Het Leven der Dieren: Deel 2, Hoofdstuk 01: De Boomvogels.
Chapter 40
De levenswijze en gewoonten van de Ekster herinneren wel is waar in vele opzichten aan die van de Kraaien, maar verschillen er toch in andere niet onbelangrijk van. Zij gaat stappend als een Raaf, maar heeft daarbij een andere houding; want zij heft den langen staart omhoog en beweegt hem wippend, zooals de Lijsters en de Roodborstjes doen. Haar logge wijze van vliegen, welke geheel anders is dan die van de eigenlijke Raven, vereischt veelvuldige vleugelslagen en wordt reeds bij eenigszins krachtigen wind onzeker en langzaam. De Raaf vliegt voor haar vermaak uren lang rond; de Ekster gebruikt hare vleugels alleen, als zij moet. Zij begeeft zich van den eenen boom naar den anderen of van den eenen struik naar den naastbijzijnden, nooit echter zonder noodzaak. Hare zintuigen zijn, naar het schijnt, even volkomen als die van de Raaf; ook door haar verstand staat zij volstrekt niet bij deze achter. Zij weet zeer goed ongevaarlijke menschen en dieren van gevaarlijke te onderscheiden: jegens menschen is zij steeds op haar hoede, jegens dieren, die zij niet behoeft te vreezen, driest en in sommige gevallen wreed. Gezellig van aard, evenals alle leden van haar familie, mengen de Eksters zich gaarne onder de Raven en Kraaien en zwerven ook wel met de Notenkrakers rond; zij vereenigen zich echter bij voorkeur met andere dieren van haar soort tot kleine of groote vluchten, welker leden gemeenschappelijk jagen en over 't algemeen innig deelnemen aan elkanders vreugde en leed. Gewoonlijk ziet men ze familiesgewijs. Haar heesche stem klinkt als "sjak" of "krak", welke beide klanken dikwijls verbonden worden tot "sjakerak". Deze geluiden dienen als loktoon en waarschuwingsroep; de intonatie verschilt, al naar de beteekenis, die er aan gehecht wordt. In de lente, vóór en gedurende den paartijd, babbelt zij uren achtereen en laat een verbazingwekkend aantal gelijksoortige en toch verschillende geluiden hooren. Te recht is haar gesnap spreekwoordelijk geworden.
Insekten en Wormen, Slakken, allerlei kleine Gewervelde Dieren, bessen, kersen en andere saprijke vruchten, graankorrels en allerlei zaden maken het voedsel van de Ekster uit. In de lente richt zij groote schade aan; daar zij de nesten van alle Vogels, die zich tegen haar niet kunnen verweren, zonder mededoogen uitplundert en een sterk bevolkten tuin in den letterlijken zin van 't woord uitmoordt. Ook de hoenderparken, eendenfokkerijen, fazantentuinen, de kweekerijen van pluimvee in 't algemeen, hebben veel van haar te lijden; zij vangt zelfs oude Vogels en doet dit, gelijk Naumann zegt, dikwijls geheel onverwachts; daar hare slachtoffers, omdat zij voortdurend met hen in gezelschap is, jegens haar geen argwaan toonen en zich dus, terwijl zij veilig meenen te zijn, door haar laten verschalken. Hoewel zij zich bovendien ijverig met de muizenjacht bezig houdt en vele schadelijke Insecten, Slakken en dergelijk ongedierte vangt en verslindt, moet zij zonder eenigen twijfel tot de schadelijke dieren gerekend worden, daar zij minder bij deze, dan bij de nuttige dieren haar roofzucht openbaart.
