hunne ouders verloren hebben, zeer dikwijls in een vreemd gezin opgenomen; de volwassene leiders van dit gezin toonen dan voor de weezen evenveel liefde als voor hunne eigene kinderen.
Tegen den tijd, waarin de sneeuw smelt, ontwaakt bij de Patrijzen de aandrift tot voortplanting. Reeds in Februari splitsen de vluchten, die gedurende den winter trouw bijeenbleven, zich in paren en kiest iedere haan een geschikte standplaats. Men hoort nu in den morgen- en avonduren het uitdagende geschreeuw van de hanen, ook ziet men wel eens twee van hen een ernstigen strijd om een wijfje uitvechten. Zij springen dan tegen elkander op; ieder tracht zijn tegenstander met den snavel en de klauwen te kwetsen. De zwakste partij moet wijken en de overwinnaar keert jubelend naar zijn wijfje terug. Naar men beweert, wordt een eens gesloten echtverbond alleen door den dood verbroken.
Tegen het einde van April, gewoonlijk eerst in het begin van Mei, begint de hen te leggen. Haar nest is eenvoudig een ondiepe uitholling in den vlakken bodem, die met eenige zachte halmen bekleed en dikwijls op een zeer ondoelmatige plaats aangebracht wordt. Soms is het door een struik bedekt; in de meeste gevallen echter staat het te midden van het vroeg opschietende koorn, vooral in tarwe-, erwten- en koolzaad-akkers, in de klaver of in het hooge gras van weiden, ook wel in het sinds kort gekapte hout aan den rand van kleine boschjes te midden van het veld. Elke hen legt 9 à 17 eieren; men onderstelt althans, dat de nesten, waarin meer eieren gevonden werden, voor meer dan een hen als legplaats dienden. De eieren zijn peervormig, glad van schaal, niet zeer glanzig en lichtgroenachtig bruingrijs van kleur. De hen, die voluit 26 dagen met ongeloofelijke zelfverloochening broedt en zoo "vastzit", dat achtereenvolgens nagenoeg al hare buikveeren uitvallen, verlaat het nest slechts zoolang, als volstrekt noodig is om voedsel te zoeken. Terwijl de hen broedt, wijkt het mannetje niet uit haar nabijheid, maar houdt oplettend de wacht, waarschuwt haar voor ieder gevaar, aarzelt gewoonlijk niet zich hieraan bloot te stellen en keert als het verdwenen is; weder naar zijn oude plaats terug. Daarom is na het dooden van den haan in den regel ook een dergelijk lot aan de hen beschoren. Trouwens een lang aanhoudende vervolging verdrijft soms een paar Patrijzen van het nest, hoe groot de liefde van de ouders voor hun kroost ook zij.
De jongen zijn allerliefste schepseltjes, ook reeds door hun uiterlijk. Hun donzen kleed vertoont aan de bovenzijde een mengelmoes van geelbruin, roestgeel, roestbruin en zwart, terwijl aan de onderzijde lichtere kleuren de overhand hebben; de teekening bestaat uit onafgebrokene reeksen van vlekken. Sinds hun eersten levensdag bewegen zij zich zeer behendig, verlaten het nest reeds, voordat zij geheel droog of van de aanhangende stukken eischaal bevrijd zijn en strekken zeer schielijk partij van het onderricht hunner ouders. Deze houden zich beide even ijverig met de opvoeding der jongen bezig; de vader houdt de wacht, en waarschuwt en verdedigt hen, de moeder leidt, voedt