Het Leven der Dieren: Deel 1, Hoofdstuk 01: De Apen
Chapter 14
Van alle zintuigen is waarschijnlijk dat van ’t gehoor het volkomenst ontwikkeld. Het geringste gedruisch trekt onmiddelijk zijn aandacht. Des nachts, bij ’t licht der sterren is zijn gezichtsvermogen het scherpst. Zijne geestvermogens schijnen gering te zijn. Nooit leert dit dier zijn meester kennen, het volgt diens roep niet en is onverschillig voor zijne liefkoozingen.
Dat er een groote genegenheid tusschen mannetjes en wijfjes bestaat, werd door Rengger opgemerkt. Als van een gevangen paar er een sterft, kniest de andere zich dood. De vrijheid gaat bij deze dieren boven alles; van iedere zich aanbiedende gelegenheid om te ontsnappen maken zij gebruik, zelfs wanneer zij jong gevangen zijn en reeds jaren in gevangenschap geleefd hebben.
Enkele natuuronderzoekers brengen de dieren, die wij hier tot een afzonderlijke familie vereenigen, nog tot de vorige afdeeling; de punten van verschil tusschen hen en de vroeger behandelde Apen zijn echter belangrijk genoeg, om een scheiding, zooals die, welke wij voorstaan, te rechtvaardigen.
De Klauwapen of Eekhoornapen (Arctopitheci) onderscheiden zich van alle tot dusver genoemde leden der Apen-orde hoofdzakelijk hierdoor, dat zij aan alle vingers en teenen, met uitzondering van den duim of binnenteen van den voet, smalle klauwen, aan den bedoelden duim echter een dakpanvormigen, platten nagel hebben. Andere kenmerken van deze dieren zijn: de rondachtige kop, met kort, plat aangezicht, kleine oogen en groote, dikwijls in een haarkwast eindigende ooren, de slanke romp, de korte ledematen; de staart is lang en ruig, de beharing zijdeachtig zacht. De handen gelijken op de voorvoeten van andere Zoogdieren, daar de duim niet van de overige vingers verwijderd staat en ook niet aan deze tegenovergesteld kan worden, terwijl dit met den duim van de achterhand wel kan geschieden. De handen zijn dus bij hen voorvoeten geworden; alleen de eigenlijke voeten hebben nog een soortgelijk maaksel als die der overige Apen.
Het verbreidingsgebied van de Klauwapen omvat alle noordelijke landen vau Zuid-Amerika, en strekt zich noordwaarts tot Mexico uit, terwijl het in zuidelijke richting ternauwernood voorbij Brazilië reikt. Het laatstgenoemde rijk, benevens Guyana en Peru bevatten de meeste soorten; in Mexico komen er, voor zoover men thans weet, slechts twee voor. Hoe ver zij zich in ’t gebergte omhoog begeven, is tot nu toe niet met zekerheid uitgemaakt; Schomburgk ontmoette ze nog op een hoogte van 500 M. boven de oppervlakte der zee; in de Andes komen zij echter ongetwijfeld op nog grootere hoogte voor.
Alle Klauwapen zijn boomdieren in den eigenlijken zin van ’t woord. In de uitgestrekte bosschen van de landen waar zij inheemsch zijn, komen zij in grooten overvloed voor; niet alleen in de hoogstammige, vochtige bosschen langs de kust of van de vlakten, maar ook in de lagere, minder welige wouden van het binnenland. Wat aard en gewoonten betreft, gelijken zij minstens evenveel op Eekhoorntjes als op de eigenlijke Apen. Een opgerichte houding zooals bij deze komt bij hen niet voor: zij rusten op handen en voeten, of liggen zelfs plat op den buik, in welk geval de lange, dicht behaarde staart recht naar beneden hangt; ook houden zij er niet van om zich, evenals hunne verwanten—de bekwaamste klimmers die ons bekend zijn—te midden van de dunne twijgen te bewegen, maar blijven liever op de dikken takken; zij gedragen zich hier geheel op de wijze van de Eekhoorntjes en gebruiken hunne lange klauwen als deze Knaagdieren. Altijd laten zij de geheele zool op den grond rusten. Nooit ziet men ze op twee voeten gaan; evenwel richten zij, als zij iets naar den mond willen brengen, bij uitzondering het voorste deel van ’t lichaam omhoog: de houding, die zij dan aannemen, komt trouwens ook bij de Eekhoorntjes voor.
