Het Leven der Dieren: Deel 1, Hoofdstuk 04: De Roofdieren
Chapter 32
Hij maakt jacht op alle dieren, van de jonge Ree tot aan den Kever, vooral echter op Muizen, die waarschijnlijk den hoofdschotel van zijne maaltijden vormen. Hij verschoont jong noch oud, vervolgt zeer ijverig de Hazen en Konijnen en besluipt zelfs de jongen van Reeën en Edelherten. Hij plundert niet alleen de nesten van alle op den bodem broedende Vogels, welker eieren en jongen hij verslindt, maar tracht ook de oude, in 't vliegen ervaren Vogels door list te overmeesteren en bereikt niet zelden zijn doel. Hij zwemt en waadt door poelen en moerassen om de te midden van het water broedende Vogels te bereiken; er zijn voorbeelden van bekend, dat hij broedende Zwanen heeft gedood. Bovendien overvalt hij het pluimvee, en sluipt des nachts tot op de erven van eenzaam gelegen boerderijen; als hij een goede schuilplaats heeft, besluipt hij de tamme Vogels zelfs op klaarlichten dag. In groote tuinen en wijngaarden komt hij stellig veel vaker te gast, dan men gewoonlijk meent. Op beide plaatsen, vangt hij Sprinkhanen, Meikevers en engerlingen, Regenwormen, enz., of zoekt zoete peren, pruimen, druiven en andere bessen. Bij de beek slentert hij rond, om een mooie Forel of een domme Kreeft te verschalken, aan het zeestrand vreet hij de netten van de visschers leeg, in het bosch ledigt hij de vogelstrikken van de jagers. Zoo komt het, dat zijn tafel bijna altijd goed voorzien is, en hij alleen dan in nood geraakt, als zeer diepe sneeuw hem de jacht buitengewoon bemoeilijkt. Dan behelpt hij zich met al wat eetbaar is, niet alleen met krengen, die hij geregeld en in ieder jaargetijde opzoekt, en, evenals vele Honden bijzonder graag schijnt te eten, maar ook met oude verdroogde beenderen, zelfs met een stuk half vergaan leder; gaarne bezoekt hij ook de leger- en stookplaatsen van de houthakkers om de overblijfselen van hunne maaltijden op te zoeken. Met de gevangen prooi speelt hij, als hij half verzadigd is, lang en op een gruwzame wijze, voordat hij haar doodt.
Bij zijne jachttochten zorgt hij in de eerste plaats voor zijn eigen veiligheid. Alles wat hem niet bekend is, wekt zijn argwaan en als hij eerst wantrouwig is geworden, kunnen alleen de kwellingen van den honger hem tot onvoorzichtige daden verleiden. In dit geval echter toont hij een werkelijk onbeschaamde vermetelheid. Hij komt op klaarlichten dag op het erf, haalt vandaar voor de oogen van de bewoners een Hoen of een Gans weg en gaat met zijn buit aan den haal. Slechts in den uitersten nood laat hij een zoo moeilijk verworven prooi in den steek, dikwijls keert hij later weer terug om te zien, of hij haar toch niet medenemen kan. Dezelfde driestheid toont hij soms in omstandigheden, die een allersnelste vlucht dringend noodig maken. Zoo pakte een Vos, die bij een drijfjacht door de Honden achtervolgd werd en reeds twee maal de hagelkorrels rondom zich had hooren fluiten, in vollen ren een aangeschoten Haas en droeg hem een eind weegs voort. Een andere stond bij een drijfjacht uit het door de jagers omsingelde veld op, roofde een gewonden Haas, beet hem ten aanschouwen van het jachtgezelschap dood, begroef hem nog schielijk in de sneeuw en ontvluchtte daarna midden door den kring van drijvers en schutters. De houtvester Liebig verhaalt, dat een Vos op het erf van een boer in Moravië kwam om Hoenderen te stelen, met stokslagen verjaagd werd, terugkeerde, nogmaals verdreven werd, ten derden male een poging deed, maar toen er het leven bij inschoot.
