Het leven der bijen

Part 16

Chapter 163,708 wordsPublic domain

De Xylocopen zijn, zooals we gezien hebben, machtige bijen, die hun nest in droog hout schroeven. Zij leven altijd alleen. Toch gebeurt het wel, dat men tegen het einde van den zomer, enkele individuen van een bijzondere soort (_Xylocopa Cyanescens_) in hunne kouwelijkheid tot een heele groep vereenigd in den steel van een affodil ziet kruipen om er den winter gezamentlijk door te brengen. Deze broederschap in het late seizoen is uitzondering bij de Xylocopen, maar bij hunne naaste verwanten, de Ceratinen, is ze reeds tot een vaste gewoonte geworden. Het denkbeeld breekt zich baan. Dadelijk echter komt het tot stilstand, en tot nu toe heeft het bij de Xylocopen de eerste onduidelijke linie van de liefde nog niet kunnen overschrijden.

Bij andere Apinen neemt de nog tastende idee andere vormen aan. De Chalicodomen der schuren, die tot de metsel-bijen behooren, de Dasypoden en Halicten, die legers graven, vereenigen zich in talrijke kolonies om hunne nesten te bouwen. Maar 't is een denkbeeldige menigte, gevormd uit op zichzelf staande wezens. Geenerlei overleg, geen enkele gemeenschappelijke daad. Ieder staat geheel geïsoleerd in de menigte en bouwt hare woning voor zich alleen, zonder zich om hare buren te bekommeren. "Het is," zegt J. Perez, "enkel een verzameling individuen, die door gelijkheid van smaak en vermogens op eenzelfde plaats worden saamgebracht, bij wie de stelregel van het ieder voor zich in zijn ganschen omvang in praktijk wordt gebracht; 't is een troep arbeiders, die enkel door hun aantal en hun werklust aan den zwerm van den korf doen denken. Zulke vereenigingen zijn dus eenvoudig het gevolg van het groot aantal individuen, die dezelfde localiteit bewonen."

Doch bij de Panurgen, de nichten der Dasypoden, breekt plotseling een lichtstraaltje door, en laat het ontluiken van een nieuw gevoel in de toevallige bijeenvoeging zien. Ze vereenigen zich op dezelfde wijze als de vorigen en ieder graaft voor zich hare onderaardsche woning; doch de ingang, de gang die van de aardoppervlakte naar de verschillende holen geleidt, is gemeenschappelijk.

"Zoo gedraagt zich dus ieder," zegt dezelfde Perez, "wat het vervaardigen der cellen betreft, alsof zo alleen ware; doch allen maken gebruik van de gang, die den toegang verleent; hierin profiteeren allen van den arbeid eener enkele en sparen zoodoende den tijd en de moeite uit, die vereischt zouden worden om ieder eene afzonderlijke gang te vervaardigen. 't Zou interessant zijn na te gaan of ook deze voorafgaande arbeid niet gemeenschappelijk werd verricht, en of niet verscheidene wijfjes elkaar aflosten om er beurtelings aan deel te nemen."

Hoe dit ook zij, het denkbeeld van broederschap hoeft reeds de wand doorboord, die twee werelden van elkander scheidde. 't Zijn nu niet meer de winter, de honger of de angst, die het, nog geheel onkenbaar, afdwingen van 't instinct; hier doet het werkzaam leven het aan de hand. Doch ook ditmaal komt het dadelijk tot stilstand, en weet zich nog niet verder in deze richting te bewegen. Dat doet er niet toe, het verliest den moed niet, en beproeft andere wegen. En ziet, nu dringt het door bij de Hommels, rijpt daar, neemt er in een andere atmosfeer gestalte aan en bewerkt de eerste beslissende wonderen.

XII.

