Het hol van Kaan

Part 13

Chapter 131,238 wordsPublic domain

En temidden van dit tumult rolde eensklaps „Oome Janes” door een vreeselijken ruk voorover, en sloeg met z’n armen op tafel, midden tusschen de bordjes met poffertjes.

De woede en de verbazing van de omstanders is niet te beschrijven. En tusschen al die woedende menschen zat Oome Janes met een onnoozel gezicht te kijken, terwijl hij mompelde:

„Hè, hè... is da... slape!”

De jongens vlogen als een pijl uit den boog weg, achterna gezeten door een der mannen van het gezelschap. Ze waren hem echter te vlug af en de man gaf den wedloop dan ook spoedig op.

En zoo eindigde de eerste kermisavond der vier bengels.

Dat er de verdere dagen nog een aantal streken uitgehaald werden dient geen betoog.

Toen ze op den laatsten dag echter hun kermispot nakeken, bleek het, dat ze al hun geld nog niet verteerd hadden.

„We zijn zuinige pantalonika’s geweest,” zei Chris.

„Nou alle centen van avond stuk slaan?” vroeg Piet.

„Neen,” zei Ambro. „Ik weet wat leuks. Laten we de helft van de spiejen nu bewaren om Karel, Paul en Wim te fuiven als ze terug zijn. We vieren dan meteen ons afscheid van de lagere school. Want al blijft de bende bestaan, we waaien toch verschillende kanten uit.”

Ze waren er alle drie voor te vinden en er werd dien avond een gulden negen en vijftig en een halve cent apart gelegd voor de afscheids-fuif.

En zoo vinden we de heele club dan terug op het stukske grond, dat al zoo menig keer getuige was van hun jongensstreken, n.l. het weiland.

„We zullen eerst vreugdevuren ontsteken,” zegt Ambro.

Hij pakte al wat hij aan papieren en vodden vindt bijeen en gooit het op een hoop.

Nu worden er houtjes gezocht en met behulp van de noodige lucifers, die Ambro voor dit doel had meegebracht, wordt het vuurtje aangestookt.

Als het eindelijk lustig brandt, dansen de jongens er in woesten krijgsdans om heen.

„Vooruit jongens, nu gaan we al het lekkers opeten,” zegt Chris plotseling.

„Lekkers?” vraagt Karel verwonderd.

„Wachten,” gebiedt Ambro. En dan gaat hij op hoogdravenden toon voort:

„Laat mij, roovers van het Hol van Kaan, wier hoofdman ik ben, nog éénmaal als medescholier het woord tot jullie voeren.

„Wij zijn hier bijeen gekomen, om het afscheid te vieren van onze geliefde en hooggewaardeerde lagere school. Over een week zitten we allen te zweeten op een H... h... h... oogere School. Dàn zullen we aan den lijve voelen wat werken heet. Totnogtoe hebben we pret gehad en óók wel es gewerkt, maar dáár, geloof me, zullen ze ons mores leeren.

„Laten we, terwijl we al de lekkernijen opbikken, die wij van onze kermiscenten ter eere van jullie terugkomst gekocht hebben, de heerlijke dagen herdenken die we doorgebracht hebben vanaf de Bewaarschool tot nu.

„En roovers, laten we elkaar beloven steeds ons clubje in eere te houden en geen vreemde snoeshanen naar binnen te smokkelen.

„De roovers van het Hol van Kaan, zij leven hoog!”

Een oorverdoovend applaus beloonde deze schitterende feestrede.

Toen vond Chris, dat hij nu niet minder kon, dan Ambro voor zijn speech te bedanken.

Heel waardig stond hij op uit het gras, waarin hij languit lag en sprak Ambro toe met de volgende woorden:

„Ambro, Hoofdman der roovers van het Hol van Kaan.

„Uit naam van de heele bende dank ik je voor je emmese toespraak.

„Je weet, ik kan niet zoo goed kletsen als jij, maar ik wil je alleen zeggen, dat zoo’n kameraad als jij nog gevonden moet worden. Hè, jongens?”

„Nou en of! Zeg dat wel!” gilden de overige roover-leden dooreen.

„En,” ging Chris verder. „We hopen dan ook, dat je onze Hoofdman zult blijven, we gaan door dik en dun met je mee. Hiep hôj voor Ambro!”

