Part 2
Zóó begon het, en dit waren de woorden, die het Jongetje later zoo goed wist, of ze waren opgeschreven en vóór hem lagen. Elk met een eigen, melodieus geluid, en door enkel ziel gezongen. Maar wie het transcendente, mystieke wezen van heel gewone dingen kennen, weten hoe eindeloos gelukkig het Jongetje er mee voelde, en hoe die woorden altijd even bleven doorklinken in zijn ziel, ook toen hij niet meer het Jongetje wás.—O! die diepste beteekenis van de kleinste dingen! Want onvergankelijk stond het in Pauls kleine ziel, de blije lachjes, die over haar lief gezichtje lichtten, het gebaartje, waarmeê ze het schopje telkens optilde, het witte gewaadje door den wind strak tegen haar knieën, en gewapper om haar blauwe kousjes; de buiging van haar arm, en hoe het haar telkens om de teêre schoudertjes waaide; en de fladderende linten van haar hoed, en de fijne figuurtjes van de kanten kraag. En dit sterk en fel, in ál de teederheid, als met een wondervreemd licht verlicht, héél apart en in een bizondere sfeer stralend, tegen het groote daaromheen, de blinkende, wijde zee, de sneeuwen wolken in de lucht, en vér de duinen. Want alles was héél anders dan vroeger, er was over álle dingen opeens een glans van groote vreugde gegaan, en zij lagen daarin gekoesterd in een intens, nieuw licht....
Hij mocht den heelen middag bij haar blijven.... Hij moest absoluut even mee naar haar moeder. Een vriendelijke dame, erg deftig, in een eigen windstoel, die van binnen bekleed was. Hij nam heel diep zijn hoedje af, en werd een aardig vrijertje voor Corrie gevonden. Hij mocht een voetenbankje halen en een glas melk. Hij kocht ook nog een roosje, dat hij heel plechtig aan Corrie’s mama gaf, maar dat Corrie zélf kreeg, en op de witte kant tegen haar borst werd gespeld. Corrie hield veel van jongensboeken, want in den stoel lag „De Vrijbuiters” van Aimard. En hij begon te vertellen hoe het verder ging, en raakte heelemaal in vuur, met gloeiende wangen, en Corrie vond het heel mooi.—Hij vertelde nog véél meer, allemaal van vechten, en meisjes helpen, wie ze kwaad deden, en eeden houden om de onschuld te wreken, en altijd heel trouw en heel dapper en heel ridderlijk zijn. Hij was toen heusch wel een heel lief Jongetje, geloof ik, met het glanzende haar een beetje onder zijn zwarte hoedje uit, met zijn heldere, klare stem, en al die geestdrift in zijn oogen. Later kwam nog een dikke, oude dame, dat was Grootmama, zei Corrie, en ze was een barones. Ze droeg een gouden lorgnon, en ze praatte fransch, dat de kinderen het niet hooren zouden. Corrie liep gauw weg toen ze bij haar mama was komen zitten, en ze hield niet van haar, zei ze. Paul had iets heel benauwds gevoeld, onbewust iets van bang voor haar, van iets vijandigs, dat hem kwaad wou. Ze liepen samen verder te praten, het strand af, tot bij den vuurtoren. En de twee kinderzieltjes negen elkaar meer en meer toe. Twee teere wezentjes, onbewust, heel van zelf, blij in het lichte van de lente en de zon, zonder te weten.—Ze begonnen te vertellen van elkaars leventje, waar ze alzoo woonden, wat ze deden, van mama en papa, van wanneer jarig zijn, en waar veel van houden.—Ze kwamen dichter en dichter in mekaars wezen, zij lief-lachend gevend, en prettig blij met dien galanten eerbied, dat heel ernstig ridderlijke waarmee hij haar aanzag en naïef zeide, dat ze zoo lief en heel mooi was; een heel erg Meisje nog, dat zich graag het hof laat maken; híj in groote reverentie alles aannemend, dol-gelukkig met zoo’n erg mooi, deftig meisje, diep onder den indruk van haar stem, haar oogen, haar mooie haar, en al het wondere van teêre, lichte, blanke, in-lieve meisjesheid.—Hij mocht weer even haar zakdoekje hebben. Hij mocht even haar hoedje vasthouden, want het lintje van het haar was los gegaan. Wit stroo, met een blauw lint, en witte bloemen. Een heel gewichtig en groot ding voor hem.