De Hommels, die groote behaarde bijen, met hun zwaar geluid, die ons wel vrees aanjagen, doch zeer vreedzaam zijn, en die wij allen kennen, leven eerst in afzondering. Dadelijk in de eerste dagen van Maart begint het bevruchte wijfje, dat den winter heeft overleefd, haar nest te bouwen, 't zij onder den grond, 't zij in een heester, al naar de soort, waartoe ze behoort. In de ontwakende lente is zij alleen op de wereld. Ze gaat aan 't opredderen, aan 't graven en aan 't bekleeden van de uitgekozen plaats. Dan maakt ze vrij vormelooze cellen van was, voorziet ze van honing en stuifmeel, legt eieren en broedt ze uit, verzorgt en voedt de larfjes, die uitkomen, en weldra ziet ze zich omringd van eene schare dochters, die haar bijstaan bij haar werk binnen en buitenshuis, en waarvan er eenige op hare beurt eieren gaan leggen. De welvaart neemt toe, de bouw der cellen wordt beter, de kolonie breidt zich uit. De stichteres blijft er de ziel en de voornaamste moeder van en ziet zich geplaatst aan het hoofd van een koninkrijk, dat is als het ontwerp van dat onzer honingbij. En een nog zeer ruw ontwerp. De welvaart is er altijd nog zeer beperkt, de wetten zijn er slecht omschreven en worden slecht gehoorzaamd, bij tusschenpoozen duiken het oorspronkelijk cannibalisme en de kindermoord weer op, de bouworde is nog vormeloos en kostbaar, doch wat het grootste onderscheid tusschen de beide rijken uitmaakt is dit, dat het ééne duurzaam en het andere slechts tijdelijk is. Inderdaad, dat der Hommels zal in den herfst volledig te gronde gaan, zijne drie- of vierhonderd bewoners zullen omkomen zonder een spoor van hun aanzijn achter te laten, al deze inspanning vergaat, en er zal slechts één wijfje overblijven, dat in de volgende lente even eenzaam als hare moeder en evenals deze niets bezittende, denzelfden nutteloozen arbeid opnieuw zal beginnen. En toch blijft het feit bestaan, dat ditmaal het denkbeeld zich zijner kracht bewust is geworden.

Bij de Hommels zien we het deze grens nog niet overschrijden, doch getrouw aan zijne gewoonte, gaat het zich onmiddellijk door een soort van onvermoeide zielsverhuizing, nog trillend van zijn laatste zegepraal, overmachtig en reeds bijna volmaakt, incarneeren in een andere groep, de voorlaatste van het ras, die welke onze honingbij onmiddellijk voorafgaat, waarin het zijn glanspunt bereikt, ik bedoel de groep der Meliponiten, die de tropische Meliponen en Trigonen omvat.

XIII.

Hier is alles georganiseerd, evenals in onze korven. Waarschijnlijk is er maar ééne moeder[1] en verder zijn er geslachtloozen en darren. Zelfs zijn sommige bijzonderheden er beter geregeld. De mannetjes zijn er b.v. niet geheel werkeloos, ze scheiden was af. De toegang tot de stad wordt met meer zorg verdedigd: gedurende de koude nachten is hij afgesloten door een poort, in de warme nachten door een soort gordijn, dat lucht doorlaat.

Doch de republiek is minder sterk, het leven der leden minder veilig, de welvaart beperkter dan bij onze bijen, en overal waar men deze laatsten er in brengt, hebben de Meliponiten de neiging, voor hen de plaats te ruimen. Het denkbeeld van broederschap hoeft zich gelijkelijk en prachtig in de beide rassen ontwikkeld, behalve op één punt, waarop het bij een van hen nauwelijks verder is dan wat het reeds bij de beperkte familie der Hommels bereikt had. Dit punt is de mechanische organisatie van den gemeenschappelijken arbeid, het uitsparen van alle overbodige inspanning, in één woord de bouworde van den korf, die, zooals duidelijk is te zien, van minder gehalte is.

Ik kan volstaan met te herinneren aan hetgeen ik in Boek III, Hoofdstuk XVIII gezegd heb, en voeg er nog aan toe, dat in de korven dor Apiten alle cellen gelijkelijk geschikt zijn voor het kweeken van broedsel of voor het bewaren van de provisie, en dat ze even lang bestaan als de stad zelve, terwijl ze bij de Meliponiten slechts tot één doeleinde kunnen gebruikt worden en dat die, welke tot wiegjes der jeugdige nymphen dienen, vernietigd worden, nadat deze zijn uitgekomen.

