Het Kindeken Jezus in Vlaanderen

Part 10

Chapter 104,107 wordsPublic domain

De vrouwen die kinderen bij hadden wierden naar eene open plek in 't bosch bijeengedreven; afgestegen ruiters ontrukten en onderzochten de kinderen, die zij als 't jongeskens waren, met één zwaardslag eerlijk in twee helften wisten te verdeelen. Dat bracht een vinnige worsteling en groot keelgehuil teweeg, dat heel het bosch er van galmde. Doch er is geen enkel knechte-jongsken over gebleven. Het ging allemaal niet zonder moeite. Zoo zie ik nog voor mijne oogen eene vrouw die met een lansknecht om haar kindeken vocht. Een knaapje en een meisje hongen weenend aan haar rokken, en terwijl zij met ééne hand een zuigelingske krachtig tegen haar borst drukte, woelde de andere hand, van haarspelden voorzien, in het gelaat van den soldenier dat het bloed er af lekte. Maar toch liet hij het kind zijn beentjes niet los en wist het eindelijk behendig te doorsteken. Als de moeder het warme kinderbloed over hare handen spoelen zag, puilden haar de oogen uit het hoofd, zij liet het kind vallen, sprong op hem toe en beet hem het linkeroor rats van het hoofd. Toen viel zij dood achterover en de kinderen begonnen vreeselijk te huilen. De soldenier liep ineengekrompen van de pijn rond de boomen en riep meewarig om zijn moeder. Het was nochtans een vondeling.

Alle vechtende boeren lagen reeds dood nevens opengereten buiken van paarden en kreunende soldeniers, als de smid met zijn voorhamer er nog een viertal der onzen den kop insloeg. Een speersteek in zijn oog deed hem tuimelen en toen werd hij behendig opgehangen en seffens omfladderd van krassende raven. Koeien liepen verlaten en de schapen blaatten erbarmelijk naar hunnen stal. 't Wierd nu een misselijk schouwspel. Mannen en vrouwen en jonge deernen kropen op hunne knieën rond onze paarden. De pastoor bad met ouderlingen en vrouwen in zwarte kapmantels, vòòr het koperen kruis dat hij tegen een boom had gezet. Zijn stem klonk als een klok en het volk antwoordde op zijn korte uitroepen telkens: "Bid voor ons!" "Bid voor ons!"

De burgemeester, die schoenmaker was van stiel, een houten been droeg en ringeskens in zijn ooren, was ineens kindsch geworden, en terwijl hij wachtte over vier magere koeien, stak hij zijn wijsvinger op en luisterde lachend naar de verre noodklok, die nog maar altijd luidde en haar gehommel tot in de takken van de groote boomen dreef. Een paard met ruiter zonder kop, steigerde de boschdiepte in. Vaders, die wat veel bewegingen maakten om hun kind af te staan, wierden eenvoudigweg opgehangen. Er bengelden al een vijftien mannen nevens elkander. Ginder onder een wagen zocht een moeder met een half kind in haren arm naar de andere helft. Twee honden vochten om een kinderhandeken, en een rave vloog weg met het afgebeten oor van den soldenier. Heelder kladden vogels zaten hier en ginder op de lijkjes te pikken; ze waren zelfs zoo stout van neder te vallen op de doode lichaamkens, die de moeders in hunnen schoot aan 't beweenen waren, maar deze dreven de smerige vogels weg met stokslagen en met sneeuwkladden.

Zoo dan, als wij ondervonden dat er geen knechtejongskes meer te vinden waren, want wij hadden neerstig alles afgezocht en betast, zoowel de geheimzinnige kapmantels der vrouwen als de wagens en de beddepeulen, hebben wij de lijken der onzen opgespoord, wat heel moeilijk was, daar er maar altijd versche sneeuw het bloed bedekte en de avond reeds uit de boomen viel. Wij hebben ze op onze paarden geladen en zijn er van door getrokken, achterlatend het donkere bosch, waarin gejammer, gebeden en verwenschingen even nutteloos bleven als de klok in het dorp, die maar niet zwijgen wilde....

