Part 1
HET INTIEME LEVEN DER VOGELS
DOOR JAC. P. THIJSSE
GEÏLLUSTREERD MET VIJFTIG REPRODUCTIES VAN NATUUROPNAMEN VAN
R. TEPE
TWEEDE DRUK
UTRECHT—H. HONIG—1913
VOORREDE.
Wij weten van het intieme leven der vogels maar heel weinig. De doode vogel is vlijtig genoeg bestudeerd; zijn veertjes geteld, zijn beentjes gemeten. De inventaris van zijn nesten en eieren is in bijzonderheden opgemaakt en ook omtrent den datum van komen en gaan hebben wij in de meeste gevallen voldoende zekerheid.
Maar hoe de vogel zijn dag en zijn leven doorbrengt, hoe hij zich gedraagt in verschillende levensomstandigheden, hoe hij ertoe gekomen is, om zich zoo te gedragen en hoe dat gedrag zich nog steeds wijzigt, daarvan is nog weinig bekend en toch zou men kunnen beweren, dat de beantwoording van deze vragen juist de eigenlijke vogelkennis heeten mag.
Ik heb door het schrijven van dit boek getracht, de aandacht te vestigen op het leven van enkele onzer meest bekende vogels, in de verwachting, dat de vele vogelvrienden en vriendinnen, die ons kleine landje telt, zullen willen meewerken, om het ontbrekende of foutieve in mijn waarnemingen aan te vullen en te verbeteren.
De vogels hebben het noodig. De vraagstukken van vogelbescherming en vogelverdelging kunnen alleen op bevredigende wijze worden opgelost, wanneer we een volledig inzicht hebben in het leven der vogels en zoodoende klaar beseffen, wat het vogelleven te beteekenen heeft voor het menschelijk geluk.
Deze studie vereischt veel toewijding en geduld, maar is een onuitputtelijke bron van het reinste genot, heilzaam voor lichaam en geest. ’t Is een soort van veredelde jacht: de wapens zijn de verrekijker en de camera, notities en negatieven vormen den tastbaren buit.
Mijn weitasch is maar weinig gevuld: de daden der vogels zijn nog vluchtiger dan de vogels zelf. Mijn medejager is gelukkiger geweest, en zoo hoop ik dan, dat Tepe’s negatieven vergoeden mogen, wat er aan mijn notities ontbreekt.
Jac. P. Thijsse.
Bloemendaal, Nov. ’06.
VOORBERICHT VOOR DEN TWEEDEN DRUK.
Sedert het verschijnen van den eersten druk van dit werk zijn bijna acht jaren voorbij gegaan, belangrijke, gunstige jaren voor de vogelstudie en vogelbescherming in ons land.
Tot mijn groot genoegen heb ik dus heele passages van polemiek en verzuchtingen kunnen schrappen, waardoor ik meteen plaats kon vinden voor het vermelden van enkele nieuwe waarnemingen.
Jac. P. Thijsse.
Bloemendaal, Maart 1913.
I.
IN DEN POLDER.
STERNTJES EN MEEUWEN.
De oudste berichten omtrent den vogelrijkdom van Nederland danken wij aan Julius Caesar, die het van hooren zeggen had, dat de bewoners van ons Noordzeestrand zich geneerden van visch en vogeleieren. Ook oppert de bekende philoloog Karl Bartsch in zijn inleiding tot het Gudrun-lied het vermoeden, dat met het Irland uit het beroemde heldendicht niets meer of minder bedoeld zou zijn dan mijn dierbaar Eierland op Texel. Dat zou dus reeds in de twaalfde of dertiende eeuw zijn welverdiende reputatie hebben genoten.
Een ernstig zoöloog haalt natuurlijk zijn schouders op over dergelijke apocriefe gegevens. Julius Caesar heeft het met zijn natuurlijke historie van den eland voor goed verkorven en dichters en philologen staan met de plant- en dierkunde ook al op niet al te besten voet. Toch wil ik gaarne bekennen, dat de gedachte aan den grooten Romein en vooral de kleurige stoet uit het vriendelijke Noordzee-epos mij vaak gesteund en opgemonterd heeft bij het uren- en dagenlange nagaan van onze zee- en strandvogels, langs de stranden en in de polders van de Wadden-eilanden.
