Het Leven der Dieren: Deel 1, Hoofdstuk 04: De Roofdieren
Chapter 2
Bij 't vangen van een prooi handelen alle soorten van Katten ongeveer op dezelfde wijze. Zachtjes, met onhoorbare schreden sluipen zij door haar jachtgebied, uiterst nauwkeurig, acht gevend op alles, in alle richtingen loerend en scherp luisterend. Zelfs van het zwakste gedruisch trachten zij de oorzaak op te sporen. In diep gebogen houding gaan zij er op af, den buik bijna op den grond, zoodat zij schijnen voort te glijden. Steeds houden zij zich onder den wind, om te voorkomen, dat de bewijzen van de nabijheid van het roofdier door luchtstroomingen naar het slachtoffer overgedragen worden. Eindelijk acht de Kat den afstand gering genoeg, om tot den aanval over te gaan. Met één of twee sprongen heeft zij haar prooi bereikt. De vreeselijke klauwen doorklieven den nek of de zijden van het onverhoeds overvallen dier, dat met den bek aangevat, en eenige malen achtereen hevig gebeten wordt. Vervolgens ontspannen de spieren, die de kaken opeenklemmen, zich een weinig; de roover laat evenwel zijn prooi niet los, houdt haar voordurend in 't oog, en bijt opnieuw, zoodra hij bij den overwonnene een bewijs van leven opmerkt. Vele Katten laten onder deze bedrijven een geknor of gebrul hooren, dat evenzeer welgevallen als begeerigheid of toorn te kennen geeft; ook bewegen zij de spits van den staart heen en weer. De meeste hebben de afschuwelijke gewoonte, haar slachtoffer lang te martelen: schijnbaar gunnen zij het een weinig vrijheid en laten het zelfs dikwijls een eind ver loopen, om het echter steeds op 't rechte oogenblik weer te vatten, opnieuw neer te drukken en nogmaals te laten loopen; dit wreede spel wordt voortgezet, totdat het gepijnigde dier aan zijne wonden bezwijkt. Zelfs de grootste soorten vermijden een gevecht met dieren, van welke zij een grooten tegenstand verwachten, en vallen hen alleen dan aan, als de ervaring hun geleerd heeft, dat zij, ondanks de sterkte van haar tegenstander, overwinnaars zullen zijn in den strijd, die op den aanval zou kunnen volgen. Zelfs de Leeuw, de Tijger en de Jagoear zijn aanvankelijk bevreesd voor den mensch, en gaan hem bijna lafhartig uit den weg; zoodra zij evenwel gezien hebben, hoe gemakkelijk hij te overmeesteren is, worden vele van deze Roofdieren zijne vreeselijkste vijanden. Ofschoon bijna alle Katten goed kunnen loopen, laten vele toch de verdere vervolging van een prooi na, wanneer haar de aanvalssprong mislukte. Alleen wanneer zij die zeer veilig achten, verslinden zij de prooi op de plaats zelve, waar de strijd beslecht werd; gewoonlijk sleepen zij het gegrepen dier, dat gedood of althans weerloos gemaakt is, naar een stille, verborgen plaats, waar zij ongestoord en op haar gemak het genot kunnen smaken, dat de bevrediging van den honger teweegbrengt.
