Het Leven der Dieren: Deel 1, Hoofdstuk 11: De Evenvingerigen
Chapter 1
Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
ELFDE ORDE.
DE EVENVINGERIGEN (Artiodactyla).
In de orde van de _Evenvingerigen_ vereenigt men alle Hoefdieren, bij welke aan iederen voet slechts 2 teenen tot ontwikkeling zijn gekomen, of althans de drie overige aanmerkelijk overtreffen. De derde en vierde teen, dus die, welke bij den mensch middelvinger en ringvinger heeten, zijn bij de Evenvingerigen buitengewoon krachtig ontwikkeld; de eene even sterk als de andere, terwijl de beide andere meer of minder in ontwikkeling achtergebleven zijn. De eerste teen (de duim van den mensch) is bij alle Evenvingerigen volkomen verdwenen. Het geraamte onderscheidt zich bovendien door de groote standvastigheid van het getal rug- en lendewervels, dat altijd, behalve bij eenige rassen van huisdieren, 19 bedraagt, en door het ontbreken van de sleutelbeenderen. Als wij hier nog bijvoegen, dat er zelden email-lagen in de maaltanden doordringen, hebben wij, behalve de overeenstemmende eigenaardigheden van den ontwikkelingsgang, alle gemeenschappelijke verschijnselen in den lichaamsbouw van de Evenvingerigen op den voorgrond gesteld. In levenswijze gelijken de Evenvingerigen in zooverre op elkander, dat de meeste uitsluitend, de overige althans hoofdzakelijk planteneters zijn. In alle andere opzichten biedt deze orde, die zulk een groot aantal vormen omvat, een groote verscheidenheid van verschijnselen aan.
De Evenvingerigen ontbreken op Nieuw-Zeeland en op het vasteland van Australië, maar komen overigens in alle door land-Zoogdieren bewoonde gedeelten van de wereld voor. Voorwereldlijke Evenvingeren bestaan sedert het tertiaire tijdvak.
Het groot aantal soorten van Evenvingerigen en het verschil dat zij vertoonen, maakt het gewenscht, de orde in de eerste plaats in onderorden te verdeelen. Men onderscheidt er twee: de _Veelhoevigen_ (_Multungulata_), bij welke, behalve de beide voornaamste teenen, ook nog de tweede en de vijfde teen goed ontwikkeld zijn, en de _Tweehoevigen_ of Herkauwers (_Bidactyla_, _Ruminantia_), waarbij de tweede en de vijfde teen geheel of grootendeels ontbreken. Bovendien zijn de middelhands- (middelvoets-) beenderen bij gene van elkander gescheiden, bij deze onderling vergroeid.
De leden van de onderorde der _Herkauwers_ of _Tweehoevigen_ zijn, ondanks haar grooten vormenrijkdom, innig aan elkander verwant: zij zijn gehoornd of ongehoornd, fraai gevormd of plomp gebouwd, bevallig of leelijk; hun grootte wisselt af binnen zeer wijde grenzen. De volgende kenmerken hebben zij onderling gemeen: de hals is lang en zeer lenig, de kop aan het voorhoofd zeer verbreed en dikwijls met hoornen of geweien, met groote, levendige, niet zelden buitengewoon schoone oogen en met goed gevormde, overeindstaande ooren versierd; de lippen zijn beweeglijk, dikwijls onbehaard en bijna altijd zonder snorren of borstels; de staart bereikt slechts zelden het hielgewricht, maar is bij de meeste soorten kort. Het lichaam is bedekt met een kort, dicht, nauw aanliggend en zacht haarkleed, dat zich aan den hals, de kin en op den rug soms tot manen, en aan de spits van den staart soms tot een kwast verlengt. Nooit is het borstelig, dikwijls echter buitengewoon fijn, wollig en gekroesd. De kleur is zeer verschillend. Zeer veel overeenstemming bestaat er in het maaksel van de tanden, de samenstelling van het gebit en den bouw van het geraamte. 