De vogelbevolking van Eierland is sedert de inpoldering van 1835 sterk achteruitgegaan, een natuurlijk gevolg van de cultuur, maar op enkele plaatsen in de Texelsche polders zijn in den broedtijd de nesten en eieren nog zoo talrijk, dat een volksstam er drie maanden lang overvloed van gezond voedsel zou kunnen vinden, niet de veertigduizend ridders van Sigebant of Hagen, maar wel de vijftig of zestig kleihutbewoners, die in den ouden tijd een volk vormden.
Het beste van deze terreinen lag vlak tegen het oude Eierland aan, het oostelijke gedeelte van den polder Het Noorden, bar bloot land, doorsneden door breede, ondiepe kreken. Zonder den hoogen zeedijk en den van verre zichtbaren molen zou men kunnen meenen, de slikken en banken te betreden, die nog voordat de duinen bestonden, de westelijke grens vormden van het haff, dat eenmaal Nederland zou worden. De bodem bestond hoofdzakelijk uit zand met schelpen, hier en daar bedekt met sliblagen van verschillende dikte. Slechts op enkele plaatsen lag het zand zoo hoog en droog, dat het stuiven kon; sommige plekken waren zonder den minsten plantengroei, op andere plaatsen stonden ijl de sappige stengeltjes van zeekraal, met schaarsche rozetjes van zeepostelein. Het Engelsch gras tintte sommige plekken met een liefelijk rozerood en langs de breedste kreek vormde het kweldergras met andere ingezaaide grassen een soort van groene strandweide, die echter door groot vertoon van biezen en addertong een weerbarstige houding aannam tegen de onwelkome ontginningsplannen. Versch gestoken, lange, rechte greppels verminderen den poëtischen indruk van eenzame woestheid: als ’t ware de eerste loopgraven, waarmee de mensch de vogels belaagt in deze eene der weinige vestingen, die hun nog restten.
Deze strandvogels haten en vreezen den mensch meer dan eenig ander levend wezen. En dat is geen wonder, want sedert eeuwen staat voor hen de aanwezigheid van menschen gelijk met het rooven van honderden en honderden eieren. Nu nog, als in Caesar’s tijd, geschiedt dat om aan den kost te komen, om een lekkernij te bemachtigen, om geld te verdienen, maar ook verzamelwoede of baldadigheid richten groote verwoestingen aan. Men kan tegenwoordig gerust beweren, dat de strand- en weidevogels geen erger levenden vijand hebben dan den mensch en daarom vreezen ze hem dan ook meer dan de drieste kraai, het vinnig hermelijntje of de vieze rat.
Hoe lang zal het duren, eer zij een gunstiger oordeel over ons vellen? Er komen betere tijden. In de laatste tien jaren heb ik duizenden en duizenden eieren gezien zonder er een van mede te nemen. Wij hebben dagen lang met een vrij groot gezelschap in de vogelvesting vertoefd en geen enkel nest heeft schade geleden. Verscheiden natuurvrienden zijn wars van het verzamelen van eierdoppen, nesten en opgezette vogels en geven er de voorkeur aan, hun vrijen tijd door te brengen te midden van die heerlijke schepselen zelve, om te trachten, iets van hun wonderlijk leven gewaar te worden. Verrekijker en camera vervangen gaandeweg geweer en valstrik, die voortaan slechts geduld mogen worden in handen van hen, die zich bezig houden met echt, belangrijk, wetenschappelijk onderzoek. Onze huizen en tuinen worden al meer en meer vrijplaatsen voor klein gevogelte, terwijl de Vereeniging tot Behoud van Natuurmonumenten ernaar streeft, om overal in ’t land asylen voor vogels te verkrijgen.
Zoo komen langzamerhand betere tijden, maar lang nog zal ’t duren, eer ge de broedplaatsen van sterntjes en meeuwen betreden kunt, zonder van alle kanten verwenscht en uitgekreten te worden.
Wij, die ons van al die beleedigingen niets behoeven aan te trekken, vinden dat evenwel meteen een mooie gelegenheid, om een overzicht te krijgen van de vogelbevolking van den polder.
Reeds voor we goed en wel de grenssloot zijn overgestoken, buitelt met schor geschreeuw een kieviet door de lucht en weldra wordt hij begeleid door een paar tureluurs, die, even druk, maar minder luidruchtig, om ons heen blijven hangen, nu eens vliegend met kleine schokjes, dan zwevend met spitse neerhangende vleugels en slepende roode pooten, dan weer stilstaand op een kluitje, op en neer wippend en onophoudelijk hun angstkreet „tuut-tuut-tuut” uitstootend. Zeer elegante, slanke, schuchtere vogeltjes.
