Het Kindeken Jezus in Vlaanderen

Part 7

Chapter 74,092 wordsPublic domain

Op een kwartierken tijd was heel Gent er van vol. En hoe menige geloovige vrouw was er niet, die haar soep en patatten liet staan, een mantel aanschudde en naar de kerk holde! en hoe menig vroom schoenmaker, die zijn els en pekdraad op zij smeet, hoe menig godvreezend kleermaker, die den driegdraad van zijn broek plukte, en hap snap ook eens ging kijken.

Van alle kanten, uit straten en stegen, kwam het volk haastig ter kerk toe, allen met een glimlach op hun mond, en met de blijde hoop bezield, Hem daar te vinden dien ze steeds verbeidden, en waarvan ze zoo menigen avond achter de ronkende stoof hadden gelezen en gesproken!

Maar ze vonden er slechts heel veel menschen die naar malkanderen kwamen zien. Ze waren zenuwachtig, en het spijt maakte hun gezichten lang...

En op de ure van den noen, als alle klokken luidden, reed het huifkarretje over de Korenmarkt. Het stramme ezelke was even geduldig als altijd. Jozef ging leidend voorop, en onder de grijze huif zat de blauwgemantelde, jonge bleeke moeder, met veel verdriet in haar oogen, en de borst gevend aan haar rustig kind.

En als een lied van zegen, roerden de klokken hunne klanken, 't waren er verre en dichte, en er was gehuppel van ronkend brons, en klingelend zilver, ernst van dikke zware klokken met spelende stemmekens daartusschen.

't Was afwisselend en heerlijk als 't geklets en 't gedrup van den dooi.

De lucht zinderde er van, de ruiten rinkelden, de steenen torens gonsden: Gent zong!

Maar een klok zweeg. En dat was Roeland, de tong, het hart van Vlaanderen, die sedert het Vlaamsche volk verworden en verbasterd was, gescheurd daar in de hoogte hing, en zijn stemme niet meer roerde.

Maar plotselings, als het karretje aan den zwaren voet van 't geweldig Belfortsteen passeerde, ging er daarboven in de lucht een bronzen geril, en als de jubeling van den hemel, dommelde Roeland ineens met volle galmen zijn zegen over het land.

Het Belfort beefde, Gent beefde, en de menschen als van de hand Gods geslagen, huiverden en ontroerden, voelden 't gehamer door hun herten gaan, en staarden verbijsterd naar boven in de lucht, maar niemand zag naar beneen, waar een povere familie met een piepend huifkarretje onopgemerkt door de straten ging.

En heel ver in het land waar de menschen aan het dampend noenmaal schoven wierd het bronzen lied gehoord. En menig ouderling hield zijnen lepel stil en staarde met betraande oogen in de verte waar de Belforttoren flauw-grijs in den hemel klompte, en zei met brekende stem. "Het roert entwat in Vlaanderen".

Drie dagen nadien, als het gouddoorzoelde groen dat de zon soms nalaat als ze is weggegaan, een schoonen vrede achter den Kluizeberg spreidde, brak het hart van Simeon, en stierf hij met een kinderlijken lach in zijnen baard, in het bijzijn van twee wilde konijntjes, die altijd uit zijn hand peeën en loof kwamen eten.

DE DRIE KONINGEN.

Het lied van den snoeier, in den populier, deed Jozef inwendig glimlachen. Dat was nog iets uit zijn jonge dagen; en terwijl hij den grond openspitte om een groentenbeddeken aan te leggen, en de vettige klonten aarde openwierp, hommelde hij het vooiseken mee:

Wanneer ik soms terugdenk aan die dagen als ik nog rond ons moeders papteil zat...

Jozef richtte zich op, stak zijn schup in den grond, en met zijn elleboog op den steel leunende, luisterde hij geroerd, om verre herinneringen naar het lied, en zag met halftoeë oogen het fijne landschap aan.