De Noren beweren, dat de Ekster op Kerstmis het eerste takje brengt naar de plaats, waar zij nestelen zal; bij ons en in Duitschland gebeurt dit gewoonlijk niet voor het einde van Februari. Zij nestelt veelal in de toppen van hooge boomen, alleen daar, waar zij zich volkomen veilig acht, in hakhout of lage struiken, b.v. in de groote doornstruiken van onze duinen. Dorre rijsjes en doornen vormen de grondlaag van haar nest; hierop volgt een dikke laag leem, dan eerst komt de eigenlijke nestholte, die uit haren van dieren en fijne wortelvezels bestaat en zeer zorgvuldig bewerkt is. Het geheele nest wordt van boven, op een zijdelingsche opening na, met een dak van doornen en droge rijsjes voorzien, dat wel doorzichtig is, maar den broedenden Vogel toch volkomen tegen mogelijke aanvallen van Roofvogels beveiligt. Het broedsel bestaat uit 7 of 8 eieren, die op groenachtigen grond met olijfbruine streepjes en vlekjes bedekt zijn. Na een bebroeding van drie weken komen de jongen uit; deze worden vervolgens door de beide ouders met Insecten, Regenwormen en slakken gevoederd, totdat zij zelfstandig zijn. Zoowel de vader als de moeder toonen veel liefde voor hun kroost en verlaten het nooit. Het is ons gebleken, dat een Ekster, waarop wij geschoten hadden, nog voortging met broeden met een hagelkorrel in zijn lichaam. Weinige Vogels naderen hun nest met grooter voorzichtigheid dan de Ekster, die alle mogelijke listen in toepassing brengt, om de plaats waar zij broedt, geheim te houden.
Jong uit het nest genomen Eksters worden buitengewoon tam, kunnen met vleesch, brood, gestremde melk, versche kaas gemakkelijk grootgebracht worden, geraken zoozeer gewoon aan de gevangenschap, dat men ze naar vrije verkiezing kan laten rondvliegen, laten zich tot het verrichten van kunstjes africhten, leeren liedjes fluiten en enkele woorden spreken en verschaffen hare verzorgers hierdoor veel genoegen, door haar zucht tot het wegnemen van schitterende voorwerpen trouwens ook last.
De mensch, die de kleine vogeltjes tracht te beschermen, wordt vroeger of later een beslist vijand van de Ekster en verdrijft haar zonder medelijden uit het aan zijn zorg toevertrouwde gebied. Door haar slimheid en sluwheid weet zij zelfs den geoefendsten jager in spanning te houden en hem te nopen van verstand en list gebruik te maken. Behalve den mensch, heeft deze schrandere en moedige Vogel waarschijnlijk alleen van de sterkste Roofvogels vervolgingen te verduren. Het meest heeft zij den Havik te vreezen, tegen wiens aanval alleen dicht struikgewas haar beveiligen kan.
De Blauwraven (Cyanocorax) behooren in Middel- en Zuid-Amerika thuis. Een van de meest verbreide soorten van dit geslacht is de Kapdragende Blauwraaf (Cyanocorax chrysops), zoo genaamd, omdat de opstaande, fluweelzwarte veeren van den bovenkop en den voorkop duidelijk te samen één geheel uitmaken en een soort van kap vormen. Bovendien hebben ook de teugels, de zijden van den hals, de keel en de voorhals tot aan de borst een koolzwarte kleur; de nek, de rug, de vleugels en de staartveeren (voor zoover deze niet door de vleugels bedekt worden) zijn ultramarijnblauw, aan den wortel zwart; de onderdeelen, van de borst tot aan de stuit, de onderdekveeren van den vleugel en de spits van den staart zijn geelachtig wit; boven en onder het oog komt een hemelsblauwe, breede, halvemaanvormige vlek voor; een dergelijke vlek versiert den wortel van den ondersnavel; de eerstgenoemde is van boven zilverkleurig gezoomd. De oogen zijn geel, de snavel en de pooten zwart. Deze 35 à 37 cM. lange Vogel (staartlengte 17 cM.), bewoont alle warme gewesten van Zuid-Amerika, van Paraguay af noordwaarts.
De Kitta's (Cissa) zijn slank gebouwde, voor 't meerendeel Indische Vogels, met schitterend gekleurde veeren. De Langstaartige Chineesche Kitta (Cissa erythrorhyncha), een der fraaiste soorten van dit geslacht, heeft een lengte van 58 cM., waarvan 42 cM. op den staart komen. De kop, de hals en de borst zijn, met uitzondering van een witte, overlangsche vlek, die zich over den kop en den rug uitstrekt en langzamerhand in blauw overgaat, donkerzwart; de rug en de mantel zijn licht kobaltblauw; de bovendekveeren van den staart hebben dezelfde kleur, maar zijn met een breede, zwarte spits voorzien; de onderdeelen, bij de borst te beginnen, zijn witachtig met een roodachtig aschkleurige tint, de vleugels schitterend kobaltblauw, de binnenvlag van de slagpennen echter zwart; alle vleugelveeren hebben witte spitsen. De oogen zijn karmijnroodbruin, de pooten bleek vermiljoenrood, de snavel is koraalrood.
