Het Geuldal De Aarde en haar Volken, 1907
Chapter 2
De taal is onverbasterd gebleven; er wordt nog ten huidige dagen gesproken hetzelfde dialect als voor driehonderd jaren, een mengelmoes van Fransch, Duitsch en Hollandsch, met als overblijfselen uit den tachtigjarigen oorlog enkele Spaansche woorden als "den amigo" voor bureau van politie, een nina kinneke "klein kindje" en meer andere dergelijke uitdrukkingen.
Elke plaats heeft z'n eigen taal, waar tusschen het verschil somtijds, in aanmerking den korten afstand, zeer groot mag genoemd worden bijv: "mooi meisje geef mij een kusje" luidt in het Maastrichtsch "schoen meitske gèf mich e puunsje", de Valkenburger zegt "schoin mädje gèf mich e muilke".
De taal zonder scherpe g, schier zonder keelklanken--de "sch" wordt uitgesproken evenals in het Duitsch--klinkt zoet, vloeiend, verhoogd nog door het ietwat zangerige, waarmede de Limburger spreekt.
Dat sprekend zingen heeft misschien zijn oorsprong te danken aan de bizondere voorliefde, welke iedere Zuid Limburger koestert voor de muziek.
Geen enkele plaats, geen enkel dorp, geen enkel gehucht zelfs, dat niet kan bogen op een of meer harmonieën, fanfare- of zanggezelschappen.
't Zijn dikwijls zeer goede muziek vereenigingen, zooals nog onlangs bleek, bij den in Juni 1906 te Leiden gehouden wedstrijd, waar de harmonie van Valkenburg de zege behaalde over tal van Hollandsche gezelschappen, waar haar de eerste prijs werd toegekend met algemeene stemmen en bizonderen gelukwensch der jury.
Een veelomvattende werkkring, welke van de leden dezer harmonieën wordt vereischt in de plaatsen hunner inwoning.
Des zomers geven zij concerten enkele malen in de week; des Zondagsmorgens begeleiden zij de kerkelijke processiën, welke hier nog in het openbaar worden gehouden, terwijl zij menigmaal dienzelfden middag nog optrekken met de plattelandsschutterijen naar den een of anderen wedstrijd in 't vogelschieten in een der naburige dorpen. Ik heb in de zomermaanden menigen bezoeker hartelijk zien lachen bij het aanschouwen van deze sterke, groote, stoere kerels, met breede snorren boven de saamgenepen lippen in diepen ernst voortschrijdend met krijgshaftigen pas. 't Lijkt inderdaad een naïef, kinderachtig vermaak zulk een schutterij optocht.
Eerst een flinke, kranige man, een hooge berenmuts op het hoofd, schier bedekkend de oogen; roode tressen op een donker buis, dikwijls te eng voor den dikken romp: een wit linnen broek, waarlangs een breede gouden bies; achter hem de muziek en de tamboer om beurten spelend en roffelend; deze worden onmiddellijk gevolgd door een breed geschouderden krachtigen man, die hoog voor zich uit, den stok rustend in een lederen koker op zijn buik, een rood fluweelen vaandel draagt, waarop in dik goud gestikt, het beeld van den een of anderen Heilige, den patroon van hun dorp; aan den top onder een zwaar vergulden valk tal van medailles, prijzen, welke de schutterij bij verschillende wedstrijden heeft behaald; vervolgens de schutters, 't geweer op den schouder, bloemetjes in den loop, het lijf gehuld in donkere jassen, soms in allerlei vorm en snit; allen dragen witte broeken en zwarte met gouden biezen afgezetten petten met staande kleppen.
In hun midden een krachtige figuur geheel in 't zwart gekleed, een hoogen hoed op 't hoofd, waarom een lauwerkrans van gouden blaren; een driedubbele keten van gouden platen bedekt borst en rug.
Deze schutterijen zijn de voortleving der vroegere schutters gilden; de lauwerkrans om den hoed van den koning is het symbool van de kroon; de zilveren en gouden platen welke hij torst, zijn gedenkpenningen, welke de overwinnaars in gehouden wedstrijden aan hunne corpsen hebben geschonken; sommigen dezer dagteekenen zelfs uit de eerste helft der zeventiende eeuw.
Ook de feestelijke Meiviering heeft zich hier staande kunnen houden.
