Het Leven der Dieren: Deel 1, Hoofdstuk 11: De Evenvingerigen
Chapter 6
Door uiterlijk, aard en bewegingen herinnert de Bezoar-geit sterk aan den Steenbok. Vlug en onbekommerd loopt zij langs moeielijke paden, staat dikwijls uren lang op een vooruitstekende rotspunt en kijkt, op duizelingwekkende hoogte onbeschut, in den ontzaglijken afgrond; zij klimt voortreffelijk en doet met bewonderenswaardigen moed en behendigheid gevaarlijke sprongen. Zij is buitengemeen schuw en weet aan de meeste gevaren te ontkomen.
Gedurende den paartijd, die in November valt, leveren de Bokken elkander langdurige en heete gevechten. In April of Mei brengen de jonge één of twee, de oude geregeld twee jongen ter wereld, zelfs drielingen komen niet bijzonder zeldzaam voor. De jongen volgen de moeder onmiddellijk na de geboorte, en vergezellen haar reeds na den tweeden levensdag op de moeielijkste paden; zij groeien snel en zijn te allen tijde speelsch en tot grappen geneigd.
Levende Bezoar-geiten komen nog steeds zeer zelden in onze dierentuinen voor, hoewel de verzending van dieren dezer soort weinig bezwaren aanbiedt, indien zij sinds hun vroegste jeugd in gevangenschap geleefd hebben.
Een thans nog veelvuldig verbreide meening, waarvan de onjuistheid echter reeds lang geleden aangetoond werd, is oorzaak, dat deze wakkere bergbewoners in vele landen van Azië door den mensch fel vervolgd worden. In de pens van vele Herkauwers vindt men namelijk rondachtige lichamen, ziekelijke verhardingen, die men tot op zekere hoogte zou kunnen vergelijken met de bekende galsteenen en blaassteenen. Zij hebben al naar de diersoort, waarbij zij aangetroffen worden, een verschillende samenstelling. Soms, zooals bij ons vee, bestaan zij grootendeels uit plantvezels en haren, die bij wijze van vilt met elkander vereenigd zijn; deze worden gewoonlijk "gemsballen" (_Bezoar germanicus_) genoemd. In andere gevallen, b.v. bij de Lamas en Vicuñas, is het hoofdbestanddeel dezer concrementen een niet brandbare en niet smeltbare stof, n.l. phosphorzure kalk (_Bezoar occidentalis_). De zoogenaamde "Oostersche Bezoar" echter bestaat geheel uit een organische stof; soms uit een eigenaardig vetzuur, soms uit een op galnotenzuur gelijkende verbinding. Aan deze voorwerpen worden belangrijke geneeskrachtige eigenschappen toegeschreven. Terecht werd dit reeds door Bontius ontkend. In vele landen o. a. in Indië en Perzië, wordt dit kwakzalversmiddel ook thans nog hooggeschat en duur betaald; hierdoor worden ondernemende jagers aangelokt om een waren verdelgingsoorlog te voeren tegen de dieren, welke dit kostbare product leveren. De Bezoar-geit ontleent haar naam aan de zeer verbreide meening, dat bij haar de "Bezoar" veelvuldiger voorkomt dan bij andere Herkauwers.
De bewoners van de Grieksche eilanden, van den Kaukasus en van den Cilicischen Taurus hechten, naar het schijnt aan de Bezoar-ballen geen waarde; de wilde Geiten worden in deze deelen van haar verbreidingsgebied alleen ter wille van haar vleesch, haar huid en haar hoornen gejaagd. Het voordeel, dat deze jacht oplevert, is niet onbelangrijk. Het zeer smakelijke vleesch van de Bezoar-geit herinnert aan dat van onze Ree en is even zacht en malsch als dit; het wordt in verschen toestand gebruikt, of in lange smalle strooken gesneden en aan de lucht gedroogd om het voor later te bewaren. De langharige huid van het in den winter gedoode dier doet bij de Muzelmannen dienst als bidtapijt en wordt door hen hooggeschat, omdat zij de daaraan hechtende, sterke lucht aangenaam vinden. Het kortharige vel, dat des zomers buitgemaakt wordt, levert de grondstof voor de lederen zakken, die in het Oosten tot berging van vloeistoffen dienen; van de hoornen vervaardigt men sabelgevesten, kruithorens enz.; van den dooden Bezoar-bok wordt dus zeer goed partij getrokken.