Zou zij niet met andere jongens loopen? Zou hij altijd van háár mogen blijven? En zíj plagen: wat dacht-ie wel, ze kende hem nog maar pas; maar ze zou eens zien, als hij heel galant was; misschien liep híj zelf wel met andere meisjes, dat doen alle jongens, en misschien zeí hij ’t zoo maar. En hij weer van nee, heusch niet, en bijna met tranen, hij zou nooit naar een ander meisje kunnen kijken, ze waren allemaal leelijk, ze wist toch zelf wel dat zíj de mooiste was van allen, ze was een koningin, en hij was haar trouwe ridder.—Zoo enkel maar twee kinderen leek het wel, een jongetje dat met een meisje loopt, en een beetje verliefd is. Alles heel kinderlijk en heel klein. Maar alles ook heel ernstig en heel groot, en met de absoluut volkomen reine simpelheid van het onbewust van-zelve, het heelemaal geven, niets achterhouden, en de heilige reverentie van een geloof zonder schaduw van twijfel.—
Later haar wegbrengen met haar mama naar het station van de stoomtrem, en híj galant het boek dragen en de schopjes, en mevrouw een hand geven bij het instappen. Toen zijn hoedje af, en tweemaal diep buigen, ééns voor mama, ééns voor haar, als een deftig jongetje, die weet hoe ’t hoort.
En toen hij alléén loopen naar huis, want hij kon maar ééns tremmen, anders werd het te duur, en hij was met de trem gekomen. Blij fluitend en neurieënd den Nieuwen Weg langs, in den lichten middag, met overal zacht golvende duinen, en witte wegjes. Het jubelend zingen van vogels in de struiken en boompjes langs den weg. Overal geluid en beweging en licht.—Tevreden in de groote, blinkende, zingende wereld, waar alles blij was en vreugde.—Alles was goed.
Thuis gekomen kon Paul het niet meer inhouden, en vertelde hij alles aan zijn moeder. Hij vertelde het in ’t heerlijke uurtje vóór ’t diner, als papa nog niet thuis was van de societeit, en ze samen alleen waren op de canapé, met de tafel al gedekt.—Maar hier begon het eerste ding, dat Paul niet samen met moeder deelde. Want ze plaagde hem met zijn nieuwe meisje, en vroeg of nu Annie en Jo en al de vorigen alweer vergeten waren, en hoelang dit nu wel zou duren voor er weer een ander kwam.—Het was een deftige familie, zei ze; mevrouw van Meeden was een geboren Wallaert, en die grootmama, baronesse Wallaert, was heel trotsch en behoorde tot de hooge aristocratie. Ze dacht niet dat die familie Paul later graag bij Corrie zou zien als hij grooter was, en daarom moest hij maar niet te veel van haar gaan houden, zei ze, want dat zou later veel verdriet geven.—Maar Paul versloeg al die redeneeringen met zijn zegevierend:
„Maar als ze nu van me hoúdt, moê, en als ik nu heel hard werk en een mooie betrekking krijg?”
Op ’t laatst, toen moê het maar niet wou gelooven, werd hij bedroefd. Hij voelde zich opeens alleen, of hij ver van zijn moeder was. Er was iets gekomen, dat tusschen moê en hem was, zoodat ze niet meer samen zouden kunnen voelen. Maar het was onherroepelijk, dát voelde Paul heel intens, er was niets meer aan te doen, als het moest zou hij naar Corrie gaan, al moest hij zijn moeder alleen laten. En hij schrok over die éven gedachte mogelijkheid. Maar die bedroefdheid ging weer gauw weg. Maar zou hij niet bij allebei mogen blijven? Zulke rare dingen te denken!
III.
Na het eten—het was Woensdag, en een Kurhaus was er nog niet—ging Paul met zijn ouders naar de tent in het Haagsche bosch, waar dien avond muziek was. Die concerten waren altijd heel heerlijk voor hem.
Er naar toe gaan, in een mooi pak, ’s avonds tegen zeven uur, en onder hooge boomen loopen, die ruischten boven zijn hoofd! Op den grooten weg allemaal andere menschen, óók blij en plezierig. En overal ook meisjes in blauw, en wit, en roze, zoo mooi om te zien. De groene bladeren, de lichte gezichten, het lachen van meisjes, wat kon dat alles het Jongetje blij maken! En dan de muziek. Het eerste stuk was altijd een Marsch, dat klonk zoo vroolijk, en het was zoo prettig op de maat te stappen.