en beschut ze onder hare vleugels. Als een van de ouders het leven verliest, neemt de overblijvende ook diens taak op zich, de vader vervult dan tevens moederplichten. "De onvolprezen zorgvuldigheid van de ouders voor hunne lievelingen," zegt Naumann, "treft ieder, die deze Vogels bespiedt. Angstvallig rondziende of eenig gevaar zijn gezin bedreigt en of het af te wenden is, loopt de vader heen en weer, terwijl de moeder met een kort, waarschuwend geluid de jongen om zich heen verzamelt, hen beveelt zich naar een schuilplaats te begeven, ieder hunner er schielijk een aanwijst (in het koorn, in het gras, in struiken, in een vore van den akker, in een wagenspoor enz.) en, zoodra zij vermoedt, dat alle verborgen zijn, met den vader alle middelen in 't werk stelt om den vijandelijken aanval te verijdelen of af te wenden. Moedig stellen de beide ouders zich te weer, doen echter, in 't besef van hun zwakheid, geen aanval op den vijand, maar trachten zijn aandacht op hen zelf te vestigen, van de jongen af te leiden, totdat zij van oordeel zijn, dat hij zich ver genoeg verwijderd heeft. Dan vliegt eerst de moeder terug naar de jongen, die intusschen geen voet breed afgeweken zijn van de hun aangewezen schuilhoek en beijvert zich om ze zoo schielijk mogelijk een eind weegs verder te brengen. Zoodra de vader zijne lievelingen in veiligheid acht, laat ook hij den vervolger in den steek en vliegt terug. Wanneer alles in den omtrek rustig en het gevaar voor een vijandelijke ontmoeting geweken is, laat de haan zijn stem weerklinken, wacht het antwoord van het wijfje af en voegt zich dadelijk weer bij zijn gezin. Geen roofdier kan de waakzaamheid van de liefhebbende, zorgzame ouders verschalken, zoomin over dag als 's nachts, indien niet bijzondere omstandigheden den vijand begunstigen. Ook de onvoorwaardelijke gehoorzaamheid, de beminnelijke gehechtheid van de kinderen aan hunne ouders geven dikwijls aanleiding tot bewondering."
Zoodra de kuikens hunne vleugels kunnen gebruiken, wijzigt zich hun gedrag en dat der ouders. Indien thans een vijand naakt, vliegen allen op, bewegen zich gezamenlijk een eind verder en strijken weder neer; als zij ook hier opgejaagd worden, verdeelen zij zich in afzonderlijke troepen of individuën, vliegen in verschillende richtingen weg, laten zich op den grond vallen en "drukken" zich plat op den bodem, of trachten zich loopend of door andere wijzen van verschuilen te redden. Als de vader meent, dat het gevaar voorbij is, begint hij te lokken; achtereenvolgens antwoorden alle kinderen, waarna de trouwe ouders allengs weder de geheele troep om zich heen verzamelen, doordat de vader de jongen ieder afzonderlijk haalt en naar de moeder brengt, die de reeds aangekomene onder haar hoede heeft genomen. Later moeten de jongen den vader een deel van zijne zorgen ontnemen, door als voorposten dienst te doen en op den uitkijk te staan. Deze oefening in het wachthouden, waaraan alle jonge hanen om beurten deel nemen, draagt aanmerkelijk bij tot hun ontwikkeling. Als de jongen hunne ouders verliezen, voegen zij zich bij een ander gezin.