De geschiedenis en de overlevering werpen in 't geheel geen licht op het vraagstuk van de _afstamming van de Huisgeit_ en van hare buitengewoon talrijke rassen. Wij zijn niet in staat om te bepalen, wanneer de eene of de andere wilde soort huisdier is geworden, òf er kruisingen hebben plaats gehad, en zoo ja, in welken tijd dit voor 't eerst geschiedde; evenmin is het bekend, hoe de kenmerkende eigenschappen van de rassen--die, naar duidelijk gebleken is, sedert duizenden van jaren onveranderd overerfden--zich ontwikkeld hebben.
Als het edelste van alle rassen mogen wij wel de _Angora-geit_ (_Capra hircus angorensis_) aanmerken. Zij is een fraai, groot dier van ineengedrongen lichaamsbouw, met stevige pooten, korten hals en kop, zeer eigenaardig gekromde horens en een vreemdsoortig haarkleed. De dieren van beiderlei geslacht zijn met hoornen gewapend. Die van den bok zijn nagenoeg lintvormig samengedrukt, scherpkantig en van achteren stomp toegespitst; gewoonlijk gaan zij in horizontale richting van den kop uit, vormen een lange dubbele schroefwinding en zijn met de spits naar boven gericht; zij hebben dus een drievoudige kromming ondergaan. De geit heeft kleinere, zwakkere, ronde enkelvoudig gebogen hoornen. Korte, glad aanliggende haren komen niet anders voor dan op het aangezicht, de ooren en de onderste gedeelten van de pooten; de overige lichaamsdeelen zijn bedekt met een zeer dikke vacht, welke uit dichte en lange, fijne, zachte, glanzige, zijdeachtige en tot lokken vereenigde, gekroesde haren bestaat. Een tamelijk lange, uit stijve of harde haren samengestelde baard versiert de onderkaak zoowel bij het mannetje als bij het wijfje. Verreweg de meeste leden van dit geitenras zijn eenkleurig en wel schitterend wit; die, welke op lichten grond donkere vlekken vertoonen, zijn zeldzamer. In den zomer valt de vacht bij zeer groote vlokken uit, maar groeit zeer snel weer aan. Fransche fokkers hebben bevonden, dat één zoo'n vacht 1.25 à 2.5 KG. weegt.
Naar het schijnt, hebben de ouden de Angora-geit in 't geheel niet gekend. Belon was de eerste, die melding maakte van een "wolgeit", waarvan de vacht zoo fijn is als zijde en zoo wit als sneeuw, en tot het vervaardigen van kamelot dient. De naam van dit dier is ontleend aan de kleine stad Angora, in het Turksche pasjalik Anadoli in Klein-Azië, die reeds bij de ouden onder den naam Ankyra als handelsstad zeer beroemd was. Bijna iedere bewoner van deze plaats houdt zich met den wolhandel bezig. Het vaderland van de Angora-geit is droog en heet in den zomer, maar zeer koud in den winter, die echter slechts 3 of 4 maanden duurt. Eerst wanneer de bergen geen voedsel meer opleveren, worden de Geiten in slecht ingerichte stallen gehuisvest; gedurende het overige deel van 't jaar moeten zij op de weide blijven. Zij zijn zeer gevoelig voor temperatuurswisselingen, hoewel de slechte behandeling er niet toe bijdraagt om ze te verweekelijken. Zuivere, droge lucht is volstrekt noodig voor hun welstand. Gedurende het warme jaargetijde wordt de vacht verscheidene malen (éénmaal per maand) gewasschen en gekamd, om haar fraai te doen blijven.
Het geheele aantal Geiten in Anadoli wordt op een half millioen geschat. Deze worden in April geschoren. Op één bok komen in den regel honderd of meer geiten. Angora alleen levert bijna 1 millioen KG. wol, ter waarde van 2.16 millioen gulden. Een deel van de wol wordt in het land zelf gebruikt tot het vervaardigen van sterke stoffen voor de mannen en van fijnere voor de vrouwen; ook worden er kousen en handschoenen van gemaakt; al het overige gaat naar Engeland. Deze vezelstof heet angora-wol, kemelshaar of mohair; de hiervan geweven stoffen noemt men mohair, lustre enz. Men heeft opgemerkt, dat de fijnheid van deze wol afneemt, naarmate de Geiten ouder worden.
Kort nadat de Angora-geit in Europa bekend werd, is men begonnen pogingen te doen, om haar in ons werelddeel te acclimatiseeren. Tot dusver heeft men geen reden tot klagen gehad over den uitslag van deze proefnemingen, die aanleiding hebben gegeven tot het fokken van dit ras in Spanje, Italië, Frankrijk en Zweden; zelfs wordt beweerd, dat de wol van de in Frankrijk geboren dieren fijner is, dan die van hunne stamouders.
