Het leven der bijen

Part 13

Chapter 133,963 wordsPublic domain

Toch is die onverschilligheid niet algemeen, en wanneer de hijgende koningin op het plankje verschijnt, dan vormen zich eenige groepen, die haar vergezellen naar die gewelven, waarin de zon, de held van alle feesten van den korf, slechts met kleine, aarzelende schreden binnendringt en de wanden van was zoowel als de gordijnen van honing in schaduw en azuur hult. Voor het overige is de jong-gehuwde al even kalm als haar volk, en in de bekrompen hersenen dezer praktische en barbaarsche koningin is geen plaats voor velerlei aandoeningen. Ze bekommert zich slechts om één ding, namelijk zich zoo spoedig mogelijk te ontdoen van de lastige souvenirs van haren echtgenoot, die haren gang belemmeren. Ze gaat vóór de poort zitten en verwijdert zorgvuldig de overbodige organen, die dadelijk door de werkbijen worden meegenomen en weggegooid; want het mannetje heeft haar alles gegeven wat hij bezat, en veel meer dan vereischt werd. Ze houdt in haar zaadblaasje enkel het zaadvocht, waarin de millioenen kiemen zwemmen, die tot aan haar uiteinde, één voor één, bij het aanraken der eitjes, in de duisternis van haar lichaam de geheimzinnige vereeniging van het mannelijke en het vrouwelijke element zullen tot stand brengen, waardoor de werkbijen geboren worden. Door een zonderlinge verwisseling verschaft zij het mannelijk, en het mannetje het vrouwelijk principe. Twee dagen na de paring legt ze haar eerste eitjes, en dan wordt ze door haar volk dadelijk met groote zorg behandeld. Van dat oogenblik af, nu ze een dubbele sexe bezit, daar ze een onuitputtelijk mannelijk element in zich besloten houdt, begint haar eigenlijk leven, ze verlaat den korf niet meer en ziet nimmer het licht meer terug, tenzij om een zwerm te vergezellen; en haar vruchtbaarheid eindigt eerst bij het naderen van haar dood.

VII.

Welk een wonderbaar bruiloftsfeest, zoo sprookjesachtig als we maar zouden kunnen bedenken daar in het volle azuur, doch zoo uitermate tragisch; door de vlucht van het verlangen over het leven heen gedragen, bliksemsnel en onvergankelijk, geheel eenig in zijn soort en verblindend, eenzaam en oneindig. Welk een wondere wellust waarbij de dood, die zijn offer komt verrassen in de maagdelijke en onbegrensde ruimte, het schoonste en klaarste wat er in deze sfeer te vinden is, deze seconde van geluk, vastlegt in de verheven doorschijnendheid van den grooten hemel, waar hij in het smetteloos licht reinigt wat toch altijd eenigszins laag is in de liefde, den kus onvergetelijk maakt, en met zijn eigen ditmaal moederlijke handen zelf zorg draagt twee kleine, brooze levens in een enkel lichaam te vereenigen en voor een lange toekomst onafscheidelijk samen te voegen, waarbij hij zich vergenoegt met het hem ten deel vallend tiende.

De diepe waarheid bezit niet zooveel poëzie, ze heeft er een andere, voor ons minder gemakkelijk te vatten, maar die we ten slotte misschien zullen leeren begrijpen en liefhebben. De natuur heeft er volstrekt niet aan gedacht, aan deze beide "raccourcis d'atôme" (deeltjes van atomen) zooals Pascal ze noemen zou, een schitterend huwelijk, een ideaal liefdes-geluk te verschaffen. Zij had enkel, zooals we reeds gezien hebben, de verbetering der soort op het oog door kruisbevruchting. Om zeker daarvan te zijn heeft ze het orgaan van het mannetje op een zóó bijzondere wijze aangebracht, dat hij er onmogelijk ergens anders dan in de ruimte gebruik van kan maken. Eerst moet hij een heelen tijd vliegen om daardoor zijn beide groote luchtbuizen flink te doen uitzetten. Deze enorme blazen, die zich geheel vullen met azuur, dringen dan de lagere deelen van het achterlijf terug en hebben de uitzetting van het orgaan ten gevolge. Dit is, wat de physiologie betreft, het gansche geheim van die bewonderenswaardige vlucht der minnenden, van die verbijsterende jacht bij dit prachtig bruiloftsfeest; vrij laag bij den grond zullen sommigen, bijna kwetsend zullen anderen zeggen.

VIII.