„Hiep hôj!” schreeuwden ze allen eenige malen.

„En nou de boel opschransen,” zei Chris, die vond, dat ie na zulk een schoone rede recht op zijn aandeel had.

Het was een waar feestmaal, de onvolprezen zuurballen, okkie’s, noga-blokken, al wat het magazijn van Hazelip herbergde was aanwezig.

Toen alles op was, haalde Ambro een fijn bonbon-zakje te voorschijn, waarin zeven rhumboonen zaten.

„Deze godendrank heb ik tot het laatste bewaard, we zullen den drank opslurpen en met de chocolade-huls klinken op onze trouwe vriendschap.”

Plechtig reikte hij ieder een rhumboon over.

En even plechtig ging het zoete slokje naar binnen.

Toen gingen ze vlak bij elkaar staan en ze stootten aan met de eenigszins weeke overblijfselen van de boonen.

„Lang leve de bende van Kaan, lang leve Ambro, hiep hôj!”

Toen was het feest geëindigd en gingen ze allen voldaan naar huis.

BESLUIT.

En nu ben ik aan het einde van mijn verhaal gekomen. De vacantie is om en de jongens gaan naar de H.B.S. of Gymnasium.

Er komt nu een heel andere tijd voor ze, Ambro heeft dit zeer goed gevoeld. Er moet stevig gewerkt worden en er kunnen geen heele middagen meer besteed worden aan schelmenstreken.

Ik zou jullie nog heel veel van ze kunnen vertellen, misschien laat ik ze nog wel eens als H.B.S.-sers voor jullie verschijnen.

Op dit tijdstip, dat is dus vijftien jaar na den tijd waarop ze hun jongensstreken uithaalden, zijn ’t allen deftige mijnheertjes geworden.

Maar wacht, ik zal de film even laten draaien, net als bij het begin van mijn boek, dan zien jullie mijn helden weer levensgroot op het doek verschijnen.

Rrrrrrrr... zegt de motor, wacht even, hij weigert... rrrrr...

Kijk, zien jullie dien heer, deftig in het zwart met hoogen hoed op en een portefeuille onder den arm, die daar juist het Gerechtshof verlaat.

Dat is Puckie!

Een coupeetje op luchtbanden rolt aan.

Er uit stapt een slanke jongeman.

Het is Paul, nu een zeer bekende kinder-arts met drukke praktijk.

Rrrrrrrr..... de Rotterdamsche Beurs.

Tusschen een troepje druk pratende heeren, loopt Karel, hij is een gezeten graanhandelaar geworden.

Nu gaan we ver weg..... de film voert ons naar Indië.

Zie je dien heer, die daar in een langen rieten stoel in de voorgalerij van zijn huis een fijne manilla rookt?

Dat is Wim, hij is ingenieur.

We gaan terug naar Holland. Een groot kantoor in Amsterdam.

Er zitten eenige heeren aan groote bureaux te schrijven.

Een van die heeren staat voor het raam, hij kauwt peinzend op zijn penhouder en tuurt naar buiten.

Het is Chris, hij is candidaat-notaris.

Nu zijn we aan boord van een groot schip. Over de verschansing leunt de eerste stuurman.

Hoe kranig staat hem zijn uniform, en hoe pienter kijken de levendige oogen onder de stuurmans-pet uit.

Het is Piet.—Nu kan hij z’n lust tot avonturen bot vieren.

Florence.—Het is midden-zomer.

Voor een van de groote café’s op de Piazza del Duomo zit een jonge man.

Hij heeft een schetsboek in de hand en maakt kleine krabbels van de voorbijgangers.

Nu kijkt hij op.

Waar hebben we dit vroolijk, open gelaat meer gezien.

Halo! ’t Is Ambro. Hij is om studies te kunnen maken naar Italië vertrokken.

Hij is onveranderd, de hoofdman van het Hol van Kaan.

Z’n oogen staan nog even overmoedig en brutaal als vroeger. Hij zal zijn weg wel vinden door ’t leven.

Zoo—nu hebben jullie mijn helden een voor een teruggezien, allen als welgestelde burgers.

Er is niet één mislukt van het aardige jongenstroepje. En ik denk, dat ze allen nog wel eens met weemoed terugdenken aan de heerlijke onbezorgde dagen van

HET HOL VAN KAAN.