Het Kindeken Jezus in Vlaanderen

Part 12

Chapter 121,465 wordsPublic domain

Met opgewekt gemoed zagen ze tusschen de zonnige donkerheid van een dennenbosch, de frischheid van een afgemaaiden beemd en de dijken van de Nethe, en daarachter het land van Rijen met een einder van gulden terwevelden!

Zij waren als kinderen. De Nethe was de draad waar Nazareth aanhong.

"Willen we langs de Nethe naar huis gaan!" riep Maria.

Het was haar een genot de Nethe, het water waar hare jeugd zich in weêrspiegeld had, te mogen wederzien en er nevens te loopen, lijk een hovenier rond den hof dien hij zelf aangelegd heeft en verzorgd.

"Maar 't is een lange weg," zei Jozef, "we zullen toch eens gaan zien."

Doch als ze aan de Nethe kwamen juichte hij omdat het water geen drie vingeren hoog stond.

"Zie," riep Jozef, "nu hebben we hier maar over te gaan, we steken ginder den steenweg over, dan door 't koren en wij winnen zekers twee uren! Is dat niet goed?"

De jacht om gauw in Nazareth te zijn deed Maria van gedacht veranderen.

De ezel bracht Maria over, en 't was voor Jozef waarlijk een deugd zijn doorgloeide voeten te kunnen verkoelen in het rappe Nethewater.

Met een peerdebloem in den mond ging Jozef nu voorop.

Zij gingen tusschen de wijde terwevelden. Het was terwe en nog eens terwe, zwaar, geelgoudig, braaiend in de zon, droog en krakend van hitte, lui van 't staan en vol beloften van goed brood.

De vooroverhangende aren kletsten tegen Jozefs rood gezicht en Maria die op den ezel zat zag wijd over de velden heen.

De hitte blaakte er over, een gloeiasem steeg er uit op.

Terwe, hitte en stilte, en daarboven de zotte zon.

Maar een schouwpijp smoorde, er wierd op een blekken horen getoeterd, of geroepen met de hand aan den mond, waarop het gerekt "ja" van kinderstemmen antwoordde.

't Was het uur van koffie te drinken.

Aan het lage rietrijke water van een beek waarin zich een rood steenen bruggesken spiegelde, gingen zij ook hun boterham genieten.

Er was daar een klein weideken met hoog gras en vele bloemen, en er stond een eeuwenoude gespleten eik die aan de ouders en het kind een goede schaduw gaf.

Zij aten hun brood en dronken het water uit de beek.

Jezusken was wakker en ontving gretig de habbekens die Maria voor hem in haren mond bereidde.

't Was een kloeke jongen, een wolk van een kind, goed en vast gevormd, met puttekens in zijn ellebogen en in zijn pollekens; gezondheidsbloemekens helderden roze door zijn melkwit vleesch, en onder een zilverzonnig krollenbolleken klaarden zijn groote, zeeblauwe oogen. Het voelde zich los en vrij in zijn kort, locht hemdeken, en als 't gegeten had kroop het rond in 't gras en 't kraaide en 't kreet naar zijne moeder, die voor hem een vollen arm bloemen aan 't plukken was.

Maria had den hoofddoek afgedaan en nu hong haar hel-gouden haar als een breede sluier tot laag over haren rug. De zon viel gulzig in die zachte, golvende weelde en omhulde haar als met een gulden, glanzende wolk, waar men de oogen moest voor toeknijpen.

In den eik zat er een vogel te kwinkleeren en Jozef was voor 't kind, in 't koele water van de beek vischkens aan 't vangen in een blikken doozeken.

Daar kwamen kinderen uit de school. Zeven blonde meisjes op hun bloote voeten, en elk een vergrijsden, blauwen voorschoot aan. Zij zongen een ouderwetsch liedeken, en de stemmekens vielen stil als zij Jezusken en zijn ouders zagen. Zij hielden elkander bij de hand en bleven tegeneengedrumd, beschaamd-nieuwsgierig naar het lieve kindeken zien en naar de moeder die zoo'n schoon en lang haar had, en zij hadden daarvoor stil-fluisterende woorden van bewondering.

Een der kinderen zag eene eenzame kollebloem rood ophelderen, 't verstoutte zich ze af te plukken en droeg ze naar kindeke Jezus, die de bloem over en weer, onder luide kreetjes, in zijn gezichtje sloeg. Als de andere kinderen zagen dat de moeder er om glimlachte, wierden ze ineens vertrouwelijk en begosten allemaal haastig bloemen te plukken, die ze op Jezusken's beentjes legden; en zij spraken tegen het kind, en zij lachten er mee, maakten er kransen en kroontjes voor en dansten er omme hand in hand, al zingend:

"Vie van den ronde, het katteken is gebonden en a een, en a twee, en a drij!"