"En wij," zoo vraagt de dichter, "moeten wij ons dan maar steeds blijven verheugen in dingen, die de waarheid te boven gaan?"

Ja zeker, laten we ons bij iedere gelegenheid, ten allen tijde, in alle dingen blijven verheugen, niet in wat de waarheid te boven gaat, wat onmogelijk is, daar wij niet weten waar ze zich bevindt, maar in wat die kleine waarheden te boven gaat, die wij te zien krijgen. Indien een of andere herinnering, illusie, hartstocht, toeval, of welk ander motief dan ook, maakt dat een voorwerp zich voor onzen blik schooner vertoont dan voor dien van anderen, laat dan allereerst dit motief zelf ons lief zijn. Misschien berust het enkel op een dwaling: die dwaling echter belet geenszins, dat het oogenblik, waarop dit voorwerp ons het bewonderenswaardigst voorkomt, juist het oogenblik is, waarop we de meeste kans hebben, de waarheid daarvan te ontdekken. De schoonheid, die wij er aan verleenen, vestigt onze aandacht op zijn ware schoonheid en grootheid, die niet zoo gemakkelijk ontdekt worden en die gedegen zijn in de betrekking, waarin ieder voorwerp onvermijdelijk staat tot algemeene en eeuwige krachten. Het vermogen tot bewondering dat we hebben doen ontstaan naar aanleiding van eene illusie, is niet verloren voor de waarheid, die vroeger of later komen zal. Met woorden en gevoelens, met de warmte die is gewekt door denkbeeldige schoonheden van vroegere tijden, ontvangt de menschheid van heden waarheden, die misschien nooit het licht hadden aanschouwd, en nooit een gunstigen bodem hadden gevonden, indien deze prijsgegeven illusies niet eerst hart en verstand hadden verwarmd, waarin nu die waarheden nederdalen. Gelukkig de oogen, die geen illusies noodig hebben om te zien, dat het schouwspel grootsch is! En voor de overigen is het juist de illusie, die hen leert zien, bewonderen en zich verinnigen. En hoe hoog ze ook opzien, nimmer zullen ze te hoog zien. Zoodra men de waarheid nadert, verheft ze zich hooger; zoodra men haar bewondert, komt men haar nader. En hoe hoog hunne vreugde zich ook verheffe, ze zullen zich nooit verheugen in het ledig of wel boven de onbekende en eeuwige waarheid uit, die als schoonheid over alle dingen zweeft.

IX.

Wil dit nu zeggen, dat we ons maar zullen blijven houden aan de leugen, aan een willekeurige en onreëele poëzie en dat we bij gebrek aan beter daarin maar al onze vreugde moeten stellen? Wil dit zeggen, dat we in 't voorbeeld, dat we bespraken,--op zichzelf is dat niets, maar we blijven er bij stilstaan, omdat het als type kan dienen van duizend andere, en van onze gansche houding tegenover verschillende soorten van waarheden,--wil dit nu zeggen, dat we in dit voorbeeld de physiologische verklaring maar moeten wegcijferen om enkel de aandoeningen vast te houden en te smaken, in ons gewekt door deze parings-vlucht, die, wat er dan ook de oorzaak van zij, niettemin een der schoonste lyrische daden is van die belangelooze en onweerstaanbare macht, waaraan alle levende wezens gehoorzamen, en die men liefde noemt? Niets ware kinderachtiger en onmogelijker, dank zij de voortreffelijke neigingen van iederen geest in onze dagen, die te goeder trouw is.

Dit kleine feit van de uitzetting van 't orgaan der mannelijke bij, wat enkel kan plaats hebben ten gevolge van de zwelling der luchtbuizen, wordt door ons natuurlijk aanvaard, daar het niet kan worden weersproken. Maar indien we ons daarbij neerlegden, indien we in 't geheel niet verder zagen, indien we daaruit afleidden, dat iedere gedachte, die te ver of te hoog reikt, noodzakelijk verkeerd is, en dat de waarheid altijd gelegen is in de materieele bijomstandigheden; indien we niet, waar dan ook, in allerlei nog veel grooter onzekerheden dan die, welke werd verdreven door onze kleine verklaring, b.v. in het vreemde mysterie der kruis-bevruchting, in den duur der soort en van 't leven, in het plan der natuur, indien we daarin niet zochten naar een vervolg op die verklaring, naar een voortzetting der schoonheid en grootheid in het onbekende, dan zouden we, durf ik bijna beweren, verder van de waarheid ons leven leven dan zij die blindelings willen blijven hangen aan de dichterlijke en fantastische uitlegging van dit wonderbaar huwelijk. Klaarblijkelijk vergissen zij zich in den vorm of de nuance der waarheid, doch veel meer dan degenen, die zich vleien haar geheel in handen te hebben, leven zij onder den indruk daarvan en in haar atmosfeer. Zij staan klaar om haar te ontvangen, de waarheid vindt bij hen een veel gastvrijer dak, en zoo zij haar al niet zien, toch richten zij hunne oogen naar de plaats der schoonheid en grootheid, waar het heilzaam is te gelooven dat zij zich bevindt.

