Het land der Bagas en de Rio-Nuñez De Aarde en haar Volken, 1887
Chapter 2
Om de woning van het opperhoofd te bereiken, volgen wij een soort van breeden boulevard, die bij de reeds meer genoemde drie groote boomen uitkomt, welke de fetishen van het dorp zijn. Al voortwandelende, nemen wij de huizen wat nauwkeuriger op. Elke woning is omringd door een lagen muur of borstwering, waaruit de palen oprijzen, die het hooge dak dragen. Daarachter bevindt zich eene vrij breede vestibule of open veranda, waarvan de bodem naar de eigenlijke woning opklimt. In de borstwering is eene opening aangebracht, die niet gesloten kan worden. De eigenlijke woning heeft twee deuren, die met een klink gesloten kunnen worden, en die op de dusgenoemde veranda uitkomen. Vensters zijn er niet: de vertrekken ontvangen hun licht door de opening tusschen den bovenkant van den muur en het dak; het is in de kamers daardoor wel wat schemerachtig, maar men heeft ook geen last van de muskieten, die onuitstaanbare plaag van deze moerassige streken.
Bij het binnentreden in het voornaamste vertrek wordt de aandacht dadelijk getrokken door reusachtige aarden potten, die eene hoogte hebben van meer dan drie el en dienen voor het bewaren der rijst. Deze zeer regelmatig gevormde potten worden met de handen vervaardigd en in de zon gedroogd.
In zulk een huis bracht ons het opperhoofd van het dorp, Kroeman, de opvolger van Khon. Hij noodigde ons plechtstatig uit om plaats te nemen op waggelende banken, die niet bij elkander pasten, en de palaber begon in tegenwoordigheid van al de mannen van het dorp, die van onze komst verwittigd waren.
Ik wees er reeds op, hoe moeilijk zulk eene conferentie is, waar alles wat gesproken wordt door drie of vier tolken moet worden overgebracht. Wij hadden dan ook al den tijd om onze omgeving nauwkeurig op te nemen: het trof ons, dat de negers er voor het meerendeel zeer verstandig uitzagen. Zij konden ook niet bepaald leelijk worden genoemd; hunne kleur was meer geelachtig bruin dan zwart. Eene eigenaardigheid, die zeer in het oog valt, omdat hun hoofd kaal geschoren is, is dat hun achterhoofd eene rechte lijn vormt met hun nek; hun kin en hun benedenkaak steken sterk vooruit. Hun type verschilt daardoor aanmerkelijk van dien der Naloes en andere negers, die met ons gekomen waren en onder de toehoorders hadden plaats genomen. De vrouwen waren bij de conferentie niet tegenwoordig; zij zijn hier nog te natuurlijk en te eenvoudig om hare eigenlijke roeping te miskennen en aanspraak te maken op politieke rechten.
Onze palaber ging zijn gang, zonder stoornis of afwijking, zich hierin gunstig onderscheidende van de parlementaire palabers in Europa. Toen de zaak afgehandeld was, brachten wij tot aller verwondering papier en inkt te voorschijn, en stelden deftig te boek, dat het baga-dorp Petit-Talibonche het protektoraat van Frankrijk erkende. Er werd wat meer gediscussieerd over het voorstel om het gezag van den koning Yoera Towel te erkennen. Na eene lange redevoering van Dinah, waren echter alle bezwaren opgeheven. Het voorstel werd met algemeene stemmen aangenomen, en het opperhoofd Kroeman was daarover zoo verheugd, dat hij staande de zitting aan Dinah een jong meisje ten geschenke gaf. Onder algemeene uitingen van geestdrift werd de zitting gesloten. Petit-Talibonche werd met eene fransche vlag begiftigd.
De palaber was afgeloopen. Sommigen der diplomaten, die daaraan deel hadden genomen, lieten nu hunne officieele terughouding varen en liepen haastig weg, om spoedig terug te komen, de een met kippen, de ander met bananen, die zij ons te koop aanboden. Wij betaalden met tabaksbladeren, de eenige gangbare munt in dit land.