Ook in Kaapland werd dit ras met uitnemend gevolg gefokt. De vraag naar fokdieren is daar zoozeer toegenomen, dat in het jaar 1880 de beste, pas ingevoerde bokken met 1200 à 4800 gulden per stuk betaald werden. Het fokken slaagde naar wensch: de jongen groeiden voorspoedig op. De uitvoer van mohair nam buitengewoon snel toe: in het jaar 1862 bedroeg zij nog geen 500 KG.; in het jaar 1885 echter reeds 2.4 millioen KG., voor een aangegeven waarde van 1.44 millioen gulden. Het is dus niet te verwonderen, dat de Kapenaars de hoop voeden, de Aziaten, zoowel wat de hoeveelheid als wat de kwaliteit van hun mohair betreft, weldra te zullen overvleugelen.
Weinig minder geschat dan het zooeven beschreven ras, is de _Kasjmir-geit_ (_Capra hircus laniger_), een tamelijk klein, maar bevallig gebouwd dier, van bijna 1.5 M. totale lengte, en 60 cM. schouderhoogte. De korte, buitengewoon fijne, weinig gekroesde, zachte, donsachtige wol wordt bedekt door lange, stijve, fijne en sluike bovenharen; alleen het aangezicht en de ooren zijn kort behaard. De kleur is verschillend. Gewoonlijk zijn de zijden van den kop, de staart en de overige deelen van den romp zilverwit of licht geelachtig. Het verbreidingsgebied van deze fraaie Geit reikt van Tibet over Boekhara tot in het land der Kirgiezen. Zij werd in Bengalen ingevoerd; in de gebergten van Tibet, waar zij zelfs bij de strengste koude in de open lucht vertoeft, is het aantal dezer dieren zeer groot.
Gedurende langen tijd was men in het onzekere over het dier, welks haar voor het vervaardigen van het "kasjmier", de fijnste van alle wollen stoffen, dient. Door Bernier, een Fransch geneesheer, die in het jaar 1664 in het gevolg van den Groot-Mogol Tibet bezocht, vernam men, dat twee Geiten, waarvan de eene in 't wild leeft, en de andere als huisdier wordt gehouden, deze wol leveren. Het meest gezocht is het zuiver witte wolhaar, dat geheel de glans en de fraaiheid van zijde heeft. Ieder dier levert O.3 à 0.4 KG. van deze op dons gelijkende wol. Voor het weven van één sjaal heeft men de wol van 10 à 20 geiten noodig.
Naar men zegt, bestonden er in Kasjmir gedurende de heerschappij van den Groot-Mogol 40.000 sjaal-weverijen; langzamerhand echter is deze tak van nijverheid zoozeer achteruitgegaan, dat van de 60.000 menschen, die door het sjaal-weven hun kost verdienden, duizenden door gebrek aan werk genoodzaakt werden, het land te verlaten. Thans heeft de sjaal-weverij haar oude vlucht nog niet herkregen.
Het is licht te begrijpen, dat men reeds voor vele jaren op het denkbeeld is gekomen, de zooveel winst afwerpende Kasjmir-geit in Europa te acclimatiseeren. Ternaux, die de sjaal-weverijen in Frankrijk invoerde, kwam op het denkbeeld zich dieren van dit ras te verschaffen; de beroemde Jaubert hielp hem dit doel te bereiken. In het jaar 1818 scheepte deze reiziger zich naar Odessa in, en vernam hier, dat de nomadische stammen in de steppen tusschen Astrakan en Orenburg Kasjmirgeiten hielden; hij bezocht deze menschen, overtuigde zich door nauwkeurig onderzoek van het wolhaar, van de echtheid van het ras hunner Geiten en kocht er 13000 stuks van. Deze kudde bracht hij naar Kaffa in de Krim, scheepte zich hier met hen in en landde in April 1819 te Marseille. Slechts 400 stuks hadden de lange, moeielijke reis kunnen doorstaan, en deze hadden zoo sterk geleden, dat men zeer betwijfelde, of zij voor de fokkerij zouden kunnen dienen. Vooral de bokken waren zeer verzwakt. Gelukkig werd bijna te gelijker tijd een flinke bok van dit ras, dien de Fransche natuuronderzoekers Diard en Duvaucel in Indië ten geschenke hadden gekregen, door hen aan den Parijschen dierentuin gezonden. Hij werd de stamvader van alle Kasjmir-geiten, die thans in Frankrijk voorkomen, en welke aan dit land 7.2 à 9.6 millioen gulden opleveren. Uit Frankrijk werd de Kasjmirgeit ook naar Oostenrijk en Wurtemberg overgebracht; hier echter leverde het fokken van dit ras ongunstige uitkomsten op.
