Het leven der bijen

Part 3

Chapter 33,749 wordsPublic domain

Of het nu de bijen of ons zelven betreft, we noemen fatalistisch, onvermijdelijk al wat we nog niet begrijpen. Maar op dit oogenblik heeft de bijenkorf reeds twee of drie zijner zwaarwichtige geheimen prijs gegeven, en zoo heeft men geconstateerd, dat deze uittocht noch instinktief, noch onvermijdelijk is. 't Is geen blinde uittocht, maar een oogenschijnlijk wel overwogen offer van het tegenwoordig geslacht aan het toekomstige. 't Is al voldoende, dat de ymker de nog roerlooze jonge koninginnen in hun cellen doodt en tegelijkertijd, als de larven en poppen talrijk zijn, de stapelplaatsen en slaapvertrekken van het volkje vergroot, en onmiddellijk komt al dat onprofijtelijk tumult tot bedaren; de gewone arbeid op de bloemen wordt hervat, en de oude koningin, die nu onontbeerlijk is geworden en geen opvolgster te hopen of te duchten heeft, die bovendien weer is gerustgesteld omtrent de gevolgen van de bedrijvigheid, welke opnieuw begint, ziet er van af dit jaar het licht der zon weer te zien. Kalm hervat ze in de duisternis haar moederlijke taak, die daarin bestaat, dat ze volgens een regelmatige spiraal, van cel tot cel, zonder er een enkele over te slaan en zonder immer op te houden, twee of drieduizend eitjes per dag legt.

Wat is er fatalistisch in dit alles dan de liefde van het geslacht van heden voor dat van morgen? Deze fataliteit bestaat ook bij het menschenras, maar daar schijnt ze oneindig minder macht en omvang te hebben. Nooit brengt ze daar zulke algeheele en eenparige offers. Aan welke in de toekomst schouwende fataliteit gehoorzamen wij in plaats van aan deze? Wij weten het niet, en kennen het wezen niet dat op ons neerziet zooals wij op de bijen.

VII.

Maar de mensch komt geen stoornis brengen in de geschiedenis van den bijenkorf, dien wij hebben uitgekozen, en de nog vochtige warmte van den schoonen dag, die met langzamen en reeds lichtenden tred schijnt voort te schrijden onder de boomen, verhaast het uur van vertrek. Van boven tot beneden staan de gouden gangen, die de evenwijdige muren scheiden, vol werkbijen, die de toebereidselen voor de reis voltooien. En allereerst belast zich ieder hunner met een voorraad honing, voldoende voor vijf of zes dagen. Uit dezen honing, dien ze meenemen, halen ze door een scheikundige bewerking, welke men nog niet voldoende heeft verklaard, de was, die ze noodig hebben om onmiddellijk met het optrekken der gebouwen te kunnen beginnen. Bovendien voorzien ze zich van een zekere hoeveelheid maagdenwas, een soort van hars, bestemd om de reten van de nieuwe woning te dichten, al wat wankelt vast te zetten, alle wanden te vernissen en alle licht buiten te sluiten; want ze werken bij voorkeur in een bijna totale duisternis, waarin ze den weg vinden door middel van hunne samengestelde oogen of misschien van hunne sprieten, die den zetel schijnen te zijn van een nog onbekend zintuig, dat de duisternis betast en meet.

VIII.

Zij kunnen dus voorzien, welke ongevallen hun kunnen overkomen op dezen gevaarlijksten dag huns levens. En inderdaad, heden nu ze geheel opgaan in de zorgen en alle misschien zelfs wonderbare gebeurlijkheden van de groote daad, hebben ze geen tijd tuinen en weilanden te bezoeken, en morgen of overmorgen kan het wel waaien, regenen, hunne vleugels kunnen verstijven en de bloemen gesloten blijven. Kenden ze deze voorzorg niet, 't zou gelijkstaan met hongersnood en dood. Niemand zou hun te hulp komen en zij zouden niemands hulp inroepen. Van de eene stad op de andere kennen ze elkander niet en helpen elkaar nooit. Zelfs komt het wel voor, dat de ymker den korf, waarin hij de oude koningin met den bijentros die haar omringt heeft opgenomen, vlak naast de woning plaatst, welke ze pas hebben verlaten. Welk een ramp hen nu ook moge treffen, het lijkt wel alsof ze onherroepelijk alle herinnering verloren hebben aan den vrede, het werkdadig geluk, de enorme rijkdommen en de veiligheid daarvan, en allen, van de eerste tot de laatste, zullen liever in de nabijheid hunner ongelukkige meesteres van koude en honger sterven, dan terug te keeren naar hunne geboorteplaats, al dringt de welaangename geur van den overvloed, de geur van hun eigen daar volbrachten arbeid, tot in 't verblijf hunner ellende door.

