Het Leven der Dieren: Deel 1, Hoofdstuk 04: De Roofdieren

Chapter 27

Chapter 273,893 wordsPublic domain

Gewoonlijk laat men een teef slechts 2 of 3, hoogstens 4 van hare jongen behouden, om haar niet te zeer te verzwakken. De kleintjes hebben veel voedsel noodig, en de moeder is bijna niet in staat hun het noodige te verschaffen. Het spreekt van zelf, dat de teef gedurende dezen tijd bijzonder goed en krachtig gevoederd moet worden. Iedere eigenaar van een drachtige teef moet voor haar van te voren in een rustig hoekje, op een goed beschutte, niet te koele plaats, een zacht leger gereed maken, en haar ook later op allerlei wijzen bij het groot brengen van de jongen behulpzaam zijn. Zoo lang de teef zoogt, is haar hart, naar het schijnt, voor een veel omvattende liefde vatbaar, want zij duldt het, dat Hondjes uit een ander nest, ja zelfs jongen van andere dieren, b. v. van Katten en Konijnen, van haar melk gebruik maken. Ik heb dit laatste dikwijls bij Honden waargenomen, maar merkte daarbij op, dat zoogende Katten veel vriendelijker voor hare pleegkinderen waren dan Honden, die, hoe goedhartig zij ook zijn, bij zulk een gelegenheid toch in den regel niet volkomen tevreden zijn, zooals uit het rimpelen van de huid van den neus blijkt. Zij zijn echter uitmuntende minnen van jonge Leeuwen en Tijgers.

Gewoonlijk laat men de jonge Honden zes weken lang door de ouden zoogen. Om de Hondjes te spenen voedert men de teef een tijdlang zeer schraal, om te maken, dat de melkafscheiding ophoudt; dan laat zij zelf het zuigen van hare jongen niet langer toe. Nu worden de diertjes aan licht verteerbaar voedsel gewend; men leert ze in de eerste plaats zindelijkheid. Reeds in de 3e of 4e levensmaand wisselen zij hunne eerste tanden; in de 6e maand bekommeren zij zich niet veel meer om hun moeder. Als het de bedoeling is, ze op te voeden, of, zooals men gewoonlijk zegt, af te richten, moet dit niet te lang uitgesteld worden. De meening van ouderwetsche jagers en andere Hondenfokkers, dat een jonge Hond, voordat hij aan het einde van zijn eerste levensjaar gekomen is, te klein en te zwak zou zijn om te leeren, berust op een dwaling. Adolf en Karl Müller, beiden zeer ervaren als natuuronderzoekers en als jagers, maken een aanvang met het dresseeren van hunne Jachthonden, zoodra deze behoorlijk loopen kunnen, en bereiken hierdoor uitmuntende resultaten.. Hunne leerlingen worden nooit met slagen bestraft, krijgen bijna nooit een hard, hoogstens een ernstig woord te hooren, en worden de allervoortreffelijkste gezellen en helpers op de jacht. Jonge Honden moeten behandeld worden als kinderen, niet als verstokte slaven. Zonder uitzondering zijn zij gewillig en leerzaam; zeer spoedig luisteren zij naar ieder woord van hun opvoeder en begrijpen het; uit liefde spannen zij zich langer en beter in, dan uit vrees. De africhters van jonge Honden, die hun doel niet bereiken kunnen zonder stekelhalsband en hondenzweep, zijn onhandige beulen, maar geen nadenkende opvoeders.

Reeds met het twaalfde jaar begint voor den Hond de ouderdom. Er zijn trouwens voorbeelden van bekend, dat Honden een leeftijd van 20, ja zelfs van 26 en van 30 jaar bereikt hebben. Dit zijn echter zeldzame uitzonderingen. Dikwijls trouwens maakt geen ouderdomsverzwakking, maar een der vele ziekten, waaraan de Honden, evenals andere huisdieren, onderhevig zijn, een einde aan hun leven.

