Het Leven Der Dieren Deel 1 Hoofdstuk 02 De Halfapen Hoofdstuk

Chapter 1

Chapter 13,588 wordsPublic domain

Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net/

Tweede Orde.

De Halfapen (_Prosimii_).

De meeste natuuronderzoekers van vroegeren tijd beschouwden de dieren, welker bouw en levenswijze ons nu zal bezighouden, als echte Apen, en plaatsten ze daarom in dezelfde orde (die der Vierhandigen); thans echter worden de Halfapen volkomen gescheiden van de eigenlijke Apen en in een afzonderlijke orde vereenigd. Bij nader inzien is het n.l. gebleken, dat de overeenkomst van de Halfapen met de Apen gering is. Hun lichaamsbouw is anders; hun gebit verschilt bijna in alle opzichten van dat der Apen. De naam Vierhandigen, die thans niet meer als naam van een orde geldt, komt aan de Halfapen eerder toe dan aan de Apen, daar bij deze het onderscheid tusschen hand en voet het duidelijkst zichtbaar is. Men moge de Halfapen beschouwen als een schakel, die de Apen met de Buideldieren verbindt, als nakomelingen van onbekende, met de Buidelratten verwante dieren,--Apen zijn zij niet.

Het ontwerpen van een algemeen beeld van de Halfapen is niet gemakkelijk. Grootte, lichaamsbouw, ledematen, gebit, geraamte verschillen bij hen zeer. De grootte wisselt af tusschen die van een flinke Kat en die van een Relmuis. Bij de meeste soorten is het lichaam slank, bij eenige zelfs buitengewoon schraal; bij genen herinnert de kop door de lengte van den snuit eenigszins aan dien van een Hond of Vos, bij dezen heeft hij iets eigenaardigs dat alleen bij nachtdieren aangetroffen wordt, b.v. bij Relmuizen, Vliegende Eekhoorns, Nachtapen of Uilen. Meestal bestaat er een merkbaar, dikwijls een aanzienlijk verschil in lengte tusschen de achterste en de voorste ledematen, en wel zoo, dat deze steeds de kortste zijn. Bij één afdeeling onzer orde is de voetwortel betrekkelijk kort, bij een andere daarentegen tamelijk lang. De lengte van den staart verschilt zeer; bij vele is hij langer dan het overige lichaam; bij andere is hij tot een uitwendig niet of bijna niet zichtbaar stompje ontaard; bij deze is hij ruig behaard, bij gene voor een deel althans bijna kaal. Aan de groote nachtoogen en aan de steeds goed ontwikkelde ooren, met soms haarlooze, soms behaarde oorschelp, als ook aan de zachte, dichte, wollige, slechts bij uitzondering stijvere beharing kunnen de Halfapen gemakkelijk als schemering- of nachtdieren herkend worden. Het gebit biedt, wat de rangschikking, den vorm en het aantal der tanden betreft, grooter afwisseling aan dan bij de Apen. De schedel onderscheidt zich door de sterke afronding van het achterhoofd, door den smallen, korten snuit en de groote oogholten, die van voren zeer dicht bij elkander liggen en een hoogen oogkasrand hebben, doch niet volledig begrensd zijn door een beenigen wand en dus met de slaapholten in verbinding staan.