IX.

Men zal zeggen: "Dat is nu juist iets wat de menschen niet zouden doen, een dier feiten die bewijzen, dat hier ondanks de wonderen dezer organisatie, geen echt intellekt of bewustzijn voorhanden is." Wat weten wij er van? Nog daargelaten de mogelijkheid, dat er in andere wezens een intelligentie werkt van anderen aard dan de onze en die gansch andere uitkomsten geeft, zonder daarom nog van lager orde te zijn, zijn wij, als we nimmer buiten onze kleine menschelijke parochie komen, zoo bevoegd te oordeelen over de dingen des geestes? We behoeven maar twee of drie personen achter een venster te zien spreken en gesticuleeren zonder te hooren wat ze zeggen, en reeds dan valt het ons zeer moeielijk te raden welke gedachte hen leidt. Meent ge, dat een bewoner van Mars of Venus, die boven op een berg staande ons als zwarte stipjes in de ruimte zag komen en gaan langs de straten en pleinen onzer steden, zich op het gezicht van onze bewegingen, onze gebouwen, kanalen en machines een nauwkeurig denkbeeld zou vormen van ons verstand, onze zedelijkheid, onze wijze van liefhebben, denken, hopen, in één woord van ons dieper en waarachtig wezen? Hij zou er zich toe bepalen enkele vrij verrassende feiten te constateeren, zooals wij dat doen bij den bijenkorf, en zou er waarschijnlijk even onzekere, even verkeerde conclusies uit trekken als wij in dit geval.

't Zou hem althans vrij wat moeite kosten, in "onze zwarte stipjes", de groote zedelijke leiding, het bewonderenswaardig éénheids-gevoel te ontdekken, dat zich in den bijenkorf openbaart. "Waar gaan ze toch heen?" zou hij zich afvragen, nadat hij ons gedurende jaren of eeuwen had geobserveerd, "wat doen ze toch? Wat is het centrale punt en het doel huns levens? Gehoorzamen ze aan een of anderen god? Ik zie niets dat hunne schreden leidt. Den eenen dag schijnen ze kleine voorwerpen te bouwen en te verzamelen, en den volgenden verstrooien ze die weer. Ze gaan en komen, ze vergaderen en verwijderen zich, maar wat ze verlangen is niet te begrijpen. Ze geven een massa onverklaarbare dingen te aanschouwen. Men ziet er b.v. die om zoo te zeggen zich niet bewegen. Ze zijn te herkennen aan hun glanzen der vacht, en zijn dikwijls ook grooter dan de anderen. Ze wonen in huizen, die tien à twintigmaal grooter, vernuftiger ingericht en rijker zijn dan de gewone. Ze gebruiken er dagelijks maaltijden, die uren duren en zelfs vaak tot diep in den nacht. Al wie hen nadert, schijnt hun eer te bewijzen en uit de naburige huizen en zelfs ver van buiten komen menschen met levensmiddelen om hun geschenken te brengen. Men moet aannemen, dat zij onmisbaar zijn en aan de soort wezenlijke diensten bewijzen, hoewel onze nasporingen ons nog niet hebben in staat gesteld, den aard dezer verdiensten nauwkeurig te bepalen. Daarentegen ziet men er anderen, die in groote ruimten, vol draaiende wielen, in duistere verblijven, in de nabijheid der havens en op kleine vakjes grond, waarin ze wroeten van den opgang tot den ondergang der zon, onophoudelijk vol inspanning bezig zijn. Alles leidt tot het vermoeden, dat deze bezigheid strafbaar is, want men huisvest hen in kleine, onzindelijke en bouwvallige hutten. Ze zijn gedekt met een kleurlooze zelfstandigheid. Zóó groot schijnt hun ijver te zijn voor hun schadelijk of althans nutteloos werk, dat ze zich nauwelijks den tijd gunnen te eten of te slapen. Hun aantal staat tot dat der eersten als 1000 tegen 1. Opmerkelijk is het, dat de soort zich onder omstandigheden, die zóó ongunstig zijn voor hare ontwikkeling, tot op onze dagen heeft kunnen staande houden. Overigens moeten we hieraan toevoegen, dat ze afgezien van dat karakteristiek vasthouden aan hun moeielijk werk, onschadelijk en gedwee schijnen te zijn en zich tevreden stellen met de restjes dergenen, die klaarblijkelijk de hoeders en misschien de redders zijn van het ras."