Een zeer veelvuldig voorkomende ziekte van de Honden is de door woekerdieren veroorzaakte schurft, die niet, gelijk men vroeger meende, een gevolg is van onvoldoende voeding en beweging of van onzindelijkheid. Jonge Honden lijden dikwijls aan de Hondenziekte, die een besmettelijke ontsteking van de slijmvliezen is en het veelvuldigst voorkomt tusschen de 4de en 9de levensmaand. Waarschijnlijk sterft meer dan de helft van de Honden in Europa aan deze ziekte of wordt althans hierdoor zeer benadeeld. Bovendien worden zij alle gekweld door parasieten, waarvan meer dan een dozijn soorten bekend zijn. Zij hebben dikwijls zeer veel te lijden van Vlooien en Luizen en op sommige plaatsen ook van Tieken. De beide eerstgenoemde soorten van ongedierte kan men spoedig verdrijven door onder het strooleger van den Hond een laag asch op den bodem te strooien, of het vel van het dier met Perzisch-insectenpoeder in te wrijven. De Tieken, die den Hond het meest pijnigen, verdrijft men door ze met een weinig brandewijn, pekel of tabakssap te bevochtigen. Het is niet raadzaam ze met geweld uit de huid te trekken, omdat in dit geval de kop licht in de door 't zuigorgaan veroorzaakte wonde blijft steken en deze doet etteren of zweren.

De vreeselijkste ziekte echter is de hondsdolheid of _lyssa_, vooral omdat hierdoor niet alleen de overige Honden en huisdieren, maar ook de menschen in groot gevaar verkeeren. Gewoonlijk komt deze ziekte alleen bij Honden op meer gevorderden leeftijd voor, meestal in den zomer bij zeer groote hitte, of in den winter bij al te felle koude. Men merkt bij den Hond, die door deze ziekte is aangetast, in de eerste plaats op, dat hij zich anders gedraagt dan gewoonlijk; hij wordt valsch-vriendelijk, en bromt tegen zijn meester; voorts openbaren zich bij hem een ongewone slaperigheid en droefgeestigheid, voortdurend zoekt hij warme plaatsen op, gaat dikwijls naar zijn voedsel zonder te eten, drinkt gretig water, doch altijd slechts bij kleine hoeveelheden te gelijk, en toont over 't algemeen door zijne handelingen onrust en angst. Onbedriegelijke kenteekeningen van de ziekte zijn voorts, dat de stem van het dier verandert, dat het blaffen in een rauw, heesch gehuil overgaat, dat zijn eetlust vermindert, dat hij niet dan met moeite slikken kan, dat hij kwijlt, dat de oogopslag zijn helderheid verliest, dat hij graag en dikwijls wegloopt, oneetbare voorwerpen belekt of verslindt, en, als de ziekte erger wordt, om zich heen hapt, en zonder aanleiding bijt. Gedurende de ziekte komt gewoonlijk verstopping voor; de ooren worden slap, het dier laat den staart hangen, zijn oog wordt mat, de blik loensch. Later wordt het oog rood en ontstoken. De dolle Hond laat zich niet meer liefkoozen, let niet meer op het bevel van zijn meester, wordt steeds onrustiger en schuwer, zijn blik is starend of vurig, hij laat den kop laag hangen, het aangezicht zwelt op aan de wangen en om de oogen, de tong neemt een vuurroode kleur aan en hangt uit den bek, die aan de zijden een taai slijm laat uitvloeien. Weldra knort hij slechts zonder te blaffen, herkent de menschen en ten slotte zijn eigen meester niet meer. Hoezeer hij ook van dorst versmacht, hij kan niets meer binnenkrijgen; zelfs wanneer men hem met geweld water in de keel giet, veroorzaakt dit bij hem ademnood en een krampachtige samentrekking van de keelspieren. Nu begint hij het water en iedere andere vloeistof te schuwen. Hij gaat niet meer liggen, maar sluipt met loenschen blik en afhangenden staart onrustig rond.