De nacht woog over de wereld, het sneeuwde nog altijd, een verloren koe loeide eendig uit de verte...."

En in de "Memorie" die daar op volgt staat beschreven de blijdschap van Herodes en van het groote feest dat hij gegeven heeft, ter eere van den dood van zijn aartsvijand. De kronijkschrijver noemt het duivelachtig: "Een begrafenisfeest."

DE VLUCHT.

Jozef draaide de lantaren uit.

De morgen kwam aan. Het licht zeefde koppig door den ijskouden mist, die als een zee zonder water over de wereld stond en alle gezicht en alle geluid verborgen en verdronken hield.

En ze waren nog altijd in het bosch.

Gisterenavond waren zij het ingegaan. Bij het arme licht van de hoornen lantaren hadden zij er hunnen weg in gemaakt, en nu de morgen opnieuw over d'aarde schoof, was het nog maar altijd bosch en boomen. Er kwam geen einde aan. Altijd boomen en nog eens boomen, die telkens doodstil uit de loggen mist te voorschijn spookten en er weer seffens in verdwenen.

Jozef wreef den ijzel uit den baard en sprak tot Maria, die op den goeden ezel zittende, het wezen van haar slapend kind beasemde:

"'t Wordt een nieuwe dag.... Waar zouden wij ons vandaag verschuilen?"

"'k Weet niet," zuchtte Maria, "laat ons maar voortgaan tot wij het bosch verlaten hebben."

Ze gingen voort en zwegen.

Doch stillekesaan verdunde en verijlde de mist, en ineens, onverwacht, waar de smoorbank ophield, stonden ze in het plotselinge licht van de vroege zon. En Jozef en Maria zagen verwonderd rond om de schoonheid die hen overwelfde en omringde.

De vorst had de dampen bevrozen. De rijm had zijn maagdelijke blankheid om alle ding geweven.

De zwarte, natte boomen, ze waren van kop tot teen in 't wit getooverd; elk takje, elk twijgje, het gras en het mos, de klimop en het riet, 't was eender wat, alles stond van onder en van boven hagelwit behaard, kristalbesterd, glinsterend bepriemd en zilver bepluimd.

Over heel die heilige, witte weelde zong de verre zon een magere gulden klaarte die een voorzichtige, perelmoeren schaduw gaf.

In die ijle, goudomgonsde, witte woudstilte gingen Jozef en Maria met haar kind, en de ezel.

Het ernstig blauw hunner mantels was verweekt door 't pluksel van den rijm, en de kop van den ezel was plezierig zilverbetinteld.

Het licht en al dit teeder-kleurig wit verhelderde een stond hun angstig hart, en de sombere, moeilijke woudnacht lag al weer vergeten.

"Wij zijn het bosch te einde!" juichte Jozef. Hij wees naar 't bleekberijmde veld dat zich achter de laatste boomen, helderwijd openlei onder een weekblauwe lucht met vaagrozigen horizon.

En opgewekt stapten zij in de richting van het beijzeld dak eener eenzame, lange, platte hoeve, die half achter een wolk van witte boomen verscholen zat....

Eene lange, oude vrouw, smal van schouders en breed van heupen, en het haar zedig weggekamd, kwam, de knokelige handen boven den buik gevouwen, in het lage deurgat staan, als zij hen op den smallen wegel naderen zag. En naarmate zij dichter kwamen verging de aarzelende blijdschap van heur beenderig gelaat.

Terwijl Maria op den ezel gezeten bleef, vertelde Jozef met den hoed in de handen, dat Herodes hen opzocht om hun kind te dooden. 't Was daarom dat zij als schelm en dief zich slechts des nachts op de baan dierven wagen en bij dage bleven zij ievers verstoken achter hoek of kant, of bij gastvrije menschen, als 't God beliefde.