In den regel werpen de wijfjes-katten verscheidene jongen, bij uitzondering slechts één. Vermoedelijk wisselt het aantal jongen van 1 tot 6 af; men zegt, dat sommige soorten er meer ter wereld brengen. De moeder verzorgt ze; de vader bekommert er zich slechts bij uitzondering om. Een wijfjeskat met hare jongen levert een zeer aantrekkelijk schouwspel op. De moederlijke teederheid en liefde openbaren zich in elke beweging van de oude, zijn hoorbaar in ieder geluid, dat men van haar verneemt. Er ligt dan een teederheid en zachtheid in hare stem, die men hierin volstrekt niet verwacht zou hebben. Bovendien let de moeder zoo zorgvuldig en opmerkzaam op de jongen, dat men in 't geheel niet twijfelen kan aan de innigheid van haar liefde. Een zeer aangenamen indruk maakt zulk een kattenfamilie ook door de zindelijkheid, tot welke de moeder hare jongen reeds in hun prille jeugd opwekt. Onophoudelijk is zij bezig met schoonmaken, aflekken, gladstrijken, in orde brengen; zij duldt niet het minste vuil in de nabijheid van het leger. Tegen vijandelijke bezoeken verdedigt zij haar kroost met ware doodsverachting: alle groote soorten worden, wanneer zij jongen hebben, in de hoogste mate gevaarlijk. Bij vele kattensoorten moet de moeder hare kinderen soms ook tegen hun eigen vader beschermen, omdat deze de jongen, zoolang zij nog blind zijn, eenvoudig opvreet, wanneer hij het nest onbewaakt vindt. Dit is vermoedelijk de voornaamste reden voor de zorgvuldigheid, waarmede alle Katten hare jongen zoo goed mogelijk verbergen. Wanneer de jongen wat grooter geworden zijn en zich reeds als echte Katten gedragen, wordt de zaak anders; dan doet ook de kater hun geen kwaad meer. En nu begint voor de kleine, steeds tot allerlei spelen en grappen gezinde dieren een werkelijk vroolijk kinderleven. De natuurlijke aanleg openbaart zich reeds in de eerste bewegingen en aandoeningen, waarvoor de Katten vatbaar zijn. Hare kinderspelen reeds zijn altijd oefeningen, waardoor zij zich voorbereiden om het jagersbedrijf der volwassenen uit te oefenen. Elk zich bewegend voorwerp trekt haar aandacht. Geen gedruisch ontgaat haar, de kleine jagers spitsen de ooren bij het minste geritsel in hun nabijheid. In 't eerst is de staart van hun moeder een bron van groot vermaak. Elke beweging van dit lichaamsdeel wordt nageoogd, en weldra begint de geheele baldadige bende haar best te doen om door pogingen om den staart te grijpen diens bewegingen te stuiten en te voorkomen. Het oude dier laat zich echter door deze plagerijen in 't minst niet storen en gaat voort met haar gemoedsstemming te kennen te geven door de beweging van den staart; zij laat zelfs gelaten toe, dat hare jongen dit lichaamsdeel als speelgoed gebruiken. Weinige weken later ziet men het geheele gezin reeds met allerlei drukke spelen bezig, nu gedraagt ook de moeder, de leeuwin zoowel als de wijfjes-huiskat, zich geheel als een kind. Dikwijls is het geheele gezelschap als een kluwen ineengerold; het eene dier tracht den staart van het andere te grijpen. Naarmate de leeftijd toeneemt, worden de spelen voortdurend ernstiger. De jongen leeren inzien, dat de staart eenvoudig een deel van hun eigen lichaam is, en willen liever hunne krachten aan iets anders beproeven. Thans brengt de oude hun kleine, soms halfdoode, soms nog springlevende dieren. Deze laat zij los, als zij bij hare jongen is en nu oefent zich het jongere geslacht met ijver en volharding in het roovershandwerk, waardoor het later aan den kost zal komen. Eindelijk neemt de oude de jongen mede op de jacht; daar worden zij doorkneed in alle listen en sluipwegen, in het toonen van zelfbeheersching, in het onverhoeds aanvallen, kortom in de geheele rooverskunst. Eerst als zij geheel zelfstandig zijn geworden, verlaten zij hun moeder of hunne beide ouders en leiden van nu af gedurende geruimen tijd een eenzaam, zwervend leven.
De Katten staan als vijanden tegenover een groot deel van de dierenwereld; daarom is de schade die zij aanrichten, buitengewoon groot. Men moet hierbij echter in 't oog houden, dat de groote soorten van de familie bijna alle leven in landen, die ongeloofelijk rijk aan dieren zijn; zelfs is er reden om aan te nemen, dat eenige soorten aan een voor ons schadelijke, te sterke vermenigvuldiging van sommige Herkauwers en Knaagdieren paal en perk stellen, en dus indirect ook voor ons nuttig zijn. Bij vele kleine soorten wordt de schade, die zij ons berokkenen, meer dan opgewogen door de diensten, die zij ons bewijzen. Zij maken alleen jacht op kleine Zoogdieren en Vogels; vooral voor de kleine Knaagdieren, die den mensch zoo buitengewoon veel last en schade kunnen aandoen, zijn zij de gevaarlijkste vijanden en voor ons dus de ijverigste bondgenooten. Onze poes is ons geheel onmisbaar geworden, maar ook de in 't wild levende soorten van kleine Katten vergoeden vaak de door haar aangerichte schade door belangrijke diensten. Bovendien maakt de mensch gebruik van het vel en in sommige landen zelfs van het vleesch der Katten. In China, en ook velerwege in Afrika, dienen de vellen van sommige soorten van Katten als kenteekenen van waardigheid; de overige volken schatten het genoemde artikel meer op grond van de schoone kleuren die het vertoont, dan wegens de innerlijke waarde, want deze is niet bijzonder groot.