Thans eerst ontwikkelt zich de ziekte hetzij in den stillen of in den razenden vorm. Bij de stille dolheid zijn de oogen ontstoken, maar dof en onbewegelijk, de tong wordt blauwachtig en hangt dikwijls ver uit den bek. Een wit schuim vertoont zich in de mondhoeken; de bek blijft altijd geopend, de onderkaak is verlamd en hangt slap naar beneden. Met den staart tusschen de pooten en hangenden kop loopt de Hond wankelend en onvast dikwijls mijlen ver voort en bijt naar alles wat hem in den weg komt, vooral echter naar andere Honden. Ontmoet hij op zijn weg een beletsel, dat hem verhindert de oorspronkelijke richting te blijven volgen, dan waggelt hij in een kring rond, valt dikwijls neder en hapt naar lucht.

Wanneer daarentegen de ziekte in haar razenden vorm optreedt, fonkelt het oog, de pupil wordt wijd, de bek is open en slechts weinig met speeksel bevochtigd; de blauwachtige tong hangt uit den mond. Reeds in vroegere ontwikkelingstijdperken van dezen ziektevorm is de Hond in hooge mate koppig en valsch, zelfs tegenover zijn meester; hij hapt onwillekeurig naar Vliegen of naar alles wat in zijne nabijheid komt, valt de Huisvogels aan en verscheurt ze, zonder ze op te eten, lokt andere Honden tot zich en schiet dan woedend op hen toe, laat de tanden zien, toont gezichtsvertrekkingen, jankt, lekt zich met de ontstoken tong de lippen af en maakt er ook wel smakkende bewegingen mede, waarbij hem dikwijls reeds vloeibaar speeksel uit den mond druppelt. Van 't water wendt hij zich duizelig af, maar zwemt toch nog soms door beken en plassen. Hij bijt naar al wat hem voor den bek komt, dikwijls ook in levenlooze voorwerpen, als hij vastligt, zelfs in zijn ketting.

De hondsdolheid was reeds bij de Grieken bekend, hoewel zij in 't zuiden van Europa veel zeldzamer voorkomt dan bij ons. Zoowel in landen die tot den kouden, als in die, welke tot den heeten aardgordel behooren, komt de ziekte minder dikwijls of in 't geheel niet tot uitbarsting.

Van oudsher zijn vele middelen tegen de _lyssa_ aangeprezen; het is echter niet uit te maken, of zij eenige uitwerking hebben gehad, en wel voornamelijk niet, omdat men geen zekerheid kon verkrijgen, dat het dier, waardoor de patiënt gebeten was, werkelijk aan dolheid leed, of ten onrechte verdacht werd, dol te zijn. Het eenige radicaal helpende middel kon slechts in het uitbranden der wonden bestaan; dit moest echter onmiddellijk en grondig geschieden. Als dit niet gebeurd was en het gif van de hondsdolheid zich reeds door het lichaam verspreid had, hing het alleen af van omstandigheden, waarover de mensch geen macht had, of de ziekte, die steeds een noodlottig einde nam, al of niet tot uitbarsting kwam. De eerst voor korten tijd door Pasteur ontdekte geneeswijze heeft ten doel, ook in zulke gevallen nog redding te brengen. Zij is gegrond op het feit, dat het mogelijk is, door inenting sommige ziekten te voorkomen, zooals b.v. de pokken door inenting van koepokstof. Volgens de methode van Pasteur wordt het ruggemerg van dieren, die aan hondsdolheid lijden, gedroogd, in bouillon fijn gewreven en dit mengsel verscheidene malen achtereen onder de huid van den patiënt ingespoten. Door het drogen is de vergiftige werking van het bedoelde ruggemerg verzwakt, en wordt het in een inentingsstof veranderd, die den patiënt tegen de ziekte beschut. Sedert 1885 zijn duizenden van menschen, die gebeten waren, op deze wijze behandeld. Vele van de behandelden waren ongetwijfeld gebeten door dieren, die ten onrechte van dolheid verdacht werden; er zijn echter onder hen ook een groot aantal personen geweest, die gebeten waren door dieren, waarvan de dolheid met zekerheid kon worden aangetoond. Van deze personen zijn eenigen in weerwil (misschien zelfs ten gevolge) van de inenting gestorven; verreweg de meesten echter zijn door de inenting voor een wissen dood behoed.