Woest giert met luid gepiep een scholekster voorbij met veel vertoon van witte vleugelpennen in zwarte omlijsting, rood fonkelend oog en langen, zwaren vuurrooden snavel; een reclame-schreeuwer. Intusschen heeft zich in de lucht een linie gevormd van wondervreemde zwart- met witte vogels; veel hard wit met enkele sterke smalle gebogen zwarte lijnen; ook de vleugelpunten zijn zwart. De fijne kop, de slanke hals, de dunne, naar boven gekromde snavel, de enorme leigrauwe pooten en bovenal de ongewone houding onder ’t vliegen, maken dezen typischen bewoner der riviermonden en zeegaten, de kluit, tot een van onze merkwaardigste vogels. Zelden wordt hij gezien buiten deze weinige bezochte streken en zijn aanwezigheid hier maakt, dat wij een gevoel krijgen van in den vreemde te zijn op een ontdekkingsreis.
Van tijd tot tijd strijkt een kluit neer, met zonderlinge gebaren zich voortsleepend over den grond en dan blijken daar overal kleine vogeltjes rond te loopen, pijlsnel, grijs als muisjes, soms voortvliegend langs den grond en dan komt er veel wit te zien; dat zijn de strandpleviertjes.
Zwijgend schiet een dozijn dikkoppige kemphanen voorbij, maar zij worden nauwelijks opgemerkt, want nu is de lucht vervuld met een wolk van krijschende sterntjes en meeuwen, alle even boos, en al naar de nesten, die we naderen, schiet er een op ons neer: een dwergsterntje, een gewone stern, een zilvergrijze stern, een groote stern of een zwartkopmeeuw, de een wat vinniger dan de ander, maar alle hunne vrees overwinnend door de zorg voor het broedsel.
De grond ligt hier vol met nesten en eieren, maar die liggen zoo stil en zijn hier zoo volkomen op hun plaats, dat een oppervlakkig wandelaar ze niet opmerkt en er in kan trappen, voor hij ze ziet. Over het algemeen lijken de eieren van op den grond broedende vogels veel op de omgeving van zandaanspoelsel, schelpen en grasgewas, maar toch lang zooveel niet, als iemand die ’t nooit gezien heeft, wel gelooven wil.
Er ontstaan in de literatuur langzamerhand allerlei merkwaardige mythen over „beschermingskleuren” en het is misschien niet overbodig, hier bij deze honderden van nesten even te constateeren, dat ten minste in dit geval van bescherming of verstoppertje spelen geen sprake is.
Ik geloof graag, dat een gewoon toerist, die nog nooit eieren gezocht heeft, door dat heele broedgebied kan wandelen, zonder één nest te bespeuren, maar daar staat tegenover dat een gewone Texelsche schooljongen er misschien niet één zal overslaan.
Zelf zie ik ze in den regel ook wel, wanneer ik er maar in slaag, mijn aandacht te concentreeren op den bodem en aan niets anders te denken, dan aan eieren en nesten. Doch zoodra ik in beslag word genomen door een vraagal van een medewandelaar of wanneer ik verdiept raak in de een of andere gedachtenreeks, dan ontgaan ze mij bij dozijnen.
Wanneer nu een gewoon belangstellend stedeling een vogelbroedplaats bezoekt, dan leiden de nieuwe indrukken hem meestal zoo af, dat hij niet het vierde deel opmerkt, van wat er te zien valt.
Het is dan ook onmogelijk, om bij zoo’n eerste bezoek het oog af te wenden van het wonderlijk bewegen van al die honderden vogels van allerlei soort, niet te luisteren naar de velerlei geluiden van angst en toorn, die de lucht vervullen, niet te geraken tot overpeinzingen aangaande den rijkdom van het leven en de grootschheid der schepping.
Maar de eierverzamelaar van professie, hetzij mensch of dier, wordt door dergelijke preoccupaties niet belemmerd. Hij monstert den bodem met koelen blik; geen kuiltje, geen opeenhoping van schelpjes of gruis ontgaat zijn aandacht en zelfs de eieren van de dwergstern en van ’t strandpleviertje, die ’t meest in kleur en tint op den zandgrond gelijken, worden door hem zonder moeite opgemerkt.