We kennen het doel der natuur niet, de waarheid, die in onze oogen alle andere overheerscht. Maar ter wille van deze waarheid zelve, om onze ziel warm te houden voor het nasporen daarvan, is het noodig, dat we haar voor groot houden. En mochten we te eeniger tijd inzien, dat we een verkeerden weg hebben ingeslagen, dat ze klein is en onsamenhangend, dan zullen we juist tengevolge van de bezieling, die haar vermeende grootheid ons had verleend, hare kleinheid ontdekken, en deze kleinheid zal ons, wanneer ze zekerheid voor ons geworden is, leeren wat ons te doen staat. In afwachting daarvan echter doen we niet te veel, wanneer we, om haar op te sporen, al wat ons verstand en ons hart aan kracht en moed bezitten, aan het werk zetten. En ook al zou het laatste woord van dit alles nog zoo armzalig zijn, dan is het toch geen geringe zaak, dat we de kleinheid en de ijdelheid van het doel der natuur in al hunne naaktheid hebben ten toon gesteld.

X.

"Voor ons bestaat nog geen waarheid," sprak een der groote physiologen onzer dagen tot mij, terwijl ik een wandeling met hem deed, "wij hebben de waarheid nog niet gevonden, doch overal vinden we in drieërlei vorm een schoonen schijn, die zich als waarheid voordoet. Ieder doet een keuze of liever deze dringt zich aan hem op, en de keuze, die hij ondergaat of dikwijls zonder nadenken doet, en waaraan hij zich houdt, bepaalt den vorm en de houding van al wat hij in zich opneemt. De vriend, dien wij ontmoeten, de vrouw die glimlachend op ons toetreedt, de liefde, die ons hart opent, de dood of de smart, die het weer sluiten, deze September-hemel, dien wij aanschouwen, deze prachtige, liefelijke tuin, waar men zooals in Corneille's Psyche "overbladerde laantjes met vergulde borstbeelden aan de uiteinden" ziet, de grazende kudde met den slapenden herder, de laatste huizen van het dorp, de oceaan tusschen de boomen, dat alles daalt of rijst, alles neemt schooner vormen aan of wordt van zijn tooi ontdaan, vóórdat het in ons binnendringt, al naar den wenk, dien onze keus hem geeft. Laat ons den schijn leeren kiezen. Aan den avond eens levens, waarin ik steeds weer de kleine waarheid en de physische oorzaak heb gezocht begin ik liefde te koesteren niet voor 't geen daarvan verwijdert, maar voor 't geen daaraan voorafgaat en vooral datgeen wat hen eenigszins overtreft."

We waren boven op een plateau gekomen in 't landschap Caux in Normandië, dat doet denken aan een Engelsch park, maar een natuurlijk en onbegrensd park. 't Is een der weinige punten van den aardbodem, waar het landschap zich volkomen gezond vertoont met een ongerept groen. Iets verder naar het Noorden loopt het gevaar, te ruw te worden; iets verder zuidelijk wordt het door de zon verteerd en verbrand. Aan 't eind eener vlakte, die zich tot aan de zee uitstrekte, waren boeren bezig koren op te stapelen.

"Zie eens hier," sprak hij tot mij: "van hier beschouwd zijn ze schoon. Zij maken dat eenvoudig en toch zoo gewichtig voorwerp, dat meer dan alle andere het gelukkig en bijna onveranderlijk gedenkteeken is van het tot rust gekomen menschelijk leven: een korenschelf. De afstand, de avondlucht maken van hun blijde uitroepen een soort lied zonder woorden, een weerklank op het edele lied der bladeren boven onze hoofden. Boven hen een prachtige hemel, alsof welwillende geesten, voorzien van vurige palmen, al het licht naar den kant van den korenschelf gedreven hadden om langer den arbeid te verhelderen. En het spoor dier palmen is in het azuur achtergebleven. Zie eens naar dat nederig kerkje, dat daar ter halver hoogte hen overheerscht en hen bewaakt, tusschen de volle lindeboomen en het grasveld van het kerkhof, dat hun zoo gemeenzaam is, en dat het uitzicht heeft op den oceaan. Harmonisch bouwen ze daar hun monument van leven onder de monumenten hunner dooden, die deze zelfde dingen deden en nog in hun midden zijn.