X.

Is 't niet verbazingwekkend, dat de bijenkorf, waarop wij uit eene gansch andere wereld neerzien en dien we dus niet duidelijk kunnen onderscheiden, ons bij den eersten blik dien we daarop werpen, een beslist en diepzinnig antwoord geeft? Is 't niet bewonderenswaardig, dat zijn gebouwen vol regelmaat, zijn gebruiken en wetten, zijn huishoudelijke en staatkundige inrichting, zelfs zijne deugden en wreedheden, ons onmiddellijk de gedachte of den god openbaren, dien de bijen dienen, en die niet de minst wettige of redelijke god is, dien men zich kan voorstellen, al is 't misschien de eenige, dien wij nog niet in ernst hebben aangebeden, ik bedoel de toekomst? In de geschiedenis der menschheid trachten we somwijlen de kracht en de zedelijke grootheid van een volk of een ras te peilen, en we vinden geen anderen maatstaf dan de vastheid en den omvang van het ideaal, dat ze najagen, en de zelfverloochening, waarmee ze zich daaraan wijden. Hebben wij dikwijls een ideaal aangetroffen, dat meer in overeenstemming is met de wenschen des Heelals, dat hechter, verhevener, belangeloozer en duidelijker is, zaagt ge dikwijls een meer algeheele en heldhaftige zelfverzaking?

XI.

Welk een vreemd republiekje, zoo ernstig en zoo logisch, zoo positief, zoo nauwkeurig, zoo zuinig, en toch ten prooi aan een zoo grootschen en zoo onzekeren droom! Klein volkje, gij zoo beslist en zoo diepzinnig, gevoed met warmte en lucht en met het allerpuurste in de natuur, de ziel der bloemen, dat wil zeggen met datgene, wat meer dan al het overige de glimlach der materie mag genoemd worden, haar aandoenlijkst streven naar geluk en schoonheid,--wie zal ons zeggen wat al vraagstukken gij hebt opgelost, die ons nog onverklaard blijven, wat al zekerheden gij verworven hebt, die wij nog moeten verwerven? En zoo het waar is, dat gij deze problemen hebt opgelost en deze zekerheid verkregen niet door middel van uw verstand, maar krachtens een of andere oorspronkelijken en blinden aandrang, voor welk een nog onoplosbaarder raadsel plaatst gij ons dan? Klein stadje vol geloof, hoop en mysterie, waarom aanvaarden uwe honderdduizend maagden een taak, die een menschelijke slaaf nimmer heeft aangedurfd? Ontzagen ze wat meer hunne krachten, vergaten ze zichzelven wat minder, waren ze wat minder ijverig bij den arbeid, dan zouden ze een nieuwe lente en een tweeden zomer aanschouwen, maar op het magisch oogenblik wanneer alle bloemen hen tot zich roepen, schijnen ze bevangen door de doodelijke bedwelming van den arbeid, en met gebroken vleugeltjes en een geheel uitgeput, met wonden overdekt lichaam komen ze bijna allen om in minder dan vijf weken.

_Tantus amor florum, et generandi gloria mellis,_ roept Virgilius uit, die in het vierde boek der Georgica, aan de bijen gewijd, de bekoorlijke dwaalbegrippen der ouden heeft vereeuwigd, die de natuur beschouwden met oogen nog geheel verblind door de aanwezigheid van denkbeeldige goden.

XII.