Zoo waren zij nu dagen over vlekken en dorpen gegaan, vol vrees en angsten, en thans kwamen zij vragen of er in de schuur geen plaatsken was, een voorschoot groot maar, waar zij zouden mogen blijven tot het avond wierd, om dan weer voort te tiegen naar de zee die hen naar veiliger oorden brengen zou. Zoo sprak Jozef.

De oude vrouw kwam het verdriet naar de fijne lippen. Ze had groot medelijden met die dolende lieden, doch ze weifelde, dacht even aan den wraaklustigen Herodes die haar ook zeker treffen zou, als hij te weten kwam, dat zij die lieden herbergde. Maar als ze Maria zag, zoo bleekskes en zoo moe, en toch zoo verduldig, reeds moeder en bijna nog een kind, toen dacht ze aan hare eenige dochter, die al vroeg bedrogen was, en van schaamte en vrees met den knecht was gaan vluchten, en sedert dien van zich niets meer had laten hooren. Ze wist wat ze doen moest. "Kom binnen en drink koffie."

't Werd al laat in den morgen. Nog zat Maria met het hoofd achterover en het kind in den schoot, op een stoelken te slapen aan de warmte van den haard.

Haar hoofd bloemde bleek op uit de haard-donkerte, de gespannen keel was nog bleeker van de vele teederblauwe aders.

Jozef sliep met het hoofd op den hoek van de tafel.

De vrouw, recht in haar dik olijfgroen lakenkleed, zat bij het venster een radijsroze kous af te breien. Ze had een bril opgezet om de steken te tellen, maar ze zag er over heen en sloeg geen oog van Maria af.

Het was rustig, stil in de lage kamer die een bleeken terugslag van het witte landschap droeg. Rond de groote tafel krinselde op de roode propere steenen een keperken wit zand; het koper was zoet tegen de blauwendige muren, en achter het ronde ruitje van de horlogiekast tiktakte de zware slinger traagzaam over en weer.

En de oude vrouw lei de priemen neer, ze dacht aan de jonge moeder die zooveel leed voor haar kind, en ze dacht aan haar eigen dochter die in den vreemde dwaalde met haar nichtje.

Die dochter was 't verdriet van haar oude dagen, niet omdat z' in schande was gevallen, dit had ze reeds allang vergeten en vergeven, maar omdat zij hier niet was en niet terug kwam in dit huis waar alles haar verbeidde.

Alle dagen zat de oude vrouw in de ijl-hopende verwachting haar ginder op den wegel zien aan te komen, zooals zij Maria zien aankomen had.

Alle uren prevelden haar lippen nieuwe gebeden, en in de stilte, als ze zich alleen wist, breide ze wollen kousekens voor het kind waarover ze grootmoeder was. Het bed der dochter bleef gereed voor haar opgemaakt, en alle Maandagen, zooals oude gewoonte, borstelde zij hare Zondagskleeren uit. Maar ze kwam niet.

En nu dezen morgen was hare ziel opgesprongen van vreugde, toen ze eene jonge vrouw op een ezeltje, door een oud man voorgegaan haar huis naderen zag.

Maar 't waren helaas vreemde lieden die als honden wierden nagejaagd.

Wanneer, o, wanneer zou zij voor hare dochter en het kind ook eens korenboterhammen mogen snijden, zooals zij voor die schamel-arme menschen dezen morgen had gedaan?...

Toen Maria wakker werd zat de oude vrouw in hare magere handen te weenen. Maria was er door bedremmeld, ze ging haastig tot de vrouw, lichtte vertrouwelijk de handen van de weenende oogen weg en vroeg: "Is het mijne schuld dat ge weent?"

"Och," zuchtte het oude mensch, Maria meewarig aankijkend door de dikke tranen: "'t Is niets, 't is een oud verdriet dat weer opkomt met u te zien."