Dien avond keek Paul bij het binnenkomen naar al de tafeltjes, die hij voorbijkwam, of Corrie er niet was. En hij zag ze heel gauw, ze zat met haar mama, haar grootmama en een ouden heer met bakkebaarden—haar papa zeker—vóór onder de galerij van het gebouw over de muziektent.—Hij voelde een schokje van geluk, want hij zag dat ze zijn roosje van vanmiddag op haar borst had. Hij nam heel diep zijn hoedje af en ze knikte lief terug! In een licht roze japonnetje was ze, met een ander wit strooien hoedje op dan op Scheveningen.—Toen zijn ouders een tafeltje hadden uitgekozen vertelde hij aan moê dat ze er was, en of ze in de pauze goed wou kijken, als ze voorbijkwam. Hoe zat hij te wachten tot de vier stukken voor de pauze uit waren!—
Het was toen al heel donker geworden. Het societeitsterrein was helder verlicht door de witte balonnen van de lantarens. Maar buiten was alles heel duister. De hooge boomen stonden ontzachelijk opgerezen in den avond, met breede zwaar-zwarte kruinen. Daar leek het heel geheimzinnig, en zoo veilig voelde Paul zich als hij dat zwarte, sombere zag daar overal in het rond, en híj in het licht bij al de menschen, zijn moeder naast zich, en ook ergens het Meisje, waar hij straks naar toe zou gaan. Dan voelde hij zich stil gelukkig, en zoo vertrouwd, in zijn zondagsche pak, met een schoon boordje en witte manchetten, een deftig meneertje onder allemaal deftige menschen.
Na het laatste accoord voor de pauze was Paul al van zijn plaats om Corrie te zoeken. Voor de muziektent kwam hij haar al tegen. O! hoe ze daar aankwam, op haar luchte, zwevende pasjes, zoo wonderteêr roze, een wezentje van rythmus en glans, zoo frêle en lieftallig, met dat innig vriendelijke lachje, hoe apart en bizonder leek ze onder al die menschen, en wat klopte zijn hart, wat een vreugde, wat een groote, zalige heerlijkheid in hem, hoe absoluut rein en zuiver was het! En die oprechte, zich heelemaal gevende blijdschap in zijn stem!
„Dag Corrie!”
„Dag Paul!”
„Waar ga je naar toe?”
„Ik ga Wies halen om te loopen.”
—„Hè toe, ga met mij mee,”—vleiend dit, om een héél groote gunst.
—„Nou goed, maar als Wies dan maar niet boos is.”—
—„—Wat lief van je, om mijn roosje te bewaren. Ik ben er zoo blij mee.”
—„Ja, ik heb het maar meêgenomen, ik dacht eigenlijk wel dat je er zijn zou.” Een blosje bij die bekentenis, een glans over het fijne wit van haar halsje, en de oogen een beetje verlegen neêr.
En hij ineens, heel zacht, dat niemand van al de menschen om hen het hooren kon, heel aangedaan, met een gevoel van tranen, of dit hoog blije bijna droef was: „Ik ben toch zoo blij, Corrie, ik ben toch zoo héél blij dat je gekomen bent, ik hoû zoo van je.”
Zulke heel eenvoudige woordjes! En zoo’n heel groot geluk! Hij liep met haar uit het gedrang om het vierkant van tafeltjes in het midden, naar de paadjes bij den ingang, langs het hek, waar het stiller was, en waar geen menschen zaten.—Aldoor vriendelijk pratende, aldoor, met liever en liever woordjes, en aldoor gelukkiger en gelukkiger. Telkens golven van geluk van binnen opkomend, en dan zacht-gloeiend uitvloeiende over zijn lijf, in ongekende zaligheid. Zoo mooi was ze, zoo mooi! Hoe heerlijk om te zien, hoe blij voor zijn oogen! Ze was een lief matroosje in licht roze, met een lange kraag, en ankertjes van wit op de mouwen. Als ze liep ruischte het somtijds om haar, want het was een wijd japonnetje, en het waaide wat. En haar lange haren los, zonder strik, ze vielen in gouden stralen ver over haar rug. Een pracht van schittering maakte het om haar heen.—En zoo vertrouwelijk als ze hem aanzag kwam het over hem van haar gezicht, zoo zuiver en oprecht kwam al haar meisjesheid naar hem toe, het zachte, gevende, streelende, met lachjes en warm-vriendelijken gloed.—
En dit teêre Meisje in den zachten avondnacht. In het liefdroomende schemerduister met vagen afglans van ver lantarenlicht, en buiten de donkere, immense boomen-massa’s, met trotsche, zwartende kruinen langzaam-wuivende in het hooge, en op open plekken daarboven stille, sereen lichtende sterren.—En het plechtige woudgeruisch, ernstig als een zwaar gebed.....