En 't landschap was zoo schoon dat hij het lied vergat.

Hoe heerlijk toch de aanblik van het land, dat snel verjongd wierd door de groote nanoenzon, die hare gulden haren over de aarde schudde, en ze langs de kentelende akkers slijpen liet!

De boomen waren helder van het kikvorschgroene mos, en er was geschitter op de rappe loopende waterkens.

Een gouden stof trilde in de aarzelblauwe lucht, waardoor er nieuwe vogels naar de purperbruine konijnenbosschen keerden; en van het zachte blauw der heuvelen kwam het blij getoeter van een herdershoren. Er blonken madeliefjes waar de os en de ezel aan het grazen stonden.

't Was alsof Jozef ineens nieuw bloed gekregen had. Hij was blij en wist niet om wat. "Wat een goed weer! wat een goed weer!" wist hij slechts te zeggen: en hij zag rond, naar zijn eigen, naar de knotwilligen en draaiende molens.

't Was hem allemaal zoo nieuw en heerlijk; hij dronk het met gulzige oogen, alsof hij voor den eersten keer op de aarde was geplaatst.

Hij aanschouwde met frisschen vreugde, hoe zijn verbleekt rood slaaplijf behagelijk afstak tegen den donkeren grond, en tegen het hagelwit der windellappen van Kindeken Jezus, die ginds te drogen hongen in de zon en op het pluimenwindeken; en och! hoe jeugdig speelde op het einde van zijn korte baard het zilver van de zon!

't Was een van de zeven schoone dagen dat het korte maandeken, dat Februari heet, verplicht is ons te geven. De boeren wier beenen voos van 't zitten waren op eenen en denzelfden stoel, waren met den eersten zonnestraal uit hun schelp gewipt, en stonden lenig op het veld te werken als voor hun plezier. De ploegen doorsneden het vleesch der aarde, het zaad reuzelde in de voren, de groentenbedden wierden opengelegd, en de beer die drift geeft aan den groei, en toch zoo aangenaam om rieken is als hij van ver komt en vermengd met grond, wierd weelderig, goudbruin, uitgegoten.

De winter was voorbij, de eerste vogelen waren gezien in ons land!

"Wat een goed weer toch!" zei Jozef maar herhaaldelijk, om zijn fijne zielevreugde te uiten.

Hij zag Maria zitten, aan de deur bij een wissen wieg. Zij stopte kousen. De zon hong glanzend in heur korengulden haren, waarover de witte hoofddoek zedig gebonden, met het knoopken onder de kin.

Haar blauw kleed was hier en daar bleek afgegaan, en haar zoet aangezicht, verfijnd door verdriet en alverterende liefde scheen doorzichtbaar als dun perelmoer, en de groene oogen die groot-open de verte aanschouwden en het rustige Bethlehem, waren glanziger, dieper van kleur, en een wereld van schoone gevoelens lichtte er uit op, die men maar hebben kan als men moeder is.

Als Jozef haar zoo jong en heerlijk zag, en toch zoo droef, voelde hij zich week worden, en wilde haar zijn blijdschap mede deelen met te roepen: "He, Maria, wat een schoon zonneken toch nietwaar?" Zij bracht de hand boven de oogen en knikte hem gemoedelijk toe.

"Maar," riep de snoeier van uit den populier, "de zon is nog niet droog achter haar ooren, er zit nog andere peper in de lucht!"

Jozef wierp zijn woorden naar omhoog, "'t Kan toch een dag of vijf aanhouden, de maan staat in 't half kwartier!" Jozef wees naar de hostie-bleeke maan die op grooten afstand de zon volgde.

"De maan en het weer! 't zit allemaal niet meer in den haak. 't Hangt aaneen lijk gehakt stroo. 't Komt geloof ik met al die voorteekenen. Gisteren avond is, zoo 't schijnt, de sterre met den steert weer gezien worden! En hebt g'het al hooren zeggen van die vieze mannen die in 't land gekomen zijn?"