Bij onze honingbijen heeft dus het denkbeeld zijn volmaaktsten vorm aangenomen. En zoo hebben we dan hier een vlug ontworpen en onvolledig overzicht van de ontwikkeling dezer idee. Staan die verschillende vormen eens voor goed vast bij iedere soort en zou de lijn, die hen verbindt, enkel in onze verbeelding bestaan? Baat ons nog geen systeem gaan opbouwen in deze nog zoo gebrekkig onderzochte gewesten. We kunnen enkel voorloopige gevolgtrekkingen maken en, als we willen, bij voorkeur overhellen tot die, welke de meeste hoop geven; want zoo we noodzakelijk moesten kiezen, dan hebben we reeds een schemerachtige aanduiding, dat de meest gewenschte tevens die zijn, welke de meeste zekerheid hebben. En laat ons overigens erkennen, dat onze onwetendheid nog zeer groot is. Duizenden proefnemingen, die men zou kunnen doen, zijn nog niet gedaan. Zouden b.v. de Prosopis, de gevangenen, die genoodzaakt zijn met hunne gelijken samen te wonen, op den langen duur den ijzeren drempel van de volstrekte eenzaamheid kunnen overschrijden, er evenals de Dasypoden pleizier in krijgen zich te vereenigen, en een poging tot verbroedering doen zooals de Panurgen? Zouden de Panurgen op hare beurt van de gemeenschappelijke gang den overgang kunnen maken tot een gemeenschappelijke kamer? Zouden de moeders der Hommels, die samen overwinterden, in gevangenschap grootgebracht en gevoed, er toe kunnen komen samen overleg te plegen en den arbeid te verdeelen? En wat de Meliponiten betreft, heeft men hun wel eens kunstraten met cellen-indruk gegeven? Heeft men hun kunstmatige honing-amphora's aangeboden om de zonderlinge, die zij bouwen, te vervangen? Zouden ze die aannemen en er partij van trekken; en hoe zouden ze hunne gewoonten plooien en schikken naar dezen ongewonen bouw? Dit zijn alles vragen, die we richten tot zeer kleine wezentjes en die toch de kern van onze grootste geheimen inhouden. We kunnen er geen antwoord op geven, want onze ondervinding dateert eerst van gisteren. Als we rekenen van af Réaumur, dan is men ongeveer anderhalve eeuw bezig met het waarnemen van de zeden van enkele wilde bijen. Réaumur kende er maar een paar, wij hebben er eenige andere bestudeerd; doch honderden, misschien duizenden, zijn tot op heden enkel ondervraagd door onwetende of haastige reizigers. Die welke wij kennen sedert den schoonen arbeid van den schrijver der _Gedenkschriften_, hebben niets in hunne gewoonten veranderd, en de Hommels, die omstreeks 1730 met goudpoeder waren bestrooid, trilden als het verkwikkelijk gemurmel der zon, en zich te goed deden aan honing in de tuinen van Charenton, geleken volkomen op die welke, nu de April-maand is weergekeerd, morgen zullen gonzen eenige schreden van daar verwijderd, in het bosch van Vincennes. Doch van Réaumur tot op onze dagen, dat is slechts een wenk des tijds voor ons onderzoek, en verscheidene menschenlevens aan elkander gevoegd vormen slechts eene seconde in de geschiedenis van eene gedachte der natuur.

[1] 't Staat niet vast, dat de regel van slechts ééne koningin of moeder streng wordt volgehouden bij de Meliponiten. Blanchard meent terecht, dat er waarschijnlijk verscheidene wijfjes in een zelfden korte leven, daar ze niet voorzien zijn van een angel en bijgevolg elkander niet zoo gemakkelijk kunnen dooden als de bijen-koninginnen. Toch heeft men zich tot nu toe niet van de waarheid daarvan kunnen overtuigen wegens de groote overeenkomst tusschen wijfjes en werkbijen en de onmogelijkheid, in ons klimaat Meliponen te kweeken.

XIV.

Al heeft nu de idee, die wij met de oogen hebben gevolgd, haren hoogsten vorm aangenomen bij onze honingbijen, daarmede is niet gezegd, dat alles in den korf onverbeterlijk is. Een meesterstuk, de zeshoekige cel, bereikt daarin in ieder opzicht hare absolute volmaking, en aan alle genieën vereenigd zou het onmogelijk zijn iets daaraan te verbeteren, Geen enkel levend wezen, niet eens de mensch, heeft in zijne sfeer tot stand gebracht, wat de bij tot stand bracht in de hare; en indien er eens een geest, die niet tot de aarde behoorde, haar het meest volmaakte voorwerp van de logica des levens kwam vragen, zou men hem een eenvoudige honingraat moeten aanbieden.