De jacht en de vangst van de schadelijke soorten worden overal met grooten ijver uitgeoefend; er zijn menschen, die deze jacht, juist wegens de gevaren die zij oplevert, tot de grootste genoegens dezer wereld rekenen.
De samenvoeging van de verschillende soorten van Katten tot geslachten biedt groote moeielijkheden aan. Wij meenen echter het recht te hebben om de _Lossen_ (_Lynx_), de _Geparden_ of _Jachtluipaarden_ (_Cynailurus_) en de _Fretkat_ of _Fossa_ van Madagaskar (_Cryptoprocta_) van de overige vormen--van de _eigenlijke Katten_ (_Felis_)--te mogen scheiden als afzonderlijke geslachten. Als type van het laatstgenoemde geslacht kan onze algemeen bekende Huiskat dienen. Van haar en de overige soorten van haar geslacht, welker hoogst ontwikkelde leden aan den eenen kant de Leeuw, aan den anderen de Tijger zijn, onderscheiden de _Lossen_ zich door de kortheid van den staart, de lengte der pooten en het haarkwastje aan de lange ooren, de _Geparden_ door de hoogte der pooten en de geringe terugtrekbaarheid der klauwen; de _Fossa_ is kenbaar aan haar afwijkend gebit, haar onbehaarde zool, en andere eigenaardigheden, die ons dit merkwaardig dier doen kennen als een verren verwant van de Civetkatten, als een "oerkat", zoo men wil.
In de eerste plaats beschouwen wij de _Eigenlijke_ Katten; de soorten van de _Oude Wereld_ zullen wij gescheiden van die der _Nieuwe Wereld_ behandelen; verder berust de rangschikking, die wij aangenomen hebben, op eigenaardigheden die de kleur van de vacht van het dier aanbiedt, en wel zoo, dat de _dwars gestreepte_, de _gevlekte_ en de _eenkleurige_ Katten achtereenvolgens aan de beurt zullen komen.
In de groep van de min of meer dwars gestreepte Katten staat de _Tijger_, die naast den Leeuw het meest ontwikkelde lid van de geheele familie is, bovenaan. De Tijger is een echte Kat zonder manen, met tamelijk lange baardborstels en met zeer duidelijk zichtbare dwarsstrepen op zijn huid. Hij is de vreeselijkste van alle Katten, een Roofdier, waartegen de mensch zelfs machteloos is. Bij geen der Roofdieren gaat de verschrikkelijkheid met zooveel waarlijk verleidelijke schoonheid gepaard, geen van hen kan de oude fabel van de jonge, wijsneuzige Muis, die in de Kat een schoon en beminnenswaardig wezen bewonderde, beter vestigen. Wanneer de gevaarlijkheid als maatstaf voor de belangrijkheid van de Zoogdieren moest gelden, zou men aan den Tijger den eersten rang dienen toe te kennen; want hij heeft zich tegenover den beheerscher der aarde verzet op een wijze, waarvan geen tweede voorbeeld te vinden is. In plaats van verdreven en teruggedrongen te zijn door de bebouwing van den bodem en den steeds verder voortdringenden mensch, is hij gedeeltelijk juist hierdoor meer aangetrokken; zelfs heeft hij den mensch sommige plaatsen doen ontvluchten. Wel verre van, gelijk de Leeuw, uit bevolkte gewesten zich terug te trekken, en het gevaar, dat hem met vernietiging bedreigt, te ontvlieden, gaat hij het stoutmoedig of listig te gemoet en plaatst zich halsstarrig als vijand tegenover den mensch, maar als een verborgen, onverwachts naderbij sluipenden en daarom des te gevaarlijker vijand. Men heeft zijn moordlust en zijn bloeddorst en ook zijn menscheneten veelvuldig overdreven, of althans met zeer schrille kleuren geschilderd; dit mag ons echter geen verwondering baren: want voor velen die hem schilderen konden, was hij werkelijk de belichaming van de verschrikkelijkheid.