"Neen," riep Jozef seffens ontrust, "wat voor vieze mannen?"

Bij Maria kwam er angst in haar oogen, en ze zag met spanning naar den snoeier omhoog.

"Weet ge dat nog niet? Wacht, ik kom een pijpeken stoppen!" zei Sander.

Hij daalde naar beneden.

Hij had een blauw kiekje en een blauw schort aan, rond zijn bruine hals hong een roode zakdoek met witte bollen, zijn kousen waren helder groen als kropsalaad, en op zijn kleurloos hoedje glom wit en blauw, het pluimeken van een ekster.

't Was een lange vent van rond de veertig, met een rossen neêrhangenden knevel onder de rozen, bollen neus, met een lach in zijn verkensoogen, en witte haarkens op zijn bruine handen. Als hij tabak genomen had uit een verkensblaas, stak hij zijn handen in zijn broekzakken, bezag eens innemend het slapend kind, en duchtig rookend vertelde hij vol gewichtigheid tot de twee luisterende gezichten van Jozef en Maria dat er een bende van 'kweet-niet-hoeveel duizend mooren en wilde mannen op Gent marcheerde. "Zij worden aangevoerd door drie koningen, die de rijkste en sterkste koningen zijn van heel de wereld. Die mooren en chineezen hebben pieken en messen bij, genoeg om op één kwartierken heel het leger van Herodes een koppeken kleiner te maken."

"En wat komen die hier doen?" vroeg Maria snel.

"Zie," zei Sander, gewichtig zuchtend, fier en blij omdat hij aan Maria, die in de lande een groote faam van eerbied had gekregen, zijn nieuws kon melden; en in al zijn ijver begon hij, zonder het duidelijk te willen, geweldig te overdrijven. "Wat zij hier komen doen? maar als 't waar is dat zij kemelen en olifanten bij hebben, en andere wilde dieren lijk tijgers en krokodillen, dan geef ik mijnen kop voor geen kommeken soep!... Zoo 't schijnt vertrappen zij de velden uit louter geneuchte, en eten de kleine kinderen op. Overal waar ze gegaan zijn staat heele de streke in brand en..."

En terwijl hij maar voortvertelde, zich meeslepen liet door zijn eigen verzinsels, was 't Maria of ze sterven zou. Ze ging tot bij de wieg en verborg de rustige, poezelige pollekens van Jezusken in hare witte handen.

Heel de zee van angst en verdriet stormde weer door haar heen.

Want sedert zij uit Simeon's mond het orakel van het zwaard vernomen had, meende zij in alles een vijand van haar kind te zien. Booze machten beloerden het vanuit de boomen, de lucht, de zon en het water, en al de schoone dingen die zij vroeger zoo beminde. Met bijna kinderachtige nauwgezetheid waakte zij over het kind. Zij sliep niet, rustte niet, en werd opgegeten van knagende onrust.

Maar voelde ze dan, bij klaarder overdenken, dat ze streed tegen hersenschimmen, dat het woord van Simeon de rechte waarheid was, en onvermurwbaar als een rots, dat zelfs de Hemel zou helpen om het te voltrekken, dan boog ze het hoofd, kneep de oogen toe, en zei vol overgave, maar met gebroken ziel: "Uw wil geschiede naar uw woord."

Als ze dien kreet van opoffering uit haar hart had gerukt, was het weer vrede en goedheid in haar, en zag zij kalm de ongeboren dagen in.

Zoo ook wist Jozef haar soms op te wekken, als hij haar voorspiegelde dat eerst haar kind nog groote dingen moest verrichten.

Maar telkens rees, bij 't minste, het zorgend, kommerend moederhart weer boven.

En nu, nu Sander haar daar zoo nuchter die gruwelijke ijselijkheden kond deed, was het haar of het leven haar ontvlood.