Sinds lange eeuwen her, lang voor den aanvang onzer jaartelling werd het aanbreken van den Meimaand op plechtige wijze gevierd.
De Romeinen brachten den eersten Mei offeranden aan Maia, de godin aan welke deze maand zijn naam heeft ontleend; de Germanen plantten dienzelfden dag midden in hun dorp den Meiboom, waarom zij heen dansten in vroolijke opgewondenheid. Ook in latere tijden werd de eerste Mei in andere landen in eere gehouden, zooals in Zweden, Frankrijk en Ierland. Bij de Bergschotten verzamelde men dien dag droog hout, ontstak het en danste driemaal om dit vuur.
Langzamerhand is de Meiviering in den oorspronkelijken vorm in onbruik geraakt; slechts op enkele plaatsen heeft zij zich kunnen handhaven zoo o. a. in enkele dorpjes, aan den Rijn gelegen, in den Elzas en Lotharingen, zoo ook nog in het Limburgsch Valkenburg.
De viering alhier geschiedt op zeer bizondere wijze.
In den nacht van den laatsten April vereenigen zich een aantal jonge mannen in een der naburige bosschen. Op een bank, gevormd door een plank, steunend op enkel in den grond geslagen palen, zitten drie jonge mannen; hij die de middenplaats heeft ingenomen, is de door de jongelingschap van het stadje verkozen Meikoning; naast dezen zitten twee andere mannen, zijn schrijvers. Voor dit drietal staat een tafel, eveneens een plank, gespijkerd op ietwat hoogere palen; hierop een stuk papier, een steenen inktpot en twee lange stokken.
Op den grond liggen tal van dennentakken, met veelkleurige linten versierd, welke straks de jongens zullen planten voor de deur der door hun gekozen Meiliefsten.
Nadat de laatste slag van het middernachtelijk uur is geslagen, zingen allen:
"Al in den Mei, zoo gaarne wij zoeken Naar een jong meisje, daar ons hart naar tracht En ach wat pijn en smart Gevoel ik aan mijn jong hart."
Te midden van getoeter op den Meihoorn verrijst de Meikoning: hij geeft eenige slagen op de tafelplank en begint dan met luider stemme: kameraden de eerste Mei is aangebroken, de dag, waarop iedere jongen zich zijne Meiliefste koopt volgens oud gebruik. Dit jaar kunnen wij u aanbieden een prachtige verzameling van schoone, lieve en eerbare meisjes; meisjes, die geld waard zijn en op welke gij goed zult bieden, zooals ik hoop, opdat wij a. s. Zondag een goed gelag in de herberg zullen hebben--wij zullen u de voorwaarden van den verkoop voorlezen.
Een der schrijvers staat op om met luider stemme bekend te maken:
Art. I. Zullen in het openbaar en aan den meestbiedenden worden verkocht alle deugdzame en eerbare jonge dochters van het dorp van den leeftijd van zeventien tot aan dien van vijf en twintig.
Art. II. Elk bod moet ten minste een halve frank bedragen.
Art. III. De opbrengst van den verkoop zal op den eerstkomenden Zondag worden verteerd in de voornaamste herberg, waar iedere kooper zijn Meiliefste na het eindigen van de Mis zal intrekken.
Art. IV. Alle aankoopen zullen terstond moeten betaald worden.
Art. V. Ieder der aanwezigen heeft het recht zich te verzetten tegen den verkoop van een meisje, indien het hem bekend is, dat zij niet deugdzaam en eerbaar is, want geen onwaardige mag plaats bij ons nemen; daarentegen heeft ook ieder der aanwezigen het recht haar eer en goeden naam te verdedigen. De aanklager en de verdediger zullen den twist beslechten met deze twee stokken hier op tafel, waarover geene bezweringen zijn uitgesproken, waaraan geene maleficiën zijn gebruikt.
Art. VI. De Meikoning heeft het recht den strijd te doen eindigen en te beslissen of de verkoop al dan niet zal doorgaan.
En dan begint het loven en bieden afgewisseld door zingen, schreeuwen en toeten op den Meihoorn, harder en onstuimiger, hoe meer voor het meisje geboden wordt, gevolgd door luide hoerakreten voor den hoogsten bieder, als eindelijk de koop wordt gesloten. Zoo tot alle huwbare meisjes van het dorp zijn verkocht.