Petit-Talibonche telt misschien eene bevolking van drie- of vierhonderd personen, die rijst en palmolie verbouwen. De strook bebouwd land is niet breed; aan de eene zijde wordt zij begrensd door de rivier, aan de andere door een moeras van wortelboomen, waardoor zich de kreek slingert, die ons naar het dorp had gebracht. Zooals ik zeide, verbreedt die kreek zich bij het dorp in belangrijke mate. Naar het schijnt, behoudt zij deze breedte tot aan de Casagoea; het beste middel om het dorp Boffa te bereiken zou dus zijn het anker uit te werpen, waar wij stilhielden, en van den vloed gebruik te maken om met eene kleine boot de kreek van Petit-Talibonche op te varen, en van daar met het ebgetij naar Boffa de reis te vervolgen. De toegang tot de Casagoea is aan de zeezijde versperd door zeer gevaarlijke banken.
Na deze inlichtingen ingewonnen te hebben, maakten wij ons gereed om met de eb naar boord terug te keeren, maar het opperhoofd wilde ons de Simons laten kijken. Nu kwam het gansche dorp in opschudding; de jongelieden liepen naar het bosch, terwijl de vrouwen zich haastig uit de voeten maakten. Weldra hoorde men op den hoorn blazen; het was een afschuwelijke muziek, die de vogels op de vlucht dreef; en even daarna verschenen gemaskerden op het plein.
Aan hun hoofd wandelde Penda-Penda, de vrouwelijke Simon, de echtgenoote van den Grooten Geest. Deze figuur had een reusachtig hoofd, ruw uit hout gesneden en vastgehecht aan eene stof, die van onderen in een soort van biezen rok uitliep. De kolossale pop werd gedragen en in beweging gebracht door een neger, wiens voeten onder de jurk uitkwamen en die door een paar gaten ter hoogte van de borst kon zien. Hij liep springende en dansende voort, omstuwd door de jongens van het dorp, die sprongen en schreeuwden en blijkbaar niet bang waren voor de zonderlinge verschijning, welke zij dan ook zeker niet voor het eerst zagen.
Wij hadden evenwel geen tijd meer te verliezen en konden dus den verderen afloop van het feest niet bijwonen. Een anderen keer zouden wij de Simons beter zien. In den namiddag waren wij wij weder aan boord terug. Aanstonds zond ik den getrouwen Tomba-Coeyé naar de dorpen op den linkeroever der rivier, om ook daar onze komst voor te bereiden. Ik stoomde daarop naar het Zandeiland, de hoogste der groote banken, die den ingang van de Rio-Nuñez versperren en zich langs den rechteroever tot de Casagoea uitstrekken. Het eiland is alleen door pelikanen en andere watervogels bewoond: in het midden verheft zich eene groep dwergachtige wortelboomen.--Van hier wilde ik mij met een sloep naar Bagatay begeven en aldus in het hart van het land doordringen: immers Petit-Talibonche, dat ik bezocht had, was slechts een afgelegen stuk van het land der Bagas op den rechteroever.
III
Wij wisten niet veel van de dorpen, die wij gingen bezoeken; van onze ankerplaats konden wij de groote boomen zien die ze overschaduwden, want het land is vlak tot aan de bergen van Kaap Verga, die wij in de verte zagen schemeren; maar de land- of waterwegen, die naar deze dorpen voerden, waren ons ten eenemale onbekend. Maar toen de eb was ingetreden, bleek het ons spoedig, dat het, met het oog op de rotsen en klippen, onmogelijk was, in rechte lijn naar Grand-Talibonche over te steken, en dat wij zuidwaarts moesten aanhouden om een geschikten doorgang te vinden.
Dinah had hoegenaamd geen trek om naar Grand-Talibonche te gaan, zonder dat hij mij de reden van zijn tegenzin wilde verklaren; later vernam ik, dat het was omdat zijn vijand Carimoe, zoon van Bokar, den te Catinoe gesneuvelden roover-hoofdman, naar het naburige dorp Kassan de wijk had genomen; hij vreesde dus, dat wij ons in een vijandelijk land zouden begeven. Voor het oogenblik voerde hij alleen als bezwaar aan, dat de koning der Naloes vroeger het opperhoofd van Grand-Talibonche benoemde, maar dat, na den dood van het laatste opperhoofd, van wege den oorlogstoestand aan de Rio-Nuñez nog geen opvolger was benoemd, zoodat nu het land voorloopig door een soort van provisioneel bewind werd bestuurd, aan het hoofd waarvan vier grijsaards stonden. Dit kon echter voor mij geen reden zijn om werkeloos te blijven. Ik vroeg hem daarom of hij er bezwaar tegen had, naar het dorp Coffin te gaan, dat volgens de kaart dicht bij Grand-Talibonche moest liggen. Dinah meende dat wij daarheen konden gaan, want het opperhoofd van Coffin behoorde vroeger tot hunne vrienden; sedert had hij niets meer van hem vernomen.