De _Mamber-geit_ (_Capra hircus mambrica_) gelijkt door hare lange haren eenigszins op de Kasjmir-geit, maar verschilt van deze door de buitengewoon lange, slap afhangende ooren, die bij geen andere Geit zoo groot zijn en zulk een vorm hebben. In grooten getale vindt men haar tegenwoordig in de nabijheid van Aleppo en Damascus. In verscheidene landen van Azië komt zij voor; de Kirgiezische Tartaren o.a. hebben groote kudden van deze dieren.
Verder verdient, mijns inziens, vermelding de _Nijl-geit_ of _Egyptische geit_ (_Capra hircus aegyptiaca),_ welker afbeeldingen zoo veelvuldig aangetroffen worden op oude gedenkteekenen. Zij is aanmerkelijk kleiner dan onze Huisgeit, maar staat hooger op de pooten en heeft korter hoornen. Vooral onderscheidt zij zich door haar kleinen kop en zeer grooten ramsneus. De mannetjes zoowel als de wijfjes van dit ras zijn dikwijls ongehoornd; hoogstens komen bij deze dieren kleine, dunne, onbeduidende hoorntjes voor; die, welke ik gezien heb, misten bovendien den baard. Meestal zijn zij levendig roodbruin van kleur. In het Beneden-Nijldal worden deze dieren algemeen gefokt; tot in Middel-Nubië treft men ze aan; hooger op worden zij door een ander ras vervangen.
Het zooeven bedoelde ras is de _Dwerg-geit_ (_Capra hircus reversa_), een dier van hoogstens 70 cM. lengte, 50 cM. schouderhoogte en niet meer dan 25 KG. gewicht, een der bevalligste leden van de geheele groep. Haar op korte en stevige pooten rustende romp is ineengedrongen; de betrekkelijk breede kop draagt bij beide geslachten korte hoornen, die ternauwernood zoo lang zijn als een vinger. De tamelijk korte, maar dichte beharing is gewoonlijk donker van kleur: meestal ten deele zwart, ten deele roodachtig vaal. Misschien mag men alle landen tusschen de Witte Rivier en den Niger als het vaderland van dit ras beschouwen.
De _Huisgeit_ is tegenwoordig bijna over de geheele aarde verbreid. Daar het nut van dit dier algemeen erkend wordt, treft men het aan bij alle volken die een eenigszins geregeld leven leiden. De betrekking, waarin het tot den mensch staat, is zeer ongelijk: de meeste Huisgeiten grazen over dag nagenoeg volgens eigen verkiezing en worden alleen 's nachts onder het toezicht van den mensch gehouden. Verwilderde Geiten ontmoet men waarschijnlijk alleen hier en daar in de gebergten van Zuid-Azië en op eenige eilanden van de Middellandsche Zee.
De veel besproken Geiten van het Eiland _Robinson_ in den Stillen Oceaan (waar vijf-of zesmaal Robinsonaden voorgevallen zijn, van welke de meest bekende door De Foe tot een roman werd verwerkt) stammen af van eenige individuën, die door den ontdekker van dit eiland, Juan Fernandez, in het jaar 1563 achtergelaten werden. Deze Geiten vermenigvuldigden zich buitengewoon sterk in haar nieuw vaderland, dat bergachtig en voor haar gedijen uitnemend geschikt is. (Dit eiland is sinds kort door een vulcanische uitbarsting geheel verwoest.)
De Geit is voor het gebergte geschapen; hoe woester tafereelen het aanbiedt, hoe rijker het is aan steilten en afgronden, des te beter gevoelt zij zich er thuis. In het zuiden van Europa en in de gematigde gewesten van de andere werelddeelen zal men waarschijnlijk in ieder gebergte kudden grazende Geiten ontmoeten. Zij zijn in staat om de eenzaamste rotsen te verlevendigen en aan de treurigste oorden bekoorlijkheid te verschaffen.