Doch niet alles evenaart dit meesterstuk. In 't voorbijgaan hebben we reeds eenige fouten en vergissingen aangeteekend, nu eens in 't oog vallend, dan weer meer bedekt: de schadelijke overvloedigheid en werkeloosheid der darren, de parthenogenesis, de gevaren van de parings-vlucht, het overdreven veel zwermen, het gebrek aan meegevoel, het haast monsterachtig opofferen van den individu aan de gemeenschap. Laten we er nog aan toevoegen een zonderlinge neiging om enorme massa's stuifmeel op te zamelen, die niet gebruikt al spoedig ransig en hard worden en maar in den weg staan; verder de lange onvruchtbare tusschenpoos tusschen het eerste zwermen en de bevruchting der tweede koningin, enz.

Van deze fouten is de ergste, de eenige, die in ons klimaat bijna altijd noodlottig is, het herhaald zwermen. Doch laat ons, wat dit betreft, niet vergeten, dat de natuurlijke teeltkeus van onze gewone bij reeds sedert duizenden van jaren door den mensch is tegengewerkt. Van den Egyptenaar uit den tijd der Pharao's tot op de boeren van onze dagen heeft de bijenhouder altijd tegen de wenschen en belangen der soort in gehandeld. De voorspoedigste korven zijn die, welke slechts één zwerm uitzenden dadelijk in 't begin van den zomer. Zoo vervullen zij hun moederlijk verlangen, verzekeren de instandhouding van den moederstok, de noodzakelijke vernieuwing der koninginnen, en de toekomst van den zwerm, die zoo talrijk en zoo vroeg in den tijd, gelegenheid heeft stevige en welvoorziene woningen te bouwen voorliet invallen van den herfst. 't Is wel zeker, dat, wanneer men ze aan zichzelf overliet, het bij onze Noordelijke rassen langzamerhand regel geworden zou zijn weinig te zwermen, daar dan deze korven en hunne afstammelingen alleen de bezwaren van den winter zouden overleven, die bijna geregeld de door andere instincten beheerschte kolonies zouden vernietigd hebben. Maar juist deze voorzichtige, welvarende en goed geacclimatiseerde korven worden altijd door den mensch vernield, om in 't bezit te komen van hunne schatten. Hij liet en laat nog in de tot gewoonte geworden praktijk enkel de uitgeputte moederstokken, de tweede of derde nazwermen overleven, die zoo ongeveer genoeg hebben om den winter door te komen of waaraan hij wat honing-afval meedeelt om hunne armelijke provisie aan te vullen. Het gevolg daarvan is geweest, dat waarschijnlijk de soort is verzwakt, dat de neiging tot al te veelvuldig zwermen zich erfelijk heeft ontwikkeld en dat tegenwoordig bijna al onze bijen, vooral de zwarte, te vaak zwermen. Sedert enkele jaren is de nieuwe methode van het bijenkweeken met mobielbouw deze gevaarlijke gewoonte komen bestrijden, en wanneer men ziet, met hoeveel snelheid de teeltkeus inwerkt op de meeste onzer huisdieren, op ossen, honden, schapen, paarden, duiven, om ze niet alle op te noemen, dan is 't geoorloofd te meenen, dat wij over niet te langen tijd een geslacht van bijen zullen bezitten, die het natuurlijk zwermen bijna geheel zullen opgeven en zich met alle kracht zullen toeleggen op het inzamelen van honing en stuifmeel.

XV.