6 snijtanden in de onderkaak, geen (slechts zelden 2) snijtanden in de bovenkaak, 2 hoektanden in de onderkaak, geen hoektanden in de bovenkaak (bij sommige echter 1 hoektand in elke kaakhelft), 3 à 7 maaltanden in de bovenkaak, 4 à 6 maaltanden in de onderkaak vormen het gebit. De snijtanden zijn meestal schopvormig en met een scherpe snede voorzien; die van de bovenkaak (voor zoover aanwezig) hebben altijd den vorm van hoektanden; de hoektanden van de onderkaak zijn in den regel snijtandvormig en niet door een tusschenruimte van de echte snijtanden gescheiden, die van de bovenkaak (voor zoover aanwezig) zijn kegelvormig en steken slechts bij enkele soorten buiten den bek uit; de maaltanden bestaan uit één of twee zuilen, welker kauwvlakte door halvemaanvormige emailplooien gevormd wordt. De schedel is langwerpig en naar de spits van den snuit versmald; de oogholten zijn van de slaapgroeven gescheiden door een beenig schot, dat door het voorhoofdsbeen en het jukbeen gevormd wordt; de schedelholte is van geringen omvang. Van de wervelkolom trekken de buitengewoon lange, smalle beweeglijke halswervels de aandacht. Bij alle Herkauwers zijn slechts twee teenen, de derde en vierde, volkomen ontwikkeld.--De mond onderscheidt zich door sterke lipspieren en van binnen door talrijke wratten; de speekselkieren zijn zeer groot. De maag bestaat meestal uit vier (minstens en bij uitzondering drie) verschillende afdeelingen; de _pens_, de _netmaag_ of _muts_, de _boekmaag_ en de _lebmaag_. De eerste staat met het spijskanaal, de laatste met den dunnen darm in gemeenschap. De pens ontvangt het grof gekauwde voedsel en stuwt het bij kleine hoeveelheden te gelijk in de netmaag, welker (op de mazen van een net gelijkende) plooien het een verandering doen ondergaan en er balletjes van vormen, die vervolgens door den slokdarm naar de mondholte terugkeeren. Hier wordt het voedsel met de maaltanden fijn gemaakt, terdege met speeksel vermengd en vervolgens op nieuw doorgeslikt. Het gaat nu echter de pens en de muts voorbij, daar deze afdeelingen alleen dan met den slokdarm in gemeenschap komen, wanneer twee plooien van het spijskanaal, die zich van den maagmond tot aan den ingang van de boekmaag uitstrekken, door de drukking van den prop weinig of niet gekauwd voedsel van elkander verwijderd worden. Het goed gekauwde, brijachtige voedsel komt dus onmiddellijk uit den slokdarm in de boekmaag en gaat van hier na eenigen tijd in de lebmaag over.
Niet onbelangrijk voor de rangschikking en de onderscheiding der soorten zijn de hoornen en geweien, die bij vele Herkauwers voorkomen. Hieraan zijn de namen van de twee grootste groepen dezer orde--de _Holhoornigen_ en de _Geweidragers_--ontleend. De hoornen van de Holhoornigen, die ook wel meer bepaaldelijk "hoornen" heeten, bestaan uit een scheede van hoorn, die een pit, gevormd door een beenig uitgroeisel van het voorhoofdsbeen omgeven. Deze worden in normalen toestand nooit afgeworpen. Hunne beide hoofdbestanddeelen--de hoornscheede en de beenpit--groeien aan door de werking van een tusschenbeide gelegen, weeke laag (een voortzetting van de opperhuid en van de lederhuid), die naar buiten steeds nieuw hoornweefsel aan de hoornscheede, naar binnen steeds nieuw beenweefsel aan de beenpit toevoegt. De "geweien" daarentegen bestaan in volkomen ontwikkelden toestand uit niets anders dan harde beenmassa's, die op betrekkelijk korte verhevenheden van het voorhoofdsbeen rusten en bij oudere dieren sterker vertakt zijn dan bij jongere. Ieder jaar worden de geweien afgeworpen en na verloop van weinige maanden door nieuwe, aanvankelijk door de gewone huid bedekte geweien vervangen. Zoolang deze huid met bloed wordt voorzien, groeien de geweien; hun groei houdt op en de bedoelde huid valt af, zoodra de bloedtoevoer door vernauwing van de bloedvaten aan het onderste deel van het gewei gestaakt wordt; geruimen tijd daarna, hoewel nog in den loop van hetzelfde jaar, valt ook het gewei zelf af, zooals reeds werd opgemerkt. In den regel zijn alleen de mannelijke dieren in het bezit van geweien, terwijl de eigenlijke hoornen meestal zoowel bij de mannetjes als bij de wijfjes voorkomen.--De vorm en de grootte der hoeven is bij de verschillende groepen zeer ongelijk.