Maria zweeg eerbiedig. De vrouw schudde hopeloos het hoofd, beet op de lippen en wilde weer de priemen opnemen, maar als ze zag hoe ingenomen en vol medelijden Maria haar aanstaarde, stond ze recht, greep Maria's handeken en al haar opgekropt verdriet en liefde ronkte los en welde naar omhoog in snikkende woorden. "Och, men durft en men mag er nooit over spreken, en aan de steenen zou men het vertellen! Ik heb een eenig kind, ze ziet er uit als gij, maar met donker haar en zwarte oogen. Ze zal nu achttien jaar zijn en..." op dit oogenblik zag ze op den regelrechten wegel een lange boer wijdbeenend komen aangestapt. "Daar is mijn man!" zei ze haastig, "die wil niet dat ik er over spreke!"

Ze veegde met haar vingeren de tranen uit de oogen. "Ziet ge dat ik heb geweend?" vroeg ze angstig, en zij liep naar den haard waar ze zenuwachtig in het vuur begon te koteren.

En angstig wordend bleef Maria staan.

Met een "brr" kwam de hoekige boer binnengestapt. Van onder gefronst voorhoofd bezag hij Maria, en Jozef, die juist zijn rood-geslapen hoofd ophief.

De oude vrouw die naar hem gekeerd stond voelde het in haren rug dat hij haar vragend aankeek.

Schuchter als een kind, zonder hem te durven bezien, zei ze hem wat Jozef had verteld.

De boer klopte swenst met zijn harde vingertoppen op de tafel, en verwondering en achterdocht trok de langharige wimpers over de oogholten en plooide zijn breeden mond tot een tootje.

"Menschen," zei hij daarna tot Jozef en Maria, "als 't waar is dat ge van Bethlehem komt, dan moogt ge God bedanken! Want Herodes heeft daar al de kinderen laten vermoorden!"

Maria sloot de oogen van ontzetting, de oude vrouw sloeg de handen ineen van schrik, en Jozef stond recht, bevend over heel zijn lichaam.

Maar alvorens zij hunne verbazing konden uiten, zei de boer koel en misprijzend:

"Maar nu moet ge van hier weg. 'k Zou niet geren voor U mijn pachthof laten in brand steken!" Dat kwam er uit lijk een mes.

De oude vrouw zag hem smeekend en tevens om vergiffenis vragend aan.

Rauwe snikken klopten in Maria's keel, zij kon niet weenen.

De stilte neep, maar de boer trok onverschillig zijn schoenen uit.

"Kom," zei Jozef gelaten, "Maria kom."

Zij hebben niet gewacht tot de lamp werd aangestoken, en ze zijn aanstonds voortgegaan; Maria met het kind op den ezel en Jozef vooraan leunend op den mispelaar....

Toen ze al diep in 't witbeijzeld land waren zag Maria nog eens om naar de eenzame hoeve, en toen ze in het deurgat nog de oude vrouw ontwaarde, die hen achterna te staren stond met de handen gevouwen boven den buik, toen brak haar gemoed en de tranen vloeiden weelderig over de bleekheid harer wangen. Die oude vrouw, die haar verdriet moest opkroppen, het geluk dat haar kind ontsnapt was aan die gruwelijke moorderij en dan de dood van al die kinderen waarvan zij er zooveel op den arm of aan de melkborst van hun moeder had gezien!

Het overweldigde en het brak haar: "O, Jozef," snikte ze op zijn schouders, "waarom moeten ook andere menschen lijden om ons kind?... Waarom mag ik alleen, die toch de moeder ben, alle leed voor hem niet dragen?"

"Later, later," zei Jozef.

Den anderen dag was het Zondag.

Zij zaten verdoken uit te rusten in een hollen weg.

Maria gaf haar kind de borst en Jozef zat op zijn hukken over een smeulend aschhoopken waarop patatkazakken lagen gaar te worden.