Ook in andere opzichten gelijken zij veel op Eekhoorntjes; zij zijn even ongedurig en rusteloos, even schuw en vreesachtig als deze. Zij houden hun kopje geen oogenblik stil; de donkere oogen richten zich nu eens naar het eene dan weer naar een ander voorwerp, altijd echter met een zekere haast; naar het mij voorkomt, heeft de werkzaamheid van hun geest niet veel te beteekenen, terwijl zij hunne blikken van de eene plaats naar de andere laten zwerven, hoewel het den schijn heeft, dat zij intusschen nu eens aan de eene, dan weer aan de andere zaak denken. Ik geloof niet, dat men aan de Klauwapen een diep nadenken mag toeschrijven; integendeel, volgens mijn overtuiging staan zij wat hunne geestvermogens betreft, beneden alle overige Apen; het zijn zeer bekrompen wezens, welker verstand waarschijnlijk niet grooter is dan dat van de Knaagdieren van gelijke grootte. Vreesachtig, wantrouwend, terughoudend, kleingeestig en vergeetachtig van aard, handelt de Klauwaap als ’t ware zonder zelfbewustzijn, laat zich, zonder dat zijn wil invloed schijnt te oefenen op zijne daden, door de indrukken van het oogenblik beheerschen, let niet meer op hetgeen hij zooeven heeft nagejaagd, zoodra een andere prikkel, van welken aard dan ook, op hem werkt. Hij bezit alle eigenschappen van een lafaard: de klagende stem, de duidelijk merkbare ongeschiktheid of onwil om te berusten in iets, wat hij niet keeren kan, de neiging om alle gebeurtenissen van de ongunstigste zijde te beschouwen, de ziekelijke zucht om iedere handeling van een ander aan te merken als tegen hem gericht, het vurig verlangen om te schitteren, gepaard met de neiging om zich op den achtergrond te houden, de veranderlijkheid van de uitdrukking van ’t gelaat zoowel als van de houding van ’t lichaam, de onstandvastigheid in ’t willen zoowel als in ’t volbrengen.
Allerlei vruchten, zaden, jonge bladen, bloemen vormen de hoofdbestanddeelen van het voedsel onzer aapjes; bovendien echter maken zij met den grootsten ijver jacht op allerlei kleine dieren; aan Insecten, Spinnen enz. geven zij stellig de voorkeur boven kleine Gewervelde Dieren, die zij echter ook niet versmaden. In allen gevalle zijn zij meer dan alle overige Apen roofdieren, d.w.z. zij eten meer dan de overige leden hunner orde dierlijk voedsel naast het plantaardige.
In de familie der Klauwapen kan men drie hoofdgroepen onderscheiden, die alle tot één geslacht (Hapale) behooren: de Leeuwaapjes, die nevens het naakte gelaat ook onbehaarde ooren hebben, daarentegen manen op den kop, die zich soms ook over den hals en de schouders uitstrekken, een in een haarkwast eindigenden staart, die zoo lang is als het overige lichaam: de Tamarins—in onze afbeelding op p. 55 vertegenwoordigd door het Zilveraapje (Hapale argentata)—, die zich van de eerstgenoemde alleen onderscheiden door den langeren staart en het meestal ontbreken van de manen, en de Zijdeaapjes met een haarkwastje aan de ooren.
Van de laatstgenoemde groep komt, naar het schijnt, het Sahoei-aapje, de Sagoeïen, Oeïstiti of Marmoset (Hapale jacchus) het veelvuldigst voor; dit is een middelmatig groot, sierlijk gebouwd Klauwaapje van 22 à 27 cM. lichaams- en 30 à 35 cM. staartlengte. De kleur van de lange en zachte vacht is over ’t algemeen een mengeling van zwart, wit en roestgeel. Zij wordt veroorzaakt door de eigenaardige afwisseling van kleuren op ieder haar afzonderlijk beschouwd: aan den voet is het zwartachtig, verderop roestkleurig, nog hooger zwart en aan den top witachtig. Op het voorste deel van den rug zweemt de kleur naar roestgeel, verder achterwaarts wisselen smalle, zwarte en witte, golvende dwarsstrepen met elkander af. Aan het onderlijf en aan de ledematen zijn alle haarspitsen witachtig grijs en heeft deze kleur dus de overhand. De staart is zwart met ongeveer 20 smalle, witachtige ringen en een witten top. Een witachtige, driehoekige voorhoofdsvlek en een schitterend wit oorkwastje steken vroolijk af bij de donkerbruine kleur van den kop. Het aangezicht is donker vleeschkleurig en spaarzaam begroeid met witachtige haartjes.