De Vos loopt snel, langen tijd achtereen en toont bij deze beweging groote behendigheid en slimheid. Hij kan sluipen, op een onhoorbare wijze over den bodem voortglijden, maar ook loopen, rennen en buitengewoon groote sprongen doen. Zelfs goede Jachthonden zijn zeer zelden in staat hem in te halen. Als hij hard loopt, is de staart bijna in horizontale richting achterwaarts gestrekt, bij langzamer beweging sleept hij bijna over den grond. Als hij loert, ligt hij met den buik op den grond; om te rusten gaat hij niet zelden, evenals de Hond, ineengerold op een zijde of zelfs op den rug liggen; zeer dikwijls zit hij ook geheel op de wijze van de Honden op zijn achterkwartier en slaat den ruigen staart sierlijk om zijne voorpooten. Voor het water is hij volstrekt niet schuw, integendeel hij kan zonder moeite en snel zwemmen; ook in 't klimmen is hij niet onervaren; soms vindt men hem in boomen, die een voor zijn klimvermogen geschikten vorm hebben, hoog boven den grond.
De stem van den Vos bestaat uit een kort afgebroken gekef, dat in een sterker en hooger geluid eindigt. Volwassen Vossen "blaffen" alleen, als er stormachtig weer op til is, bij onweders, bij felle koude en in den paartijd; de jongen daarentegen schreeuwen en keffen telkens als zij honger hebben of zich vervelen. Als de Vos toornig is, of in gevaar verkeert, laat hij een woedend gesnater hooren; een smartkreet verneemt men van hem alleen dan, als hij door een kogel getroffen is, of wanneer een schot hagel hem een poot verbrijzeld heeft; bij iedere andere verwonding zwijgt hij hardnekkig. In den winter, n.l. als het sneeuwt en vriest, schreeuwt hij luid en op klagenden toon; het meest hoort men echter zijn stem in den paartijd; men verneemt dan van hem soms ook geluiden, die deels aan het geschreeuw van den Raaf, deels aan dat van den Pauw herinneren.
Reintje is geen gezellig dier en verschilt ook in dit opzicht van de Wolven. Wel treft men niet zelden verscheidene Vossen in hetzelfde kreupelboschje en zelfs in een en hetzelfde hol aan, in den regel echter gaat iedere Vos zijn eigen gang en bekommert zich om de andere dieren van zijn soort slechts in zoover, als door hem dienstig en voordeelig wordt geacht. Vriendschap voor andere dieren kent de Vos evenmin als gezelligheid. Toch heeft men herhaaldelijk opgemerkt, dat hij zelfs met zijn doodvijand, met den Hond, vriendschappelijk verkeerde; dit geschiedt echter stellig alleen bij hooge uitzondering. Ook zijn betrekking tot Grimbaard moet niet als een vriendschappelijke verhouding opgevat worden; het is Reintje volstrekt niet om den Das, maar alleen om diens woning te doen.
Negen weken (juister gezegd: 60 à 63 dagen) na de paring, in het einde van April of in 't begin van Mei, werpt de moervos jongen, welker aantal tusschen 3 en 12 afwisselt; waarschijnlijk is het meest voorkomende aantal jongen in een nest 4 à 7. De moeder behandelt ze met groote teederheid, verlaat hen gedurende de eerste levensdagen in 't geheel niet, later slechts gedurende korten tijd als de schemering reeds ver gevorderd is, en is er blijkbaar steeds ijverig op bedacht hun verblijfplaats geheim te houden.