Het ligt voor de hand, dat de befaamde eierroovers, zooals de kraai en de zilvermeeuw, maar al te gemakkelijk de nesten ontdekken en indien de sterntjes en zwartkoppen niet over andere verdedigingsmiddelen te beschikken hadden dan de door de schrijvers zoo vaak misbruikte beschermingskleur, dan waren zij al lang van den aardbodem verdwenen.
De grondkleur van het sterntjesei wisselt af van zandkleurig lichtgeel tot donkerblauw, met allerlei tusschentinten van grijs, bruin, groenachtig grijs, blauwgroen en soms heel mooi kopergroen. Een enkele maal zijn ze geheel en al ongevlekt, maar meestal vertoonen ze een alweer sterk afwisselend aantal van duidelijke en minder duidelijke donkere vlekken, soms bijna tot zwart toe. Nu eens zijn de vlekken vrij gelijkmatig over de geheele schaal verspreid, dan weer vormen ze een dichten krans om het stompe gedeelte van het ei. In vorm en grootte loopen die vlekken weer zeer uiteen, terwijl streepen slechts zelden worden aangetroffen, ’t meest nog bij eieren van de groote stern.
Nu, al deze zoo uiteenloopende kleuren en teekeningen worden gevonden bij eieren op éénzelfde stuk grond, ja bij eieren in éénzelfde nest. Bij de gewone stern vormen drie eieren een voltallig legsel en niet zelden komt het voor, dat ze alle drie een geheel verschillend type van kleur en teekening vertoonen.
Men zou zelfs kunnen betwijfelen, of drie zoo verschillende eieren van een en denzelfden vogel afkomstig waren. Het is lang niet gemakkelijk, om hieromtrent zekerheid te verkrijgen, want de vogels nemen het vaak niet zoo nauw met het mijn en dijn en zien er evenmin tegen op, om een ei te leggen in een vreemd nest, als een vreemd jong groot te brengen of vreemde eieren uit te broeden.
Meestal broeden de sterns in groote gezelschappen bijeen, maar nog al dikwijls vinden we in de veenlandjes en in de duinen geheel afzonderlijke nesten en het is merkwaardig, dat in deze het drietal of tweetal eieren tamelijk wel gelijk zijn van kleur en teekening. In de laatste twee jaren heb ik op dezen regel slechts tweemaal een uitzondering gevonden.
Het grootste aantal legsels met in kleur verschillende eieren vond ik twee jaar achtereen op den Hoek van Holland, waar meer dan de helft der talrijke nesten het verschijnsel vertoonde. Ik neem mij voor, op de voornaamste broedterreinen hieromtrent nauwkeurige tellingen te verrichten en ook op andere wijze te onderzoeken of het vermoeden juist is, dat de sterntjes en vooral de gewone stern, ’t zij uit domheid of onverschilligheid of met opzet en besef hun eieren deponeeren in een nest, zonder te weten, of het wel oorspronkelijk hun eigen is. Want die sterntjes hebben nesten, al zijn zij soms zeer primitief, en een wandeling door den polder leert alweer dadelijk, dat ook in dit opzicht deze interessante vogels een groote veelzijdigheid aan den dag leggen.
Maar laat ik eerst even iets vertellen van sterntjesnesten buiten den polder. Dat was aan den Hoek van Holland, den echten, het driehoekig eilandje, dat door het graven van den Nieuwen Rotterdamschen Waterweg van het vaste land is afgesneden. In hoofdzaak is het een stuk duin met een breed zandig strand, waarvan sommige gedeelten alleen bij hooge vloeden onderloopen.
Voor zoover dit niet bedekt is met de schoone flora der strandweiden, ligt het zand er dicht en rul en daar hebben nu in den zomer honderden sterntjes hun nesten en wel de meest primitieve, die ik ooit aanschouwd heb, zoo zelfs, dat het bijna geen nesten genoemd kunnen worden.