Ik besloot dus, dat wij met den vloed derwaarts zouden gaan, met een sloep en een boot; van wege de hitte zou de bemanning uitsluitend uit negers bestaan. Zij bestond verder uit Dinah, den tolk, Seymoe, de heeren Martel, adelborst, Beeckman, en mijn persoon. Ieder onzer nam zijn revolver mede. Ik liet eenige levensmiddelen, eenige instrumenten en geweren in de boot bergen. Des morgens, bij het opkomen van den vloed, gingen wij op weg en kwamen welhaast aan de monding der kreek, waaraan het dorp Grand-Talibonche ligt en die denzelfden naam voert, zooals trouwens in den regel het geval is. Omstreeks elf uren kwamen wij aan een punt, waar de vrij breede kreek zich in drie takken splitste, waarvan een zich naar het noorden en een naar het zuiden richtte, terwijl de derde zijn loop in oostelijke richting vervolgde. De noordelijke arm was die van Grand-Talibonche, dien Dinah wilde vermijden; de oostelijke was die van Kassan, dat op de officieele kaart den naam van Coffin droeg. Dat Kassan behoorde aan Carimoe, den verbitterden vijand van Dinah en de Franschen; er bleef nu niets anders over dan den zuidelijken tak op te varen, die naar Coffin voeren moest.
De wind was gaan liggen; wij hadden ons zeil geborgen en onze vlag geheschen; wij hielden het midden van den fraaien stroom, die eene breedte had van ongeveer tweehonderd ellen, en ter wederzijde door wortelboomen was omzoomd. Nadat wij een poos gevaren hadden ontmoetten wij eene groote prauw, waarin zich een tiental knapen of jongelieden bevonden, wier eenige kleeding bestond in een kort uitstaand jurkje van biezen, het best te vergelijken met de rokjes onzer balletdanseressen. Men zeide ons, dat deze knapen _Simons_ waren.
De Simons zijn eene soort van priesters, die geheimzinnige ceremoniën verrichten; in de streken van de Rio-Nuñez hoort men telkens van hen spreken. Door hen wordt de besnijdenis aan de jongelieden voltrokken. Gedurende de vijf of zes maanden, op deze operatie volgende, dragen de besnedenen hetzelfde kostuum, dat de knapen in de boot droegen. Zij verblijven dan, groepsgewijs, in de bosschen en staan onder het toezicht van volwassen mannen, die hun godsdienstig onderricht geven. Het is hun alleen vergund des nachts, en daarenboven vermomd, in de dorpen te komen, en ook dan moeten zij hunne komst aankondigen door op een hoorn te blazen. Na afloop van dien proeftijd worden zij tot de volwassen mannen gerekend; sommigen hunner worden dan in de mysteriën van de godsdienst der Simons ingewijd. De ingewijden vormen eene geheime vereeniging; zij mogen niet alleen niets van hunne geheime ceremoniën, maar ook niet de namen hunner medeleden openbaren. Vrouwen zijn van die vereeniging ten strengste uitgesloten; zij moeten zich zelfs aanstonds verwijderen, zoodra de Simons in een dorp verschijnen. Nooit zal een opperhoofd iets gewichtigs ondernemen, zonder eerst hun raad in te winnen; de opperpriester der broederschap oefent eene zeer groote macht uit; hij is, naar men zegt, in het bezit van geheime vergiften, waarvan hij in het belang der vereeniging en ook in zijn eigen belang gebruik maakt.
Ook al zou een vreemdeling zich willen vermommen, zou hij toch de vergaderingen der Simons niet kunnen bijwonen, omdat hij de geheime wachtwoorden en teekens niet kent en zich dus aanstonds verraden zou. Langs de geheele afrikaansche kust vindt men dergelijke geheime genootschappen, die met elkander in betrekking staan; en wanneer een opperhoofd aan een vreemdeling een bewijs van buitengewone vriendschap wil geven, dan kan hij dit niet beter doen dan door hem eenige van die geheimzinnige wachtwoorden te leeren, welke hij slechts behoeft uit te spreken om overal veilig te zijn en met ontzag behandeld te worden.