Een maand of anderhalf na hun geboorte wagen de aardige, met roodachtig grijze wol bekleede roofjonkers zich op een stil uur vóór het hol, om zich door de zon te laten koesteren en om met elkander en met hun steeds bereidwillige moeder te spelen. Deze brengt hun voedsel in overvloed, van den eersten tijd af ook reeds levende dieren: Muizen, Vogeltjes, Vorschen en Kevers; zij leert hare hoopvolle spruiten de bedoelde dieren te vangen, te plagen en te verslinden. Zij is in dezen tijd voorzichtiger dan ooit te voren, ziet in de onschuldigste zaak reeds gevaar voor haar kroost, en brengt het bij het geringste gedruisch in het hol terug, of sleept het, zoodra zij van de een of andere vervolging de lucht krijgt, met den bek naar een ander hol; zelfs wanneer zij zeer in 't nauw gebracht is, grijpt zij in haast nog een jong, om voor zijn veiligheid te zorgen. Niet zelden gelukt het den ervaren jager de spelende familie te bespieden. Als de jongen een zekere grootte bereikt hebben, liggen zij bij goed weder 's morgens en 's avonds gaarne vóór den ingang van het hol, en wachten de thuiskomst van de moeder af; als het wachten hun te lang duurt, blaffen zij, en verraden hierdoor hun aanwezigheid. Reeds in Juli vergezellen de jonge dieren de jagende moervos of gaan alleen op de jacht, zoeken overdag of in de schemering een Haasje, Muisje, Vogeltje of ander diertje te verschalken, of behelpen zich met een Kever. Tegen het einde van Juli verlaten de jongen het hol voor goed en begeven zich met hun moeder naar de graanvelden, die hun een rijke vangst beloven en een volkomen veiligheid verschaffen. Na den oogst zoeken zij dicht struikgewas, heiden en rietbosschen op, ontwikkelen zich intusschen tot volleerde jagers en sluwe struikroovers en verlaten eindelijk in het laatst van den herfst hun moeder om op hun eigen houtje fortuin te zoeken.
Jong gevangen Vosjes kunnen gemakkelijk grootgebracht worden, omdat zij het gewone voedsel van jonge Honden voor lief nemen. Zij worden, als men zich veel met hen bemoeit, weldra tam en vermaken hun verzorger door hunne opgewektheid en vlugge bewegingen.
"Verscheidene Vossen heb ik grootgebracht," verhaalt Lenz; "van deze was de laatste, een wijfje, de tamste, omdat ik dezen kreeg, toen hij nog zeer jong was. Hij was juist begonnen zelf te eten, maar was toen reeds zoo boosaardig en bijtlustig, dat hij, als hij een lekker brokje vóór zich had, voortdurend knorde, en, hoewel niemand hem hinderde, toch om zich heen beet in het stroo en het hout. Door vriendelijke behandeling werd hij weldra zoo tam, dat ik hem zonder bezwaar een pas door hem gedood Konijntje uit den bloedigen bek kon nemen en, in plaats daarvan, mijn vinger er in kon leggen. Over 't algemeen speelde, hij, zelfs toen hij volwassen was, buitengewoon graag met mij, was buiten zichzelf van vreugde, als ik hem bezocht, kwispelstaartte als een Hond en sprong huilend om mij heen. Even vriendelijk was hij voor iederen vreemdeling; zelfs kon hij vreemdelingen op 50 passen afstands, als zij den hoek van 't huis omgingen, dadelijk reeds van mij onderscheiden; onder luid gehuil noodigde hij ze uit, bij hem te komen, welke eer hij mij en mijn broeder, die hem gewoonlijk met voedsel voorzagen, in den regel niet bewees, waarschijnlijk, omdat hij wist, dat wij toch wel zouden komen."
Reintje wordt door de jachtliefhebbers zeer gehaat en is door hen vogelvrij verklaard; voortdurend wordt hij vervolgd: voor hem bestaat geen tijd van gesloten jacht. Men schiet hem, vangt hem in klemmen (zoogenaamde zwanehalzen), vergiftigt hem, delft hem op uit zijn veilig hol en slaat hem met een lompen knuppel dood, vervolgt hem op drijfjachten tot hij dood neervalt, haalt hem met boren en tangen uit den grond, kortom men tracht hem op allerlei wijzen uit te roeien. Van het standpunt van den jager, gezien, volgens wiens meening de bosschen en velden alleen ter wille van het wild schijnen te bestaan, mag zulk een onverbiddelijke, bijna onmenschelijke vervolging gerechtvaardigd heeten, van ieder ander gezichtspunt beschouwd, is zij het niet. Want de bosschen en velden worden niet ten behoeve van de Reeën, Hazen, Woer-, Berk- en Hazelhoenders, Patrijzen en Fazanten aangelegd, bebouwd en onderhouden, maar zijn voor een veel belangrijker doel bestemd. Het is daarom de plicht van allen, die zich met boschkultuur, landbouw en veeteelt bezighouden, van bosch en veld zooveel mogelijk alles te doen verdwijnen, wat hun opbrengst verminderen of ze op andere wijze benadeelen kan. Nu zal toch wel niemand in vollen ernst willen beweren, dat een der genoemde soorten van wild voor onze velden en bosschen nuttig kan zijn: alle zonder uitzondering moeten integendeel als schadelijke dieren beschouwd worden. Men kan de door hen veroorzaakte schade over 't hoofd zien en vergeven, haar wegcijferen kan men niet.