De Langstaartige Chineesche Kitta komt voor in het westelijk gedeelte van den Himalaja. In China, vooral in de bosschen om Hongkong, wordt zij veelvuldig aangetroffen. In Oost-Indië (o.a. op Sumatra) ontmoet men een meer groenblauwe, langstaartige soort (Cissa venatoria). De Javaansche (Cissa thalassina) draagt, evenals de vorige, een kleine kuif op den kop, maar heeft een korteren staart. De Chineesche Kitta is een schrander, waakzaam dier, dat andere Vogels waarschuwt tegen loerende Roofdieren. Vooral den Luipaard volgt zij dikwijls mijlen ver en maakt, dat hem menige buit ontgaat. Als loktoon en waarschuwend sein laat zij een schel "pienk pienk pienk" hooren, dat door een luid gesnater wordt gevolgd. Haar voedsel bestaat uit Insecten en vruchten.
In China wordt deze soort soms in de kooi gehouden en met rauw vleesch, jonge of kleine Vogels, Insecten en dergelijke stoffen gevoederd. Van hier worden soms enkele van deze prachtige Vogels naar Europa overgebracht.
De Gaaien (Garrulus) onderscheiden zich van de tot dusver genoemde Raafvogels door den korten en stompen snavel, met of zonder haakvormig omgebogen spits aan de bovenkaak, door de zwakke pooten, de zeer korte, sterk afgeronde vleugels, den betrekkelijk langen, nagenoeg recht afgesneden of zwak trapvormigen staart en het goed gevulde, zachte, losbaardige, bontgekleurde vederenkleed.
Alle leden van deze onderfamilie leven veel meer op boomen en veel minder op den grond dan de Eigenlijke Raven. Hoogst zelden vereenigen zij zich tot talrijke vluchten; meestal vormen zij kleine troepen of familiën, die den geheelen dag in het bosch rondzwerven, van den eenen boom op den anderen overgaande. Wegens hunne korte vleugels is hun wijze van vliegen meer wankelend, minder vast dan die van de Raven; zij zijn niet in staat zich tot aanzienlijke hoogten te verheffen en denken er nooit aan zich, evenals de leden der vorige onderfamilie, met vliegoefeningen te vermaken. Ook op den bodem zijn zij niet goed thuis, hun gang is gewoonlijk een gebrekkig huppelen. In de boomkronen zijn zij op hun plaats; hier bewegen zij zich in meerdere of mindere mate behendig. Hunne zintuigen zijn ongeveer even volkomen als die der Raven; slechts bij uitzondering echter bereiken hunne verstandelijke vermogens den trap van ontwikkeling, waardoor de Raven zich over 't geheel genomen onderscheiden. Hun aard komt eenigermate overeen met dien van de Klauwieren; even wreed en roofgierig als deze, bezitten zij echter niet hun moed en evenmin de stoutmoedigheid der Raven. Hun voedsel ontleenen zij zoowel aan het plantenrijk als aan het dierenrijk. Gedurende een deel van 't jaar voeden zij zich bijna uitsluitend met vruchten, terwijl in een ander seizoen de nesten van allerlei Vogels door hen op de onmeedoogendste wijze geplunderd worden. Wegens deze eigenschappen zijn zij over 't algemeen niet bemind, hoewel zij door sommige begaafdheden, vooral door hun groote geschiktheid voor het nabootsen van verschillende stemmen, den mensch voor zich weten in te nemen.
Onze Vlaamsche Gaai, in Gelderland Eikelaakster, in Overijsel Merklouw, in Friesland Houtekster genoemd (Garrulus glandarius), kenmerkt zich door den korten, krachtigen, langs den rug weinig gebogen snavel, den middelmatig langen loop, de korte, sterk afgeronde vleugels, den middelmatig langen, zacht afgeronden staart en het zeer ruim voorziene, zachte, losbaardige, op den kop kuifvormig verlengde vederenkleed, welks fraaie, wijnroodachtig grijze hoofdkleur aan de bovendeelen donkerder, aan de onderdeelen lichter is; de witte veeren van de kuif zijn ieder op 't midden met een lancetvormige, zwarte, blauwachtig gerande vlek geteekend; de teugel is geelachtig wit met donkerder overlangsche strepen; de keelveeren zijn wit; een breede en lange baardstreep aan weerszijden en de schouderveeren zijn fluweelachtig zwart, de handpennen bruinzwart, aan de buitenzijde grijsachtig wit gezoomd; de witte wortelhelften van de (overigens fluweelachtig zwarte) armpennen vormen op den vleugel een spiegel, die dicht bij den wortel blauw geschubd is; de bovendekveeren van den vleugel hebben een zwarte binnenvlag en een hemelsblauwe buitenvlag; zij zijn met witte en zwarte dwarsstreepjes voorzien, waardoor een prachtig schild ontstaat; de staartpennen eindelijk zijn zwart, aan haar wortelhelft met meer of minder duidelijke, blauwe, dwarse teekening. De oogen zijn parelkleurig, de pooten bruinachtig vleeschrood; de snavel is, evenals bij alle overige inheemsche Raafvogels, zwart. Van de 34 cM. lengte komen 15 cM. op den staart.