De Herkauwers bewonen alle werelddeelen met uitzondering van Australië. Een bepaalde verbreiding van de hoofdgroepen is duidelijk merkbaar. Het verst verbreid zijn de Runderen en Herten, tot den engsten kring beperkt de Giraffes en de Muscusdieren; de Herten ontbreken in het Ethiopische, zijn daarentegen de eenige vertegenwoordigers van de orde der Herkauwers in het Zuid-Amerikaansche rijk; de Muscusdieren zijn alleen in Centraal-Azië, de Giraffes alleen in Ethiopië inheemsch; de Dwerg-muscusdieren ontbreken in Amerika.
Bijna alle Herkauwers zijn schuwe, vlugge, vreedzame dieren, die lichamelijk zeer goed uitgerust zijn, maar bekrompen geestvermogens hebben. Vele leven in kudden, alle tot gezelschappen vereenigd. Sommige bewonen de gebergten, andere de vlakten; geen enkele is een echte waterbewoner, hoewel eenige aan de moerassige laaglanden de voorkeur geven boven de droge vlakten. Hun voedsel bestaat uitsluitend uit planten. Zij houden van gras, kruiden, bladen, jonge spruiten en wortels, enkele ook van zaden, andere van korstmossen. Het wijfje werpt gewoonlijk slechts één jong, zelden twee, terwijl één worp van drie jongen een uitzondering is. De meeste Herkauwers brengen zoowel in wilden als in getemden toestand meer nut dan schade, hoewel enkele soorten daar, waar de bodemkultuur een zekere hoogte bereikt heeft, niet meer geduld kunnen worden. Van de in 't wild levende zoowel als van de tamme worden vleesch en vel, hoornen en haar voor de meest verschillende doeleinden gebruikt; de Herkauwers leveren, zooals iedereen weet, het grootste deel van onze kleeding. Als huisdieren onderscheiden zij zich wel is waar niet door schranderheid, maar door gehoorzaamheid, geduld en tevredenheid; hierdoor zijn zij den mensch geheel onmisbaar geworden. Slechts van vier familiën die weinige soorten omvatten--de Dwerg-muscusdieren, de Muscusdieren, de Gaffelbokken en de Giraffes--werd tot dusver nog geen soort als huisdier gebruikt; van ieder der overige hebben de menschen het eene of andere lid tot hun dienaar en slaaf gemaakt. De meeste in vrijheid levende Herkauwers worden hoog geschat als voor de jacht geschikt wild.
Overblijfselen van Herkauwers zijn tot dusver in geen andere lagen gevonden dan in die van het tertiaire tijdvak; voor een groot deel zijn de vormen van dien tijd nauw verwant aan die, welke thans nog leven.
De Herkauwers verdeelen wij in zeven familiën--_Giraffes_, _Kameelachtigen_, _Holhoornigen_, _Gaffelbokken_, _Geweidragers_, _Muscusdieren_ en _Dwerg-muscusdieren_--, welker eigenaardigheden wij bij ieder dezer afdeelingen zullen opnoemen.
Ook onder de Herkauwers komen wezens voor, die bij de thans levende vormen, om zoo te zeggen, niet meer passen, daar zij ons herinneren aan de gestalten uit lang vervlogen perioden van de ontwikkelingsgeschiedenis der aarde, die ons nu zoo vreemdsoortig voorkomen; de meest opmerkelijke van deze is de _Giraffe_. Varro noemt dit zonderlinge wezen niet geheel ten onrechte "een samenvoeging van een Panter en een Kameel." Ook is het zeer verklaarbaar, dat reizigers uit veel lateren tijd de afbeeldingen van een destijds weder geheel uit het oog verloren dier, die zij op Egyptische gedenkteekenen vonden, als droombeelden van een overmoedige kunstenaarsphantasie beschouwden. Evenals de Romeinen zich verwonderden over de Giraffes, die hun bij de kampspelen van Julius Caesar (46 v. C.) en ook later nog eenige malen voorgesteld werden, zoo verbazen wij, beschaafde Europeanen, ons thans nog, wanneer wij dit wezen voor de eerste maal levend aanschouwen; want ook op hen, die het door afbeeldingen voldoende kennen, maakt het den indruk van uit den sprookjestijd te zijn overgekomen.