Jozef zag het, en hardnekkig, slechts om zijn vrouw te verlichten en niet om Sanders woord te loochenen, hapte hij tegen den snoeier in: "Ik geloof er niets van dat ze langs hier zouden komen. Het zijn landverhuizers, landverhuizers zeg ik u, die recht naar zee zullen trekken om zich daar in te schepen voor verre landen, naar waar de vogels henen-trekken als het winter wordt. Ik geloof van al die dingen niets."

Jozef zweette van inspanning.

Sander was er van uit zijn lood geslagen. "'k Zal niet zeggen dat het heelemaal waarheid is. Als Pier de slachter liegt, lieg ik ook, ik heb het zelf niet gezien... Maar weet ge wat," en hier bracht hij het verhaal op andere wegen, "'k Heb altijd gedacht dat er ievers in stilte tegen Herodes wierd gekonkelfoesd. Zie nu maar," hij teekende met zijn houten pijp groote gebaren op de lucht, "die mannen komen hier voor de eene of de andere noozele reden met zoete gezichten binnen, maar als ze met twee voeten op vasten grond staan, ge zult het zien, dan slagen zij den boel hier kort en klein, en knoopen dien vetlap van een Herodes aan het Belfort op!"

Hij zocht naar de uitwerking zijner woorden op hun gezicht.

Maar ginder klonk een vroolijk lied.

Met drieën zagen ze om.

"Kruisduit! Kruisduit! Kom eens langs hier!" riep Sanders naar den zanger. "Zie," zei hij tot Jozef en Maria, "ginder is Kruisduit, en die komt als gewoonlijk zeker van Gent, die gaat ons nu het nieuws in 't lang en breed vertellen."

Op den kronkelenden wegel, kwam er wijdbeenend een kromme oude aangestapt, met een mand op den rug en een groene slipjas aan. Hij stak zijn stok omhoog ten teeken dat hij komen ging.

Zij hoorden zijn lied.

Ik ben te vroeg geboren Al keer ik mij om en om Mijn geluk komt eerst morgen, Al had ik een keizerdom, Daarbij den tol van den Rhijn En waar' Venetiën mijn, Het waar' toch al verloren Het moet versluimet zijn. Zoo en wil ik dan niet sparen En wil daarom verteren. Ik en wil daarom niet zorgen God bezorgt mij morgen meer Wat helpt mij dat ik spaar....

Kruisduit had een echt spekulasieventengezicht. De zon schoot een zilveren punt in de lek die aan zijn kapneus biggelde, en glom in het vet van zijn versleten muts.

Het was een vent die het zeventig keeren had zien winter worden, maar als hij zijn al te lange beenen openzette, stapte hij er nog op los, als iemand die ter kermis gaat. Hij woonde alleen in een strooien hutteken. Het stond ginder op den kalen top der dichtste heuvelhelling, blak en bloot voor alle winden en zichtbaar over heel de streek. Een blind paard kon er alles omver loopen. De menschen zeiden dat hij alles uit een denzelfden pot at die nooit water had gezien, en alles wat niet te heet was òf te zwaar Kruisduit's eigendom. Maar toch een goede vent; waar hij kwam wierd er gelachen.

Soms bij open weer, was hij heel den dag op de baan, met een lied op zijn lippen, en een lek aan zijn neus, en de mand vol nestels, garen en lint, kaarten, solferstekken, haarpommade, blink, postpapier, en zelfs een fleschken reuk, en roze en blauwe kinderkammen. Hij sliep dan in een hooimijt of onder den blooten hemel. Had hij honger en geen centen op zak, dan vulde hij zich met uitgetrokken peeën en rapen, en dronk aan de sloten uit zijn muts; maar als hij "kommersie" had gemaakt dan dansten de stuivers, kocht hij een maatje brandewijn, een hespenknook, zette zich in de zon en speelde het smakelijk naar binnen met mosterd en met brood.