In ons land is de Vlaamsche Gaai overal te vinden, waar bosschen zijn; zelfs bewoont hij het houtgewas om buitenplaatsen of groote tuinen. Men treft hem hier het geheele jaar door aan; reeds van verre verraadt hij zijn aanwezigheid door zijn schelle, krijschende stem. Hij bewoont alle bosschen van Europa, met uitzondering van die der noordelijkste gewesten. In Duitschland is hij algemeen, in de dichtste bosschen zoowel als in boschranden en in de door velden omgeven boschjes, in het naaldhout bijna even veelvuldig als in de breedbladige boomen. In 't voorjaar leeft hij paarsgewijs, gedurende de overige gedeelten van het jaar in familiën en troepen; hij zwerft door een beperkt gebied. Streken, waar geen eiken groeien, worden soms voor weken, ja zelfs voor maanden door hem verlaten; over 't algemeen echter blijft hij jaar in, jaar uit zijn woonplaats getrouw. Rusteloos, beweeglijk, listig, ja zelfs buitengewoon schuw van aard, verschaft hij den mensch door zijn werkzaamheid veel genoegen, maar ook veel ergernis. Hij neemt tot tijdverdrijf allerlei standen aan en bootst de meest verschillende geluiden voortreffelijk na. Zijne bewegingen te midden van de twijgen zijn zeer behendig; tamelijk goed weet hij zich op den grond te redden; het vliegen gaat hem niet goed af, hij ziet er daarom zeer tegen op over uitgestrekte, open terreinen te vliegen. Zoolang mogelijk houdt hij zich in de struiken op; bij het vliegen over vrije ruimten maakt hij gebruik van iederen boom om zich te dekken. Hij leeft in aanhoudende vrees voor Roofvogels, die hem alleen in 't woud niet kunnen bereiken, maar hem gedurende een eenigszins langduriger vlucht onmiddellijk pakken.
Hoogst vermakelijk is het waarlijk uitmuntende talent voor nabootsing van den Vlaamschen Gaai, die ongetwijfeld een der meest begaafde en onderhoudende, inheemsche "spotvogels" is. Zijn gewoon geschreeuw is een krijschend, afschuwelijk "retsj" of "rè", zijn angstroep een weinig minder onwelluidend "kè" of "krè". Soms schreeuwt hij als een Kat "miau"; volstrekt niet zelden zegt hij, wel eenigszins op de wijze van een buikspreker, maar toch volkomen duidelijk, het woord "markolf". Behalve deze klanken, die hem van nature eigen zijn, bootst hij alle tonen en geluiden na, die hij in zijn gebied kan hooren. Het op miauwen gelijkende geschreeuw van den Buizerd bootst hij op de meest volkomen wijze en zoo geregeld na, dat men in twijfel blijft verkeeren, of hij op deze wijze vreemde, dan wel eigen waren aan de markt brengt. Voor de eerstgenoemde meening pleiten verscheidene andere feiten van denzelfden aard. Men heeft hem het gedruisch, dat bij 't scherpen van een zaag ontstaat, hooren nadoen; Naumann hoorde een dezer Vogels onverbeterlijk hinniken als een veulen; andere hebben zich met goed gevolg geoefend in het kraaien als een haan en het kakelen als een hen. De verschillende, hier en daar afgeluisterde tonen worden soms tot een zonderling gesnap of gezang saamgevoegd, dat al of niet welluidend kan zijn. "In den herfst," verhaalt Rosenhein, "ging ik eens, vermoeid van de jacht, in het woud onder een hoogen berk zitten en dacht na over de gebeurtenissen van den dag. Hierin werd ik op een niet onaangename wijze gestoord door het gekweel van een Vogel. Zoo laat in 't jaar, dacht ik, en nog gezang in het reeds winterachtige woud? Wie en waar zou de zanger zijn? Ik keek naar alle naburige boomen, maar vond den virtuoos niet, wiens tonen toch nog altijd krachtig weerklonken. Hun groote overeenkomst met die van den Lijster brachten mij op het denkbeeld, dat deze mij zijn wijsje voorzong. Kort daarna vernam ik echter in kort afgebroken coupletten ook minder volle tonen dan die van den Lijster. Het was, alsof een onzichtbare kring van zangers mij omgaf. Ik hoorde n.l. volkomen duidelijk zoowel het gepik van den Specht als het gekras van de Ekster, iets later weerklonk de stem van de Klauwier, toen die van den Lijster, van den Spreeuw, ja zelfs van den Scharrelaar. Eindelijk zag ik op aanzienlijke hoogte boven mij--een Vlaamschen Gaai! Hij was het, aan wien ik al deze navolgingen te danken had."