Nu is echter het benadeelen van den wildstand een der geringste werkzaamheden van den Vos: in veel hoogere mate legt hij zich toe op en maakt hij zich verdienstelijk door het verdelgen van Muizen. Deze buitengewoon schadelijke Knaagdieren, maken, zooals reeds gezegd is, zijn voornaamste voedsel uit: hij vangt er niet slechts zooveel, als hij voor zijn levensonderhoud noodig heeft, n.l. 20 à 30 stuks bij iederen maaltijd, maar bijt er dikwijls nog verscheidene tot tijdverdrijf dood, die hij laat liggen. Hierdoor is hij in allen gevalle hoogst nuttig. Het is volstrekt mijn bedoeling niet, hem vrij te pleiten van de misdrijven, waaraan hij zich schuldig maakt; want ik weet zeer goed, dat hij geen enkel zwakker dier verschoont, vele nuttige Vogels verslindt en hunne nesten plundert, in de pluimveestallen als een Marter moordt en andere schanddaden pleegt; hiervoor echter geeft hij een voldoende vergoeding door het nut, dat hij sticht. Voor het jachtveld is hij zeer schadelijk, in de bosschen en op de weiden en akkers brengt hij echter meer nut dan schade teweeg; dit maakt het verklaarbaar, waarom de jager hem haat en vervolgt, terwijl de nietjagende landbouwer voor hem in de bres springt.
De jacht op den Vos verschaft den jager een buitengewoon groot genoegen. Gewoonlijk wordt Reintje op drijfjachten gedood, dikwijls schiet men hem "op den aanstand", na hem door het nabootsen van het geluid van een jongen Haas of Muis gelokt te hebben, of doodt hem bij helderen maneschijn vóór de schiethut op een plaats waar krengen neergelegd zijn. Wanneer hij 's winters over de besneeuwde velden op roof uitgaat, kan men op een voor jagers zeer aanlokkelijke wijze jacht op hem maken. Op sommige plaatsen wordt de Vos ook nog wel met Spionnen in het bosch gejaagd, waarbij men in den regel geen gebruik maakt van drijvers, doch eenvoudig op de beste wissels goede schutters plaatst. De door een schot gewonde Vos laat zelden klaagtonen hooren; soms ziet men hem echter in dit geval opmerkelijke daden verrichten: Winckell had met een kogel den voorpoot van een Vos dicht onder het schouderblad stuk geschoten. Bij het vluchten sloeg de nu verlamde poot hem voortdurend tegen den kop; dit hinderde den Vos, die den kop omdraaide, den loshangenden poot schielijk afbeet, en nu even hard wegliep, alsof hem niets mankeerde. De Vos is trouwens merkwaardig taai van leven. Verscheidene voorbeelden zijn er bekend, dat Vossen, die voor dood gehouden werden, plotseling weder opsprongen en wegliepen.
Levend wordt de Vos gevangen in vallen van allerlei soort, het meest echter in "zwanehalzen"; dit zijn ijzeren vallen met slagveeren, die in beweging komen, zoodra het lokaas (de vangbrok) wordt weggenomen. Reeds verscheidene dagen voordat men het ijzer op de hiervoor bestemde plaats stelt, moet men hier lokspijs of voerbrokken leggen en hierdoor den Vos er aan gewennen, haar te bezoeken. Eerst wanneer hij verscheidene nachten achtereen het voer heeft aangenomen, wordt het schoongemaakte ijzer, dat met een weinig sterk riekend lokaas bestreken is, ter juister plaatse voor aller oogen verborgen gesteld met versche lokbrokken er om heen en met den vangbrok er op.
