Part 9
En den volgenden morgen kwam de toovenaar opnieuw tot hem en zeide:
"Wanneer je mij heden niet het stuk geel goud thuis brengt, zal ik je voor goed als mijn slaaf houden en je drie honderd stokslagen geven."
En het Sterrekind ging in het bosch en heel den dag door zocht hij naar het stuk geel goud, maar nergens kon hij het vinden. En toen de zon ter kimme daalde zette hij zich neer en begon te schreien, en terwijl hij zoo schreide, kwam de kleine haas, dien hij uit zijn val bevrijd had naar hem toe geloopen.
En de haas zeide tot hem:
"Waarom schreit ge en wat zoek je in het woud?"
En het Sterrekind antwoordde:
"Ik zoek een stuk geel goud, dat hier verborgen is en wanneer ik het niet vind, zal mijn meester mij slaan en mij als zijn slaaf bij zich houden."
"Volg mij," riep de haas en hij liep door het bosch, totdat hij aan een waterplas kwam. En op den bodem van den plas lag het stuk geel goud.
"Hoe zal ik je danken?" zeide het Sterrekind, "want zie! dit is reeds de tweede maal, dat je mij geholpen hebt."
"Ja, maar je hebt het eerst medelijden met mij gehad," zeide de haas en ijlings draafde hij heen.
En het Sterrekind nam het stuk geel goud en stak het in zijn zak en liep haastig terug naar de stad.
Maar de melaatsche zag hem komen, ging hem tegemoet, knielde neer en riep: "Geef mij een stukje geld, anders moet ik van honger sterven."
En het Sterrekind antwoordde hem:
"Ik heb alleen een stuk geel goud in mijn zak en wanneer ik het mijn meester niet breng, zal hij mij slaan en als zijn slaaf bij zich houden."
Maar de melaatsche smeekte hem zoo dringend, dat het Sterrekind medelijden met hem kreeg en hem het stuk geel goud gaf.
En toen hij aan het huis van den toovenaar gekomen was, opende deze hem en liet hem binnen en zeide:
"Heb je het stuk geel goud?"
En het Sterrekind zeide:
"Ik heb het niet."
Toen wierp de toovenaar zich op hem, sloeg hem, belaadde hem met ketenen en sloot hem weer op in den kerker.
En den volgenden morgen kwam de toovenaar tot hem en zeide:
"Wanneer je mij heden het stuk rood goud brengt zal ik je vrij laten. Maar wanneer je het mij niet brengt, zal ik je doodslaan, wees daar zeker van."
En het Sterrekind ging naar het bosch en zocht den geheelen dag naar het stuk rood goud, maar nergens kon hij het vinden. En toen het avond werd zette hij zich neer en schreide en toen hij zoo schreide, kwam de kleine haas tot hem.
En de haas zeide:
"Het stuk rood goud, dat je zoekt ligt in het hol achter je. Schrei dus niet langer, maar wees blijde."
"Hoe zal ik 't je ooit vergelden!" riep het Sterrekind, "want zie! dit is de derde maal, dat je me geholpen hebt."
"Ja, maar jij hadt toch 't eerst medelijden met mij," zei het haasje en liep ijlings heen.
En het Sterrekind ging binnen in het hol en in den verst-verwijderden hoek vond hij het stuk rood goud. En hij stak het in zijn zak en snelde terug naar de stad.
En de melaatsche zag hem aankomen en zich midden op den weg plaatsende, riep hij hem en zeide:
"Geef mij het stuk rood goud, anders moet ik sterven."
En het Sterrekind had wederom medelijden met hem en gaf hem het stuk rood goud, zeggende:
"Uw nood is grooter dan de mijne." Maar zijn hart was zwaar, want hij wist, welk treurig lot hem wachtte.
Maar zie! toen hij door de stadspoort kwam, bogen de schildwachten zich voor hem en huldigden hem en zeiden:
"Hoe schoon is onze Heer!"
En een schare van burgers volgde hem en riep:
"Waarlijk, in heel de wereld is niemand schooner dan hij!"
En het Sterrekind schreide bitter en sprak tot zich zelf:
"Zij bespotten mij en scheppen behagen in mijne ellende."
Doch zoo groot werd de toeloop van het volk, dat hij de richting van zijn weg verloor en zich ten laatste op een groot plein bevond, waarop het paleis van een koning stond.