Omvat dat alles met uwen blik: geen enkele trek daarin, die het te bijzonder, te karakteristiek maakt, zooals 't geval zou zijn in Engeland, Provence of Holland. 't Is de groote schilderij, algemeen genoeg om symbolisch te kunnen wezen, van een natuurlijk en gelukkig leven. Hier ziet ge dus de schoonheid en harmonie van het menschelijk leven in zijn nuttige bezigheden. Zie dien man, die de paarden leidt, zie 't gansche lichaam van dengeen, die de schoof aanreikt op zijn hooivork, de vrouwen gebogen over 't graan en de spelende kinderen. Ze hebben geen steen verlegd, geen schop aarde omgespit met het doel het landschap schooner te maken; ze doen geen schrede, planten geen boom, zaaien geen bloem, of 't moet noodig zijn. Dit gansche tafereel is eenvoudig het onwillekeurig resultaat van de pogingen des menschen om in de natuur een korten tijd te kunnen bestaan; en toch weten diegenen onder ons, die er enkel aan denken, tafereelen van vrede, gratie of diepen zin uit te denken of te scheppen, niets volmaakters te vinden, en komen eenvoudig dit schilderen of beschrijven, wanneer ze ons schoonheid of geluk willen afbeelden. Dit is de eerste schijn, die door sommigen de waarheid wordt genoemd."

XI

"Laat ons nader treden. Begrijpt ge nu, wat dat gezang was dat zoo schoon in 't gebladerte der boomen? Het wordt gevormd door ruwe woorden en vloeken; en de uitbarstingen van lachen, die we hooren, worden teweeggebracht doordat een man of eene vrouw met vuil werpt of wel dat men den zwakkere uitlacht, den gebochelde, die zijn vracht niet kan beuren, den manke, dien men omstoot, den idioot, dien men uitscheldt.

Ik heb ze al verscheidene jaren waargenomen. We zijn in Normandië, de bodem is vet en willig. Rondom dezen schelf heerscht meerdere welvaart dan elders rondom dergelijke tafereeltjes. Bijgevolg zijn de meeste mannen en vele vrouwen eveneens alcoholisten. Nog een ander gif, dat ik niet behoef te noemen, vreet in dit geslacht in. Daaraan en aan den alcohol hebben we zulke kinderen te danken, als ge voor uwe oogen ziet, dien dwerg, dien klierachtige, dien krombeen, dien hazelip, dat waterhoofd. Allen hebben ze, de mannen en vrouwen, ouden en jongen, de gewone ondeugden van den boer; ze zijn brutaal, huichelachtig, leugenachtig, diefachtig, kwaadsprekend, wantrouwend, jaloersch en zeer gemakkelijk te vinden voor oneerlijke voordeeltjes, gemeene uitleggingen, vleierij van den sterkste. De noodzakelijkheid houdt hen bijeen en dwingt hen elkaar te helpen, maar ieders geheime wensch is, elkaar nadeel toe te brengen, zoodra ze het zonder gevaar doen kunnen. Het ongeluk van een ander is het eenige echte genoegen in het dorp. Een groote ramp is er een onderwerp van heimelijk genot, dat nog lang nawerkt. Ze bespionneeren, benijden, verachten en haten elkaar. Zoolang ze arm zijn, koesteren ze een steeds weer aangewakkerden en stillen wrok, en zoo zij op hunne beurt dienstboden hebben, dan maken ze gebruik van hun eigen ervaringen op dit gebied, om de hardheid en vrekkigheid, waaronder zij geleden hebben, in nog erger mate in praktijk te brengen.