Waarom doen ze afstand van den slaap, van 't genot van den honing, van de liefde, van de verrukkelijke vrijheid, die bij voorbeeld hun oudste broeder, de vlinder, zoo goed kent? Ze konden toch leven zooals hij? De honger kan 't niet zijn, die er hen toe noodzaakt. Twee of drie bloemen volstaan voor hun voedsel en ze bezoeken er ieder uur twee of drie honderd om een schat bijeen te garen, waarvan zij het genot niet zullen smaken. Waartoe zich zelven zoo te kwellen, van waar die verzekerdheid? Is het dan zóó zeker, dat het geslacht waarvoor ge sterft dit offer waard is, dat het schooner en gelukkiger zijn zal, dat het iets zal doen wat gij niet gedaan hebt? We zien uw doel, even duidelijk als het onze: ge wilt in uwe nakomelingschap leven zoolang als de aarde zelve, maar wat is dan het doel van dit groote doel en de taak van dit eeuwigdurend vernieuwd bestaan?

Maar zijn wij het niet veeleer, die ons zelven kwellen in onze aarzeling en dwaling, zijn wij niet kinderachtige droomers en stellen we geen ijdele vragen? Al waart ge door evolutie op evolutie almachtig en welgelukzalig geworden, al hadt ge de laatste hoogten bestegen, van waar ge alle wetten der natuur zoudt beheerschen, kortom al waart ge onsterfelijke godinnen geworden, dan nog zouden we u ondervragen om te weten wat ge hoopt, waarheen ge wenscht te gaan, waar ge denkt op te houden en aan het eindpunt uwer wenschen gekomen te zijn. Wij zijn zoo geschapen, dat niets ons bevredigt, dat voor ons niets zijn doel in zichzelf schijnt te hebben, dat niets ons voorkomt maar eenvoudig te bestaan zonder meer, zonder nevengedachte. Hebben wij tot op dezen dag ons een enkelen onzer goden, van den primitiefsten af tot den verstandigsten toe, kunnen voorstellen zonder onmiddellijk beweging, onrust daarnaast te denken, zonder hem te noodzaken een massa wezens en dingen te scheppen, op duizenderlei wijzen een doel te zoeken buiten zichzelven, en zullen wij er ooit in berusten kalm en gedurende enkele uren een interessanten verschijningsvorm van de werkzaamheid der stof voor te stellen, om weldra zonder spijt en zonder verwondering den anderen vorm weer aan te nemen, den vorm van onbewustheid, onbekendheid, slaap, eeuwigheid?

XIII.

Doch laten wij onzen bijenkorf niet vergeten, waar de zwerm al ongeduldig wordt, onzen korf, die al borrelt en overvloeit van zwarte, trillende golven, gelijk een metalen schaal onder de hitte der zon. 't Is de middagure en men zou meenen, dat onder de heerschende warmte de verzamelde boomen al hunne bladeren inhielden, zooals men den adem inhoudt in de tegenwoordigheid van iets zeer liefelijks maar zeer ernstigs.

De bijen geven den mensch, die hen verzorgt, den honing en de geurige was, maar wat misschien dien honing en die was nog te boven gaat, dat is dit, dat ze zijn aandacht vestigen op de blijdschap van Juni, dat ze hem oog geven voor de harmonie der schoone maanden; dat is dit, dat alle gebeurtenissen, waarin zij deelnemen, onafscheidelijk zijn van een helderen hemel, het feest der bloemen, de gelukkigste uren van het jaar. Zij zijn de ziel van den zomer, de tijdwijzer van de minuten van overvloed, de rappe vleugelen van de zich verspreidende geuren, het intellekt van de zwevende stralen, het gezang der atmosfeer, die zich uitrekt en rust meent; en hunne vlucht is het zichtbaar teeken, de heldere en muzikale toon van alle onnoembare kleine genietingen, die uit de warmte ontspruiten en in het licht leven. Zij doen de stem verstaan, ook het intiemst geluid, van de heerlijke uren der natuur. Voor wie ze heeft gekend en liefgehad, schijnt een zomer zonder bijen even ongelukkig en even onvolkomen als een zonder vogels of zonder bloemen.

XIV.