't Was de wind van de zee die over d' aarde liep!

Soms snorde hij in de stijve takken van den krommen knotwilg boven op den weg, of sloeg zijn asem in de assche die dan rood opbloosde.

Zoo geraakten de patatten klaar en met een sneedje spek en een snuifken zout genoten zij er van. Jozef zag dat Maria het eten bijna niet aanroerde.

"Maria," praamde hij haar, "gij eet nog minder dan een vogeltje, ge zult u ziek maken. Ge moet immers niet meer ongerust zijn; Herodes is in 't goed gedacht...."

"Och Jozef," zei ze twijfelend "maar hij moest het eens te weten komen!"

"Wat zou hij!" lachte Jozef, gerust als een visch. "Hij zal ons hier niet komen zoeken! en als 't God belieft zijn we vandaag nog aan de zee. Kom, kom!" en hij bood haar een gepelde aardappel in 't zout gesopt.

"Nu niet Jozef, waarlijk ik zou niet kunnen. Straks als dit pak van mijn hart is. Laat ons maar voortgaan, als uw voeten u niet te zeer doen."

Hij schudde compassielijk het hoofd.

"'t Is toch nog 't beste, we zullen maar voortgaan," zei hij bereidwillig toegevend. Hij stopte het eten in een toegeknoopten handdoek, wond nieuwe doekskes rond zijn felbeblaarde voeten, trok zijn laarzen terug aan en haalde den ezel uit het riet eener gracht. Als Maria op den ezel gezeten was, met het kind onder haar kapmantel, togen zij verder het land in.

't Was de wind van de zee die over d' aarde liep.

't Was de wind van de zee, want de hemel stond stil, volgevuld met lange, trage donkerblauwe wolken die eentonige avondkleuren aan het landschap gaven en niet regenen konden.

Maar 't was een blijdschap voor 't gezicht als er soms door een gierig, bleekblauw wolkenspleetje een zonnearm verre huizekens bestreelde of zwarte boomen verbleekte.

"Ja, wij komen straks nog aan de zee!" zei Jozef verheugd. "Zie! het land is hier heel anders!"

Hij wierd de zee gewaar aan de opene lucht, aan de naar het Oosten zotgekromde boomenrijen; hij zag het aan de effenheid en de wijdte en de platheid van het land. Hij voelde daarachter de ruimte, en onbegrensde verten.

Een breede, slijkerige weg met hier en daar een rillend waterplasken, liep plat, zachtdraaiend voor hen uit. Er waren weinig menschen die heel ver waren en heel klein.

De boomen mineerden, 't waren nog maar alleen wat schaarsche knotwilligen of een krom appelaarken. Vlakker en vlakker wierd het land; de weinige witgegevelde huizekens stonden bijna ten voeten uit tegen de duisterblauwe lucht afgeteekend.

Jozef pierde gespannen de verte in, om het eindelijke doel van hunnen tocht te ontdekken.

Ginder, heel ver hong een zonneklad over het eentoonkleurige land, ze verlichtte even de kruine van een stompen dorpstoren, te voren niet vermoed, wandelde traagzaam verder, wekte een frissche groene plek op waarin koeitjes waren en bleef lui liggen op een goudblonde kenteling van hooge duinen.

"Zie ginder de duinen al! de duinen al!" riep Jozef uitermate verheugd. "We zijn er Maria! We zijn er! Kom nu een stapken rapper!"

Er Jozef deed den ezel loopen en liep zelf trekkend vooraan, vergetend de pijn die hem manken deed.

Van 't geschok schoot het kind wakker en begon te schreeuwen en te enteren.

"Kom maar, kom maar!" riep Jozef kinderlijk uitgelaten, "'t zal seffens overgaan!"

Maria loosde een luiden zucht van verlichting en drukte hartstochtelijke kussen op het betraand kindergezichtje van vreugde en angstontlasting.