Een onbedriegelijk kenteeken van de gezondheid van een Hond is de koude en vochtige neus. Als deze droog en warm is, als de oogen dof staan, als het dier geen eetlust heeft enz., kan men er zeker van zijn, dat het onpasselijk is. Als er in den toestand van den patiënt niet spoedig een gunstige verandering komt, en de middelen, die door een ervaren veearts voorgeschreven zijn, niet baten, blijft er weinig hoop op het behoud van het dier over, want slechts weinige Honden kunnen zware ziekten doorstaan. Verwondingen genezen schielijk en volkomen, niet zelden zonder eenige hulp; bij inwendige ziekten echter zijn zelfs ervaren geneeskundigen, om van kwakzalvers niet eens te spreken, meestal spoedig ten einde raad, omdat deze ziekten een buitengewoon snel verloop hebben.

De Hond bewijst den mensch onschatbare diensten. Hoe nuttig hij is voor beschaafde en ontwikkelde volken, weet ieder lezer uit eigen ervaring; de onbeschaafde of wilde volksstammen hebben hem echter misschien nog meer noodig. Zijn vleesch wordt gegeten op de Zuidzee-eilanden, door verscheidene Afrikaansche volken, alsmede door de Toengoesen, Chineezen, Eskimos, de Noord-Amerikaansche Indianen enz. In China ziet men dikwijls slagers, die met geslachte Honden beladen zijn; zij hebben echter veel last van de vijandige gezindheid van andere, nog vrij rondloopende Honden, die bij troepen op hen aanvallen. In verband met dit feit moeten wij ook nog wijzen op een andere betrekking tusschen den mensch en den Hond, die wel in staat is om bij ons een gevoel van afschuw te wekken. Nadat Bernardin de Saint-Pierre het denkbeeld uitgesproken heeft, dat het eten van Honden de eerste stap zou zijn geweest tot het eten van menschen, is de volkenkunde verrijkt geworden met vele feiten, die het hoogst waarschijnlijk maken, dat de gewoonte om Honden te eten een voorlooper, begeleider of overblijfsel is van het menscheneten.

Maar ook in die gewesten, waar de Hond geregeld of somtijds als voedsel voor den mensch dient, is hij steeds zijn metgezel en helper; zelfs den minst ontwikkelden wilde, die nog niet eens op het denkbeeld is gekomen dit dier een eigen naam te geven, bewijst de Hond in de keerkringsgewesten den dienst van waarschuwer, zoo niet dien van wachter, ook helpt hij hem op de jacht. Voor den bewoner der Poolgewesten, die zonder den Hond nagenoeg hulpeloos zou zijn, trekt hij de slede over de ijs- en sneeuwwoestijnen van zijn vaderland, of draagt als een lastdier op den rug de uitrusting van den jager. In het noorden van Azië worden hondevellen tot kleedingstukken verwerkt; in Europa maakt men er mutsen, zakken en moffen van. Van zijne pezen, banden en beenderen wordt lijm bereid; het taaie en dunne hondenleer komt op tweeërlei wijze gelooid in den handel: rungaar dient het tot dansschoenen, aluingaar tot handschoenen; het haar wordt tot het vullen van kussens gebruikt. Het vet dient tot het smeren van raderwerk enz.; het gold vroeger als huismiddel tegen longtering. Zelfs de drek, die "Grieksch wit" (_Album graecum_) wordt genoemd, omdat de Grieken het voor 't eerst hebben toegepast, was een gezocht geneesmiddel. Ook in den oorlog moesten de Honden meehelpen, niet, gelijk thans geschieden zal, als doelmatig opgevoede waarschuwers en snelvoetige, gemakkelijk aan 's vijands aandacht ontsnappende boden, maar om te strijden in de gelederen der krijgslieden. Toen de Spanjaarden de landen van de Nieuwe Wereld aan zich onderwierpen, speelden de Bloedhonden bij hunne ondernemingen als krijgsgezellen geen geringe rol: vele van deze dieren werden wegens hun moed en hunne roemrijke daden even hoog geacht en geprezen als de tweevoetige helden, die deel uitmaakten van de roofgierige benden der _Conquistadores_. Even als alle deelnemers aan deze rooftochten en gevechten, kregen ook deze Honden, of liever hunne meesters in hun plaats, een evenredig aandeel van den buit. Later, zelfs nog tot in den laatsten tijd, was het de gewoonte, ontvluchte slaven of inboorlingen, die zich aan het gezag der Europeanen onttrokken hadden, met behulp van Bloedhonden in de wildernis op te sporen.