Zoo simpel alles, en zoo eindeloos groot. Het teere Meisje in roze, in schemerend licht. Het gouden haar voor hem glanzend. De donkere boomen buiten, in sombere majesteit. En zijn zieltje, dat onbewust openbrak in adoratie voor dien reinen, zéér bizonderen vrouwenvorm,—de opperste manifestatie van al het goddelijk schoone op de aarde.
Maar dit wist het Jongetje niet, omdat hij enkel voelde. Hij wist niet van wat gebeurde het diepe, diviene wezen, hij voelde alleen die wondere, in hem gloeiende zaligheid van toen hij haar voor het eerst zag, en die aldoor met grooter golven in hem opsloeg en weer zacht vervloeide. Iedere liefheid die hij in haar zag deed het ópwerken in sterker rythmus. O! haar oogen, hoe licht, o! haar blonde haar! Het leek wel zonnestralen van puur goud, een bundel van fijne, aparte, weeke stralen, tintelend en fonkelend van haar hoofd en schouders.—Dit had alleen ook de Madonna op een prentje in moe’s gebedenboek, maar dat had zóó’n wonderen glans niet.
Paul was een beetje een dichter. Hij had al heel wat verzen gemaakt; ze lagen in een boek opgesloten in zijn kastje, en ze waren over heel wat meisjes, en er kwam van liefde en wanhoop in voor. Maar hij had nog nooit zoo sterk gevoeld. Want wat hij nu voelde was als nooit te voren, en het was of nu eerst zijn leven begon.—Even had hij nog tijd om zacht te denken: „Ze is mooier dan alles wat ik weet, mooier dan een bloem, mooier dan de maan en de sterren.”—
Hij bleef even staan, op een hoek van de laan.
„Corrie,” zei hij, ineens ernstig, „hoû je van me?”
Ze lachte weer even, als bij het hokje van de ree, en zei:
„Wat ben je nieuwsgierig! Wou je het zóó graag weten?”
En híj héel angstig: „Ja, heel graag.”
Toen zíj met een plagend gebaartje: „dan zal ik ’t je eens niet zeggen, hoor, omdat je zoo nieuwsgierig bent.”
Maar opeens voelde Paul een stekende pijn van binnen, en bijna huilend zei hij:
„Als je niet van me houdt zou ik, geloof ik, dood gaan, Corrie. Ik hou meêr van je dan van moê. Ik moet altijd bij je blijven. Ik zal altijd alles doen wat je wilt als ik bij je mag blijven. Ik zou heel graag voor je vechten, of iets héél ergs voor je doen en dan doodgaan.”
Maar Corrie was een veel te vroolijk meisje.
„Wat een malle jongen ben je,” zei ze.—En toen een beetje verlegen, aan de knoopjes trekkend van haar japonnetje: „Ik vind het immers prettig als je bij me bent. Je komt morgen toch weer op Scheveningen?.... Mama zei dat ze je een heel galanten cavalier voor me vond..... Ben je nu tevreden?.....”
Het waren niet zoo de woorden, het was de muziek van haar stem, die hem weer gerust maakte. Haar stem was een intieme, vriendelijke liefheid, streelend als melodieuze kussen van muziek. Zijn heele ziel was vervuld van dat zoete geluid, als een woud van zachten geur.—
„Krijg ik morgen een lokje haar?” vroeg hij vleiend. „Breng het dan meê in een envelop, toe, wil je?”
„Misschien,” zei ze, „maar je mag het aan niemand vertellen, hoor! Maar laten we nu wat onder de menschen gaan loopen. Het stáát niet, zoo in de donkere laantjes.”