De _Koningstijger_, de _Bagh_, _Scher_ of _Nahar_ der Hindoes, de _Harimau_ der Maleiers (_Felis tigris_), is een prachtige, wonderschoon geteekende en gekleurde Kat. Hooger, slanker en lichter gebouwd dan de Leeuw, staat de Tijger toch volstrekt niet bij dezen achter. De totale lengte van het volwassene mannetje varieert van 260 tot 300 cM., die van het volwassene wijfje is steeds 30 à 40 cM. geringer. De staart is 80 à 95 cM. lang; de hoogte van de schoften bedraagt 90 à 106 cM. Het gewicht van twee vrouwelijke Tijgers bedroeg bij de eene 108.8, bij de andere 158.7 KG., dat van twee mannelijke Tijgers was resp. 163.3 en 172.4 KG. De romp is een weinig langer en gestrekter, de kop ronder dan bij den Leeuw, de staart eindigt niet in een haarkwast, de beharing is kort en glad en slechts aan de wangen tot een baard verlengd. Het wijfje is kleiner en haar wangbaard minder ontwikkeld. Alle Tijgers, die in meer noordelijk gelegene landen wonen, dragen, althans gedurende het koude jaargetijde, een veel dichter en langer haarkleed, dan die, welker vaderland de heete laagvlakten van Indië zijn. De teekening van het dier vertoont een merkwaardig schoone rangschikking van kleuren; er is een scherpe tegenstelling tusschen de lichte, roestgele grondkleur, en de donkere strepen, die er op voorkomen. Evenals bij alle Katten, is de grondkleur op den rug donkerder, aan de zijden lichter; de onderzijde, de binnenzijden der ledematen, het achterste deel van den romp, de lippen en het onderste gedeelte der wangen zijn wit. Bij den "Boschtijger" schijnt de grondkleur meer verzadigd te zijn dan bij den "Dsjungeltijger". Van den rug naar de borst en den buik loopen in schuinsche richting onregelmatige, zwarte dwarsstrepen, die een weinig van voren naar achteren hellen, en welker onderlinge afstand bij verschillende dieren ongelijk is. Eenige van deze strepen splitsen zich, de meeste zijn onvertakt en in dit geval donkerder. De staart is lichter van kleur dan de bovenzijde van het lichaam, maar eveneens met donkere ringen geteekend. De baardborstels of snorren zijn meestal wit. Het groote oog, dat een ronde pupil heeft, ziet er geelachtig bruin uit. De jongen zijn precies zoo geteekend als de ouden; bij hen heeft de grondkleur echter een iets lichtere tint.
Ook bij den Tijger worden verscheidene afwijkingen van kleur aangetroffen; de grondkleur kan donkerder of lichter zijn; in zeldzaam voorkomende gevallen is zij zelfs zwart, ook wel wit met nevelachtige zijdestrepen.
Men zou kunnen meenen, dat een zoo prachtig geteekend dier reeds op een afstand opgemerkt zal worden door alle dieren die het vervolgt. Dit is echter niet zoo. Het is al reeds eerder ter sprake gekomen, dat de kleur bij de dieren in 't algemeen in nauw verband staat met de plaats waar zij zich ophouden; bij de Katten is dit meer in 't bijzonder het geval; ik kan hier dus volstaan met te herinneren aan de bosschen, rietvelden en graslanden, die bij voorkeur door den Tijger als woonplaats worden gekozen, om de meening te weerleggen, dat de bedoelde teekening en kleurverdeeling het roofdier hinderlijk zouden kunnen zijn. Het overkomt zelfs geoefende jagers niet zelden, dat zij een Tijger, die op korten afstand vóór hen ligt, even goed als andere dieren, volkomen over 't hoofd zien.