Oeïstitis komen vaker levend naar Europa dan eenige andere soort van de familie der Klauwapen. Men kent ze reeds sedert de ontdekking van Amerika, en is al spoedig begonnen ze te temmen. Men kan ze met vruchten, groenten, Insecten, Slakken en vleesch zeer goed voederen; ook hechten zij zich in den regel zeer spoedig aan de menschen, doch slechts aan die, welke hen bestendig verzorgen. Tegenover vreemden toonen zij zich wantrouwig en prikkelbaar; over ’t algemeen zijn zij zeer eigenzinnig en gedragen zich als stoute kinderen. Hun misnoegen geven zij door fluitende toonen te kennen. Alles wat hun vreemd voorkomt, brengt bij hen ontroering teweeg: zij zijn zoo vreesachtig, dat het zien van een voorbijvliegende Wesp hun grooten angst inboezemt. Die, welke al oud waren, toen zij gevangen werden, zijn in den beginne nog al wild en schreeuwen reeds bij de geringste toenadering; het duurt vrij lang, voordat zij dulden, dat men ze aanraakt. Als zij eenmaal getemd zijn, sluiten zij niet alleen met de menschen vriendschap, maar ook met de huisdieren, vooral met de Katten, waarmede zij spelen en in welker nabijheid zij zich gaarne te slapen leggen, waarschijnlijk ter wille van de warmte. Voortdurend trachten zij zich zorgvuldig tegen de koude te beschutten; zij dragen het katoen, de lompen, de vlokjes wol enz., die men hun geeft naar een hoek van hun hok, maken zich daarvan een leger, en hullen zich in, zoo goed zij kunnen. Het is een aardig schouwspel, het diertje zijn sierlijk kopje uit zijn bedje te zien steken, zoodra bekenden hem met lekkernijen naderen.
De Oeïstiti heeft in Europa reeds meermalen jongen geworpen, eenmaal in Petersburg, en hier zelfs in zeer ongunstige omstandigheden. Men hield daar deze dieren zelfs gedurende vrij ruwe herfst- en lentedagen in een vertrek, waar niet gestookt werd, en gaf hun volstrekt geen vrijheid; toch brachten zij er in twee jaren drie maal jongen ter wereld. In weerwil van de geringe zorg, die aan deze dieren besteed werd, groeiden de jongen voorspoedig op. Deze mededeeling danken wij aan den natuuronderzoeker Pallas, die tevens van de levenswijze van de bedoelde dieren een zeer uitvoerige beschrijving geeft, waaraan het volgende ontleend is: „Even als alle langstaartige, kleine, op Meerkatten gelijkende Apen Van de Nieuwe Wereld is ook de Oeïstiti bij wijze van spreken veel minder „Aap” dan de grootere soorten van deze diergroep. Wel springt en klimt hij zeer behendig, wanneer hij dit wil; hij is echter niet, evenals de andere Apen, voortdurend in beweging, maar toont, vooral wanneer hij verzadigd is en zich in de zon wil koesteren, een groote traagheid; uren lang blijft hij dan stil in gezelschap van zijne stamverwanten aan de draden van zijn kooi hangen. Hij klimt op allerlei wijzen, dikwijls met den kop naar beneden; altijd zijn zijne bewegingen vrij phlegmatisch: soms laat hij zich met den kop naar beneden hangen, terwijl hij zich alleen met de achterpooten vasthoudt, of rekt zich als een lui mensch uit, terwijl hij aan de voorpooten hangt. Bij warm, zonnig weder reinigen deze dieren elkander op de wijze der Apen met de voorpooten en de tanden; soms doen zij dit, terwijl zij nevens elkander aan het traliewerk hangen, soms terwijl zij op den bodem rusten, waarbij dan de eene lang uitgestrekt op den rug ligt. Daarbij laten zij een zacht getjilp en een kirrend geluid hooren. Gewoonlijk kruipen zij met hetzelfde gekir des avonds bijna altijd op klokslag van zessen in een van hunne alleen met stroo gevoerde slaapplaatsen, die aan de zijde van het hok aangebracht zijn; zij vertoonen zich vóór ’s morgens 6 of 7 uur niet weder: in den tusschentijd hoort men geen geluid van hen. Zelden kwam het voor, dat een van hen