Ongelukkig bezit de Vlaamsche Gaai andere eigenschappen, waardoor hij de gunst van den mensch, die hij door zijn talent verwerft, spoedig weer verliest. Hij is alleseter in de uitgestrekte beteekenis van het woord en de afschuwelijkste nestenroover, die onze bosschen bewoont. Alle levende wezens, die niet grooter zijn dan een Muis of een jong Vogeltje, brengt hij in gevaar; hij rooft ook eieren, zonder evenwel bessen en andere saprijke en droge vruchten te versmaden. In den herfst leveren eikels, beukenootjes en hazelnoten dikwijls weken achtereen de hoofdschotel van zijn maal. De eikels laat hij weeken in zijn krop, spuwt ze daarna uit en spalkt ze open; de hardschalige noten hamert hij met zijn krachtigen snavel stuk, hoewel dit niet zonder moeite geschiedt. Terwijl hij eikels plukt, verricht hij een nuttig werk, daar hij door het laten vallen van sommige dezer vruchten tot de verspreiding van den eik bijdraagt. Voor 't overige richt hij alleen schade aan.
Lenz houdt hem voor een hoofdverdelger van de Adder en beschrijft uitvoerig, hoe deze Vogel jonge Adders, zoo vaak hij ze ontmoet, zonder schroom den kop opensplijt en ze daarna met veel smaak opeet; zelfs de volwassene overmeestert hij, zonder zich aan hare vergiftige beten bloot te stellen, daar hij in den kop van den Slang zoo ijverig met den snavel pikt, dat het dier weldra het bewustzijn verliest en door eenige snel opeenvolgende pikken binnen weinige minuten gedood wordt. De genoemde onderzoeker schat den Vlaamschen Gaai wegens deze heldendaden hoog en heeft hem zelfs in een zeer aardig gedicht verheerlijkt: de roofzucht van onzen Vogel is echter niet alleen tegen het vergiftige gedierte, maar ook, en in nog veel hoogere mate, tegen de nuttige, kleine Vogels gericht. Door zijn roofzucht wordt hij gevaarlijk voor ouden en jongen. Naumann's broeder vond een Vlaamschen Gaai bezig met het dooden van een oude Zanglijster, de moeder van een talrijke kinderschaar, die haar leven, naar het scheen, gewaagd had bij het beschermen van haar kroost; dezelfde waarnemer zag later den Vlaamschen Gaai ijverig en behendig jacht maken op jonge Patrijzen. Trinthammer en A. von Homeijer veroordeelen den Vlaamschen Gaai even sterk, als Lenz hem prijst. "Wat doet deze dolende ridder," vraagt de eerstgenoemde, "deze doortrapte gauwdief, de keurigst opgeschikte vertegenwoordiger van de geheele galgenvogelbende, gedurende den geheelen broedtijd! Van boom tot boom, van struik tot struik zwervend, overrompelt hij de nesten, slurpt de eieren uit, verslindt de al of niet vederlooze nestvogels met huid en haar, pakt en verscheurt de reeds uitgevlogen geelsnavel, die, onbeholpen en onervaren, hem niet gauw genoeg uit den weg gaan. De Sperwer en de drie Klauwieren van onze wouden zijn ook wel booze rakkers; zij alle met elkander richten echter op lange na niet zulk een vernieling aan onder de zangers van het woud als de Vlaamsche Gaai. Hij is de "Negenmaal negen dooder", de "Wurger" in de eigenlijke beteekenis van het woord en als zoodanig versierd met vederpluim en epauletten. Waar deze struikroover de overhand neemt, kan er van toeneming van het aantal Zangvogels geen sprake meer zijn. Mijn beschuldiging is zeker niet te hard."