De _Giraffe_ is de eenige, hedendaagsche vertegenwoordiger van een afzonderlijke familie (_Camelopardalidae_); bij haar is de verandering in den bouw van den voet, waardoor de Herkauwers zich van hunne vijfteenige voorouders uit vroegere geologische tijdperken onderscheiden, verder voortgeschreden dan bij verreweg de meeste leden dezer orde. De twee "rudimentaire" teenen (_bijteenen_) aan de voor- en achterpoten, die bij de meeste Herkauwers voorkomen, ontbreken hier geheel; ook van de _griffelbeenderen_ is geen spoor meer voorhanden, zoodat de middelvoet hier alleen bestaat uit het bij alle Herkauwers aanwezige _kanonbeen_, een been, dat door vergroeiing van de twee middelvoets-beenderen der beide "ware" teenen ontstaan is.
De _Giraffe_, de _Zoraféh_ of _Serâfe_ der Arabieren (_Camelopardalis Girafa_) is gekenmerkt door den bovenmatig langen hals, de hooge pooten, den dikken romp met den naar achteren afhellenden rug, den sierlijk gebouwden, kleinen kop met groote, fraaie, heldere oogen en door twee vreemdsoortige, met een behaarde huid bekleede, op hoornen gelijkende beenknobbels op het voorhoofdsbeen. De lange pooten en de lange hals maken, dat de Giraffe in verhouding tot haar hoogte onder alle Zoogdieren de geringste lengte heeft. Haar romp is slechts 2.25 M. lang, de schouderhoogte daarentegen bedraagt 3 M. en de kop verheft zich 5 tot 6 M. boven den bodem. Met den haarkwast waarin hij eindigt, is de staart 1.1 M., zonder dezen slechts 80 cM. lang. De afstand van de spits van den snuit tot aan den wortel van den staart bedraagt 4 M., het gewicht 500 K.G. Reeds uit deze afmetingen blijkt, dat de gestalte van de Giraffe van die der overige Zoogdieren sterk afwijkt; de bouw van haar lichaam is echter zóó merkwaardig, dat er een uitvoerige beschrijving van gegeven moet worden. De Giraffe werd, gelijk reeds gezegd is, vroeger aangeduid als een zonderlinge vereeniging van de eigenschappen van den Panter met die van den Kameel; werkelijk maakt zij den indruk van uit de lichaamsdeelen van verschillende dieren samengesteld te zijn. 't Is, alsof zij den kop en den romp aan het Paard, den hals en de schouders aan het Kameel, de ooren aan het Rund, de staart aan den Ezel, de pooten aan de Antilope heeft ontleend, terwijl de kleur en de teekening van het gladde vel aan een Panter doet denken. Zulk een samenvoeging moet aanleiding geven tot een wanstaltig geheel, en werkelijk zal niemand de Giraffe schoon kunnen vinden. De korte romp staat in geen verhouding tot de hooge pooten en den langen hals; de buitengewoon sterk afhellende rug moet volgens de gewone begrippen over schoonheid leelijk worden genoemd en de kolossale hoogte van het dier draagt volstrekt niet bij tot verbetering van dezen indruk. Fraai is de kop, schoon het oog, aangenaam de teekening, al het overige is opmerkelijk en vreemdsoortig.
De langwerpige kop van de Giraffe schijnt, wegens zijn tamelijk dunnen snuit, nog langer dan hij werkelijk is; hij draagt zeer groote, levendig schitterende en toch buitengewoon zachtaardige oogen, groote, sierljjk gebouwde, uiterst beweeglijke ooren van ongeveer 15 cM. lengte en twee uitwassen op het voorhoofd, die in de verte aan horens herinneren en iets korter zijn dan de ooren; zij zijn te beschouwen als de voetstukken van een onontwikkeld gebleven gewei. Tusschen deze beide begint een verder naar voren gerichte opzwelling van het voorhoofdsbeen, als het ware een derde hoorn. De hals is even lang als de voorpooten, dun, zijdelings samengedrukt en van achteren met een fraaien haarkam (met manen) versierd. De romp is breed van borst, in de schouders veel hooger dan in 't kruis en langs de middenlijn een weinig ingedeukt; aan de voorzijde vallen de bijna rechthoekig uitstekende schouderbladen sterk in 't oog; van achteren is de romp zeer sterk versmald, zoodat men van het achterlijf in 't geheel niets bespeurt, wanneer men het dier recht van voren beschouwt. De pooten zijn betrekkelijk fijn, de voorpooten bijna even lang als de achterpooten; hunne hoeven zijn sierlijk gebouwd. Aan het polsgewricht komt een naakte eeltplek voor, zooals bij den Kameel. De huid is zeer dik en, met uitzondering van den genoemden voorhoofdsknobbel, van den halskam, en van den staartkwast, overal gelijkmatig lang behaard; De grondkleur is vaal zandkleurig geel; op den rug wordt zij iets donkerder, aan de onderzijde neemt zij een witachtige tint aan; de tamelijk groote vlekken hebben een onregelmatigen vorm en een meer of minder donkere, roestbruine kleur; zij staan zoo dicht bijeen, dat de lichtere grondkleur op een netvormige teekening gelijkt. Aan den hals en op de pooten zijn deze vlekken kleiner dan op de overige lichaamsdeelen. De buik en de binnenzijde van de pooten zijn ongevlekt. De manen zijn vaal en bruin gestreept. De ooren zijn van voren aan den oorsprong wit, van achteren bruinachtig; de staartkwast is donkerzwart. Een verscheidenheid met zwarte vlekken werd door Stanley in Centraal-Afrika gevonden.