Door allerlei karaktertrekken verschilt de Geit van het Schaap, dat in lichamelijk opzicht zooveel op haar gelijkt. Zij is een vroolijk, wispelturig, nieuwsgierig, plaagziek, tot grappenmaken geneigd dier, waarin ieder onbevooroordeelde behagen moet scheppen. Lenz heeft haar op de volgende, uitmuntende wijze beschreven: "Reeds als het sikje een paar weken oud is," zegt hij, "heeft het grooten lust om zijne merkwaardige sprongen af te wisselen met halsbrekende ondernemingen. Altijd wil het hooger op. Te klauteren op hoopen hout of steen, op muren of rotsen, de trappen op te gaan, is voor een Geit een groot vermaak. Dikwijls is zij na het bereiken van haar doel nauwelijks of in 't geheel niet in staat weder naar beneden te komen. Zij weet niet, wat het is duizelig te zijn: rustig gaat of ligt zij aan den rand van den vreeselijksten afgrond.--Verschrikkelijk zijn de gevechten, die de gehoornde bokken, ja zelfs de geiten, elkander leveren, wanneer zij elkander voor de eerste maal ontmoeten. De schok van de tegen elkander stootende hoornen is op een afstand hoorbaar. Zonder medelijden stooten zij elkander tegen de oogen, den bek, den buik, alnaar het uitkomt en schijnen intusschen volkomen gevoelloos te zijn; toch laat zulk een strijd, die dikwijls een kwartier duurt, ternauwernood andere sporen na, dan misschien een rood oog. Ongehoornde Geiten vechten zoowel onderling als met gehoornde soortgenooten; zij geven er niet om, of het bloed hun over den kop en het voorhoofd vloeit. De ongehoornde dieren trachten ook wel te bijten; maar kunnen op deze wijze geen kwaad doen. Geen van hen verweert zich met de pooten. Als men een Geit, die aan het gezelschap van hare soortgenooten gewoon is, alleen opsluit, blaat zij op een erbarmelijke wijze; dikwijls weigert zij het eten en drinken gedurende langen tijd. Evenals de mensch heeft ook de Geit allerlei nukken: de moedigste wordt soms door onbeduidende dingen zoozeer verschrikt, dat zij hals over kop wegloopt en niet te houden is."
De bok heeft iets ernstigs en waardigs in zijn geheele houding en onderscheidt zich ook door grootere vermetelheid en uitgelatenheid van de geit. "Als er gesnoept, gespeeld of gevochten zal worden," zegt Tschudi, "toont hij duidelijk zijn lichtzinnigen aard. Het Schaap heeft slechts gedurende zijn jeugd een opgewekt humeur, zoo ook de Steenbok; de Geit behoudt haar vroolijkheid langer dan zijne beide verwanten. Zonder eigenlijk in ernst twistziek te zijn, daagt zij gaarne iemand tot een tweegevecht uit." Ik denk nog steeds met genoegen terug aan een zeer forschen geitebok, die rustig lag te herkauwen in het dorp, waar ik als jongen woonde. Het was in den vroolijken schooljongenstijd, en wij, baldadige knapen, konden het niet van ons verkrijgen, het op zijn gemak uitgestrekte dier ongestoord te laten. Eén van ons daagde door een stoot met de vlakke hand den Bok tot een tweegevecht uit. Deze stond langzaam op, rekte zich uit, bedacht zich eerst geruimen tijd, ging vervolgens vóór zijn uitdager staan en vatte de zaak veel ernstiger op, dan deze gewenscht had. Hij vervolgde ons door het geheele dorp, bepaald ontevreden, dat wij hem den rug toekeerden; want, zoodra een van ons zich omdraaide om naar hem te kijken, ging hij oogenblikkelijk in vechtpostuur staan en knikte op een veelbeteekenende wijze met den kop. Eerst nadat hij ons ongeveer 10 minuten ver begeleid had, en tot zijn groote spijt bemerkte, dat met zulke lafaards geen twist eerlijk uitgevochten kon worden, verliet hij ons en draafde, mokkend over het voorbijgaan van de gelegenheid om zijn moed te toonen, naar het dorp terug.