Afrika,--vooral Madagaskar en de naburige eilanden--alsmede Indië en de groote eilanden van Zuid-Azië zijn het woongebied van onze dieren, die dichte, veel vruchten voortbrengende bosschen tot verblijfplaats hebben. Alle soorten zijn boomdieren, verscheidene van hen zijn zoo goed als vreemdelingen op den bodem. Een buitengewone behendigheid en vlugheid van beweging te midden van het twijgendoolhof kenmerkt eenige; terwijl andere daarentegen zich door een langzame, veilige, bedachtzame, spookachtig zachte en onhoorbare beweging onderscheiden. Sommige zijn ook bij dag nu en dan werkzaam; de meeste echter beginnen hun leven eerst na het invallen van den nacht, en liggen voor het aanbreken van den dag reeds weder in diepe rust. Van eenige bestaat het voedsel hoofdzakelijk uit allerlei soorten van vruchten, knoppen en jonge bladeren, terwijl de overige behalve plantaardige spijzen ook Insecten en kleine Gewervelde dieren eten. In de gevangenschap geraken deze zoowel als gene aan allerlei voedsel gewoon. Noemenswaarde schade richten zij niet aan, belangrijke diensten bewijzen zij ons evenmin. Toch beschouwt de inboorling ze nergens met onverschilligheid; integendeel, hij houdt eenige van hen voor heilige en onschendbare, andere voor onheil aanbrengende, gevaarlijke wezens, en tracht daarom niet zelden door woorden of door daden den weetgierigen onderzoeker van de jacht op deze dieren en soms zelfs van het nagaan hunner eigenaardigheden terug te houden. Dit zal wel een van de redenen zijn, waarom wij zelfs van die soorten, welke in groote troepen bijeen leven en veelvuldig voorkomen, betrekkelijk zelden vertegenwoordigers in onze diergaarden zien. Hun vangst levert geen bijzondere moeielijkheden op, hun verzorging is gemakkelijk en eenvoudig; de meeste soorten verdragen de gevangenschap ook veel beter dan de Apen, zoodat bij eenigszins doelmatige behandeling ook de voortplanting zonder bezwaren in het hok plaats heeft. Het best ontwikkeld zijn de geestvermogens bij die soorten, welker vertegenwoordigers zich over 't algemeen door vlugge bewegingen en een opgewekten aard onderscheiden; deze geraken gemakkelijk aan hunne verzorgers gewoon; sommige kunnen zelfs leeren hun diensten te bewijzen. Die Halfapen echter, welke in den volsten zin van het woord nachtdieren zijn, blijven voortdurend droefgeestig en slaperig; zelfs de meest zorgvuldige verpleging wordt door hen slechts zeer zelden beantwoord met bewijzen van erkentelijkheid.

_Lemuren_ waren volgens de denkbeelden der Romeinen zielen van afgestorvenen; de goeden beschermden als "laren" het huis en de familie, de boozen werden kwaadwillige spoken, die rondzwierven om de arme stervelingen te verontrusten. De zoöloog, die bij het geven van namen aan de ontzaglijk menigvuldige voortbrengselen der natuur dikwijls om een naam verlegen is, heeft zich ook van dit woord meester gemaakt. Hij gebruikt het niet tot aanduiding van ontastbare wezens, maar voor schepsels met vleesch en bloed, die wel is waar 's nachts rondzwerven en leven maken, maar toch een min of meer bevallige gestalte en een lief uiterlijk hebben. De Lemuren zijn de kern van de orde, waarmede wij ons nu bezig houden; zij vormen een familie, waartoe verreweg de meeste soorten van Halfapen behooren; daar deze soorten zeer verschillende vormen vertoonen, zijn zij over verscheidene geslachten verdeeld.

De hierboven medegedeelde kenmerken van de Halfapen in 't algemeen zijn op de familie der _Lemuren_ (_Lemuridae_) meer in 't bijzonder toepasselijk; deze verschilt van de beide overige familiën der Halfapen in hoofdzaak slechts door het gebit, den bouw van hand en voet, alsmede door de beharingswijze harer vertegenwoordigers.

Het door de Lemuren bewoonde gebied omvat in de eerste plaats het eiland Madagaskar en de naburige eilanden; bovendien komen deze dieren op het vaste land van Afrika voor en verbreiden zich over het geheele middelste gedeelte van dit werelddeel, van de oostkust tot de westkust; eindelijk zijn er ook nog enkele soorten, die in Indië en op de Zuid-Aziatische eilanden leven. Alle zonder uitzondering bewonen bosschen; aan de ondoordringbare oerwouden, die rijk zijn aan vruchten en Insecten, geven zij de voorkeur. Zij zoeken de nabuurschap van den mensch niet op, maar mijden haar ook niet. Daar zij alle in meer of mindere mate nachtdieren zijn, evenals de overige leden der orde, zoeken zij de donkerste plaatsen van het woud of holten in boomen op, om daar neergehurkt of ineengerold te slapen. Zij nemen hierbij zeer eigenaardige houdingen aan. Sommige zitten op hun achterwerk, klemmen zich met de handen vast, laten den kop diep naar beneden zakken tusschen de tegen het lichaam teruggetrokken voorste ledematen en omwikkelen deze en de schouder ten overvloede nog met den staart. Andere rollen zich dicht bij elkander ineen, soms zelfs zoo, dat zij twee aan twee één kogel vormen, die door de gezamenlijke staarten omwikkeld is; bij het aanraken van zulk een haarbol, ziet men er plotseling twee koppen uit te voorschijn komen, die met verwonderde oogen den onwelkomen porder aankijken.