gedurende den voor ’t slapen bestemden tijd zijn leger verliet, om aan een natuurlijke behoefte te voldoen; toch bevuilen zij nooit hun nest. Gedurende de overige 11 of 12 uren waren zij steeds wakker, en buiten de nesten bezig; soms maakten zij veel, soms minder beweging, in den regel kon men ze duidelijk hooren. Behalve hun gewoon gekir, vernam men van hen, vooral als hun aandacht op het voedsel gevestigd werd, een sterker geluid, dat door hun naam „oeïstitie” vrij goed nagebootst wordt; dit riepen zij dikwijls meermalen achtereen. Als zij verzadigd waren en uitrustten, of zich in de zon koesterden, lieten de oudste dieren soms met wijd opengesperden bek een langdurig, eentonig gefluit hooren. Door ze op te jagen of toe te roepen, kon men dit geluid, dat buitengewoon doordringend was, zoodat de ooren er zeer van deden, niet doen ophouden. Als zij iets ongewoons zagen, b.v. Honden, Kraaien enz., vernam men van hen een gesnater, dat bijna als dat van den Ekster klonk; daarbij bewogen zij het bovendeel van het lichaam met den teruggetrokken kop telkens heen en weer, evenals een mensch die loerend naar iets kijkt en het juiste gezichtspunt zoekt. Een soms knarsend, soms knorrend gekijf hoorde men van de oude mannetjes, als zij geplaagd werden, b.v. door hun van verre iets aan te bieden en het dan niet te geven. Daarbij rekten zij hun gelaat uit, zooals de andere Apen doen, als zij toornig worden, stotterden op ongewone wijze en zochten den plaaggeest met de voorpooten te grijpen en te krabben; zij werden echter zeer angstig, als de poot intusschen door iemand buiten het hok gegrepen en vastgehouden werd.
„Omdat zij in Zuid-Amerika thuis behooren, had men mogen verwachten, dat de Oeïstitis veel kouwelijker zouden zijn, dan werkelijk het geval is. Gedurende de koude herfstdagen, waarop ik ze bij mij had, verdroegen zij in het niet verwarmde vertrek, voor welks venster zij zich ophielden, een temperatuur, die steeds dicht bij het vriespunt gelegen was. Wel zochten zij er den zonneschijn op, of kropen zoo dicht mogelijk bij den vuurpot, die naast het hok geplaatst was; uren lang warmden zij zich hieraan, terwijl zij aan het traliewerk van hun hok hingen. Zeer vreemd is het, dat zij de groote hitte van den zomer hier in Petersburg niet aangenaam vonden. Hun meester verzekerde, dat hij ze op heete zomerdagen dikwijls met krampachtige stuiptrekkingen had zien neervallen, hetgeen in andere tijden zelden gebeurde. Roerend was het te zien, hoe ijverig de gezonde dieren zich oogenblikkelijk met hun op deze wijze ziek geworden kameraad bezig hielden, en hoe zij trachten hem hulp te bieden”.
Het Penseelaapje of Witbandaapje (Hapale penicillata, vergelijk de afbeelding 3 op p. 55), komt bijna even veelvuldig voor als de Oeïstiti, en is ongeveer even groot als deze; ook de kleur verschilt niet veel.
De tot de Tamarins behoorende Pinche (Hapale oedipus) wordt zeer zelden naar Europa gebracht, en verdraagt de gevangenschap nog minder lang dan zijne geslachtsgenooten. Deze kleine, fraai geteekende diertjes zijn vooral merkwaardig door hun stem, welke bedriegelijk gelijkt op die van een Vogel en nu eens uit zuivere, langgerekte, fluitende toonen, dan weer uit trillers bestaat.
AANTEEKENING
[1] Zeer interessante mededeelingen over het leven van den jongen Orang-Oetan in gevangenschap komen voor in een opstel van H. A. A. Niclou, getiteld „Jacob, mijn Orang-Oetan. (Dier of meer?)”, geplaatst in het „Album der Natuur”, 1882, pp. 195–211, en in een pas verschenen werk van Dr. Emil Selenka („Sonnige Welten. Ost-Indische Reiseskizzin”), waarvan een uittreksel onder den titel: „Een jonge Orang-Oetan, door Dr. T. C. Winkler” voorkomt in het „Album der Natuur”, 1896, p. 71.