En de poort van het paleis opende zich en de priesters en hooggeplaatste burgers der stad schreden hem tegemoet, bogen zich voor hem en zeiden:
"Gij zijt onzen Heer, op wien wij gewacht hebben en de zoon van onzen Koning."
En het Sterrekind antwoordde hen en sprak:
"Ik ben geenszins eens Konings zoon, maar het kind van eene arme bedelares. En waarom zegt gijlieden, dat ik schoon ben, terwijl ik toch weet, hoe afzichtelijk mijn gelaat is om aan te zien."
Toen hield degene, wiens wapenrusting met gouden bloemen was ingelegd en op wiens helm een gevleugelde leeuw lag, zijn schild hoog opgeheven en riep:
"Waarom zegt mijn Heer, dat hij niet schoon is?"
En het Sterrekind keek er in, en zie! zijn gelaat was zoo als het vroeger geweest was; zijne schoonheid was teruggekeerd en in zijne oogen zag hij iets, dat hij er vroeger nooit in bemerkt had.
En de priesters en hooge staatsburgers knielden neer en zeiden tot hem:
"Sinds langen tijd is voorspeld geworden, dat degene, die over ons heerschen moet, heden zou verschijnen. Onze heer en meester neme daarom deze kroon en dezen schepter uit onze handen en heersche in rechtvaardigheid en genade als Koning over ons".
Maar hij sprak tot hen:
"Ik ben zulks niet waardig, want ik heb de moeder, die mij droeg, verloochend en ik mag niet rusten aleer ik haar gevonden en hare vergiffenis ontvangen heb. Laat mij dus heengaan, want ik moet wederom over de wereld zwerven en mag hier niet blijven, al biedt gij mij ook kroon en schepter aan." En terwijl hij sprak, wendde hij het gelaat van hen af en blikte naar de straat die tot de stadspoort voerde, en zie! onder de schare, die zich om de soldaten drong, zag hij de bedelares, die zijne moeder was en naast haar stond de melaatsche man, die aan den weg gezeten had.
En een vreugdekreet weerklonk van zijne lippen en hij snelde naar haar toe, knielde neer en kuste de wonden aan zijn moeder's voeten en bevochtigde ze met zijne tranen.
Hij boog het hoofd in het stof, en snikte als een wiens hart breken zal en sprak tot haar:
"Moeder, ik verloochende u in het uur van mijn hoogmoed. Neem mij weer tot u, in het uur van mijn ootmoed. Moeder, ik gaf u haat. Geef gij mij liefde. Moeder, ik stootte u van mij. Neem gij nu Uw kind weer tot u."
Maar de bedelares antwoordde hem met geen enkel woord.
En hij strekte de handen uit en omvatte de witte voeten van den melaatschen en sprak tot hem:
"Driemaal betoonde ik u medelijden. Zeg mijne moeder, dat zij eenmaal nog tot mij spreke."
Maar de melaatsche antwoordde hem met geen enkel woord.
En wederom snikte hij en sprak:
"Moeder, mijn lijden is zwaarder dan ik dragen kan. Schenk mij uwe vergiffenis en laat mij terugkeeren in het woud."
En de bedelares legde hem de hand op het hoofd en sprak:
"Sta op!" En ook de melaatsche legde hem de hand op het hoofd en sprak eveneens:
"Sta op." En hij stond op en keek ze aan en zie!.... Zij waren een Koning en een Koningin.
En de Koningin zeide tot hem:
"Dit is uw vader, dien ge geholpen hebt."
En de Koning zeide:
"Dit is uwe moeder, wier voeten ge met uwe tranen besproeid hebt."
En zij vielen hem om den hals en kusten hem en geleidden hem in het paleis; zij kleedden hem in prachtige gewaden en zetten hem de kroon op het hoofd en legden hem den schepter in de hand en hij regeerde over de stad aan den stroom en was haar heerscher.
Vol rechtvaardigheid en genade was hij voor allen; den slechten toovenaar verbande hij, aan den houthakker en zijne vrouw zond hij vele rijke geschenken en hunne kinderen bewees hij veel eer. En hij duldde niet, dat eenig mensch wreed was voor vogels of vee, maar leerde liefde, goedheid en erbarmen; en den armen schonk hij brood en den naakten kleederen en er heerschte vrede en welvaart in het gansche land.
Maar lang regeerde hij niet, zoo bitter was zijn lijden en zoo zwaar waren zijne beproevingen geweest; en na drie jaren stierf hij.
Doch hij, die na hem kwam heerschte met wreede hand en strenge tucht, en nood en jammer kwamen over het land.