Het verbreidingsgebied van den Tijger is zeer uitgebreid. Want het blijft volstrekt niet alleen tot de heete landen van Azië, en meer bepaaldelijk tot Oost-Indië, beperkt, maar neemt van het grootste aller werelddeelen een stuk in beslag, dat ons Europa in uitgestrektheid verre overtreft. Dit dier komt voor tusschen 8° ZB. en 53° NB., en wel tot in het zuidoosten van Siberië. De noordelijke grens van zijn verbreidingsgebied ligt nader bij de Noordpool dan Amsterdam: bovendien houde men hierbij in 't oog, dat Siberië een geheel ander en betrekkelijk veel kouder klimaat heeft dan Europeesche gewesten, die op gelijke breedte gelegen zijn. Indië kan echter als het eigenlijk vaderland van den Tijger aangemerkt worden; van hier uit verbreidt hij zich naar 't noorden en oosten door geheel China tot in het stroomgebied van den Amoer, naar 't noorden en westen door het noordelijke deel van Afghanistan en Perzië naar de gewesten aan den zuidelijken oever van de Kaspische zee, waar hij in de moerassige oerwouden van Massenderan en Gilan nog vrij overvloedig gevonden wordt. Enkele uit hun koers geslagen dieren zullen misschien wel nu en dan buiten de genoemde grenzen rondzwerven; in de westelijke landen komen zij echter niet tot aan den Kaukasus of tot aan de Zwarte Zee. Op de eilanden van den Maleischen Archipel, met uitzondering echter van Sumatra en Java, komt de Tijger niet voor. Evenmin vindt men hem op het eiland Ceylon.
Over den Tijger op Java schrijft Dr. W. R. van Hoëvell o. a. het volgende: "Overal waar de grond nog schaars is bebouwd, in de vlakten, op de bergen, overal heeft hij zijn schuilplaats en zoekt hij zijn prooi. Sommige streken zijn door haar plaatselijke gesteldheid bovenal bij hem geliefd. In het zuiden van Bantam is hij menigvuldig. Binnen het jaar had men er vijftig gedood. In een dorp woonden acht weduwen, wier mannen door Tijgers waren geveld.
"Bijna nimmer ontmoet men op Java een Tijger in 't wild. Daar is een natuurlijke reden voor; wij maken onze tochten als de zon aan den hemel schijnt--maar in den regel ligt de Tijger dan in zijn schuilhoek, dan verbergt hij zich voor de zonnestralen, dan slaapt hij.
"De volle middag is in Indië het beeld van den dood--de nacht van kalme beweging en levende rust. Altijd hoort gij iets. Nu eens oefenen talrijke nachtinsecten onvermoeid hunne geluidorganen, dan weer zingen ontelbare Krekels, in de struiken verspreid, op schelle tonen een avondzang--dan belasten honderden Padden en Kikvorschen zich met de baspartij--nu en dan mengt zich het eentonig geschreeuw van de Gekko's er tusschen, die het rieten dak onzer hut bewonen.
"Maar ziet--daar wordt plotseling dit gansche orkest overschreeuwd door een klagend gehuil, al sneller en scherper, al snijdender en harder. Wij vlogen naar buiten, om te onderzoeken wat het was. Het geraas hield aan, maar bleek nu op een aanmerkelijken afstand, diep in het woud zijn oorsprong te nemen. De Javanen die ons vergezelden, ontvouwden ons de reden. 't Was het angstgeschreeuw der Apen, die deze bosschen bewonen. Wanneer een talrijke groep in die, dikwijls honderd voet hooge kruinen der boomen zich gerust aan den slaap heeft overgegeven, dan nadert een groote Gestreepte Tijger en vlijt zich aan den voet neer.
"Nauwelijks heeft een der bevolking in de takken het monster opgemerkt, of de schrik perst hem een klagend gehuil af. Alle ontwaken--alle zien den Koning der verschrikking beneden--alle schreeuwen en alleen de tegenwoordigheid van dat vreeselijke dier jaagt hun zulk een doodsangst aan, dat zij geheel verbijsterd, op en door elkander van tak tot tak springen en, onder huilen en jammeren, den een den ander verdringen. Ondertusschen blijft de Tijger stil en rustig liggen--maar onbewegelijk fonkelen zijne oogen de arme Apen aan totdat er eindelijk een in de verwarring en het rumoer naar beneden valt, die dan gegrepen en verslonden wordt.
"De wilde Stier is een der schoonste dieren van Java's wildernissen. Ook op hem aast de Tijger, maar hij treedt hem niet tegen in een open ridderlijken kamp; hij bespiedt zijne gangen, wacht hem af in een hinderlaag, en bespringt hem verraderlijk. Daar ligt de moordenaar op de loer in de dichte struiken; hij weet, dat hij zijn prooi weldra zal zien, want het malsche gras heeft den Stier reeds menigen nacht herwaarts gelokt. Daar nadert eindelijk het trotsche, fraai geteekende, met sierlijke hoornen gekroonde dier. Rustig, van geen gevaar bewust, voor geen gevaar bevreesd, omdat het de kracht van zijne spieren en kop en hoornen kent, geniet het de geurige kruiden, door den dauw van den nacht besproeid.