In hun vroegste kindsheid eten de Patrijzen bijna uitsluitend Insecten, later bovendien ook plantaardige stoffen, waarmede zij zich ten slotte bijna uitsluitend voeden. Tot aan den oogsttijd houden de koppels zich hoofdzakelijk in de graanvelden op; na den oogst begeven zij zich naar de aardappelen- en koolakkers, omdat zij zich hier het best kunnen verschuilen. In het laatst van den herfst zoeken zij het stoppelland of liever nog den reeds omgeploegden, braakliggenden bouwgrond op, omdat zij hier in de voren een schuilplaats vinden. De naburige weiden worden wegens de Sprinkhanen, de hakhoutboschjes wegens de mierenpoppen gaarne bezocht; den nacht brengt de koppel altijd in 't open veld door. Des morgens verlaten de Patrijzen hun leger en begeven zich in de eerste plaats naar de droge gedeelten van het veld, zamelen hier hun ontbijt bijeen, zoeken vervolgens de weilanden op, van waar de nachtelijke dauw nu verdampt is, gaan als de middagzon hinderlijk is, in de struiken, nemen soms een stofbad ("gullen"), keeren des namiddags naar het stoppelveld terug en vliegen tegen den avond weer naar hunne slaapplaatsen. Op deze wijze slijten zij hunne dagen, totdat de winter aanvangt. Deze is voor hen een zeer moeielijke tijd; dikwijls brengt hij hun den hongerdood. Het is niet de koude, die hen hindert, maar de sneeuw, daar deze hun voedsel bedekt en soms zoo hard wordt, dat zij niet in staat zijn om zich een doortocht te banen tot de aarde, die hun voedsel bevat. Dit is wel mogelijk, zoolang zij in de sneeuw graven kunnen; zij kennen de velden, waarop het winterkoren of het koolzaad staat, zeer goed en komen hier altijd betrekkelijk gemakkelijk aan den kost; zoodra echter door afwisseling van dooi en vorst op de sneeuwlaag een ijskorst is ontstaan, geraken zij in den grootsten nood, matten zich hoe langer hoe meer af, worden gemakkelijk buitgemaakt door roofdieren of sterven zelfs van honger. In strenge winters vergeten zij al hun vrees voor den mensch, begeven zich naar de dorpen, zoeken in de tuinen bescherming en voedsel, komen zelfs op het erf en in de schuur en vallen begeerig aan op de zaadkorrels, die milddadige handen voor hen uitstrooien. Soms worden de Hazen hunne redders, daar zij door hun woelen verborgen voedsel aan den dag brengen. In meer dan een jachtdistrict sterft gedurende een strengen winter al het patrijzenwild. Doch even snel als de rampspoed kwam, kan het lot hun weer gunstig worden. Zoodra de grond door de samenwerking van een zoelen wind en de zon op sommige plaatsen bloot komt te liggen, zijn de Veldhoenderen hun leed te boven; wanneer zij eenige dagen achtereen hun genoegen gegeten hebben, keert ook de vroolijke levenslust, waardoor zij zich zoozeer onderscheiden, spoedig weer in hun gemoed terug.
Alle viervoetige roofdieren bedreigen vooral de eieren en de jongen van onzen Patrijs; de Havik en de Edelvalk, de Sperwer, de Buizerd, de Kuikendief, de Raaf en de Vlaamsche Gaai zitten zoowel de ouden als de jongen voortdurend op de hielen. Als men zich de gevaren voor den geest haalt, waaraan een Patrijs is blootgesteld, voordat hij zijn vollen wasdom bereikt heeft en bedenkt, dat hij bovendien nog weerstand moet bieden aan het ruwe weer, kost het moeite te begrijpen, hoe het mogelijk is, dat er nog Patrijzen bestaan. Dichte hagen of kleine struikboschjes, zoogenaamde "remises", die bestemd zijn om dit wild een toevluchtsoord te verschaffen, moesten op alle vlakten aangelegd en zoo goed mogelijk onderhouden worden. Bovendien zou men nog overal er op uit moeten zijn om den nood, dien iedere strenge winter brengt, zooveel mogelijk te verzachten, door in de nabijheid van zulke "remises" voedsel te strooien, voor de hier vertoevende hongerlijders de tafel te dekken. De Patrijs veroorzaakt nergens en niemand schade, draagt aanmerkelijk bij tot het verlevendigen van onze velden, verblijdt iedereen door de lieftalligheid van zijne handelingen, geeft aanleiding tot een der aangenaamste jachtbedrijven en doet eindelijk voordeel door zijn uitmuntend vleesch.
Jong opgenomen en verstandig behandelde Patrijzen worden zeer tam, geraken zeer gehecht aan hunne verzorgers, onderscheiden hen zeer nauwkeurig van andere personen, klagen op een voor ieder verstaanbare wijze over hun afwezigheid, begroeten hun komst met vreugdegeschreeuw, liefkoozen hen en toonen zich op de duidelijkste wijze erkentelijk voor de hun betoonde genegenheid, kortom, zij gedragen zich als leden van het gezin. Een groote, stille volière is echter een vereischte voor hun voortplanting in den gevangen staat.