De slaap van de Lemuren is zeer licht. Vele van hen worden reeds gewekt door het gonzen van een voorbijschietende Vlieg of door het gekrieuwel van een over hun lichaam loopende Kever: de ooren worden gespitst en de groote oogen spieden als 't ware droomerig rond, maar slechts voor een oogenblik. Hun lichtschuwheid is buitengewoon groot en hunne oogen schijnen voor het licht gevoeliger te zijn dan die van alle overige Zoogdieren. Voor het daglicht zijn zij dood; de in vrijheid verkeerende Lemuren ontwaken eerst met de duisternis. (Die welke in gevangenschap leven, wijken soms van dezen regel af.)

Als de schemering invalt, worden de Lemuren wakker, poetsen en glanzen hun vel, laten hun meestal tamelijk luide en onaangename stem hooren, en beginnen hun gewonen zwerftocht door hun luchtig jachtgebied. De wijze waarop zij zich hierbij gedragen, is bij de verschillende soorten, al naar hun aard, zeer ongelijk. De meeste soorten van Lemuren--de Indri's en Maki's--achten het hun eerste plicht, den demonischen naam dien zij dragen, eer aan te doen, door gemeenschappelijk een geschreeuw aan te heffen, dat wel geschikt is om hun, die het voor de eerste maal hooren, een rilling op het lijf te jagen; niet alleen omdat het een onbeschrijflijk en waarlijk helsch geraas veroorzaakt, maar ook, omdat het eenigszins op het gebrul van gevaarlijke Roofdieren, van Leeuwen b.v., gelijkt. Dit gemeenschappelijk, grommend gebrul schijnt bij hen, evenals bij vele andere dieren, aan het begin van de werkzaamheden vooraf te moeten gaan; onmiddellijk daarna doorkruisen zij hun jachtgebied of liever hun weide, waarbij zij een bewegelijkheid, een vlugheid en een behendigheid openbaren, die men, wegens hun slaperigheid gedurende den dag, bij hen niet verwacht zou hebben. Alle forsche toeren op dit gebied van klimmen en springen, alle kapriolen die de Apen kunnen uitvoeren--en betere nog misschien--, worden door hen verricht.

De inborst, de handelingen en de bewegingen van andere Lemuren--van de Lori's--zijn geheel tegenovergesteld aan die der zooeven bedoelde. Tersluiks en met onhoorbare schreden sluipen zij langzaam van tak tot tak. Hunne groote, ronde oogen schitteren in het schemerlicht als vuurbollen; hunne bewegingen geschieden zoo bedachtzaam en stil, dat geen enkel geluid aan het luisterende oor de aanwezigheid van een levend dier verraadt. Wee den zorgloos slapenden Vogel, op wien een blik van deze vurige oogen valt! Nog minder hoorbaar dan de Indiaan op zijn krijgspad, en met niet minder vreeselijke bedoelingen dan deze bloeddorstige wilde, nadert de Lori zijn slapenden buit. Zonder eenig gedruisch, met bijna onzichtbare bewegingen doet hij den eenen stap na den anderen; langzaam sluipt hij nader, tot hij zijn slachtoffer bereikt heeft. Met dezelfde doodsche stilte en voorzichtigheid licht hij de eene hand op en steekt haar zachtjes uit, totdat zij den slaper bijna aanraakt. Daarop volgt een beweging zoo snel, dat het oog haar niet volgen kan, en vóórdat de sluimerende Vogel eenig vermoeden heeft van zijn vreeselijken vijand, is hij bij den strot gegrepen en geworgd. Met een voorbeeldelooze begeerigheid wordt na het plegen van den moord het slachtoffer van den zooeven zoo zachtaardig schijnende Lori door den bloeddorstigen Vierhandigen verslonden. Het lot van den slapenden Vogel is ook beschoren aan de jongen en de eieren in zijn nest, zoodra dit door den Lori wordt ontdekt. Alle tot deze groep behoorende soorten zijn uiterst voorzichtig. Zij bewegen zich op de boomen langzaam maar zeker. Vóórdat zij den eenen tak loslaten, hebben zij zich vergewist, dat een andere tak hun een betrouwbaar steunpunt zal verschaffen.