Het tegenwoordige verbreidingsgebied van de Giraffe strekt zich in een wijde boog over de oostelijke helft van Afrika uit, ongeveer 16° N.B. tot 23° Z.B.; alleen in de Kalihari reikt het misschien een weinig verder zuidwaarts, in geen geval echter tot aan de Oranje-rivier. Naar het schijnt ontbreekt de Giraffe in het geheele Congo-gebied; ook in Opper- en Neder-Guinea en in de Achterlanden van deze kuststrooken is zij onbekend. In Zuidwest-Afrika waar men haar vroeger vond, is zij sedert meer dan een menschenleeftijd uitgeroeid.
In de wouden van haar vaderland maakt de Giraffe een anderen indruk dan in de nauw begrensde ruimte van een dierentuin. De merkwaardige overeenstemming van de gestalte en van het algemeen voorkomen van een dier met de plaats, waar het leeft, blijkt ook hier. "Ieder die eenig gevoel voor natuurschoon heeft," zegt Gordon Cumming, "zal moeten erkennen, dat een kudde Giraffes, verspreid tusschen de schilderachtige, zonneschermvormige mimosa's, die de vlakten van haar vaderland versieren, aan welker hoogste takken zij wegens hun kolossale hoogte knabbelen kunnen, een buitengewoon schilderachtig schouwspel oplevert." Men ontmoet ze veelvuldig daar, waar oude, verweerde boomstammen voorkomen, die wegens de korstmossen, waarmede zij bedekt zijn, niet zelden een in 't oogloopende overeenkomst vertoonen met den langen hals van een Giraffe. "Dikwijls", zegt de genoemde jager verder, "heb ik in twijfel verkeerd over de aanwezigheid van een geheele bende van Giraffes, totdat ik van mijn verrekijker gebruik maakte. Zelfs mijne half-wilde begeleiders moesten erkennen, dat hunne scherpzinnige, geoefende oogen nu en dan misleid werden: soms zagen zij verweerde boomstammen voor Giraffes aan, soms hielden zij omgekeerd Giraffes voor de bedoelde, overoude boomen."
Gewoonlijk treft men de Giraffes aan in gezelschappen van 6 à 8 stuks; zij vereenigen zich evenwel dikwijls tot grootere troepen in streken waar zij niet gestoord worden. Cumming spreekt van kudden, die uit 30 à 40 stuks bestaan, meent echter, dat het gemiddelde aantal leden van een gezelschap omstreeks 16 zal zijn.
Alle bewegingen van de Giraffe zijn vreemdsoortig. Op haar gunstigst doet zij zich voor, als zij rustig gaat; zij heeft dan een waardig en bevallig voorkomen. Haar gang is een langzamen, afgemeten telgang; de beide pooten van een zijde worden te gelijker tijd verplaatst. Als zij zich sneller wil bewegen, vervalt zij wegens de in 't oog loopende wanverhouding tusschen de schouderhoogte en de hoogte in 't kruis (en tusschen de hoogte en de lengte van den romp) in een merkwaardig stijven, zwakken en plompen galop, die echter, wegens de groote wijdte van elken sprong afzonderlijk beschouwd, het dier in korten tijd een grooten weg doet afleggen. Het groote gewicht maakt het opheffen van het voorste deel van 't lichaam moeielijk; dit noodzaakt het dier den langen hals naar achteren te buigen, om aan zijn zwaartepunt een meer achterwaartschen stand te verschaffen; hierdoor eerst wordt het in staat gesteld om zich door een sprong boven den grond te verheffen. De Giraffe springt zonder de voorpooten te buigen; zij drukt ze met een gelijktijdige, voorwaartsche beweging van den hals stijf tegen den grond; na een nieuwe beweging van den hals worden de achterpooten bijgetrokken. De hals van een springende Giraffe "slingert dus", naar Lichtenstein zegt, "voortdurend heen en weer, als de mast van een op de hooge golven dansend schip." Men heeft een zeer goed Paard noodig, om een snel loopende Giraffe na te jagen; buitengewoon moeielijk is het, haar geruimen tijd achtereen te vervolgen, daar in den regel bijna alle overige dieren eerder vermoeid worden dan zij.
