Het Geheimzinnige Eiland De Verlatene

Chapter 17

Chapter 173,921 wordsPublic domain

"Maar waaraan sterft hij?" vroeg Pencroff.

"Hij dooft uit," antwoordde de reporter.

"Maar als wij hem in de lucht, in de zon brachten, dan zou hij misschien weer bijkomen?" zeide de zeeman.

"Neen, Pencroff," antwoordde de ingenieur, "er is niets meer aan te doen! Kapitein Nemo zou er bovendien niet in toestemmen zijn schip te verlaten. Sedert jaren leeft hij op de Nautilus en op de Nautilus wil hij sterven."

Kapitein Nemo hoorde waarschijnlijk het antwoord van Cyrus Smith, want hij richtte zich een weinig op en op zwakken, maar duidelijken toon zeide hij:

"Gij hebt gelijk, mijnheer. Ik moet en ik wil hier sterven. Ik heb u nog een verzoek te doen."

Cyrus Smith en zijn metgezellen naderden het rustbed en zij schikten de kussens zoo gemakkelijk mogelijk voor hem.

Men zag toen hoe zijn blik al de schatten in zijn zaal gadesloeg. Een voor een beschouwde hij de schilderijen aan den rijk versierden wand, die meesterstukken van italiaansche, vlaamsche, fransche en spaansche meesters, die marmeren en bronzen beelden op hun voetstukken, het prachtige orgel, de glazen kasten, die rondom een bekken gerangschikt stonden, waarin de schoonste voortbrengselen der zee verzameld waren; zeedieren en planten, paarlschelpen van onschatbare waarde en eindelijk vestigden zijn oogen zich op het opschrift, dat boven het museum te lezen stond, het devies van de Nautilus.

_Mobilis in mobilo._

Het scheen dat hij nog eenmaal die gewrochten der kunst en der natuur wilde bewonderen, die zijn omgeving hadden uitgemaakt gedurende de vele jaren, welke hij op den bodem der zeeën had doorgebracht.

Cyrus Smith had de stilte geëerbiedigd. Hij wachtte tot de stervende het woord zou nemen.

Na eenige oogenblikken, waarin hij waarschijnlijk zijn geheele leven voor zich zag, wendde kapitein Nemo zich tot de kolonisten en zeide:

"Gelooft gij, mijn vrienden, dat gij mij iets verschuldigd zijt?...."

"Kapitein, wij zouden ons leven geven om het uwe te verlengen!"

"Goed," hernam kapitein Nemo, "goed!... Beloof mij mijn laatsten wil na te komen, en gij zult mij alles, wat ik voor u gedaan heb, vergelden."

"Wij beloven het u," antwoordde Cyrus Smith.

"Vrienden," hernam de kapitein, "morgen zal ik dood zijn."

Hij legde Harbert, die hem in de rede wilde vallen, door een teeken het zwijgen op.

"Morgen zal ik dood zijn en ik wil geen ander graf dan de Nautilus. Dit is mijn graf. Al mijne vrienden rusten op den bodem der zee, ook ik wil daar rusten."

Diepe stilte volgde op de woorden van den kapitein.

"Luister wel," vervolgde hij. "De Nautilus is in deze grot gevangen, waarvan de ingang versperd is. Maar zij kan haar gevangenis niet verlaten, zij kan door den afgrond verzwolgen worden en er mijn stoffelijk overschot bewaren."

De kolonisten luisterden eerbiedig naar de woorden van den stervende.

"Morgen, na mijn dood, zult gij, mijnheer Smith en uwe metgezellen de Nautilus verlaten, want alle schatten, die zij bevat, moeten met mij verdwijnen. Een enkel aandenken zult gij behouden aan prins Dakkar, wiens levensgeschiedenis gij nu kent. Die koffer... daar... bevat millioenen diamanten, grootendeels herinneringen aan den tijd, dat ik als vader en echtgenoot, bijna aan het geluk geloofd heb, en een aantal paarlen, door mijne vrienden en mij uit de diepte der zee verzameld. Met die schatten zult gij eenmaal veel goeds kunnen verrichten. Aan handen als de uwe, mijnheer Smith, en die uwer metgezellen, is het geld wel vertrouwd. Ik zal dan hierboven deel hebben aan uw werken, en ik ben er niet bevreesd voor!"