Een gelijkmatige en vrij hooge warmtegraad is een behoefte voor alle Lemuren; de koude maakt hen mismoedig en ziek.

De geestvermogens van de Lemuren zijn gering; slechts weinige soorten maken hierop een uitzondering. Alle zijn schuw en vreesachtig van aard, ofschoon zij zich moedig verdedigen, zoodra men ze tracht te vangen. Nadat zij aan den mensch gewoon zijn geraakt, betoonen zij hem een zekeren, graad van vertrouwelijkheid en worden zachtaardig, vreedzaam en vriendelijk van gedrag; hun vreesachtigheid laten zij echter slechts zelden varen. Eenige soorten van deze familie schikken zich intusschen recht goed in het verlies van hun vrijheid en in de ondergeschiktheid aan den mensch, laten zich zelfs africhten tot het verrichten van sommige diensten, b.v. het jacht maken op andere dieren. De staartlooze soorten (de Lori's) echter behouden meestal ook in de gevangenschap hun stil, zwaarmoedig voorkomen, trachten wrevelig iedereen af te weren, die hen komt storen en leeren waarschijnlijk niet eens hun verzorger van andere personen te onderscheiden; zij behandelen alle menschen ten naastenbij op gelijke wijze.

De grootste en hoogst ontwikkelde van alle Lemuren zijn de Indri's (_Lichanotus_), door de Madagassen _Babakoto_ genoemd. De meest bekende van de beide tot dusver ontdekte soorten (_L. brevicaudatus_) bereikt een lengte van 85 cM. met inbegrip van het 2 1/2 cM. lange staartstompje; de middelmatig groote kop heeft een spitsen snuit, kleine oogen en even kleine, bijna in de vacht verborgen ooren; de krachtige romp is met een dichte, wollige vacht bekleed, evenals ook de ledematen, die alle vier in groote, voor 't omklemmen van takken geschikte handen eindigen. Het voorhoofd, de slapen, de keel, de borst, het kruis, de staart, de onderzijde van dij en scheen en de zijden van de romp zijn wit; de ooren, de achterkop, de schouders, de armen en de handen zijn zwart; het achterste gedeelte van den rug en het bovenbeen zijn bruin; terwijl de voorzijde van de achterste ledematen zwartachtig bruin is.

_Sonnerat_, die ons met den Babakoto bekend maakte, verhaalt, dat dit dier evenals zijne verwanten, zich behendig en flink beweegt, buitengewoon snel van den eenen boom op den anderen overspringt, bij het eten rechtop zit als een Eekhoorntje, en zijn voedsel, dat hoofdzakelijk uit vruchten bestaat, met de handen naar den mond brengt; zijn stem gelijkt op het weenen van een kind; het is zeer zachtmoedig en goedaardig en kan derhalve gemakkelijk getemd worden; in de zuidelijke districten van het eiland wordt het door de inboorlingen als huisdier gehouden en, evenals onze Honden, voor de jacht afgericht.

"In sommige gedeelten van Madagaskar", verhaalt _Pollen_, "richt men den Babakoto voor de vogeljacht af. Naar men zegt, bewijst hij hierbij even goede diensten als de beste Hond; want, hoewel hij hoofdzakelijk vruchten eet, is hij volstrekt niet afkeerig van kleine Vogels; hij vangt deze op zeer behendige wijze, met de bedoeling om de hersenen, die een lekkernij voor hem zijn, buit te maken."

Voor zoover mij bekend, werd de Babakoto of een der andere Indris tot dusver nog niet levend naar Europa gebracht. Dit is te vreemder, daar de eerstgenoemde op Madagaskar in zekeren zin een huisdier is geworden, en het dus niet moeilijk kan zijn hem in 't leven te behouden.

Naar het schijnt, is de naam _Maki_ een klanknabootsing van het geschreeuw der vertegenwoordigers van het soortenrijkste en veelvuldigst voorkomende geslacht van de familie; de wetenschappelijke benaming _Lemur_, waarmede vroeger alle Lemuriden aangeduid werden, is tegenwoordig beperkt tot het geslacht der Maki's. Deze onderscheiden zich van bijna al hunne verwanten door een langwerpigen vossekop met matig groote oogen en middelmatig lange, dikwijls ruig behaarde ooren; hunne goed gevormde ledematen komen nagenoeg in lengte overeen, en eindigen in handen, die aan de bovenzijde niet met een vacht bedekt, maar zwak behaard zijn; de lengte van den staart bedraagt meer dan de helft van die van 't lichaam, dat met een zeer zachte en fijne, bij uitzondering ook wel wollige vacht bekleed is.