De Geit is den mensch van nature genegen; zij is eergierig en in hooge mate belust op liefkoozingen. In de hooge bergstreken begeleidt zij den wandelaar, smeekend en zich tegen hem aan vleiend, dikwijls meer dan een half uur. Wie haar, al is het ook maar éénmaal, iets gegeven heeft, wordt niet door haar vergeten, en vol vreugde begroet hij een nieuwe ontmoeting. Als een Geit weet, dat haar meester haar genegen is, toont zij zich ijverzuchtig als een verwende Hond en valt iedere andere Geit, zoodra deze door haar gebieder wordt voorgetrokken, met de hoorns aan. Zij is schrander en verstandig, en bemerkt het wel, wanneer de mensch haar onrecht heeft gedaan, of haar onrechtmatig bestraft heeft. Goed gedresseerde bokken trekken den bokkenwagen bereidwillig en met genoegen; zij weigeren echter uitdrukkelijk dezen arbeid te verrichten, zoodra zij gekweld of noodeloos geplaagd worden. Er zijn echter nog duidelijker bewijzen te vinden voor het goed ontwikkelde verstand van deze dieren. Het is bekend, dat Geiten afgericht kunnen worden om op het bevel van hun meester zeer verschillende werkzaamheden te verrichten. Dat zij echter, zonder hiertoe afgericht te zijn, duidelijk antwoord kunnen geven op vragen, die men haar doet, kan ik op grond van persoonlijke ervaring verzekeren. Mijn moeder houdt Geiten en stelt er veel prijs op; zij is er daarom bijzonder op gesteld, dat deze dieren goed verzorgd worden. Dadelijk kan zij gewaar worden, of hare beschermelingen tevreden zijn, of niet. Het is voldoende, dat zij zich naar 't venster begeeft en het vraagt. Zoodra de Geiten de stem van haar gebiedster hooren, beginnen zij luid te schreeuwen, ingeval zij de een of andere reden van klagen meenen te hebben, zoo niet, dan zwijgen zij stil. Wanneer deze dieren in den tuin komen en met een paar zweepslagen van de bloembedden of vruchtboomen verdreven worden, hoort men geen kik van hen; als echter de dienstmeid hen in den stal een slag geeft, schreeuwen zij erbarmelijk.
In het hoogland van Spanje gebruikt men de Geiten wegens haar groote schranderheid als aanvoerders en gidsen van de schapenkudden. De edelste rassen van Schapen grazen daar gedurende den geheelen zomer in het hooge gebergte, in het zuiden dikwijls op hoogten van 2000 of 3000 M. boven den zeespiegel. Hier zouden de herders zich zonder Geiten in 't geheel niet kunnen redden. Deze zoo nuttige dieren worden evenwel als een noodzakelijk kwaad beschouwd; omdat zij de Schapen tot gevaarlijke klimpartijen verleiden.
In Griekenland ziet men bijna geen ander vee dan Geiten; zij bewonen alle bergen en zijn voor den wandelaar reeds op een afstand merkbaar door den zeer duidelijken bokkenstank, dien zij verbreiden.--In vele gewesten worden de Geiten aan zichzelf overgelaten; dit geschiedt ook dikwijls in de Alpen. Zij worden in een bepaald, zeer afgelegen gebied gedreven om hier te grazen, en in den herfst weer bijeen gezocht; niet zelden ontbreekt dan de eene of andere op het appèl. Om dit verlies zoo gering mogelijk te maken, brengt een knecht dagelijks, dikwijls trouwens slechts éénmaal per week, zout naar de weideplaats van de Geiten, die op de hiervoor bestemde, haar welbekende steenklomp, ter bepaalder tijd met groot verlangen naar dit geschenk uitzien.
In het binnenland van Afrika grazen de Geiten eveneens naar eigen goedvinden, maar worden 's avonds opgesloten in een zoogenaamde "seriba" of omheining van doornen, waar zij tegen de Roofdieren beveiligd zijn. Ook in West-Afrika loopen zij naar vrije verkiezing rond, beklimmen lage boomen met scheef geplaatste stammen, en klauteren zelfs bij afschuttingen met dwarsgerichte balken omhoog. Daar, waar Luipaarden, haar ergste vijanden, voorkomen, worden zij des nachts goed opgeborgen. Zij zijn den menschen, ook den Europeanen, genegen; de reiziger, die Geiten medeneemt, heeft zich hoogstens in den eersten tijd om haar te bekommeren, want meestal hebben zij zich reeds na verloop van eenige dagen geheel aan het reizen met de karavaan gewend.
Amerika heeft hare Geiten van de Europeanen gekregen. Zij zijn thans van het zuiden tot het noorden over dit werelddeel verbreid. Aan het fokken van dit vee wordt echter niet overal de noodige zorg besteed; in vele gewesten wordt het zelfs zeer verwaarloosd, zoo b.v. in Peru en Paraguay, in Brazilië en Suriname; in Chili wordt er beter voor gezorgd. In Australië werd dit nuttige huisdier eveneens ingevoerd; het heeft hier een groote verbreiding gekregen.