En eindelijk had Jozef een van de vlugge stekelbaarsjes weten te snappen. Reeds op voorhand lachend om de kinderpret, stapte hij uit de beek en hield het doosje voorzichtig vast. Maar hoe verschoot hij niet als hij opkeek, en hij ginder Maria in heur lang haar mede in den ronde dansen zag!...

De zon stond reeds achter de boomen, maar Nazareth was niet ver meer.

Maria verwachtte elk oogenblik het te zien opduiken van achter de velden. Met de hand boven de oogen zag ze er naar uit, maar vond het niet. Haar hart klopte. Zij zag hoeven en verre blauwe boomen, zij zag zelfs het lenige lint van de Nethe, maar Nazareth vond ze niet.

En zie op eene onverwachte plaats, heel aan den anderen kant dan waar haar oogen zochten, stak het in al zijn eenvoud zijn koperen torenhaantje in de lucht.

"Jozef, Jozef! zie ginder is Nazareth!"

Nu was er haast in hunne beenen en hun hert.

Maria was van den ezel gestegen en het kind was zuigend aan haar borst in slaap gevallen.

Zij gingen nog achter eenige hoeven en nevens rijkbeladen boogerds en toen lag Nazareth vlak vóór hen.

"O Jozef," juichte Maria overgelukkig, "zie! daar zijn de hutten rond de kerk, en ginder de brug over de Nethe; zie de menschen gaan hun geiten laten grazen. O nog altijd is ginder ons wit huizeken, en daar 't berkenlaantje"... en hier zweeg ze en sloot de oogen. 't Was alsof ze opeens het muziek in de boomen weer hoorde en zij weer in dien Maartschen Zondagavond stond. Het maakte haar van genoegen zwaar en ze lei haar hoofd op den schouder van Jozef.

"Een pastoor! Een pastoor!" fluisterde Jozef verlegen. Maria zag op en herkende den dikken rooden parochiepaap van voorhenen, die biddend in zijn brevier traagzaam kwam aangewandeld.

En zij bleven wachten tot hij voorbij zou komen.

De goede man wou als gewoonlijk groeten, maar toen herkende hij Maria, hij lachte eens verbaasd, bezag dan ernstig Jozef en de hangende beentjes van het zuigend, slapend kind en zei dan: "Hé! Ja, ja. Ik heb er van gehoord. Is dat uw man?"

"Ja," knikten Maria en Jozef.

En dan weer de pastoor:

"Komt gijlie hier soms wonen?... Hei dat is goed.... Gij zijt getrouwd, en gij hebt een kind.... Ik zie aan die zaag dat gij schrijnwerker zijt.... Ik heb juist een kasken waar de voorste pooten af zijn. Gij zoudt dat eens moeten maken.... Ge zult hier veel werk vinden... want het zijn echte boerenjaren"... en dan wat beschroomder tot Maria: "Ja wie had dat gepeinsd. Kolossaal! Het wil lukken dat uw huizeken nog altijd ledig staat. Er heeft alleen een hovenier ingewoond die verleden maand in 't gasthuis gestorven is... Ge zult het wel zien, er staan veel rozen in uw hofken... Ik heb nog altijd den sleutel... en uw man zal daar veel plaats hebben om te knutselen en te hameren."

"Dank u vriendelijk mijnheer pastoor," zei Jozef eerbiedig.

En Maria knielde neer, Jozef ook, en de paap gaf met twee losse vingeren, die efkens uit zijne te lange mouwen kwamen, hun den zegen...

Daarna zuchtte hij en zei met moeite: "Welgekomen Maria met uw kind en uw man..." Hij wist niet meer wat zeggen, en terwijl hij met een rooden zakdoek het zweet afkuischte ging hij goedig-knikkend achteruit en zei dan nog: "'t Is een heete zomer... Maar er zal veel koren zijn."

Er schijnen nog geen sterren, maar de zilveren draad van 't jonge manesikkeltje buigt zich helder op het groene goud van den uitgaanden dag.

Vrede weegt over de aarde, en de boomen omhullen zich met trage schemering. Zij zullen weldra slapen.

Er hangt een geur van fruit allerwegen, want we zijn in September; en op het veld brandt een rood patattenvuur dat luie strepen smoor voor de hooge boomen weeft. Een laat vledermuisken trilt donker op de lucht.

Daar in de witte woning waar Jozef, Maria en het kind in vrede wonen, staat het venster open. Er brandt nog geen licht, de geur der donkere rozen hangt tot in de schemerduistere kamer, en van weerskanten van de tafel waarop brood en koffie staat, liggen in biddende houding de handen van een man en die van eene vrouw gevouwen.

Terwijl een mannestem brommend als een hommel den zegen des hemels over het eten roept, slaan de bolle handekens van een kind een houten lepel rumoerig op de tafel.

1916-1917. Lier.