Na eenige oogenblikken rust ging kapitein Nemo voort:

"Morgen kunt gij dien koffer nemen, en moet gij deze zaal verlaten en de deur sluiten; vervolgens moet gij naar het dek van de Nautilus gaan door het luik, dat gij eveneens moet sluiten."

"Wij zullen het doen, kapitein," antwoordde Cyrus Smith.

"Goed. Gij kunt u vervolgens op de boot inschepen, die u hier heeft gebracht. Maar ga, voordat gij de Nautilus verlaat, naar den achtersteven, en open twee groote kranen, die zich boven de lastlijn bevinden. Het water zal in het waterruim dringen en de Nautilus zal langzaam zinken om op den bodem der zee te gaan rusten."

Toen Cyrus Smith hem in de rede wilde vallen, voegde de kapitein er bij:

"Vrees niets! Gij zult slechts een lijk in de diepte doen zinken!"

Noch Cyrus Smith, noch zijn metgezellen konden iets daar tegen inbrengen. Het was zijn laatste wil, dien hij hun meedeelde, en zij moesten dien ten uitvoer brengen.

"Ik heb u woord, vrienden?" vroeg kapitein Nemo.

"Gij hebt het, kapitein," antwoordde de ingenieur.

Kapitein Nemo dankte hen en verzocht hem eenige uren alleen te laten. Gideon Spilett drong er op aan, dat hij bij hem zou blijven, ingeval zich een crisis mocht voordoen, maar de stervende weigerde en zeide:

"Ik zal nog tot morgen leven, mijnheer!"

Allen verlieten de zaal, gingen door de bibliotheek en de eetzaal, kwamen bij den achtersteven in de machinekamer, waar de electrische toestellen geplaatst waren, die tegelijk met lucht en warmte ook beweegkracht aan de Nautilus gaven.

De Nautilus was een meesterstuk, dat meesterstukken bevatte en de ingenieur was vol bewondering; hij sidderde bij de gedachte, dat hij, wiens arm hen zoo krachtig ondersteund had, dat die beschermer, dien zij slechts eenige uren kenden, gereed was het tijdelijke met het eeuwige te verwisselen.

Welk oordeel de nakomelingschap ook moge vellen over de daden van dit, als het ware, bovenmenschelijke bestaan, prins Dakkar zou altijd een van die zonderlinge verschijnselen blijven, waarvan de herinnering niet wordt uitgewischt.

"Dat is een man," zeide Pencroff. "Zou men wel gelooven, dat hij zoo op den bodem van den Oceaan geleefd heeft! En als ik bedenk, dat hij er misschien evenmin rust heeft gevonden als ergens anders!"

"De Nautilus," merkte Ayrton op, "zou ons misschien hebben kunnen dienen om het eiland Lincoln te verlaten en een bewoond land te bereiken!"

"Drommels!" riep Pencroff uit, "ik zou het niet gewaagd hebben zulk een schip te sturen. Op zee varen, goed! maar onder zee, dank je!"

"Ik geloof," zeide de reporter, "dat het besturen van een onderzeesch schip als de Nautilus zeer gemakkelijk is, Pencroff, en dat wij er spoedig aan gewoon zouden zijn. Geen stormen, geen strandingen zijn te vreezen! Eenige voeten onder de oppervlakte is de zee even kalm als een meer."

"Wel mogelijk!" hernam de zeeman, "maar ik houd meer van een fiksche bries aan boord van een goed getuigden bodem. Een schip is gemaakt om op en niet onder zee te varen."

"Vrienden," zeide de ingenieur, "het is onnoodig om, ten minste wat de Nautilus betreft, over onderzeesche toestellen te spreken. De Nautilus is niet van ons, wij hebben het recht niet er over te beschikken. Zij zou ons in geen geval van dienst kunnen zijn. Behalve dat zij niet uit deze grot kan, die door een verschuiving der basaltrotsen versperd is, wil kapitein Nemo, dat zij met hem, na zijn dood zal verdwijnen. Zijn wil is ons heilig en wij zullen hem nakomen."

Na eenigen tijd verlieten Cyrus Smith en zijn metgezellen de machinekamer van de Nautilus; zij gebruikten eenig voedsel en keerden naar de zaal terug.