Dan grijpen de mannen de versierde dennentakken om dezen te gaan planten voor de deur der door hem gekozen Meiliefste. Den volgenden Zondag wachtten de vrijers hunne schoonen op voor de kerkdeur, om ze vervolgens in te trekken in de herberg, waar ze onthaald worden op "perfette amoer" (parfait amour) met suiker.
Natuurlijk dat de Meiliefste menigmaal is geworden de bruid en vervolgens de vrouw van haren kooper.
Veertig jaren geleden kende men in Holland dit strookje land slechts bij naam, bij overlevering en ons Limburgers werd op school geleerd, dat wij deel uitmaakten van het Koningrijk der Nederlanden, dat wij geregeerd werden door een koning, die Willem III heette.
Meer wisten wij nauwelijks van ons vaderland, wij stelden geen belang in het land, dat wij niet kenden, in de taal, die wij slechts gebrekkig spraken.
Behalve onze vrienden, met welken wij ons in het Limburgsch onderhielden, ontmoetten wij schier elken dag Duitsche of Belgische jongens, waarmede wij Duitsch of Fransch spraken; een Hollandsche jongen was voor ons een vreemdeling, zijn woorden klonken ons eveneens vreemd. Thans is dit alles geheel anders.
Nu een hartelijke sympathie, een warme vriendschap voor elkander, een broederlijk voelen te behooren tot hetzelfde volk, een fiere trots vereend te zijn tot ééne natie en aan deze blijde trots hebben de Valkenburgers op feestelijke wijze uiting gegeven in het jaar 1889 bij de plechtige onthulling van het monument, opgericht ter herdenking van den dag, waarop onze provincie vóór vijftig jaar met Nederland werd vereend.
Meer algemeen, geestdriftiger, grootscher echter die betoogingen van blijdschap in onze geheele provincie toen in het jaar 1895 de mare tot ons doordrong van het Hooge Bezoek, welke Neerlands Koninginnen voornemens waren Limburg te brengen.
Toen in elke herberg slechts één parool: "de Keuninginne"; in de huizen, op straat slechts één onderwerp: "de Keuninginne"; in elk brein slechts één gedachte: "de Keuninginne". Toen in de steden tallooze vergaderingen, benoemingen van commissiën, een ijverzucht tusschen de verschillende vereenigingen om Haar, Hollands Koninginne op de meest waardige en meest schitterende wijze te ontvangen, om Haar de ondubbelzinnigste blijken van trouw en gehechtheid te geven.
De boeren witten hunne huisjes; de boerinnen kweekten met angstige zorgvuldigheid hunne geraniums en fuchsias, waarmede zij hunne vensters zouden versieren, als "Zij" voorbijreden en gezamenlijk vlochten zij lange guirlandes van versch en jong groen uit de bosschen gehaald.
En toen eindelijk de stoomende afstandszwelger, dragend de Koninklijke gasten, Limburg's grenzen overschreed, toen een luid galmend gejubel van Noord tot Zuid, van Oost tot West, toen een oorverdoovend gejuich langs de boorden van Maas, Jeker en Geul, toen een opwelling van vreugdevolle razernij in elk gemoed, toen een feest, een koninklijk feest, door geen enkelen wanklank gestoord, door geen enkele vijandige betooging besmet of verguisd--de glorie van Limburg--toen een blijde lach om den hoera schreeuwenden mond, maar ook een traan van aandoening in het oog; toen donderende salvo's van kanonnengebulder en statig klokgebrom, toen de oranjestrik op de borst van Katholiek, van Protestant en Jood.
Die betuigingen van eerbied, van trouw en liefde hebben wij Zuiderlingen herhaald, toen enkele jaren later Hare Majesteit ons weder vereerde met Haar bezoek, thans aan de zijde van Haren Gemaal.
Beide malen heeft de provincie Limburg bewezen, dat zij recht heeft op eene waardige plaats te midden harer zusteren.
AANTEEKENING
[1] Deze photografieën werden bij het ten vorige jare gehouden photographisch concours van _De Aarde en haar Volken_ met den eersten prijs bekroond.
End of Project Gutenberg's Het Geuldal, by L. H. J. Lamberts Hurrelbrinck