Hij begreep dat niet heel goed, van dat het niet stond. Maar heel trotsch liep hij nu naast haar, langs de muziektent, en het vierkant om. Hoe intiem, zoo met zijn meisje, heel alleen gelukkig loopen wezen, waar de anderen niet van wisten, al die vreemde, deftige menschen, mooi aangekleed, in het vroolijke licht der witte lantarenballonnen. Er kwamen ook jongens voorbij van de klas, die beleefd groetten en hem zeker benijdden, dacht hij, dat hij met het allermooiste meisje liep. Het was voor hèm alléén, voor hem heelemaal alléén was ze, niemand van al de jongens mocht bij haar komen, niemand mocht haar ooit aanraken, alleen hij, en ze mocht van niemand anders houden. Een erg chic jong heertje, die gebrekkig was, en wat hinkte op een stok, kwam voorbij, en zei familiaar:
„Dag Corrie!”
Verschrikt en angstig vroeg hij:
„Wie is dat, waarom zegt hij zoo maar Corrie?”
„—Het is Verholthe,” zei ze, „ik ken hem heel goed, we spelen dikwijls in den tuin bij hem, in die groote villa op ’t Bezuidenhout, Wies en ik.”
„—Hij is zeker verliefd op je,” zei Paul jaloersch. „Hij keek je zoo aan.”
Zij haalde haar neusje op en zei met afkeer: „Dacht je dat ik met hem loopen zou? Hij heeft een bééntje.”
En Paul blij, niet denkend om het wreede in dat antwoord, blij dat ze toch heusch van hem alleen was. Als dat chique ventje haar naliep zou hij hem dat wel eens afleeren. Dat was niet lief van het Jongetje, maar daar was hij het Jongetje voor. Het Jongetje wou héél alleen dat mooie hebben, met al de kracht van zijn wil, hij zoú en moest het hebben, omdat het hem zoo gelukkig maakte, en al de anderen moesten er ver van blijven, die gingen hem niet aan, die moesten zelf maar weten wat ze deden, als ze maar afbleven van het zijne. Omdat ze licht was en lief, fijn en bizonder, zoo zacht roze en zoo zacht blank, omdat er niets mooiers was in de wereld, omdat hij gedrongen werd door een onweerstaanbaren drang er naar toe, sterker dan dorst en honger, sterker dan hij ooit verlangd had naar iets anders, daarom moest hij haar alléén hebben, en alles van haar voor hèm, haar oogen, haar lippen, haar gouden haar, en ook alles wat ze aanhad, haar hoedje, haar japonnetje, haar handschoenen, niemand mocht het aanraken dan hij. Zooals ze daar liep, zoo apart en teêr onder al die menschen, al die groote meneeren en mevrouwen, zoo was ze voor hèm, heel alleen gekomen voor hèm, en niemand wist er van dan zij tweeën......
Toen de muziek begon te spelen bracht hij haar terug naar haar tafeltje en nam weer diep zijn hoed af. Mevrouw riep lief: „dag Paul!” en zei iets tegen den heer met de bakkebaarden, die ook keek en toen even lachte. Hij werd weer een aardige kleine cavalier voor Corrie gevonden. Het waren immers nog kinderen.
Paul ging óók terug naar zijn plaats en moê zei: „Nu, heb je haar gezien?”
„Ja,” knikte hij, maar hij zei niet veel, hij was te gelukkig om veel te zeggen.
De muziek speelde lage, sombere accoorden, het begin van de ouverture „Sakuntala” van Goldmark. Accoorden donker en mysterieus als het bosch daarbuiten, al die dik-zwartende, breede boomenkruinen, die daar plechtig ruischende waren in den nacht. Hoe groot en vreemd zag Paul opeens dat zwarte bosch, hoe bang en donker, wat stond dat zwarte daar majestueus en ontzachelijk in het rond! En opeens zag hij Corrie, een klein, licht glanzend meisje in roze, hoe teeder en broos, hoe bizonder in al dat sombere, grandioze alom, met die zware, lage accoorden galmend in den nacht! Het was of ze al lichter en lichter werd, hij zag haar voor zich in gouden, schitterende stralen, het vloeide fonkelend goud om haar heen, en het was een ster van vuur in het groote nachtzwart; star staarden zijne oogen in dit fonkelend visioen, tot hij van pijn tranen voelde, en over alles, menschen en boomen, opeens een tintelend waas droomde als van diamanten-dauw.
Zoo brak het geluk uit in die kleine, opengegane ziel, die beroerd was door de schoonheid van een meisje.
IV.