"De Tijger ligt onbeweeglijk, hij verroert zich niet, hij houdt zijn adem in, hij wacht--de Stier komt al grazende dichter bij--nog een kleine wending en de gelegenheid zal gunstig zijn--en nu--slechts één enkele sprong--en de Tijger zit zijn prooi op den rug--hij heeft hem zijne klauwen in de breede borst geslagen--hij heeft hem de slagtanden in den korten, rimpeligen nek gezet--een vreeselijk gebrul weergalmt in den nacht en weerkaatst door het gebergte--de Stier ijlt, woedend van pijn, in 't dichtst van het woud, maar de Tijger blijft in dezelfde houding--de Stier slaat in razernij de horens tegen de stammen der boomen, de Tijger verroert zich niet--de smarten doen den Stier al harder en harder voortijlen, de Tijger drijft zijne tanden en klauwen al dieper en dieper in het vleesch--de Stier werpt zich op den grond, wentelt zich om, de Tijger laat los, doet een enkelen sprong, zet de tanden in den strot van zijn slachtoffer--en weldra blaast het rochelend den laatsten adem uit."
Behalve in de dsjungels ontmoet men den Tijger in groote, hoogstammige bosschen tot op een bepaalde hoogte boven den zeespiegel. Tot in de hooglanden en hooge gebergten van Azië dringt hij niet door, en zelfs in de zuidelijke gedeelten van den Himalaja wordt hij slechts nu en dan tot op een hoogte van ongeveer 2000 M. aangetroffen. Bij voorkeur houdt hij zich op in de rietvelden aan de rivieroevers, in ondoordringbare bamboesbosschen en op andere dicht begroeide plaatsen; ook vindt men hem dikwijls te midden van bouwvallen; niet zelden wordt hij op den kap van half verweerde muren en op tempels in liggende houding gezien, soms zelfs drie of vier tegelijk. Bijzonder merkwaardig en, volgens alle berichtgevers, sterker dan bij andere dieren is zijn voorliefde voor vast bepaalde lig- en schuilplaatsen; met groote nauwgezetheid trekt hij altoos en overal naar dezelfde plaatsen terug, al zijn er ook even geschikte in de onmiddellijke nabijheid te vinden. "Het eerste het beste, met lang gras of riet begroeide plekje aan een rivieroever of moerasrand," schrijft Blanford, "de een of andere dichte opeenhooping van tamarisken of eugeniën in een uitgedroogd rivierbed, dat een dozijn andere, oogenschijnlijk volkomen gelijke kreupelboschjes bevat, een bepaalde hoop rotsblokken, de uitverkorene van honderd soortgelijke op dezelfde heuvelhelling, herbergt jaar in jaar uit denzelfden Tijger. Wanneer bij geval de vaste bewoner van dit plekje door een jager gedood wordt, zal weldra een andere Tijger de vacant geworden plaats in beslag nemen."
De gewoonten en hebbelijkheden van den Tijger gelijken op die van de overige Katten, behoudens het onderscheid, dat uit de verschillende grootte voortvloeit. Zijne bewegingen zijn even sierlijk als die der kleinere Katten en hebben plaats met buitengewone snelheid, behendigheid en volharding. Onhoorbaar sluipt hij voort, doorloopt op zijne rooftochten schielijk afstanden van uren gaans, beweegt zich zeer snel in galop en zwemt uitmuntend. Zijn bekwaamheid in 't springen heeft men dikwijls overdreven voorgesteld. Uit metingen aan de sporen van Tijgers, die vluchtend wild vervolgd hadden, is nooit een grootere sprongwijdte dan van 5 M. gebleken. _Boomen beklimt hij niet_ of alleen bij groote uitzondering, n.l. als de stam hellend of knoestig is; gladde, rechte, verticale stammen kan hij niet beklimmen. Wel springt hij soms, evenals andere Katten, tot tijdverdrijf bij den stam van een boom met zachte schors op, en krabt deze spelenderwijs stuk.