"Hè! gij zijt er van aan 't profiteeren! De zon zit lijk wijn in mijn beenen. Ik voel mij nog geen vijftien jaar!.... Maar nu gaat gijlie mij eens handgiften; ik heb nog niets verkocht, en Kruisduit heeft een maag als een platte doedelzak!"

"Wat spartelt daar onder uwen frak?" vroeg Sander listig, wijzend op een dik pak op Kruisduit's borst.

"Och arme!" schuddebolde Kruisduit met een lijkbiddersgezicht. "Een arm haantje dat naar mij kwam toegeloopen van den grooten honger. Ik zal het t'huis zijn mizerie verlichten, 'k zal 't opeten, ik kan geen beesten zien lijden!"

"Komt hij waarlijk van Gent?" vroeg Maria aan Jozef.

Om Maria's jagende nieuwsgierigheid te verzoeten richtte Jozef zich tot Kruisduit: "Komt ge van Gent?"

"Ja ik!" zei Kruisduit. "Eergisteren verlaten, altijd recht door gestapt in de richting van de staartster, die desen nacht weer in den hemel heeft gestaan. 'k Ben nu eerst langs Bethlehem omgetoerd om er een pekelharing te koopen...."

"En hebt gij de drie Koningen gezien?" onderbrak Sander.

"Hei!" juichte Kruisduit verheugd. "Zeker, zeker heb ik ze gezien.... Maar wie kan er mij wat toebak geven?".... Als Kruisduit eenige profijtelijke trekken gedaan had uit zijn kort steenen baardbranderken, met den koper behoosden pijpekop naar omlaag, terwille van zijn neus, veegde hij het speeksel van zijn gladde kin en begon.

Terwijl hij vertelde roerde de druppel aan zijn neus en schoot soms kleine straaltjes. "Ik deed mijn kommersie. 't Was tegen den avond als de lampen wierden aangestoken, zie ik daar achter mij drie ijzeren mannen, zoo zwart als een hoed, met een rolleken papier in hun hand, te paard voorbijrijden. Wij staken de koppen bijeen en gingen eens piepen wat die venten in 't snuitje hadden. Ze galoppeerden naar 't paleis van Herodes en een beetje daarna waaiden de vlaggen van de gevel, wierden er op al de stadspoorten de horens geblazen, en begonnen alle klokken te luiden. Op de straat begosten de soldeniers tonnen pek in brand te steken om veel licht te geven, lijk bij de groote feesten.

Langs alle kanten wìerd er geroepen: "Er komen drie koningen met duizend soldaten!" Hoe het kwam weet ik niet, maar heel Gent, klein en groot, was op een weerlicht op de been en liep lijk één man naar de stadpoort. Ik liep natuurlijk mee. Ge kost over de koppen loopen, en in de vensters, op de daken, op de boomen, overal zaten er menschen getroppeld. Maar dan heb ik me daar een soldaatjes uit de poort zien komen! Duizend, tienduizend, honderdduizend, ze kwamen lijk uit den grond gerezen. Ik wist niet dat er zooveel volk op de wereld was! Ik zal dat van mijn leven niet vergeten al word ik honderd jaar! Maar 't waren geen soldaten lijk wij er hier zien, weet ge! Neen, allemaal mannen uit de warme landen, met smoelen zoo zwert als mijnen inkt en zoo bruin als koffieboonen. Er waren er met scheel oogen, met schuine oogen, met platneuzen, met ringen in hun ooren en ringen in den neus--hoe die venten hunnen neus snuiten begrijp ik niet--precies lijk de menscheneter die alle jaren op de foor in Brugge staat."

"En!" vroegen ze gedrieën.