De weg liep nevens een groot stuk weide, waarin een paard met een veuleken grazend was. Paard en veulen zagen op naar den ezel en beiden holden dat de aardklonten in de lucht vlogen hen tegemoet, en aan den afsluitingsdraad gekomen bleven zij meeloopen in dezelfde richting die de ezel liep. Jozef had er vreugde in. Het merriepaard hinnikte, het veuleken sloeg zijn achterste pooten omhoog, en waar de weide eindigde bleven zij pal staan en zagen als met spijt, omdat het spelen zoo gauw gedaan was, de vluchtende familie achterna.

De duinen rezen hooger en hooger.

De goede Jozef wierd opgewekt van harte nu hunne reis bijna ten einde was.

Als hij met zijn tong over zijn lippen wreef smaakte hij zout.

"Ik proef de zee!" riep hij.

"Hebt ge ooit de zee gezien?" vroeg hij aan Maria.

Op haar neen-schudden zei hij kinderlijk: "Daar zult ge van verschieten! Groot, groot! Grooter als heel de wereld, en niets dan water, altijd maar water!"

"En is dat niet gevaarlijk Jozef?"

"Als 't weder zoet is niet."

Zij klommen de duinen op. Jozef trok den ezel voor, die 't moeilijk had in dit mulle, doorgevende zand en stekelige kruiden.

"Ik hoor de zee!" riep Jozef. "Zie, zie! daar is ze!" Meteen moest hij zijn hoed dieper op het hoofd drukken of hij ware weggevlogen.

Ze waren boven. Een felle wind kletterde in hunne kleederen, en dààr lag ze de groote, oneindige zee; effen donkerblauw als een avondhemel, met scherp afgeteekenden einder tegen witte bloemkolenwolken, en op het platte strand lei ze een ruischende kam van sneeuwwit schuim.

Zoo was de zee.

De Zondag maakte haar eenzaam.

Eene zonnevlek zweefde geelgroen over het donkere water, liep over een grooten witten driemaster, die daarna weer donker en nietig was tegen de witte horizontwolken.

Er vlogen veel meeuwen, als lodders waar de wind mee speelde.

De eenzaamheid der zee verblufte hen. 't Verwonderde Jozef dat er geen schepen gereed lagen.

"En moeten wij daarover?" vroeg Maria angstig.

"O, neen! wij moeten over de Schelde; dat is ginder ver, 't Noorden in." Hij wees in de richting van de in 't verschiet verdwijnende duinenketting. "Daar is het zoo breed niet, daar ziet men bij klaar weer den overkant."

"En is dat nog ver? zouden wij daar vandaag nog geraken?"

"Ja 't!" beweerde Jozef. "Maar 't zal niet noodig zijn zoover te gaan, we zullen eerder wel een schipper vinden die ons zal opnemen."

Ze zagen eerst nog eens om naar Vlaanderen. Het lag daar onder hen, wijd en grootsch onder de blauwe somberheid van den toeën hemel; maar hier en ginder, uren en uren ver, pijlde de zon wat frischheid neer, en ze zagen groote velden, vele windmolens, schaterhelle huizekens en nietige dorpen, en heel in de verte als in koperen licht de torens en daken van Brugge.

"Schoon Vlaanderen!" zei Jozef ontroerd.

Daar ginder, dagen en nachten achter die verten en bosschen hadden ze zoo heel gelukkig en eenvoudig kunnen leven, ieder aan zijn nederig werk en verblijd in de aanwezigheid van hun kind. Men hadde er onder een dak gezeten, de aangenaamheid van de avondlamp gekend en het uitrusten onder den eenen aan het open deurken.

Ze vroegen toch zoo weinig en nog wierd het hun geweigerd.

O 't had zoo geheel anders kunnen gaan!

En nu moesten ze voort, opgejaagd naar vreemde steden. Ze waren zoo alleen, zoo nietig en verlaten en de wereld was zoo groot en het leven zoo hard!