Reeds sedert de vroegste tijden zijn de Honden den menschen nuttig geweest; de wijze, waarop zij behandeld werden, en de achting, die men voor hen had, was echter zeer ongelijk: Socrates was gewoon bij den Hond te zweren; Alexander de Groote was over den dood van een zijner lievelingshonden zoo bedroefd, dat hij te zijner eere een stad met tempels liet bouwen; Homerus bezingt _Argos_, den Hond van Odysseus op een waarlijk treffende wijze; Plinius acht de Honden zeer hoog en verhaalt allerlei merkwaardigheden van hen. Hij verhaalt o.a., dat de Kolophoniërs, die voortdurend oorlog voerden, met het oog hierop groote troepen Honden onderhielden, dat de Honden altijd het eerst aanvielen, en in geen veldslag in gebreke bleven. Toen Alexander de Groote naar Indië trok, had de koning van Albanië hem een grooten Hond geschonken, waarmede de veroveraar zeer ingenomen was. Hij liet daarom Beren, Evers en dergelijke dieren bij den Hond brengen, maar deze bleef stil liggen en wilde niet opstaan. Alexander meende, dat de Hond lui was, en liet hem ter dood brengen. Toen de koning van Albanië dit vernam, zond hij nog een Hond van dezelfde soort met de boodschap, dat Alexander geen zwakke dieren tegenover den Dog moest plaatsen, maar Leeuwen en Olifanten; hij, de Koning, had slechts twee zulke Honden gehad; als Alexander dezen liet dooden, had hij er geen meer over. De Macedonische vorst liet het dier daarom eerst met een Leeuw, later met een Olifant vechten; de Hond doodde ze allebei.--De oude Egyptenaars gebruikten de Honden op de jacht, en achtten ze zeer hoog, zooals uit de afbeeldingen op de gedenkteekenen blijkt. Bij de Joden daarentegen werd de Hond veracht, zooals door vele aanhalingen uit den Bijbel aangetoond kan worden; de hedendaagsche Arabieren zijn ongeveer van hetzelfde gevoelen. Hoog geëerd was de Hond bij de oude Germanen. Toen de Cimbrem in het jaar 108 v. C. door de Romeinen overwonnen waren, moesten deze eerst nog een hevigen strijd voeren met de Honden, die de goederen bewaakten. De Kanarische eilanden ontleenen, naar Plinus bericht, hun naam aan de Honden. In Peru werden, volgens Von Humboldt, bij een maansverduistering de Honden zoo lang geslagen, tot de duisternis geweken was.

Vermakelijk is het te lezen, wat de oude schrijvers van het gebruik van den Hond voor geneeskundige doeleinden berichten. Nagenoeg al zijne lichaamsdeelen dienden als geneesmiddelen.