De Vos heeft behalve den mensch nog tal van andere vijanden. Door den Wolf wordt hij gevangen en opgegeten; ook de Honden hebben zulk een hekel aan hem, dat zij gaarne jacht op hem maken, om hem te verscheuren. Merkwaardig is het, dat drachtige en zoogende moervossen dikwijls door de Honden gespaard of zelfs in 't geheel niet vervolgd worden. De overige Zoogdieren kunnen Reintje niets doen: onder de Vogels heeft hij echter verscheidene zeer gevaarlijke vijanden. De Havik neemt zonder bezwaar jonge Vossen op, de Steenarend zelfs volwassene, hoewel hem dit soms slecht bekomt. Tschudi maakt melding van zulk een geval: "Een Vos die over een gletscher liep, werd door een Steenarend gegrepen, die hem meevoerde in de lucht. Weldra echter begon de Roofvogel vreemdsoortige bewegingen met de vleugels te maken, daalde en kwam achter een rotspunt terecht. De persoon, die dit had waargenomen, beklom de spits en zag tot zijn verwondering de Vos hem pijlsnel voorbijloopen; aan den anderen kant vond hij den stervenden Arend met opengebeten borst. Het was den Vos mogelijk geweest gedurende zijn onvrijwillige luchtreis den hals te strekken, den roover bij den strot te pakken en dezen door te bijten. Welgemoed hinkte hij nu heen, maar zal waarschijnlijk wel levenslang een herinnering aan zijn snelle luchtvaart behouden hebben." In de overige klassen van het dierenrijk heeft de Vos geen vijanden, die voor hem gevaarlijk kunnen worden, wel echter zulke, die hem het leven zuur maken, o. a. Vlooien. Dat hij deze onaangename gasten verjaagt, door een bosje mos in den bek te nemen, zich langzaam te water te begeven, zoodat achtereenvolgens alle lichaamsdeelen met uitzondering van den kop ondergedompeld en meteen door de Vlooien verlaten worden, die op deze wijze, wanneer ook de kop onder water wordt gehouden, ten slotte alle in het mos aanlanden, en te gelijk met dit weggeworpen worden, is een fabel.
Het is gebleken, dat de Vos onderhevig is aan nagenoeg alle ziekten, waaraan de Honden kunnen lijden, ook de vreeselijkste van allen, de hondsdolheid. Er zijn zelfs voorbeelden van bekend, dat Vossen door deze ziekte aangetast op klaarlichten dag in dorpen doordrongen, en hier ieder die hun in den weg kwam, beten. Volgens Noll komt de genoemde ziekte onder de Vossen soms epidemisch voor en verbreidt zij zich dan over een groot gebied.
Ook in het dierenrijk merkt men soms op, dat verwanten, die door lichamelijke eigenaardigheden veel op elkander gelijken, naar den geest in allerlei opzichten uiteenloopen. Zulk een ontaarding wordt opgemerkt bij den _Poolvos_, die zeer veel overeenkomst met ons Reintje vertoont, maar zich toch door levenswijze en gewoonten aanmerkelijk van hem onderscheidt; hij is een der onnoozelste en tevens een der indringerigste, een der domste en toch een der sluwste leden van het Vossengeslacht.
De _Poolvos_, _IJsvos_ of _Steenvos_ (_Vulpes lagopus_) is kenbaar aan de korte, rondachtige ooren, de korte pooten, de eeltballen onder de teenen, die, evenals het overige lichaam, dicht behaard zijn, den zeer ruigen, vollen staart en eindelijk aan de vreemdsoortige kleur. Hij is aanmerkelijk kleiner dan onze Vos, ongeveer 95 cM. lang, waarvan ruim een derde op den staart komt. In den zomer komt zijn beharing in kleur met die van den grond of van de rotsen overeen; in den winter is zij meestal sneeuwkleurig. Er zijn echter ook IJsvossen, die in den winter een bruinachtig leikleurig, bruinachtig blauw of bruin haarkleed krijgen. Deze zoogenaamde "Blauwe Vossen" moeten, evenals de bontgevlekte IJsvossen, beschouwd worden als verscheidenheden van den Witten Vos; deze komt het veelvuldigst voor.