Iemand, die voor de eerste maal deze verbijsterende en wanordelijke gebeurtenis, het zwermen van een flink bevolkten bijenkorf, bijwoont, voelt zich eenigszins teleurgesteld en komt niet dan met zekere angst naderbij. Hij herkent ze niet meer, de ernstige, vreedzame bijen van de uren van arbeid. Enkele oogenblikken te voren zag hij ze uit alle hoeken terugkeeren van buiten, opgaande in hun werk als kleine burgervrouwtjes, die door niets worden afgeleid van hunne huishoudelijke aangelegenheden. Ze kwamen bijna onopgemerkt binnen, moe, buiten adem, druk, haastig, maar toch zeer bescheiden, en werden in 't voorbijgaan door de jeugdige amazones aan den ingang begroet met een lichte beweging der sprieten. Hoogstens wisselden zij enkele onontbeerlijke woorden bij het haastig overgeven van hun bijeengegaarden honing aan een der jeugdige honingdraagsters, die altijd te vinden zijn in den binnensten hof van de werkplaats;--of wel zelf gingen zij naar de ruime honingzolders, die de broedplaats omgeven, om daar de twee zware korven vol stuifmeel neer te zetten welke ze aan hun dijen hebben vastgehecht, en vertrokken onmiddellijk weer, zonder zich ook maar eenigszins te bekommeren om 't geen daar voorviel in de werkplaatsen, in het slaapvertrek der nymphen of in 't koninklijk paleis, zonder zich ook maar een enkel oogenblik te mengen in het gewoel op het plein, dat zich uitstrekt voor den ingang en dat op de uren van groote hitte geheel in beslag wordt genomen door het gebabbel der luchtververschsters, die daar om het vlieggat, naar de teekenachtige uitdrukking der ymkers "als afhangende zware baarden" werkeloos voorhangen.

XV.

Heden is alles anders. 't Is waar, een zeker aantal arbeidsters gaat, alsof er niets in aantocht was, kalm naar de velden, komt weer terug en begeeft zich naar de kamers van de broedplaats zonder te worden aangestoken door de algemeene opwinding. Dat zijn degenen, die niet met de koningin meegaan en in de oude woning blijven om die te bewaken en te zorgen voor de verpleging en voeding van de negen à tienduizend eieren, de achttienduizend larven, de zes en dertig duizend nymphen en de zeven of acht prinsessen, die men in den steek laat. Ze zijn uitgekozen voor deze zware taak, zonder dat men weet krachtens welke regelen, noch door wien, noch hoe. Kalm en onwankelbaar volharden zij daarin, en hoewel ik er verscheidene malen de proef van heb genomen door met een kleurrijk poeder eenige dezer lijdelijke "asschepoestertjes" te bestrooien, die men onder dit feestelijk troepje vrij gemakkelijk herkent aan hun plechtigen en eenigszins zwaren gang, zeer zelden heb ik er een aangetroffen onder de opgewonden menigte der zwermende bijen.

XVI.

En toch schijnt de aantrekkingskracht bijna onweerstaanbaar. 't Is de misschien onbewuste waanzin der zelfopoffering, door den god bevolen; 't is het honingfeest, de zegepraal van het ras en van de toekomst; 't is de eenige dag van vreugde, vergetelheid en dwaasheid; 't is de eenige Zondag der bijen, 't schijnt ook de eenige dag te zijn dat ze naar hartelust eten en ten volle de zoetigheid van den schat, dien ze verzamelen, leeren kennen. Ze gelijken op gevangenen, die plotseling worden in vrijheid gesteld en overgebracht naar een land van overdaad en rust. Ze worden opgewonden, zijn geheel buiten zich zelven. Zij, die anders nooit eenige verkeerde of noodelooze beweging maken, komen nu en gaan, komen terug en gaan op nieuw heen om hunne zusters aan te drijven, te zien of de koningin klaar is en den tijd van afwachting te dooden. Ze vliegen veel hooger dan gewoonlijk en doen in de gansche omgeving van den korf de bladeren der groote boomen trillen. Ze kennen geen zorgen of vrees meer. Ze zijn niet langer woest, bemoeiziek, prikkelbaar, strijdlustig en ontembaar. De mensch, hun meester zonder dat ze het weten, dien ze nooit herkennen en die hen enkel aan zich onderwerpt door zich naar al hunne werkgewoonten te schikken, al hunne wetten te eerbiedigen, pas voor pas het spoor te volgen, in hun leven getrokken door hun verstand, dat zich altijd richt op het welzijn van de toekomst en door niets wordt ontmoedigd of afgeleid van zijn doel,--de mensch kan hen nu naderen, het gordijn verscheuren, dat rondom hem wordt gevormd door die dwarrelende, gonzende massa, ze in handen nemen, ze plukken als een druiventros; ze zijn even zacht en onschadelijk als een zwerm libellen of nachtvlinders, en op zulk een dag, zich gelukkig voelend, niets meer bezittend, vertrouwend op de toekomst, mits men hen niet scheide van hunne koningin die deze toekomst in zich draagt, onderwerpen ze zich aan alles en kwetsen niemand.