"Ze bliezen op kromme trompetten en bonkten op trommels met koperen buiken. Maar schoon gekleed dat die mannekens waren! 't Was allemaal goud en zilver, belegd met bronzen platen en olifantentand. Een heelen regenboog van alle koleurige zijden, groen, blauw, geel, purpel; kleedjes met bollen en strepen, met bloemen en met ventjes, en op hunnen ijzeren hoed of op hun kopkussen een vollen arm pluimen.... Maar zij zaten niet alleen op paarden, maar ook op kemels en dromidarissen, en er waren beestjes bij zoo groot als een huis, met een steert van voor en een steert van achter. Ze noemen dat olifanten. Die hebben tanden zoo dik als mijn bil!"

Kruisduit lachte zoodanig dat de lek van zijn neus viel en openpletste op zijn glimmende hand.

Die warme lach verjoeg de ongerustheid van Maria. Als Kruisduit zoo lachte, was het een teeken dat hij er geen schrikkelijke dingen zou bijvoegen.

Zij zuchtte van verlichting.

"En hebt gij ook de koningen gezien?" vroeg Jozef.

"Hoe waren die?" voegde Sander er bij.

"Ja, die heb ik gezien, en zij hebben mij ook gezien! Zij zaten op kemels en olifanten en ze waren omringd van mannen die op rieten fluitjes speelden, en met hun vingertoppen op lange trommeltjes klopten. Zij roken naar den schoonsten hof die ge maar kunt uitdenken!

En dan volgde er een oceaan van soldaten met muziek en vanen en scherpe wapenen, en 'k weet niet hoeveel karren met ossen bespannen...."

"Maar wat komen die hier doen?" vroeg Maria.

"Die komen hier naar een nieuwen koning zoeken!"

"Een nieuwe koning?" riepen ze met drieën verbaasd.

"Ja, een nieuwe koning!... Zij zijn uit de warme landen gekomen, over den Rhijn, langs Hasselt, Leuven, Mechelen, Antwerpen en Gent...."

"En waar is die nieuwe koning?" gewaagde Sander.

"'t Is dat wat ze bij Herodes zijn gaan vragen!" "Bij Herodes?" bibberde Maria, die telkens de schrik op 't lijf kreeg als ze dien naam uitspraken.

"Wat heeft Herodes gezegd?" vroeg Jozef ernstig.

"Herodes heeft eerst wat op zijn poot gespeeld, en hij zei dat hij alleen de koning was, maar zij hielden staan bij hoog en bij laag, dat er in Vlaanderen een nieuwe koning leefde. Dan heeft hij stillekens gezwegen uit angst voor hunne olifanten en messen. Hij heeft sito al de wijsneuzen der stad, de filosofen, kletskoppen, lettervreters en profetenbazen bijeengetrommeld, om in oude papieren te zoeken of dit wel de waarheid was."

"En?"

"Zij zoeken nog. 'k Heb zóólang op mijn teenen voor 't verlicht paleis staan te wachten dat ik er de krampen van kreeg, en 'k ben er maar van onder getrokken.... want mijn kommersie gaat voor alles!"

Er woog een pijnlijke stilte. Terwijl Kruisduit opnieuw zijn pijpeken aanketste, stonden de anderen daar verslagen als uit de lucht gevallen.

"Ik geloof," sprak Kruisduit al paffend, "dat Herodes met de poepers zit," en hij klopte met zijn wijsvinger en zijn middelvinger tegen zijn duim. "Hij is bang dat hij van zijn gouden kappikel zal tuimelen. Het volk loopt al in benden rond en ze zingen:

"Hij is van de brug het water ingevallen!"

"Zeg eens Kruisduit," smeekte Maria, "is het waar dat zij de kinderen opeten?"

Kruisduit schoot in een lach dat hij de handen op zijn buik moest houden. "Kinderen opeten! Ah, ah! Wat ge u-toch allemaal laat wijsmaken! Kinderen opeten! Wel ze gooien zoo maar de centen in de grabbel, het bier loopt zoo maar in de riolen! Onder hun vies gezicht zitten er goede zielen, en als Herodes zoo was, dan waren wij hier in 't Landeken van Belofte!"

Maria vroeg hem zoet: "Zouden ze ook langs hier komen?"