Kapitein Nemo was uit zijne verdooving ontwaakt en zijn oogen stonden niet meer zoo dof als te voren. Er speelde een glimlach om zijn lippen.

De kolonisten naderden hem.

"Vrienden," sprak hij, "gij zijt dappere, edele, goede mannen. Gij hebt u met hart en ziel aan den gemeenschappelijken arbeid gewijd. Ik heb u dikwijls gadegeslagen. Ik heb van u gehouden, ik houd van u!... Uw hand, mijnheer Cyrus!"

Cyrus Smith reikte den kapitein zijn hand, die deze hartelijk drukte.

"Dat doet mij goed," mompelde hij.

Toen hernam de kapitein:

"Maar genoeg van mij zelf. Ik moet met u over allen spreken, en over het eiland Lincoln, waarop gij een schuilplaats hebt gevonden.... Denkt gij het te verlaten?"

"Om er terug te komen, kapitein!" antwoordde Pencroff levendig.

"Er terugkomen? Ja, Pencroff," zeide de kapitein glimlachend, "ik weet hoezeer gij aan dit eiland gehecht zijt. Het is door uw zorg verbeterd en het behoort u toe!"

"Ons plan is, kapitein," zeide Cyrus Smith, "om het aan de Vereenigde Staten te schenken, en er voor onze marine een toevluchtsoord aan te leggen, dat in dit gedeelte van den Stillen Oceaan niet geheel misplaatst zal zijn."

"Gij denkt aan uw vaderland," antwoordde de kapitein. "Gij werkt voor zijn welzijn, voor zijn roem. Gij hebt gelijk. Het vaderland!... daar moest men altijd terugkeeren. Daar moet men sterven!.... En ik, ik sterf verre van alles, wat ik heb liefgehad!"

"Hebt gij nog een laatste wensch," vroeg de ingenieur levendig, "een aandenken voor uw vrienden, die gij in de bergen hebt achtergelaten?"

"Neen, mijnheer Smith, ik heb geen vrienden meer! Ik ben de laatste van mijn geslacht... en sedert lang ben ik dood voor allen, die ik gekend heb... Maar laten wij over u spreken. Eenzaamheid en afzondering, zijn treurige dingen, die boven de menschelijke kracht gaan.... Ik sterf, omdat ik dacht alleen te kunnen leven!... Gij moet dus alles beproeven om Lincoln te verlaten, en den grond terug te zien, waar gij geboren zijt. Ik weet dat die ellendelingen het vaartuig vernield hebben dat gij gebouwd hadt...."

"Wij bouwen nu een schip," zeide Gideon Spilett, "een schip dat groot genoeg is om ons naar een bewoonde kust te brengen; maar verlaten wij het ook vroeg of laat, wij zullen altijd weer naar het eiland Lincoln terugkeeren. Er zijn te veel herinneringen voor ons aan verbonden, dan dat wij het ooit zouden kunnen vergeten."

"Hier hebben wij kapitein Nemo leeren kennen," zeide Cyrus Smith.

"Hier vinden wij alles weer wat ons aan u herinnert!" voegde Harbert er bij.

"En hier zal ik in der eeuwigheid rusten, indien...." antwoordde de kapitein.

Hij aarzelde en in plaats van zijn volzin te eindigen, zeide hij slechts:

"Mijnheer Cyrus, ik wenschte u te spreken.... u alleen!"

De metgezellen van den ingenieur eerbiedigden het verlangen van den stervende en verlieten de zaal.

Cyrus Smith bleef eenigen tijd met kapitein Nemo alleen, riep vervolgens zijn metgezellen terug, maar zeide hun niets van hetgeen de grijsaard hem had toevertrouwd.

Gideon Spilett sloeg den zieke aandachtig gade. De kapitein leefde nog slechts met zijn geest, die weldra niet meer tegen zijn lichamelijke zwakte zou kunnen strijden.

De dag liep ten einde zonder dat zich eenige verandering openbaarde. De kolonisten verlieten de Nautilus niet. De nacht was ingevallen, hoewel men dit in de rots niet bemerkte.