XVII.

Maar het echte signaal is nog niet gegeven. In den korf heerscht een onbegrijpelijke drukte en wanorde, waarin men geen gedachte kan ontdekken. In gewone tijden schijnen de bijen als ze thuis zijn te vergeten, dat ze vleugels hebben, en ieder blijft bijna onbewegelijk doch niet werkeloos op de raat, op de plaats, die haar is aangewezen door den aard van haren arbeid. En nu, als dol bewegen ze zich in dichte kringen langs de vertikale wanden van boven naar beneden, als een rijzend en zinkend deeg door onzichtbare hand beslagen. De temperatuur daar binnen stijgt snel, somtijds zelfs zóó, dat het was der gebouwen zacht wordt en uitzakt. De koningin, die in den regel de binnenste raten nooit verlaat, loopt nu verschrikt en hijgend over de woelige menigte heen, die ronddraait om haar eigen as. Doet ze dat om het vertrek te verhaasten of wel om het te vertragen? Geeft ze bevelen of is ze smeekelinge? Werkt ze die wondere opwinding in de hand of wel is ze er de dupe van? Na al wat wij van de algemeene psychologie der bijen weten is het vrij duidelijk, dat het zwermen altijd geschiedt tegen den wensch der oude souvereine. In den grond der zaak is de koningin in de oogen der ascetische werksters, hare dochters, het onmisbaar en gewijd orgaan der liefde, maar een beetje onbewust en dikwijls kinderachtig. Ze behandelen haar dan ook als eene moeder onder voogdijschap. Ze koesteren eerbied voor haar en een heroïsche, onbegrensde liefde. Voor haar de zuiverste honing, die nog extra wordt gereinigd en bijna geheel te verteren is. Ze heeft een hofstoet, die dag en nacht over haar waakt, haren moederlijken arbeid verlicht, de celletjes gereed maakt, waarin ze hare eitjes moet leggen, haar vertroetelt, liefkoost, voedt, reinigt, ja zelfs hare uitwerpselen opzuigt. Bij 't minste ongeval, dat haar treft, gaat het bericht van de een op de ander, en het volkje raakt in beroering en begint te jammeren. Indien men haar wegneemt uit den korf, en de bijen geen hoop kunnen koesteren haar te vervangen, 't zij omdat ze geen aangewezen nakroost heeft achtergelaten, 't zij dat er geen werkster-larven zijn jonger dan drie dagen (want iedere larf eener werkbij, die nog geen drie dagen oud is, kan door middel van een bijzondere voeding worden veranderd in een koninklijke nymph, dit is het groote democratische beginsel van den bijenkorf, dat opweegt tegen al de voorrechten van het voorbeschikte moederschap); als men onder zulke omstandigheden haar grijpt, opsluit, verre van hare woning brengt, en als dit verlies is geconstateerd,--somtijds verloopen er twee of drie uren vóór het bericht aan iedereen bekend is, zóó uitgebreid is de stad,--dan houdt de arbeid bijna overal op. Dan verlaat men de kleintjes, een gedeelte der bevolking zwerft rond om hare moeder op te sporen, een ander gedeelte gaat uit om navraag naar haar te doen, de slingers van werksters, die bezig waren de raten te bouwen, breken en laten los, de honingdraagsters bezoeken de bloemen niet langer, de deurwachteressen verlaten hun post, en de vreemde plunderaars, alle parasieten van den honing, die voortdurend loeren op een buitenkansje, komen en gaan vrijelijk, zonder dat iemand er aan denkt, den moeizaam bijeengegaarden schat te verdedigen. Langzamerhand verarmt de stad en wordt ontvolkt, en hare moedelooze bewoonsters sterven al spoedig van droefheid en ellende, hoewel alle bloemen van den zomer voor haar schitteren.