De broedtijd van den Vlaamschen Gaai valt in de eerste lentemaanden. In Maart begint het paar met den bouw van het nest; in het begin van April is het broedsel gewoonlijk voltallig. Het nest staat zelden hoog boven den grond, soms in den top van een lagen boom, soms in de kroon van een hoogeren, hetzij in 't midden van deze dicht bij den stam, of aan den buitenkant in de twijgen. Het is niet bijzonder groot; de onderste laag bestaat uit fijne, dunne rijsjes, de daarop volgende uit heide of dorre stengels van kruiden, de binnenbekleeding eindelijk uit fijne worteltjes, die zeer netjes gerangschikt zijn. De 5 à 9 eieren zijn op vuil geelwitten of groenachtig witten grond overal met grijsbruine vlekken en stippels geteekend, die aan het stompe einde gewoonlijk kranswijs bijeenstaan. Na een bebroeding van ongeveer 16 dagen verlaten de jongen de eischaal; zij worden aanvankelijk met rupsjes en andere larven, met Kevers, Wormen en dergelijke diertjes, later echter hoofdzakelijk met jonge Vogels gevoederd. Tenzij het paar gestoord wordt, broedt het slechts éénmaal per jaar.
Van oud gevangen Vlaamsche Gaaien beleeft men weinig genoegen, omdat zij zelden tam worden; jong uit het nest genomen exemplaren, die men zelf heeft grootgebracht, kunnen echter hun meester veel voldoening verschaffen. Ook zij leeren soms eenige woorden naspreken en dikwijls korte wijsjes nafluiten. Dat zij in een volière met andere zangvogeltjes niet geduld kunnen worden, spreekt van zelf, want hun roofzucht verloochent zich nooit.
Aan de noordelijke en oostelijke grenzen van het verbreidingsgebied van onzen Vlaamschen Gaai begint dat van den Ongeluksgaai (Garrulus infaustus). Van zijn zooeven beschreven stamgenoot onderscheidt hij zich vooral door den zeer slanken, langs den kinrand (de plaats van vereeniging der beide ondersnavelhelften) sterker gekromden snavel, voorts door den zeer korten loop, den eenigszins trapvormigen staart en het zeer zachte, losbaardige, op den kop niet verlengde vederenkleed. De veeren van bovenkop en nek zijn roetkleurig bruin, die van rug en mantel dof loodgrijs, die van den achterrug en den staartwortel vosrood; de slagpennen hebben een roetbruine binnenvlag, een bruinachtig grijze buitenvlag; de stuurpennen, met uitzondering van de beide middelste loodkleurig grijze, zijn helder vosrood. De oogen zijn donkerbruin, de snavel en de pooten zwart. Totale lichaamslengte 31, staartlengte 14 cM.
Het verbreidingsgebied van den Ongeluksgaai strekt zich uit van Finnmarken tot aan het eiland Sachalin en van de noordelijkste grens van den boomgroei tot 60° N.B., in Siberië waarschijnlijk nog wel iets verder zuidwaarts. Van hier uit bezoekt hij nu en dan lagere breedten en heeft zich bij deze gelegenheid herhaaldelijk ook in Duitschland vertoond.
Zijne bewegingen zijn zeer sierlijk; hij vliegt geheel anders dan onze Gaai, buitengewoon gemakkelijk en zacht, meestal glijdend; de roode veeren van vleugels en staart komen dan goed uit. Bij zijn beweging in de twijgen maakt hij telkens van de vleugels gebruik; hij doet dit zeer snel en behendig: soms klauterend met groote sprongen, soms letterlijk schuivend langs den tak. Om de omgeving te bespieden, hecht hij zich behendig op de wijze van de Spechten aan den stam, meestal echter niet evenwijdig aan de as van den boom, maar in schuinsche richting. De klagende geluiden, die hij soms voortbrengt, hebben aanleiding gegeven tot zijn naam.