Nu hebben wij den Hond in 't algemeen beschouwd; het wordt tijd, dat wij eenige van de voornaamste rassen van dezen merkwaardigen diervorm behandelen; natuurlijk kunnen wij alleen voor eenige van de belangrijkste een plaats in dit werk inruimen, omdat het aantal rassen zoo verbazend groot is: Reichenbach vermeldt er 195.

De _Windhonden_ (_Canis familiaris grajus_) zijn kenbaar aan hun uiterst slanken, sierlijken romp, den spits toeloopenden, fijn gebouwden kop, de dunne, hooge ledematen, en in den regel ook de kortharigheid en gladheid van hun vel. De fijne, langwerpige snoet, de vrij lange, smalle, met korte haren begroeide ooren, die voor de helft overeind staan en voor 't overige omgebogen zijn, de korte en strak gespannen lippen verschaffen den kop zijn eigenaardig, sierlijk voorkomen, en staan tevens in nauw verband met de afwijkingen, die in de ontwikkeling der zinnen waargenomen worden. De Windhond hoort en ziet uitmuntend, maar heeft een zwak reukvermogen, daar de neusschelpen zich in den spitsen snuit niet behoorlijk uitbreiden kunnen, waardoor de reukzenuw-eindtoestellen niet over zulk een groote oppervlakte verbreid kunnen zijn als bij andere Honden. Hoewel de romp in de lengte gerekt is, onderscheidt de borst zich door groote breedte, diepte en hoogte, en bevat dus de noodige ruimte voor de betrekkelijk zeer groote longen, die, zelfs wanneer de bloedsomloop door de vlugge beweging aanmerkelijk versneld is, in staat zijn om aan het bloed een voldoende hoeveelheid zuurstof toe te voeren, en er het koolzuur uit te verwijderen. In de liesstreek is de romp daarentegen buitengewoon sterk versmald, als 't ware om aan het lichaam, dat door de krachtige borst verzwaard wordt, het noodige evenwicht te hergeven. Denzelfden lichaamsbouw hebben wij bij de Langarmapen en een dergelijken bij den Gepard kunnen opmerken; wij vinden dien bij vele dieren terug: een onbedriegelijk kenteeken van geschiktheid tot een snelle en gedurende langen tijd voortgezette beweging. Buitengewoon fijn gebouwd zijn de pooten van den Windhond; men ziet aan hen iedere spier en vooral ook de sterke pezen, waarin deze spieren uitloopen. Maar ook aan den borstwand zijn alle tusschenribspieren zichtbaar; sommige Windhonden zien er uit, alsof hunne spieren reeds door een bekwaam ontleedkundige waren blootgelegd. De staart is zeer dun, tamelijk lang, strekt zich uit tot ver onder het hielgewricht, en wordt naar beneden gericht gedragen met teruggebogen spits, of achterwaarts gestrekt en een weinig naar boven gekromd. De fijne en gladde beharing, die in den regel dicht aanligt, verkrijgt bij enkele rassen een grootere lengte, en verschilt dan ook meestal door haar kleur van die der overige rassen, waar zij fraai roodachtig geel is. Een andere kleur dan deze treft men bij de uitnemendste Windhonden, n.l. bij die van Perzië en van Centraal-Afrika, nagenoeg niet aan. Gevlekte Windhonden zijn zeldzamer en in den regel zwakker dan de éénkleurige.