Ik zou u allerlei kunnen vertellen van de kleinzieligheid, het bedrog, de heerschzucht, de onrechtvaardigheid, den haat, die hen vervult bij dien arbeid, waarover de ruime hemel, waarover vrede ligt uitgespreid. Meen niet, dat het gezicht van dien bewonderenswaardigen hemel of van die zee, die achter de kerk een anderen hemel uitspant, welke over de aarde vloeit als een groote spiegel van kennis en wijsheid, meen niet dat deze hun blik ruimer of hooger maken. Ze kijken er nooit naar. Niets vervult hunne gedachten of brengt ze in beroering, dan drie of vier bepaalde dingen, waar ze bang voor zijn; ze vreezen den honger, de macht, de openbare meening en de wet, en de hel in de ure van hunnen dood. Om te laten zien, hoe ze zijn, zou men ze één voor één moeten nemen. Daar hebt ge b.v. dien langen daar links, die er zoo joviaal uitziet en zulke mooie schoven bindt. Nu, verleden zomer werd door zijn vrienden zijn rechterarm gebroken bij een standje in de herberg. Ik heb de breuk, een leelijke en gecompliceerde, hersteld. Ik heb hem langen tijd verpleegd, heb voor zijn levensonderhoud gezorgd, tot hij het werk weer kon hervatten. Dagelijks kwam hij bij mij. Daarvan heeft hij geprofiteerd om in het dorp te verspreiden, dat hij mij eenmaal verrast had in de armen mijner schoonzuster, en dat mijn moeder dronk. Hij is niet slecht, hij is niet boos op mij; integendeel, zie maar, er komt een oprecht gemeende glimlach op zijn gelaat, nu hij mij ziet. Evenmin wordt hij daartoe gedreven door socialen haat; de boer haat den rijke niet, hij heeft veel te veel respekt voor den rijkdom. Maar ik houd het er voor, dat de goede man niet begreep, waarom ik zooveel zorg voor hem zou dragen zonder er voordeel bij te hebben. Hij vermoedt dat daar iets achter zit, en wil daar niet de dupe van worden. Vóór hem had menigeen, rijk of arm, hetzelfde gedaan of nog erger. Hij dacht niet te liegen met het verspreiden dezer verzinsels, hij gaf gehoor aan een vaag bevel van de zedelijkheid rondom hem. Hij gehoorzaamde zonder het te weten, en om zoo te zeggen zijns ondanks, aan den machtigen wensch van de algemeene kwaadsprekendheid.... Maar waarom een tooneel verder uit te werken, dat voor ieder, die eenige jaren op het land heeft gewoond, een bekende zaak is. Dit hier is de tweede schijn, die door het meerendeel der menschen de waarheid genoemd wordt. Het is de waarheid van het noodzakelijk leven. Dit is zeker, dat ze berust op zeer nauwkeurige feiten, de eenige, die door iederen mensch kunnen worden waargenomen en beleefd."

XII.

"Laten we op deze korenschoven gaan zitten," vervolgde hij, "en nog eens om ons heen zien. Laten we geen dier kleine feiten afwijzen, die de werkelijkheid vormen, waarvan ik sprak. Ze moeten maar uit zich zelf in de verte verdwijnen. Ze staan daar vooraan in den weg, doch we moeten erkennen, dat er zich een geduchte, bewonderenswaardige kracht achter bevindt vindt, die 't geheel in stand houdt. Is 't enkel in stand houden, voert ze het niet steeds hooger? De menschen, die we hier voor oogen hebben, zijn toch niet meer geheel en al wilde dieren, zooals bij La Bruyère, "die een soort van gearticuleerde stem hadden, en zich des nachts in laden terugtrokken, waar ze leefden van zwart brood, water en wortels...."