De Frankolijns (Pternistes) kunnen beschouwd worden als overgangsvormen tusschen de Patrijzen en de Fazanten. Van de eerstgenoemde onderscheiden zij zich door het bezit van een langeren snavel, van een langeren loop, die in den regel met één, soms ook wel met twee sporen, gewapend is, van een langeren staart en van een dichter en dikwijls zeer bont gekleurd vederenkleed. Men kent er tegenwoordig ongeveer 50 soorten van, die over Afrika, West-, Zuid- en Zuidoost-Azië verbreid zijn. (Kort geleden was dit geslacht ook nog in Zuid-Europa door één soort vertegenwoordigd). Zij leven bij paren of familiën in gewesten, die rijk zijn aan struiken of kreupelhout, ook wel in echte bosschen, waarschijnlijk echter bijna niet in het hoogstammige woud, maar liever in oorden, waar lage struiken de overhand hebben en slechts hier en daar enkele hooge boomen zich boven de omgeving verheffen. Zij zijn alleseters in den letterlijken zin van het woord. Hunne begaafdheden staan niet veel achter bij die van de andere leden der orde. Zij loopen uitmuntend, hebben er meesterlijk slag van zich te midden van het dichtste struikgewas te bewegen of door de verwardste rotskloven heen te wringen, en vliegen, als het noodig is, met gemak en fraai, hoewel zij zelden in één vlucht een grooten weg afleggen.
In Middel-Afrika worden de Frankolijns ijverig gejaagd en vaak gevangen. De jacht op hen heeft bijna uitsluitend plaats met behulp van uitmuntende Windhonden, die de loopende Hoenderen vervolgen en grijpen, ja zelfs na het opvliegen voor hen nog gevaarlijk kunnen zijn, daar zij door een geweldigen sprong zeer dikwijls den beoogden buit nog bereiken. Voor het vangen van dit wild dienen netten, die dwars door de struikbosschen worden gespannen, en strikken, die zóó tusschen de struiken worden geplaatst, dat het door 't boschje sluipende Hoen met den hals in den strik geraakt en zich worgt, of bij de pooten wordt vastgehouden.
Nog voor omstreeks 50 jaren werd één soort van dit geslacht in verscheidene landen van Zuid-Europa gevonden: vooral op Sicilië, op eenige eilanden van de Grieksche Zee en in de nabijheid van het meer Albufera bij Valencia in Spanje. Tegenwoordig is deze Vogel, naar het schijnt, op al deze plaatsen geheel uitgeroeid en wordt in geheel Europa niet meer gevonden. In vrij grooten getale komt hij echter nog voor op Cyprus en in Klein-Azië, nog overvloediger in Palestina, Syrië, Kaukasië, Perzië en het noorden van Indië.
De Frankolijn (Pternistes vulgaris) is een zeer fraaie Vogel. De bovenkop en de nek zijn zwartachtig grijs, de zijden van den kop, de kin en de keel zwart, de oorstreek wit; de kaneelbruine veeren van den middelhals vormen een breeden, ringvormigen band, de veeren van den bovenrug zijn op zwarten grond met witte, parelvormige vlekken geteekend, aan den wortel zwart, omstreeks het midden gedeeltelijk bruin en aan weerszijden met 1 à 3 langwerpig ronde, geelachtig witte vlekken versierd, de donkerbruin-zwarte mantelveeren hebben breede, geelachtig witte zijdestreepen en een geelachtigen zoom op de buitenvlag; de onderrug, de staartwortel en de bovendekveeren van den staart zijn zwart met talrijke, fijne dwarsstreepjes, de borst en de zijden donkerzwart, de zijden met witachtige bij paren gerangschikte vlekken, de buikveeren vosbruin met grijzen zoom, de onderdekveeren van den staart donkerbruin; de vaal grijsbruine slagpennen hebben op de buitenvlag ronde, leemgele vlekken, de grauwzwarte staartveeren op de wortelhelft geelachtig witte dwarsbanden. De iris is donkerbruin, de snavel zwart, de voet roodachtig geel. Totale lengte 34, staartlengte 10 cM.