De Simons, die wij ontmoetten, hadden blijkbaar geene vijandelijke bedoelingen; toen de eerste verrassing voorbij was, waren zij zelfs zeer vriendelijk, want toen wij eenige inlichtingen omtrent Coffin vroegen, waren zij aanstonds bereid ons een gids mede te geven. Zij vertelden ons ook, dat Carimoe te Kassan was, en dat hij alle voorbijvarende prauwen uitplunderde; nog onlangs had hij zich meester gemaakt van eene boot, waarvan hij de bemanning, uit acht personen bestaande, als slaven had verkocht.
Nu wij het geluk hebben, een gids bij ons te hebben, vervolgen wij geruster onzen tocht. Sedert eenigen tijd was de hitte onuitstaanbaar: gelukkig was de stroom zoo sterk, dat wij met eene snelheid van bijna twee knoopen in het uur liepen. Het landschap was over het geheel eentonig: altijd ter wederzijde die eeuwige wortelboomen en rondom ons de diepe stilte der bosschen, slechts nu en dan door het geschreeuw van een wulp verbroken. De verschijning van een grooten witten vischarend was voor allen eene gebeurtenis. Eindelijk, omstreeks twee uren in den namiddag, kwamen wij aan een open plek, die ons een kijkje gunde op bouwland. Wij gingen aan wal en bemerkten weldra ten zuiden groote boomen, onder wier lommer het dorp Coffin verscholen lag. Ik schaarde mijn kleinen troep in orde en wij gingen op weg.
Op dit uur ligt, tusschen de keerkringen, alles in diepe rust gedompeld: de wilde in zijne hut, de antilope in het bosch, de tijger in de jungle. Allen zoeken de schaduw en ontvlieden de loodrecht neerschietende stralen van de brandende zon. De kaimans alleen worden door de gloeiende hitte niet afgeschrikt, en juist om dezen tijd kan men hen langs den oever zien voortloopen. Zelfs de bladeren der boomen schijnen in rust: zij neigen zich als verwelkt en hangen slap langs de takken, terwijl de orchideeën haar schitterende kelken openen om de zwoele luchtstroomen in te ademen, waaraan zij haar kleurenpracht danken. Daar is algemeene wapenstilstand in de geheele natuur: allen kennen en vreezen instinktmatig het gevaar, dat den roekelooze bedreigt, die zich buiten zijne schuilplaats waagt. Zoolang de zonnegod met vlammend zwaard op zijn post staat, durft niemand een vinger te verroeren. Maar nauwelijks is hij uit het gezicht verdwenen, of alles ontwaakt en komt te voorschijn: beweging en drukte overal.
Troepen van kobas en antilopen springen en rennen door de open velden, waar zij geene gevaarlijke verrassingen hebben te duchten; zwermen van papegaaien vliegen met luide schelle kreten door de lucht; ieder begeeft zich op weg om voor het dagelijksch brood te zorgen, die groote levenskwestie voor de wildernis en voor de overbeschaafde steden, voor menschen en dieren beiden. Ook is het aardig te zien, hoe overal, zoodra de koelte van den avond zich laat gevoelen, levensmiddelen worden rondgevent en aangevoerd en gekocht.
Op eene rij achter elkander gaande, volgen wij een oneffen pad, telkens afgebroken door de diepe voren, welke de inlanders in den lichten grond maken voor de rijstkultuur. Zonder eenige bedekking en bij eene hitte als van een oven, smachten wij naar het oogenblik, waarop wij de groote boomen zullen bereiken, die de vlakte omzoomen, waarover wij voorttrekken. Wij naderen: reeds kunnen wij de lianen onderscheiden, wier slingers met kleurrijke bloemen de woudreuzen omranken.
Dinah en Seymoe waren van meening, dat wij niet in het dorp moesten gaan, zonder een bode vooruit te hebben gezonden; maar mijns inziens hadden wij geen gevaar zoozeer te duchten als een zonnesteek, zoodat ik weinig acht gaf op hunne redeneeringen. De vlakte, welke wij doortrokken, was met diepe voren doorsneden, maar wij zagen geen arbeiders. Welhaast bemerkten wij eenige ongewapende inlanders, die ons tegemoet kwamen en ons mededeelden, dat onze aanstaande komst overal bekend was, maar dat men meende dat wij te Grand-Talibonche waren; het opperhoofd van Coffin, Bakomé genaamd, was zelf derwaarts gegaan om Tomba-Coeyé te ontmoeten en met de andere hoofden te raadplegen. Zij verhaalden ons, dat die trouwe gezant, overeenkomstig het vastgesteld programma, dadelijk nadat hij te Taidi voet aan wal had gezet, zich naar den ingang der kreek van Coffin had laten brengen en van dat punt in drie uren den weg naar Coffin had afgelegd. Den vorigen avond, omstreeks elf uren, was hij in dat dorp aangekomen, overal ons aanstaand bezoek aankondigend. Hij kon nu natuurlijk niet weten, dat wij, toegevende aan de bezwaren van Dinah, ons reisplan veranderd hadden; wij moesten dus een bode naar hem zenden, om hem op de hoogte te brengen.