"Bah," gekscheerde de vent. "Zij zouden hier iets komen zoeken dat er niet verloren is. Wie heeft er in dees arme streek een Koningsneus buiten ik?... Mijn moeder heeft mij altijd gezegd dat ik voor groote dingen in de wieg gelegd ben. Laat ze maar komen die gekroonde menheerkens! Ik zal hun feestmaal eens gaan gereed maken!" Hij stak den haring eens naar omhoog en trok er zonder meer van door.

Als Kruisduit ginder al zingend naar zijn tafelgroote woning opklom, als Jozef terug aan 't spitten was, en de snoeier, ten boorde van de naar Bethlehem loopende beek knotwilgen scheerde, zat Maria nog peinzend aan de deur.

En alhoewel Kruisduit's verhaal haar de schrik had weggevaagd, toch bleef er een angstig vermoeden in haar wegen. Zij zag nog steeds voor zich het haar zoo dikwijls beschreven gelaat van Herodes: een purpel, gulzig, dik gezicht met zatte boloogen, en vochtige puisten in een schralen, rossen stoppelbaard. Waarom moest ze nu droef zijn. De koningen waren goedertieren. Als er een nieuwe koning gevonden wierd, zouden ze hem tegen de jaloerschheid van Herodes beschermen.

Al die overdenkingen gaven wel wat vrede aan haar hart; maar niettemin bleef dit zatte woeste Herodeshoofd voor haar oogen hangen.

Zij wenschte weg te zijn in een heel ver land, waar geen koningen kwamen, en er geen Herodes was.

Hare bleeke handen lagen lam in den schoot, en de bekommernisse deed haar de oogen sluiten.

De zon raakte appelsienenrood bijna den zoom der heuvelen, en de schaduwen schoten ver de velden in.

Doch vanuit de wieg klonk er blij gekraai, dat Maria deed opspringen en 't geluk in haar oogen glanzen.

Zij nam Jezusken behendig uit de wieg. Het wipte zich op haren arm; sloeg zijn handekens in de lucht, en 't kraaide, gommelde en frazelde van innerlijke pret.

Jozef hoorde het, liet zijn schup in den grond steken, en schalksch, voorzichtig kwam hij achter den hoek van 't stalleken piepen.

Hij zag hoe Maria het de borst gaf, en hoe de kleine al zuigend, zijn lieve pollekens glijden liet over hare zachte borst, en in de haren van haar gebogen hoofd.

Het jonge moederken kikte en sprak er zoete woorden tegen, en speelde met hare fijne vingeren voor zijn helderblauwe oogjes.

Jozef kwam naderbij geslopen.

Hoe verschoot Maria blijdzaam als zij het gelukkig gelaat van Jozef over haar schouders gebogen zag naar het kind, dat nu gedaan had met eten, en hen met speelsche oogen overentweer bezag.

"Geef mij het eens!" vroeg Jozef. De oude man nam het kind, onhandig door voorzichtigheid bij zich. Jezusken hield met zijn linker polleken Jozefs rechter wijsvinger omstrengeld, het schudde met zijn hand, en wipte en danste op zijn arm; 't kraaide en 't kreet, en sloeg zijn ander polleken kletsend op Jozefs gelaat.

Jozef en Maria lachten.

Het kindeken was nu twee maanden oud, maar zijn broos en teeder zieltje dat nog in den schemer des levens half verzonken lag, trilde reeds bij het licht der aangename, jonge zon, die warm straalde over zijn wezentje en zoetekens in zijn herteken gonsde. Het zieltje wierd het leven gewaar, het sprong op in een huivering van eerste vreugde.

Beiden hongen met hun gezicht tegen dit van het kind, riepen het honderd aardige woorden toe, kittelden het onder zijn armen en op zijn borstje.

"'k Zou u kunnen opeten!" zei Jozef.

"O mijn koning en mijn hemel!" juichte Maria!