Men heeft in deze groep vele soorten onderscheiden; latere onderzoekingen hebben echter geleerd, dat vele van deze onderscheidingen op verschil van sekse berusten, of niet belangrijk genoeg zijn om de vorming van nieuwe soorten te wettigen. Een der meest bekende Maki's is de _Vari_ (_Lemur varius_), gekenmerkt door een met groote vlekken geteekende, deels zwarte, deels witte vacht; bijna bij ieder exemplaar komt een andere kleurenverdeeling voor; bij het eene heeft de zwarte, bij het andere de witte kleur de overhand.

De _Vari_, een van de grootste Maki's, komt in grootte ongeveer gelijk aan een flink uitgegroeide Kat; zijne overige verwanten staan trouwens weinig bij hem achter. De _Catta_ (_L. catta_) onderscheidt zich door de sierlijkheid van zijn gestalte en door den langen, met zwarte en witte ringen geteekenden staart; de hoofdkleur van zijn dichte, fijne, zachte en wollige vacht is grijs, nu eens zweemend naar aschgrauw, dan weer naar roestrood; het aangezicht, de ooren en de onderdeelen zijn witachtig; een vlek onder het oog en het bovenste gedeelte van den snuit zijn zwart. Andere soorten, die dikwijls in diergaarden aangetroffen worden, zijn de _Mongoz_ (_L. mongoz_) en de _Moor-maki_ (_L. macaco_). Opmerkelijk is het, dat bij den laatstgenoemden vorm het mannetje bijna zuiver zwart, het wijfje echter, dat een tijd lang voor een andere soort gehouden werd, lichter of donkerder rooskleurig is.

Aan de uitstekende onderzoekingen van den Nederlandschen onderzoeker _Pollen_ danken wij onze bekendheid met de levenswijze van de Maki's in vrijen toestand. Alle soorten van dit geslacht bewonen de bosschen van Madagaskar en van de naburige eilanden. Over dag houden zij zich in het dichtste takkenlabyrinth van de bosschen schuil, des nachts gaan zij onder vlugge bewegingen en luid geschreeuw hun voedsel zoeken. Deze dieren leven, tot troepen van 6 à 12 individuën vereenigd, in de ongerepte wouden van het groote eiland; zij voeden zich vooral met de vruchten van de wilde dadelboomen en begeven zich daartoe van het eene deel van het woud naar het andere. Men ziet ze zoowel over dag als des nachts. Nauwelijks is de zon ondergegaan, of men verneemt hun klagend geschreeuw; gewoonlijk jammeren alle leden van den troep te gelijker tijd. Hunne bewegingen zijn, evenals die van hunne verwanten, buitengewoon sierlijk, behendig en vlug: als zij maar eerst wakker geworden zijn, vliegen zij als 't ware door de kronen der boomen heen, en doen daarbij sprongen van buitengewone wijdte, om van den eenen tak op den anderen te komen. Als zij door de Honden vervolgd worden, vluchten zij naar de hoogste toppen der boomen, en kijken knorrend en met den staart zwaaiend naar den vijand; zoodra zij echter den jager in 't oog krijgen, vluchten zij ijlings naar het dichtst van het woud.

De geestvermogens van de Maki's verheffen hen niet boven hunne verwanten; toch brengen zij een aangenamen indruk teweeg. Gewoonlijk zijn zij zachtaardig en vreedzaam; soms treft men er echter koppige, wilde en bijtlustige individuën onder aan.

Vele soorten van Maki's worden dikwijls naar Europa overgebracht en houden het in de gevangenschap lang uit. Dit bewees b.v. een Vari, die 19 jaar te Parijs in leven bleef. De meeste worden spoedig tam en aan den mensch gehecht. Hun voeding levert geen bezwaren op, daar zij schielijk aan allerlei spijzen gewend geraken. Gewoonlijk nemen zij het voedsel met de voorhanden aan; soms echter vatten zij het direct met den mond op. Als zij zich wel gevoelen, geven zij door een knorrend geluid hun tevredenheid te kennen; in den regel zingen zij zich op deze wijze in slaap.