Het zijn oorspronkelijk kleine kuiltjes in ’t zand. Blijft het lang droog weer, dan waaien die spoedig dicht, de eieren liggen dan in ’t zand, ja dikwijls geheel er onder. Zoolang ze niet te diep bedolven zijn, kan de vogel ze door zijn eigenaardige broedbewegingen—waarover straks meer—nog wel weer bloot krijgen. Doch dikwijls gebeurt het, dat bij aanhoudenden wind en vooral, wanneer dan door de een of andere oorzaak de vogels lang van hun nesten verwijderd blijven, de eieren een paar centimeter onder den grond komen en dan zijn ze verloren. Want hoe heet het zand ook op zomerdagen wezen kan, in de diepere lagen en ’s nachts is het kil en dat is de dood voor de vogelkiem.
In het algemeen kan als regel gelden, dat de eieren gedurende de bebroeding de temperatuur moeten hebben van een vogellichaam, dus 40 à 42° C. Het kan geen kwaad, wanneer gedurende korten tijd de grens naar de eene of andere zijde wordt overschreden, maar dat mag niet te lang duren, vooral niet in ’t midden van de bebroedingsperiode.
Liggen nu de eieren in het droge zand, dan is op heldere zomerdagen de zonnewarmte al voldoende, om ze op de temperatuur te houden en het is zelfs de vraag, of op heel heldere en windstille dagen die temperatuur niet te hoog wordt. Op gewone warme dagen ziet men de sterntjes niet op de eieren zitten, op zeer warme echter wel en dat is dan niet een maatregel, om de eieren te verwarmen, maar juist, om ze voor te sterke verwarming te behoeden. Laat de vogel dat na, dan mislukt het broedsel.
Ook omtrent deze zaak, waar nog weinig op gelet is, zijn nauwkeurige waarnemingen zeer gewenscht. Het komt er op aan, op een rulle strandvlakte de sternnesten te observeeren, zonder de vogels te storen, aanteekening te houden van den tijd (uren en minuten), dat de eieren bebroed worden, van de temperatuur van de bovenste zandlaag, benevens de kracht en de richting van den wind.
Ik kan niet dikwijls genoeg herhalen, dat aan dergelijke studie nog veel te weinig gedaan is. Zelfs de beste vogelboeken geven in hoofdzaak niet anders dan ellenlange beschrijvingen van het lichaam of liever van de veeren, van de eieren en van het nest, maar van het leven zelf der dieren worden slechts enkele algemeenheden verteld. Waar nog al eens wordt over uitgeweid, dat is hoe je het dier kunt vangen en in gevangen staat houden. Maar wat heb je nu aan een gevangen vogel? En wat is nu prettiger: een volière schoon te houden, of dagen lang met een verrekijker gewapend in ’t zonnige duin te liggen en te letten op alles, wat daar gebeurt?
De sterntjes in den polder hebben met minder moeilijkheden te kampen, dan de sterntjes op het strand. De grond is er minder zandig en een wijs polderbestuur zorgt er voor, dat de waterstand op het gewenschte peil blijft, zoodat in den regel de nesten niet te lijden hebben van verstuiving, noch van overstrooming. Alleen bij langdurig windstil regenachtig weer gaan in polders met windbemaling de velden blank staan en dan gaat er ontzettend veel vogelleven verloren. Gebeurt de ramp niet te laat in den broedtijd, dan maken de vogels nog wel een tweede broedsel, dat dan minder talrijk is dan het eerste.
Het nest krijgt een duidelijken komvorm, in overeenstemming met de grootte van den vogel. Op de kale vlakte is het kuiltje in ’t geheel niet bekleed, wel wat men noemt „versierd” met steentjes en schelpjes. Bevinden de nesten zich op een met gras begroeid gedeelte, dan zijn ze zelf ook opgebouwd uit dorre sprietjes en vezeltjes en zulk een sterntjesnest kan dan een vrij grooten omvang hebben.
Deze regels gelden in de eerste plaats voor het gewone sterntje en voor de zilvergrijze zeezwaluw, het dwergsterntje maakt zijn nest bijna uitsluitend op de kale vlakte en de groote stern maakt er heel weinig werk van.
Het versieren van de nesten komt zeer veel voor niet alleen bij de sterntjes, maar ook bij de pleviertjes. Het is al spraakgebruik geworden, om te spreken van versierde nesten, maar of hierbij nu wel de schoonheidszin der vogels te pas komt, dat zou ik niet durven beweren. Wij zijn licht geneigd, om aan de dieren allerlei menschelijke drijfveeren toe te kennen en in dit geval kan het haast niet anders.