Eindelijk bevonden wij ons onder den lommer der groote boomen van Coffin. Wij gaven nu bevel, de verschillende opperhoofden te ontbieden, die wij wenschten te spreken, en begaven ons vervolgens naar het dorp, dat ons ongeveer even groot scheen als Petit-Talibonche. Het was op eene hoogte gebouwd, die aan alle zijden door water was omgeven, uitgezonderd aan den kant der vlakte, welke wij waren doorgetrokken.
De inwoners schenen niet bovenmate verwonderd over onze komst. Zij waren evenzoo gekleed als de Bagas, wier kostuum wij reeds beschreven hebben. Wij bemerkten dat de vrouwen een kleinen ring in den neus droegen; bij sommigen was het koord, dat zij om de heupen hadden gebonden, versierd met een aantal zonderlinge voorwerpen, hangslotjes, sleuteltjes en dergelijke snuisterijen, zeker nooit voor zulk een gebruik bestemd. Bij allen was het hoofd kaal geschoren, met uitzondering van enkele strepen van zeer kort afgeknipt haar, die vrij regelmatige figuren vormden. Zeer dikwijls was ook de hals en de rug met blauwachtig tatoeëersel versierd. De randen van haar ooren waren met zes of zeven gaatjes doorboord, waarin zij kleine rolletjes van rijststroo hadden gestoken, waarvan de matte goudkleur goed afstak bij haar bruine huid. Toen zij ons zagen, begonnen zij bijna allen te lachen, hetgeen ons gelegenheid gaf op te merken, dat de tanden der bovenkaak puntig waren afgeslepen; meer dan eene dezer vrouwen had echter zeer slechte tanden, hetgeen bij de negers eene groote zeldzaamheid is. Wij waren getuigen van haar eenvoudigen maaltijd, dien zij zelven bereiden in eigen gemaakte aarden potten. Haar voedsel bestond voornamelijk uit zaden, die zij met een langen stok in een ruwen houten vijzel fijn stampten. Zeer dikwijls verrichten zij dien arbeid met een kind op den rug, dat ondanks de schokkende beweging van het stampen rustig blijft doorslapen. Het is eene groote zeldzaamheid, dat negerkinderen schreeuwen of huilen; hier echter hoorde ik meermalen kinderen onophoudelijk schreeuwen, en toen ik de reden vernam, kon ik het hun niet kwalijk nemen. Men vindt namelijk in deze streken een afschuwelijk klein insect, _chique_ genoemd, dat in het vel van de teenen doordringt, om daar zijne eieren te leggen. Als zij eenmaal in de huid zijn doorgedrongen, ontwikkelen deze mikroskopische monstertjes zich zoodanig, dat zij somwijlen de grootte van een noot bereiken. De zwelling der huid, gepaard met ontsteking, veroorzaakt gevaarlijke wonden, die soms amputatie van het been noodzakelijk maken. Men verwijdert deze diertjes met een speld en doet snuif in het wondje om het vergif onschadelijk te maken.
Ik zeide dat de vrouwen haar kinderen op den rug dragen: dat klinkt onwaarschijnlijk, wanneer de kleeding der moeder uit niets anders bestaat dan uit een koordje met een lapje. Maar toch hebben zij er een middel op gevonden. Zij maken een soort van langwerpig vierkante lap, waaraan van boven twee touwen zijn bevestigd, waardoor zij haar hoofd steken. Het kind steekt ook zijn hoofdje door de opening; de lap omvangt en draagt hem door middel van twee andere touwtjes, die op de borst der moeder zijn vastgestrikt. Zoo zit de kleine Baga tegen den rug zijner moeder vastgeplakt; zijn hoofdje, zijne armpjes en beentjes komen alleen uit deze soort van zak te voorschijn.