"Het ras is minder sterk en minder gezond," zult gij zeggen, 't is mogelijk; de alcohol en die andere geesel zijn rampen, die de menschheid moet te boven komen, misschien wel beproevingen, welke aan sommige onzer organen, die van het zenuwstelsel b.v., ten goede zullen komen; want we zien steeds, dat het leven voordeel trekt uit het kwaad, dat het overwint. Bovendien zal een kleinigheid, die morgen misschien reeds gevonden wordt, voldoende zijn om ze onschadelijk te maken. Dat is dus niet de reden waarom we onzen blik zoo laag bij den grond moeten houden. Deze menschen hebben gedachten en gevoelens, welke die van La Bruyère nog niet hadden.--"Nog liever het eenvoudige, naakte beest, dan dat afschuwelijke half-beest." mompelde ik.--"Zoo spreekt ge onder den invloed van dien eersten schijn, dien der dichters, waarover we gesproken hebben," hernam hij; "laten we dien niet verwarren met dien, welke we nu onderzoeken. Deze gedachten en gevoelens zijn gering en laag, zoo ge wilt, maar wat gering en laag is, is reeds beter dan 't geen niet is. Zij gebruiken ze voor weinig anders dan om elkander te benadeelen en even middelmatig te blijven als ze zijn; maar zoo gaat het dikwijls in de natuur. Van de gaven, die zij verleent, bedient men zich aanvankelijk enkel voor het kwade om slechter te maken, wat zij scheen te willen verbeteren; maar ten slotte is altijd een of ander goed het gevolg van al dat kwaad. Overigens wil ik volstrekt den vooruitgang niet bewijzen; al naar de plaats, waarop men zich bevindt, is het iets heel kleins of heel groots. Den toestand der menschen iets minder afhankelijk, iets minder moeielijk maken is een belangrijk punt, misschien het zekerst ideaal; maar beschouwd met een geest, die zich voor een oogenblik heeft losgemaakt van de materieele gevolgen, is de afstand tusschen den man, die aan de spits gaat van den vooruitgang, en hem, die zich blindelings voortsleept achteraan, uiterst gering. Onder deze jonge boeren, wier hersenen slechts met vormelooze ideeën zijn gevuld, zijn er verscheidene, bij wie het mogelijk is in korten tijd dienzelfden graad van bewustheid te verkrijgen, waarin wij beiden leven. Men is vaak getroffen door de kleine tusschenruimte, die de volgens ons idee volslagen onbewustheid dezer lieden scheidt van de bewustheid, die men voor de hoogste houdt.

En bovendien, waaruit bestaat ze eigenlijk, die bewustheid, waar we zoo trotsch op zijn? Uit veel meer schaduw dan licht, uit veel meer verworven onkunde dan kennis, uit veel meer dingen, waarvan we weten, dat we er maar van moeten afzien ze te leeren kennen, dan dingen, die wij kennen. En toch bestaat daarin onze gansche waardigheid, onze meest reëele grootheid, en is zij waarschijnlijk het verrassendste verschijnsel ter wereld. Zij is het, die ons veroorlooft het hoofd op te heffen waar we staan tegenover het onbekend principe, en te zeggen: Ik ken u niet, maar iets in mij houdt u reeds omvat. Ge zult mij misschien vernietigen, maar zoo dat niet gebeurt om uit mijn overblijfselen een beter organisme dan het mijne te vormen, dan toont ge minder te zijn dan ik, en de stilte, die dan volgen zal op den dood van de soort, waartoe ik behoor, zal u verkondigen, dat ge geoordeeld zijt. En als ge zelfs niet in staat zijt u er om te bekommeren of ge al of niet rechtvaardig wordt beoordeeld, wat beteekent dan uw geheim? We zijn er niet meer op gesteld, het te doorgronden, het moet onbeduidend en leelijk zijn. Ge hebt bij toeval een wezen voortgebracht, dat ge niet de bevoegdheid hadt voort te brengen. 't Is maar gelukkig voor hem, dat ge 't door een ander toeval weer hebt uit den weg geruimd, vóór het nog de diepte van uwe onbewustheid had gepeild, en nog gelukkiger, dat het niet de eindelooze reeks uwer proefnemingen heeft overleefd. Het hoorde niet thuis in een wereld, waarin zijn intellect geen weerklank vond bij een eeuwig intellect, waarin zijn verlangen naar het betere hem geen enkel wezenlijk goed kon doen bereiken.

"Nogmaals, vooruitgang is niet noodig om ons warm te maken voor dit schouwspel. Daartoe is het raadsel al voldoende, en dit raadsel is even groot en heeft een even geheimzinnigen glans in die boeren als in ons. Overal vindt men het, als men het leven volgt tot in zijn almachtig principe. Van eeuw tot eeuw wijzigen we de benaming van dit principe. Somtijds had het namen, die duidelijk en ook troostrijk waren; men heeft ingezien, dat die troost en die duidelijkheid zinsbedrog waren. Maar of we het God noemen of Voorzienigheid, Natuur, Toeval, Leven, Noodlot, het mysterie blijft hetzelfde en al wat de ervaring van duizenden jaren ons heeft kunnen leeren, is dien naam omvattender te maken, dichter bij ons staande, buigzamer, geschikter voor het verwachte en het onverwachte. Dezen draagt het tegenwoordig, en daarom leek het nooit grooter dan nu. En hier hebt ge een der tallooze vormen van den derden schijn, en dat is de laatste waarheid."

ZESDE BOEK.

DE DARRENSLACHT.

I.