De gemoedsaard van den Windhond is anders dan die van de overige Honden. Hij is een in de hoogste mate zelfzuchtig wezen; in den regel openbaart hij geen bijzondere gehechtheid aan zijn meester, maar laat zich door iedereen liefkoozen en toont genegenheid aan iedereen, die vriendelijk voor hem is. Hij is tevreden, als hij een meester heeft, die hem voortdurend aanhaalt, en toont dezen dan ook een zekere mate van gehechtheid; zijn ontrouwe aard blijkt echter, wanneer een ander persoon jegens hem vriendelijker is dan zijn eigen meester. De geschiedboeken vermelden een voorbeeld van deze trouweloosheid. Toen Eduard III van Engeland stierf, verliet zijn Windhond hem in de stervensure, en voegde zich bij de vijanden van het huis van Plantagenet. Er zijn echter ook onder de Windhonden enkele, die, wat trouw en gehechtheid aan hun meester betreft, bijna niet achterstaan bij andere Honden, hierdoor een loffelijke uitzondering maken op den algemeenen regel, en onze ingenomenheid met hun ras vermeerderen.

De Windhond gedraagt zich ten opzichte van andere Honden als tegenover den mensch: hij houdt niet van hen, zij zijn hem zelfs nagenoeg onverschillig: wanneer het echter tot vechten komt, is hij stellig de eerste, die toebijt; hierdoor kan hij gevaarlijk worden. Want ondanks zijn slanke, fijne gestalte is hij sterk, en zoodra het bijten begint, trekt hij partij van zijn grootte, houdt steeds den snoet boven den nek van zijn tegenstander, pakt dezen, zoodra hij zich verroert, stevig beet, tracht hem op te tillen, en schudt hem heen en weer, tot hooren en zien hem vergaan. Tegenover deze onaardige eigenschappen staan echter vele uitmuntende hoedanigheden. Voor vele volken is hij even onmisbaar als de Staande Hond voor den Europeeschen jager, als de Herdershond voor den schaapherder. Veel meer dan in de noordelijke gebruikt men hem in de zuidelijke gewesten en meer bepaaldelijk in alle steppenlanden. De Tartaren, Perzen, bewoners van Klein-Azië, Bedoeïnen, Kabylen, Soedaneezen, Indiërs en andere volken van Middel-Afrika en Azië achten hem buitengewoon hoog en schatten zijn waarde dikwijls gelijk aan die van een goed Paard. Bij de Arabische stammen van de woestijn, of liever van de woestijnsteppen aan den rand van de Sahara, bestaat het spreekwoord:

"Een goede Valk, een snelle Hond, een edel Paard, Zijn meer dan twintig vrouwen waard,"

en de oorsprong van dit gezegde is duidelijk voor een ieder, die met deze menschen verkeerd heeft.

Bij ons wordt de Windhond trouwens niet veel gebruikt. Het terrein moet vlak en open zijn, en men moet te paard iedere plaats kunnen bereiken, zal men ook te rechter tijd bij den Windhond komen, zoodra deze een Haas gevangen heeft. Zulk een jacht levert een fraai schouwspel op. De Haas is zoo dom niet, als hij er uitziet, en speelt den onervaren Hond menige poets. Met razenden spoed snelt deze het wild achterna, maakt sprongen, die werkelijk ongeloofelijk schijnen, en niet zelden met die van de groote Kattensoorten kunnen wedijveren, d. i. van 2, 3 en 4 M. wijdte, en haalt op deze wijze den Haas spoedig in. Hij is hem reeds op de hielen,--in 't volgende oogenblik zal hij hem zeker grijpen--maar de Haas is plotseling zijwaarts uitgeweken en loopt nu, wat hij kan, in tegengestelde richting; de Hond echter, die hem regelrecht najoeg, is ver uit den koers geraakt, valt bijna op den grond, kijkt woedend om, wordt hoe langer hoe meer vertoornd, zoekt en ziet eindelijk den Haas, die reeds een honderd vijftig schreden ver gekomen is. Nu gaat ook hij dien kant uit, ijlt het wild na, heeft het opnieuw bijna gegrepen, daar maakt de Haas een tweeden zijsprong, en het gaat den Hond als de eerste maal. Op deze wijze zou de jacht nooit tot een einde komen, als men niet twee Honden tegelijk in 't veld bracht, waarvan de eene den Haas vervolgt en de andere hem den pas afsnijdt.