De hutten zijn naar hetzelfde model gebouwd als die van Petit-Talibonche; sommigen prijkten met een vlaggestok, waaraan een lap wit katoen hing. Men zeide mij, dat dit het uithangteeken was van de slavenhandelaars. Deze agenten van de handelshuizen van de Rio-Nuñez zijn allen Oeolofs. Door bemiddeling van Dinah kregen wij eene hut met twee vertrekken, geheel overeenkomende met die, welke wij reeds gezien hebben. Deze hutten worden door de vrouwen gebouwd. De eerste werkzaamheden bestaan in het vervaardigen van de groote potten, waarin de rijst wordt bewaard, en die uit stroo en slib met de handen worden gekneed. In sommige dorpen nemen die potten zulke reusachtige afmetingen aan, dat men, om de rijst zonder te veel moeite er uit te kunnen halen, in den pot een deurtje heeft gemaakt.--Zijn de potten gereed, dan laat men ze in de zon drogen, en daarna worden, om de potten heen, de muren van het huis uit leem opgetrokken. Als dit alles goed gedroogd is, worden de palen in den grond geslagen, waarop het dak moet rusten, dat ten slotte wordt aangebracht. Aan den ganschen bouw is geen enkele spijker te vinden. Nu wordt er in de zoogenaamde veranda een hangmat opgehangen en boven de deur een fetish geplaatst, zeer dikwijls bestaande uit eene flesch, waarin een papier geborgen is, op hetwelk eenige arabische letters zijn geschreven, de kostbare gift van een of anderen handelaar. In de kamer bevindt zich een bed met een muskietenscherm, voor den heer des huizes bestemd, terwijl zijne vrouwen op matten op den grond liggen. In een hoek staat een ruw uit hout gesneden afgodsbeeldje.
Terwijl wij deze waarnemingen deden, waren wij zelven het voorwerp van de algemeene nieuwsgierigheid. Een man met een lang geweer in de hand maakte het ons zelfs zoo lastig, dat wij hem moesten doen verwijderen.
Sedert onze komst in het dorp had ik Dinah uit het oog verloren; ik begon mij over hem ongerust te maken en zond een laptot uit om hem op te zoeken. Weldra verscheen hij met een onbezorgd, lachend gelaat en vertelde mij dat die lastige kwant met het geweer een spion was, gezonden door onzen vijand Carimoe, die zelf langs de groote kreek te Coffin was gekomen en ons van nabij had gadegeslagen. Ik verbaasde mij over de kalmte en de onverschilligheid van Dinah. Had hij ons niet vroeger moeten bekend maken met deze gelegenheid, die zich aanbood, om zich van zijn doodvijand meester te maken? Maar hij deelde mij mede, dat hij dit met opzet had nagelaten, uit vrees dat ik in strijd met de wet der Bagas zou handelen. Ziehier hoe hij mij dit raadsel ophelderde.
In deze streken wordt Bagatay, het land der Bagas, beschouwd als eene vrijplaats; daar mag niet gevochten worden, en inderdaad heb ik ook nooit een gewapenden Baga ontmoet. Om die reden stonden de Bagas, in vroeger tijd, het grondgebied van Kassan af aan de hoofden van Camfarandi en Catinoe, om daar hunne gevangenen in alle veiligheid te kunnen bewaren. Toen deze dorpen verwoest werden, trokken de inwoners naar Kassan: van daar het verschijnsel eener nederzetting van Naloes midden in het land der Bagas. Dinah verhaalde mij een treffend voorbeeld van dit asylrecht, en verklaarde mij tevens de reden, waarom hij zich sedert onze komst te Coffin van mij verwijderd gehouden had. Die reden trof mij zeer. Het dorp binnenkomende, had hij daar zijne zuster Mahmadi gevonden, de weduwe van den hoofdman Boendoe, dien hij het vorige jaar gedood had; volgens de wetten des lands zou deze ongelukkige, na den dood van haar echtgenoot, de vrouw hebben moeten worden van zijn zoon Carimoe, maar zij had zich aan die wet niet willen onderwerpen en was met hare kinderen naar de Bagas gevlucht. Carimoe had gezworen dat hij haar dooden zou, indien hij haar vond. Ik beloofde die vrouw dat ik haar aan de wraak van haar vijand zou onttrekken. Men verbeelde zich hare vreugde, toen zij vernam dat ik haar naar haar ouden vader, den koning Yoera-Towel, zou kunnen geleiden, naar hare geboorteplaats Casasocoboely, de hoofdstad der Naloes.