Hoogst eigenaardig is de houding, die het dier aanneemt, als het iets van den bodem opzoeken of als het drinken wil. In oude beschrijvingen wordt beweerd, dat de Giraffe met dit doel neerknielt. Misschien doet zij dit bij uitzondering. In den regel echter laat zij het voorste deel van haar romp zakken, door de beide voorpooten zoo wijd uiteen te plaatsen, dat zij gemakkelijk met den langen hals den bodem kan bereiken. Wie dit niet zelf gezien heeft, zou het onmogelijk kunnen achten. Gedurende haar slaap ligt zij gedeeltelijk op zijde, en vouwt daarbij een van hare voorpooten of beide op. Zij slaapt zeer onvast, en slechts gedurende korten tijd.
Het spreekt van zelf, dat er verband bestaat tusschen het voedsel van de Giraffe, haar lichaamsbouw en haar aard. Zij is niet zeer geschikt om gras van den bodem op te nemen; des te beter kan zij bladen van de boomen afplukken. Hierbij heeft zij veel dienst van haar buitengewoon beweeglijke, 20 cM. lange, violette tong. Iedereen weet, dat de meeste Herkauwers, bij het afplukken van het voedsel, de tong gebruiken; bij geen hunner is dit orgaan voor de bedoelde verrichting zoo volstrekt noodig als bij de Giraffe. Wat de slurf is voor den Olifant is de tong voor haar. Zij kan er de kleinste voorwerpen mede opnemen, het fijnste blad afplukken en in den mond brengen. "In onzen dierentuin," zegt Owen, "is meer dan een dame, die naar de Giraffe keek, door deze beroofd van de kunstbloemen, die haar hoed versierden. Naar het schijnt, laat de Giraffe zich bij de keuze van haar voedsel minder door den reuk, dan door het gezicht leiden, en zoo komt het dikwijls voor, dat het dier zich vergist, zooals in de vermelde gevallen, waarin het met haar behendige tong de kunstbloemen greep en van den hoed afrukte." In vrijen toestand voedt de Giraffe zich hoofdzakelijk met de twijgen, knoppen en bladen van de mimosaceeën; zij ontbladert echter ook gaarne de slingerplanten, die in zoo grooten overvloed de boomen van de Afrikaansche wouden omstrengelen. Daar deze boomen niet veel hooger worden dan zij zelf, verkrijgt zij haar voedsel zonder moeite. In het droge jaargetijde, als de boomen grootendeels van hun bladertooi beroofd zijn en de hooge, verdorde grassen haar een karig voedsel verschaffen, begeeft zij zich, om te drinken, dikwijls mijlen ver naar modderige waterplassen, of naar de kolken, die overgebleven zijn van de stroomen, die gedurende den regentijd vloeiden.
De zinnen van de Giraffe, vooral het gezicht en het gehoor, zijn uitmuntend ontwikkeld, de geestvermogens evenzeer. Zij is een schrander en verstandig, buitengewoon lieftallig, en, haar grootte in aanmerking genomen, ook een zeer goedaardig, vreedzaam en zachtmoedig dier, dat niet alleen met hare soortgenooten in goede verstandhouding leeft, maar ook met andere dieren, zoolang deze haar geen overlast aandoen of in gevaar brengen. In geval van nood weet zij zich recht goed te verdedigen door krachtige slagen met hare lange, gespierde pooten, niet met hare hoornen, die alleen tot sieraad schijnen te dienen.
Eerst in den laatsten tijd is de voortplanting van de Giraffe ons bekend geworden. Uit de ervaringen, die tot dusver in verschillende dierentuinen verkregen zijn, blijkt, dat de paring plaats vindt in Maart of in het begin van April; de jongen worden geboren in Mei of Juni van het volgende jaar; de draagtijd duurt dus 431 à 444 dagen, of 14 1/2 à 15 maanden.