Kapitein Nemo leed niet, maar verzwakte meer en meer. Zijn edel gelaat, verbleekt door den naderenden dood, was kalm. Aan zijn lippen ontsnapten nu en dan onverstaanbare woorden. Men zag het leven langzaam uit dat lichaam verdwijnen, waarvan de uiterste deelen reeds koud werden.

Een paar maal richtte hij nog het woord tot de kolonisten, die om hem geschaard stonden, en glimlachte met dien laatsten glimlach, die zelfs door den dood niet wordt uitgewischt.

Tegen middernacht deed kapitein Nemo een laatste poging; hij slaagde er in zijn armen over de borst te kruisen, alsof hij in die houding wilde sterven.

Een uur later was er nog slechts leven in zijn blik. Een laatste vuur schitterde in die oogen, die vroeger vlammen schoten. Hij mompelde de woorden: "God en Vaderland!" en stierf zachtkens.

Cyrus Smith boog zich over hem heen, drukte de oogen toe van hem die prins Dakkar geweest was en nu zelfs kapitein Nemo niet meer scheen.

Harbert en Pencroff weenden. Ayrton wischte ter sluiks een traan weg. Nab lag geknield naast den reporter, die in een beeld veranderd was.

Cyrus Smith legde zijn hand op het hoofd van den doode en zeide:

"God zij zijner ziel genadig."

Hij wendde zich tot zijn vrienden en zeide:

"Laten wij bidden voor hem, dien wij verloren hebben!"

Eenige uren later vervulden de kolonisten de belofte, welke zij den kapitein gedaan hadden, den laatsten wil van den doode.

Cyrus Smith en zijn lotgenooten verlieten de Nautilus, na het eenige aandenken genomen te hebben, dat hun weldoener hun gelaten had, dien koffer, welke een fortuin voor honderden bevatte.

De prachtige zaal, die nog steeds helder verlicht was, werd met zorg gesloten. De kolonisten maakten het luik dicht, zoodat er geen droppel water in de vertrekken van de Nautilus kon dringen.

Zij scheepten zich vervolgens op de boot in, die naast het onderzeesche vaartuig lag.

De boot werd naar den achtersteven gestuurd, waar men de twee groote kranen openzette, waardoor het water in de ruimen liep, en het schip moest zinken.

De Nautilus zonk inderdaad en verdween langzaam.

De kolonisten konden haar echter nog in de diepte volgen. Het felle licht scheen onder water, terwijl de rotsholte donkerder werd. Eindelijk verdwenen ook die krachtige electrische stralen en weldra rustte de Nautilus, nu het graf van kapitein Nemo, op den bodem der zee.

XXVII.

Hervatting van den arbeid op de werf.--De 1ste Januari 1869.--Een rookkolom op den top van den vulkaan.--Eerste verschijnselen eener uitbarsting.--Ayrton en Cyrus Smith in de kraal.--Onderzoek van de grot Dakkar.--Wat kapitein Nemo aan den ingenieur gezegd had.

Bij het aanbreken van den dag hadden de kolonisten de rotsholte verlaten, die zij voortaan de "grot van Dakkar" noemden, ter herinnering aan kapitein Nemo.

Pencroff, Nab en Ayrton haalden de boot op het strand, op een plaats waar zij veilig lag.

Van de galerij volgden Cyrus Smith en de zijnen het pad naar de kraal. Onderweg namen Harbert en Nab den telegraafdraad weg, dien kapitein Nemo tusschen de kraal en de Nautilus gespannen had, en dien men later misschien nog kon gebruiken.

Allen vervolgden zwijgend hun weg. Het scheen hun toe, dat zij nu meer dan ooit verlaten waren. Vroeger rekenden zij als het ware op dien krachtigen steun, die hen voortaan ontbrak; zelfs Gideon Spilett en Cyrus Smith waren onder den indruk daarvan.

Tegen negen uur in den morgen betraden de kolonisten het Rotshuis.

Cyrus Smith wijdde zich meer dan ooit aan het bouwen van het schip. Men kon niet weten wat de toekomst zou baren. En gebruikten de kolonisten het vaartuig al niet om, hetzij den polynesischen archipel, hetzij de kust van Nieuw-Zeeland te bereiken, zij moesten in ieder geval trachten zoo spoedig mogelijk naar het eiland Tabor te gaan, om er een bericht omtrent Ayrton te brengen. Deze voorzorg was noodzakelijk voor het geval, dat het Schotsche jacht weder in deze wateren mocht komen en men moest in dit opzicht niets verzuimen.