De Poolvos bewoont, zooals zijn naam aanduidt, het hooge noorden, zoowel van de Oude als van de Nieuwe Wereld, en is op de eilanden niet zeldzamer dan op het vastland. Waarschijnlijk heeft hij zich met het drijfijs over het geheele noordelijke gedeelte van de aarde verbreid; men heeft althans dikwijls Poolvossen op zulke door de natuur gevormde, in zee drijvende vlotten aangetroffen; men vond ze als eenige vertegenwoordigers van de Zoogdierenklasse, in verrassend groot aantal op eilanden, die ver van alle andere, door hen bewoonde streken verwijderd zijn; men moet dus wel aannemen, dat zij te eeniger tijd hierheen verhuisd zijn. Alleen wanneer er slecht weer ophanden is, of op plaatsen, waar hij zich niet recht veilig gevoelt, zoekt de Poolvos een schuilplaats in holen in het gesteente, of ook wel in door hem zelf gegraven gangen; hij verlaat deze dan alleen 's nachts, om op roof uit te gaan. Op alle plaatsen echter, waar hij het niet noodig acht, zich over dag voor den mensch te verbergen, geeft hij zich de moeite niet, zelf holen te graven, maar loert onder steenen, struiken en andere voorwerpen, die hem een schuilplaats bieden, op buit. Hij is geen lekkerbek, en maakt gebruik van elke soort van dierlijk voedsel, die hij krijgen kan; het liefst maakt hij jacht op Muizen; de Lemmingen vervolgt hij dikwijls zeer ver, als zij in groote troepen hunne woonplaatsen in de gebergten verlaten, om zich naar de vlakten te begeven; met hen trekt hij de rivieren en meren over. Uit de klasse der Vogels rooft hij Sneeuwhoenderen, Pluvieren, Strand- en Zeevogels; vooral onder hunne jongen richt hij een groote slachting aan. Bovendien eet hij alle dieren, die door de zee op de kust worden geworpen.
De Poolvossen worden dikwijls tot troepen vereenigd aangetroffen; er heerscht echter geen groote eensgezindheid in deze gezelschappen; integendeel, onder hunne leden hebben dikwijls bloedige gevechten plaats, die voor den toeschouwer zeer belangwekkend zijn. De eene pakt den anderen aan, werpt hem op den grond, trapt met de pooten op hem om, en houdt hem zoo lang vast, totdat hij van oordeel is, dat hij hem genoeg gebeten heeft. De kampioenen schreeuwen intusschen als Katten; terwijl zij, als zij ongeduldig worden, met schelle stem huilen.
De geestesgaven van dit dier zijn volstrekt niet gering; maar toch komen bij 't nagaan van zijne talenten de zonderlingste tegenstrijdigheden aan 't licht, zoodat men dikwijls niet weet, hoe deze of gene handeling beoordeeld moet worden. List, geveinsdheid, kunstvaardigheid, in een woord verstand, werden opgemerkt bij alle exemplaren, die men nagegaan heeft; tevens toonden zij echter een domme brutaliteit, zooals bij geen ander dier voorkomt. Ik heb mij hiervan persoonlijk kunnen overtuigen. Wij ontmoetten 's avonds een van deze Vossen op het Doverfjeld in Noorwegen en schoten met de buks _zeven maal op hem_, zonder hem te treffen. In plaats van nu te vluchten, _volgde deze Vos ons nog wel 20 minuten lang_, zooals een goed gedresseerde Hond zijn meester volgt; eerst daar waar het rotsachtig gedeelte van het gebergte eindigt, acht hij het raadzaam om te keeren. Hij liet zich door goed gemikte steenworpen evenmin verdrijven, als hij zich aan de dicht bij hem langs fluitende kogels had gestoord.