Het was niet het voor hem zélf pleizierige, het genot áls genot er van, dat de herinnering aan dit kinderlijk lieven later tot het heiligste in Paul’s leven maakte; het was het absoluut zuivere, het puur intieme, zonder één smetje volmaakt-reine. De wereld één groot mooi, om met vriendelijk lachen aan te zien, de menschen goed en vertrouwd, alles één voortdurend geluk van dag aan dag, en gezien door de groote verrukking, die het Meisje in hem deed gloeien.
Elke nieuwe dag bracht nieuw geluk, en altijd werd het grooter. Hij kwam nu héélemaal in haar leventje. Hij wist hoe laat ze opstond, wat ze alzoo thuis deed, wat ze leerde, waar ze van hield, wat ze graag at, wat ze verdrietig vond. Hij kende al haar japonnetjes, met de kanten en figuren er op, en haar ringetjes en broches en armbanden, en ook de lintjes in haar mooie haar. Dat waren allen heel gewichtige dingen voor hem.
Er was een onrust in hem als hij niet bij haar was, een gevoel van leegheid en honger. Maar als zij er was werd het stil en rustig in hem. Het liefste was nog ergens kalm bij haar zitten, op een mooi plekje, zonder veel spreken. Dan was het of hij grooter en grooter werd, en alles zich uitspreidde in een eindeloos zalige atmosfeer. En dit ondergaan zonder denken, zonder vragen van waarom, natuurlijk en vanzelf.
Zoo’n heel klein Jongetje nog, en zoo’n klein Meisje!
Maar daarom juist zoo zuiver en rein.
Ze zullen dit niet begrijpen, en er misschien om lachen. En ik kan het ook niet meer goed zeggen, nu de kinderen allebei dood zijn. Ik houd het ook telkens weer in, omdat ik niet durf. Want is het niet ál te teêr en ál te natuurlijk in dit groote leven van schijn en ruwheid? Hoe het Jongetje wel eens aan haar dacht, hoe ze sliep:
Een meisje in een wit bedje, zoo wit, wit, wit. Hoe ze daar heel stil met het hoofdje in het kussen lag, en in sluimer lachte. Hoe haar gezichtje dan rustig en lief, o liéf, liéf zou zijn, met de oogen dicht, en een blank handje op het laken ... En ánders niet in dit zuiver denken van het Jongetje, dan éven heel zacht te mogen aankomen, een kus geven op het mooie, blonde haar en dan weer wèggaan, zalig, dólgelukkig.....
Of wel: het wachten bij het station in Scheveningen, van de stoomtrem, of ze nog niet zou komen. Het kloppen van zijn hart als er een trem aankwam, en de menschen stapten uit, of ze er bij zou zijn, of ze wel zou komen, o! ze moést komen, want ze had het beloofd!.....
En als ze er dan wàs, hoe vertrouwelijk hij dan naar haar mama ging, die vriendelijke dame, hoe deftig hij groette, hoe trotsch hij dan naast zijn lief meisje voortstapte, in het zachte, warme, blije zomerlicht. En hoe blauw de zee, hoe frisch en goed en weldadig de menschen in hun lichte pakken, het blanke strand, de witte zeilen op het water, en over alles het gouden zonlicht. En in dit groote, àlom vertrouwde, híj met háár zoo intiem één, ál zijn woorden één liefdoen en streelen; wat moet hij vroolijk en blij hebben gekeken, wat moet alles ééns goed en heerlijk zijn geweest! Niet wijs en welbewust, en niet artistiek, o neen, vooral niet, maar zuiver als niet één sentiment van nu.
Hoe kregen alle dingen van haar voor hem een wondere, diepe beteekenis! Een arm, verlept bloemetje van haar borst, een programma, dat in haar handen was geweest op een concert, een stukje lint uit het mooie haar, een zakdoekje dat ze hem had gegeven, hoe blij en trotsch maakten ze hem, hoe voorzichtig kon hij zoo iets kussen vóór hij naar bed ging, als hij alleen was in zijn kamertje, en als hij al die schatten te voorschijn haalde! Hoe lief en intiem werd elk plekje, waar hij met haar had geloopen, het was of overal een fijne essence van haar bleef ronddroomen, waar ze éénmaal haar teêr, lucht lichaampje had bewogen. Het lag op alle wegen, die hij met haar gegaan was, het beefde in de lucht, het lichtte over de groote, groote zee.
Hoe blij gingen nu de dagen van dien zomer voorbij!