Maar hoe staat het met die andere fouten; zou een verstand, dat zich klaarder bewust was van het doel des gemeenschappelijken levens, zich ook daarvan niet kunnen bevrijden? Er zou heel wat te zeggen vallen omtrent deze fouten, die nu eens 't gevolg zijn van onbekendheid met den korf, dan weer van 't zwermen met zijne misgrepen, waarin wij de hand hebben gehad. Maar naar hetgeen hij tot nu toe gezien heeft, kan ieder naar willekeur aan de bijen verstand toekennen of ontzeggen. Ik ben er niet op gesteld hen te verdedigen. Mij komt het zoo voor, dat ze in verschillende omstandigheden begrip toonen te bezitten; doch al deden ze blindelings al wat ze doen, dan zou mijne nieuwsgierigheid er niet minder om zijn. 't Is interessant op te merken, hoe eenig brein in zichzelf buitengewone hulpmiddelen vindt om te strijden tegen de koude, den honger, den dood, den tijd, de ruimte of de eenzaamheid, al die vijanden van de materie, die leven heeft verkregen; maar dat een wezen er in slaagt zijn ingewikkeld en diep leventje te onderhouden zonder iets meer dan zijn instinct, zonder iets anders te doen dan het zeer gewone, dat is eveneens zeer interessant en zeer buitengewoon. Het gewone en het buitengewone vloeien ineen en wegen tegen elkander op, wanneer men ze op de rechte plaats stelt te midden der natuur. Niet zij, die aangematigde namen dragen, maar het onbegrepene en onverklaarde moeten onze blikken tot zich trekken, onze werkzaamheid aanvuren en een nieuwen, juisten vorm geven aan onze gedachten, gevoelens en woorden, 't Is verstandig zich niet op iets anders toe te leggen.

XVI.

Bovendien, wij hebben eigenlijk niet de bevoegdheid, in naam van ons verstand de fouten der bijen te veroordeelen. Zien we onder ons het verstand en het bewustzijn niet langen tijd leven te midden van dwalingen en fouten zonder ze op te merken, en nog langer zonder genezing aan te brengen? Indien er één wezen bestaat, dat door zijn bestemming er speciaal, bijna organisch toe is aangewezen zich ten volle bewust te worden, volgens de zuivere rede te leven en het gemeenschappelijk leven te organiseeren, dan is het wel de mensch. En toch, zie eens wat hij er van maakt, en vergelijk eens de gebreken van den bijenkorf met die van onze maatschappij. Indien wij bijen waren, die de menschen waarnamen, dan zou onze verbazing groot zijn, als we b.v. de onlogische en onjuiste organisatie van den arbeid zagen bij een stam van wezens, die ons toch overigens met een eminent verstand begaafd leken. We zouden zien hoe de oppervlakte der aarde, de eenige bron van alle gemeenschappelijk leven, moeizaam en ontoereikend werd bebouwd door twee of drie tiende van de gansche bevolking; hoe een ander tiende in volslagen werkeloosheid het beste doel der produkten van dien arbeid verslond; hoe de overige zeven tiende, tot een eeuwigdurenden half-honger veroordeeld, hunne krachten onophoudelijk moesten inspannen voor vreemdsoortig en onvruchtbaar werk, waarvan ze zelven nooit voordeel trekken en dat er enkel toe schijnt te dienen, het leven der leegloopers nog ingewikkelder en onverklaarbaarder te maken. We zouden er uit afleiden, dat het verstand en de zedelijkheid dezer wezens tot een gansch andere wereld behoorden dan de onze en dat ze principes volgden, die wij maar niet zonden wenschen te begrijpen. Laat ons dit overzicht over onze gebreken maar niet verder voortzetten. Ze staan ons toch altijd voor den geest. Doch 't is waar, al zijn ze daar, ze richten er al heel weinig uit. Niet veel meer dan van eeuw tot eeuw staat een hunner even op, schudt voor een oogenblik den slaap van zich af, stoot een kreet van verbazing uit, rekt den pijnlijken arm eens, die het hoofd heeft gestut, verandert van houding, legt zich weer neder en slaapt opnieuw in, totdat een nieuwe pijn, gevolg van de doffe vermoeienis der rust, het wederom wekt.

XVII.