_Buffon_ bezat een mannelijke Maki, die door zijne behendige, snelle en sierlijke bewegingen de toeschouwers vermaakte, door zijne onzindelijkheid en uitgelatenheid echter even dikwijls lastig werd. Voor koude en vochtigheid was hij zeer bang; hij bleef daarom gedurende den winter altijd in de nabijheid van het vuur, en ging er ook vaak rechtop bij staan, om zich beter te kunnen warmen.

De Maki, die zoo lang in den Parijschen dierentuin geleefd heeft, hield evenveel van 't vuur en plaatste zich geregeld in de onmiddellijke nabijheid van den haard; zelfs hield deze arme bewoner van een tropisch gewest, niet alleen de handen, maar ook het gelaat zoo dicht bij de vlam, dat hij zich meer dan eens den snorrebaard gezengd heeft. Hij was zindelijk, glom over zijn geheele lichaam, en paste zorgvuldig op, dat hij zijn vacht niet vuil maakte. Bovendien was hij even druk en beweeglijk als nieuwsgierig. Hij onderzocht alle dingen, maar smeet ze tevens om, of verscheurde ze en verspreidde ze over den grond. Voor alle personen die hem liefkoosden, was hij vriendelijk; ook bij wildvreemde menschen sprong hij zonder complimenten op den schoot.

Terwijl de _Maki_'s alle zonder uitzondering, althans op sommige tijden van den dag, een groote werkzaamheid en beweeglijkheid aan den dag leggen, onderscheiden de _Lori_'s (_Stenops_) zich door tegenovergestelde eigenschappen. Zij zijn in zekeren zin de Luiaards van deze orde, en worden daarom ook wel "_Luie Apen_" genoemd. Deze groep omvat kleine, sierlijke Halfapen met schraal, staartloos lichaam, grooten, rondachtigen kop en dunne, slanke ledematen, waarvan het achterste paar iets langer is dan het voorste. De snuit is spits, maar kort; de ooren zijn middelmatig groot en behaard. Aan de handen is de wijsvinger zeer verkort, de vierde vinger echter verlengd en de vijfde met een scherpen en langen klauw voorzien.

De weinig talrijke soorten van dit geslacht bewonen Voor- en Achter-Indië en de naburige eilanden; van hun levenswijze in de vrije natuur is nog zoo goed als niets bekend. Deze Zuid-Aziatische Lemuriden komen in lichaamsbouw met hunne vroolijke Afrikaansche neven overeen, maar hebben geheel andere gewoonten.

Een bekoorlijk lid van dit geslacht is de _Slanke Lori_ (_Stenops gracilis_), een diertje nauwelijks zoo groot als een Eekhoorntje (slechts 25 cM. lang), met een schralen romp, een kop met groote oogen en een spitsen snuit, dunne ledematen en een lange, op pluche gelijkende vacht, welker kleur aan de bovendeelen roodachtig vaalgrijs en geelachtig bruin, aan de onderzijde echter grijsachtig of licht geelachtig is. De huid rondom de noot-bruine oogen is donkerder en steekt daarom sterk bij den lichtkleurigen bovensnuit af.

Dit allerliefste wezen, dat door de inboorlingen _Tevangoe en Oena happolava_ wordt genoemd, bewoont de wouden van Ceylon en van de lage landen van Zuid-Indië, bij Godovari te beginnen. Den dag brengt hij slapend in holle boomen door; hij komt eerst 's avonds daaruit te voorschijn. Zijn leven in de vrije natuur is nog door niemand beschreven, hoewel over het dier zelf reeds voor lang mededeelingen gedaan zijn.

Tot mijn groote verwondering en vreugde vond ik een levenden Slanken Lori in 't bezit van een eigenaar van een beestenspel. Het tengere dier was vier jaren geleden met drie andere van dezelfde soort in Europa aangekomen en door een onzer eerste groothandelaars aan bedoelden man verkocht; het had dus niet alleen de reis naar Europa, maar ook de gevangenschap in het koudere land uitmuntend doorgestaan. Ik kocht het diertje voor een handvol geld om het naar het leven te laten uitteekenen en om het te kunnen waarnemen; het werd met zorg verpleegd.