Met een krop in de keel zei Jozef: "Daar is toch niets aan te doen, kom!"

Ze daalden naar het water en zij gingen op het met roze en grijze schelpen bestrooide zand, tusschen de hooge duinen en de doodsblauwe zee die hare witschuimende golven eeuwig heen en weder trok.

De zoute wind zoefde rond hen, flapperend, in- en uitrollend als gazene vanen. Meeuwen hongen in den wind boven hun hoofd, en de driemaster bleef als stil op de wijde, eentonige watervlakte staan. En altijd maar duinen en altijd maar zee.

Na heel lang gaan ontwaarden zij in den witwattigen schuimasem die boven de strandgolven hong een krijtwit kerktorentje.

"Niet ver meer," moedigde Jozef Maria aan, "ginder zullen zeker visschers wonen."

Maar zij wisten niet hoezeer de afstand aan de zee bedriegt.

Het duurde en 't bleef duren, en als een zeldzame zonnestraal soms over hen gleed, zagen zij hunne schaduw aan hunnen rechten kant lang uitschieten.

"'t Zal gauw avond worden," zei Jozef onrustig.

Hij mankte en moest zwaar steunen op den mispelaar. Hij voelde dat er iets nat in zijn schoenen plakte, hij wist dat het bloed was, maar hij zei niets.

Zij waren daarstraks zoo blij geweest als ze de zee gewaar wierden! Doch deze lange, eentonige tocht nevens dit 's Zondagsche, verlatene water, die eenzaamheid op het strand, die krijtwitte toren die altijd even ver wegbleef en dan de avond die zich voorbereidde, 't verslapte hun gemoed lijk zeilen waar de wind uitvalt, en zij zeiden niets meer.

Eindelijk zagen zij op het strand twee visschersschuiten rusten.

Jozef hoopte van er iemand te vinden, doch als zij er bij kwamen, en hij geroepen had en met zijn mispelaar op de holle door pekelwater afgevretene karkassen had geklopt, bevond hij dat er geen menschen op waren.

Zij gingen ontmoedigd verder. Het kerkje was verdwenen, maar waar de duinen even ophielden om een weg door te laten die 't land inliep, zagen zij het vlak bij hen uitsteken boven lage propere visschershutten.

Zij meenden alsdan het dorpken in te trekken om naar een visscher te zoeken, maar daar boven op de duinen zat een verliefd koppel dat de eenzaamheid zocht, arm in arm.

Jozef dierf hen eerst niet goed toeroepen, doch hij vermande zich en vroeg of er in 't dorp niemand was die hen naar Holland kon overzetten.

De jongen riep in zijn West-Vlaamsche taal terug, dat zij daarvoor verder moesten gaan, tot waar de duinen ophielden, en waar zij aan zwarte paaltjes een huizeken zouden zien op den dijk; daar woonde de veerman.

Jozef en Maria dankten hen met eerbiedigen hoofdknik, en met een hart zoo hol als een uitgezogen ei, sukkelden zij verder nevens de eeuwig ruischende, oneindige Zondagzee.

De avond stond over de zee en over Vlaanderen. Een bloedroode berst stond van achter den zwartgroenen watereinder in de inktblauwe lucht; daar was de zon weggegaan.

Het was zoeler geworden, de meeuwen waren slapen.

De jonge veerman zat in zijn eenigheid in 't donker deurgat zijn Zondagvrede uit te genieten op eene zoetzagerige harmonica. 't Waren sleepende straatliekens en de waaiende zeewind ontplooide ze tot heel ver in 't land.

't Was overal om ter stilste alsof er heel de Zondag naar te luisteren zat.

De voeten aan zijn lange beenen klopten maathoudend mee, zijn dikke lippen onderlijnden het lied met fijn gefluit, en zijn voorhoofd waarop een schoone, natte haarkrul plakte, was van aandacht in drie rimpels opgetrokken.