Nemen we nu de evolutie der Apinen of althans der Apiten eenmaal aan, daar ze waarschijnlijker is dan het tegendeel, dan rijst de vraag welke vaste en algemeene richting deze evolutie neemt? Ze schijnt dezelfde lijn te volgen als de onze. Klaarblijkelijk streeft ze er naar inspanning, onveiligheid, gebrek te verminderen, en het welzijn, de gunstige kansen en het gezag der soort te bevorderen. Aan dit doeleinde schroomt ze niet het individu ten offer te brengen en geeft door de gemeenschappelijke voordeelen van kracht en geluk vergoeding voor de trouwens denkbeeldige en ongelukkige onafhankelijkheid der eenzaamheid. 't Heeft er veel van alsof de natuur, evenals Pericles bij Thucidides, het er voor houdt, dat de individuen gelukkiger zijn in een stad, die in haar geheel voorspoedig is, zelfs indien zij er moeten lijden, dan wanneer het individu welvaart geniet en de staat kwijnt. Ze beschermt den ijverigen slaaf in de machtige stad, en geeft den voorbijganger, die geen taak heeft in deze onbestendige associatie, aan de vele vijanden zonder naam en gedaante prijs, die schuilen in alle oogenblikken des tijds, alle bewegingen van 't heelal, alle oneffenheden van de ruimte. 't Is nu niet de tijd om over deze gedachte der natuur te disputeeren, noch om ons af te vragen, of het den mensch betaamt zich daarnaar te richten; doch 't is wel zeker, dat overal waar de oneindige massa ons in de gelegenheid stelt den schijn eener idee te vatten, die schijn dezen weg inslaat, waarvan we het einde niet kennen. Wat ons aangaat zal 't voldoende zijn te constateeren, met hoeveel zorg de natuur er zich op toelegt, al wat op de vijandelijke inertie der materie eenmaal is veroverd, te bewaren en vast te leggen in het zich ontwikkelend ras. Ze zet een punt achter de welgeslaagde poging en legt den achteruitgang, die onvermijdelijk zou zijn na die inspanning, allerlei speciale en welwillende wetten in den weg. Deze vooruitgang, dien men bij de verstandelijk meest ontwikkelde soorten moeielijk zou kunnen loochenen, heeft wellicht geen ander doel dan die beweging zelf en weet niet waar hij heen gaat. In ieder geval, in een wereld waarin niets, uitgenomen enkele feiten van dezen aard, op een duidelijken wil wijst, is het van veel beteekenis enkele wezens zich trapsgewijze en onafgebroken te zien ontwikkelen, sedert den dag, waarop wij onze oogen geopend hebben; en al hadden de bijen ons niets anders geopenbaard dan deze geheimzinnige spiraal van licht in den alles overheerschenden nacht, dan zou dit genoeg zijn om ons den tijd niet te doen betreuren, gewijd aan de studie hunner kleine daden en nederige gewoonten, die zoo ver af staan van en toch eigenlijk zoo dicht bij onze groote passies en onze trotsche bestemming.

XVIII.

't Is mogelijk dat dit alles ijdel is, en dat onze spiraal van licht en die der bijen evenzeer enkel schijnt om de duisternis op te vroolijken. 't Is ook mogelijk dat een geweldig incident van buiten af komend, van een andere wereld of van een nieuw natuurverschijnsel, plotseling een beslissende richting geeft aan dat pogen of het voor goed vernietigt. Doch laat ons onzen weg vervolgen alsof er niets abnormaals gebeuren zou. Al wisten we, dat morgen eene of andere openbaring, b.v. de aanraking met een oudere en meer lichtgevende planeet, onze gansche natuur zou in de war brengen, de diep in ons binnenste gewortelde hartstochten, wetten en waarheden van ons wezen zou onderdrukken, dan nog zou 't het verstandigst wezen in het heden al onze belangstelling te wijden aan die hartstochten, wetten en waarheden, ze in onzen geest tot harmonie te brengen, en getrouw te blijven aan onze bestemming, die hierin bestaat, de duistere machten van het leven aan ons te onderwerpen en tot een eenigszins hooger peil te brengen in ons zelven en rondom ons. 't Kan zijn dat er in de nieuwe openbaring niets van blijft bestaan, doch 't kan _niet_ zijn, dat zij die tot den einde toe hunne zending, de menschelijke zending bij uitnemendheid, hebben vervuld, niet in de eerste rijen zouden staan om deze openbaring te ontvangen: en zelfs indien ze hun mocht leeren, dat de eenige ware plicht bestond in niet vragen en zich er in schikken, dat men niet weten kan, dan zullen zij beter dan anderen dezen plicht weten te begrijpen en er partij van te trekken.

XIX.