Die schelpjes liggen zoo aardig om en in het nestje, teekenen zoo geestig met kleurige stipjes het grauwe zand en brengen het nest zoo aardig te voorschijn uit den doffen achtergrond, dat wij niet anders kunnen denken, of dit artistiek effect is te danken aan den artistieken aanleg van de vogels zelve. Ook herinnert ge u de Australische priëelvogels, die met schelpen, schitterend gekleurde bloemen en vruchten, en slakkenhuisjes ware praalgebouwen oprichten met paradeplaatsen erbij, waar ze zich kunnen verlustigen in hun schoone gewrochten. Hun nesten zelf evenwel zijn zeer eenvoudig. Doch laat ons naar onze sterntjes terugkeeren.
Ook hier bestaat weer behoefte aan degelijk onderzoek. De versiering wordt alleen aangetroffen bij de nesten, die op de kale vlakte liggen. Missen de sterntjes, die in ’t groene gras nestelen, dus allen kunstzin? Dat weet ik niet, maar wel, dat ze geen versieringsmateriaal in den omtrek van hun nest vinden, of liever dat hun versiering bestaat in de dorre sprietjes en grasjes, die ’t nest zelve vormen.
Want ’t is mij duidelijk gebleken, dat de sterntjes en pleviertjes alleen versieren met materiaal, dat in de onmiddellijke omgeving van het nest wordt aangetroffen. In onzen polder Het Noorden had dezen zomer een dwergsterntje zijn nest nabij een partijtje baksteengruis en nu had het den rand en den bodem ervan mooi belegd met van die roode keibrokjes. Het spreekt vanzelf, dat daardoor dit nest—en dat is met al die versierde nesten het geval—veel beter in ’t oog viel, dus het dier deed zich, naar ons oordeel, geen voordeel met die versiering.
Op schelprijke plaatsen waren de nesten versierd met schelpen, en wel van dezelfde soort, als die in den omtrek lagen, soms zoo sterk, dat de heele nestkom met een schelpenlaag bedekt was. Een enkel nest was zelfs een schelpenberg geworden, natuurlijk met een kuiltje in den top, waarin de eieren lagen. Dit nest was wel honderd meter ver te onderscheiden.
Zeer dikwijls heb ik den indruk gekregen, dat deze zoogenaamde versiering toch van direct voordeel voor de eieren is en wel dat ze erdoor behoed worden tegen de vochtigheid van den bodem, en bij langdurige droogte tegen te groote verhitting door de middagzon, want natuurlijk geeft zoo’n schelpen- en steentjeslaag een niet te versmaden gelegenheid voor ventilatie. Intusschen mag niet uit het oog verloren worden, dat een menigte van sterntjes het zonder die ventilatie weten te redden.
Mijn vriend Selous maakt een andere veronderstelling. Hij meent, dat de vogels bij het urenlange stilzitten op de eieren zich doodelijk vervelen of liever behoefte hebben aan eenige beweging en bezigheid, en dat ze als het ware vanzelf er toe komen om dan de verplaatsbare voorwerpen met den snavel te grijpen en weer neer te leggen. Zoodoende komt dan een kring van dergelijke voorwerpen om het nest te liggen en het is ook best mogelijk, dat ze hetzij bij ongeluk, hetzij met opzet in het nest zelf terecht komen.
Zeker is het—ik heb het dikwijls genoeg gezien—dat een broedende vogel, die zich veilig waant, niet volkomen stil zit. Wel, als hij in gevaar verkeert; dan zitten de meeste vogels als uit steen gehouwen, maar bij volkomen rust draaien ze met den kop, rekken den hals, geeuwen een beetje, happen eens naar een voorbijvliegend insect of verschikken even vleugels en staart. Dan weer scharrelen ze even aan den nestrand, halen een sprietje door den snavel en dan maakt het bewegen van den kop, het heen en weer rukken van het strootje eer den indruk van spel of tijdverdrijf, dan van zorgvuldig repareeren van den nestrand. Al die bewegingen zijn te vergelijken met ons onbewust spelen met potlood of papiersnijder, het trommelen op de ruiten of op de tafel of het klassieke duimen-draaien. Ik wil graag erkennen dat ik voor Selous’ veronderstelling zeer veel gevoel en niet zal nalaten ook deze zaak nader en zelfs proefondervindelijk te onderzoeken.