Het jaar 1868 verliep en bijna zonder ophouden werkten nu allen op de werf; Gideon Spilett en Harbert zonderden zich nu en dan eens af voor de jacht, want de winter-provisie mocht niet vergeten worden.

De zomer was ondraaglijk heet en zelden ging er een dag voorbij dat men niet, hetzij van dichtbij of van verre, den donder hoorde rollen.

Den 1sten Januari 1869 woedde er een vreeselijk onweer. Stond dit natuurverschijnsel in eenig verband met hetgeen er in het binnenste der aarde voorviel? Cyrus Smith was wel geneigd dit te gelooven, want het toenemen van die onweersbuien ging gepaard met eene vermeerdering van vulkanische verschijnselen.

Toen Harbert den 3den Januari naar de oppervlakte ging om een der onagga's te zadelen, zag hij, dat groote rookwolken den top van den vulkaan omringden.

Harbert waarschuwde onmiddellijk de andere kolonisten, die allen naar den top van den Franklinberg kwamen zien.

"Wel!" riep de zeeman uit, "het is geen damp! Het komt mij voor dat de reus zich nu niet bepaalt tot ademen, maar dat hij nu ook rookt!"

Deze woorden van den zeeman drukten met juistheid uit, wat er op den Franklinberg voorviel. Reeds sedert drie maanden stegen er dampen uit den krater op, maar ze kwamen nog slechts voort uit het gloeien der delfstoffen in den vuurspuwenden berg. Ditmaal was de damp in rook veranderd, die zich als een grijze kolom verhief, waarvan de basis meer dan drie honderd voet breed was en die, als een reusachtige paddenstoel, tot zeven à acht honderd voet boven den berg opsteeg.

"Er is brand in den schoorsteen," zeide Gideon Spilett.

"En wij kunnen dien niet blusschen!" antwoordde Harbert.

"Men moest die vulkanen kunnen vegen," merkte Nab op, die met den grootsten ernst scheen te spreken.

"Goed Nab," riep Pencroff uit. "Wilt gij de schoorsteenveger zijn?"

Pencroff barstte in een hartelijk lachen los.

Cyrus Smith keek aandachtig naar de dikke rookwolk en luisterde zelfs of hij geen verwijderd geraas hoorde.

Toen keerde hij naar zijn metgezellen terug, waarvan hij zich eenige schreden verwijderd had en zeide:

"Inderdaad, vrienden, er heeft een gewichtige verandering plaats gehad. De vulkanische stoffen zijn niet slechts in werking, zij hebben ook vlam gevat en wij worden binnen kort door een uitbarsting bedreigd!"

"Welnu, mijnheer Cyrus, wij zullen die uitbarsting zien," riep Pencroff uit. "Wij zullen haar bewonderen en toejuichen! Ik geloof niet dat wij ons daarover behoeven te bekommeren!"

"Neen, Pencroff, want de vroegere lavaweg is nog altijd vrij en dank zij zijn ligging heeft de krater zijne uitwerpselen tot nog toe naar het noorden uitgestort. En toch...."

"En toch, daar wij geen voordeel kunnen hebben bij een uitbarsting, ware het maar beter als die niet plaats had," merkte de reporter op.

"Wie weet?" antwoordde de zeeman. "Misschien is er in dezen vulkaan een nuttige en kostbare stof, die hij nu uit zal werpen en waarvan wij een goed gebruik kunnen maken!"

"Het komt mij voor," zeide Ayrton, die met zijn oor op den grond was gaan liggen, "het komt mij voor, dat ik een dof geraas hoor, evenals een kar maakt, die met ijzeren staven beladen is."

De kolonisten luisterden en bevonden dat Ayrton gelijk had. Soms klonk het rollen harder om vervolgens weder zacht weg te sterven, maar er deed zich nog geen slag hooren. Men kon hieruit opmaken, dat de damp en rook een vrijen uitweg vonden door den middelsten schoorsteen en dat, daar de veiligheidsklep groot genoeg was, er nog geen uitbarsting te vreezen was.

"Maar zullen wij dan nooit naar ons werk terugkeeren!" riep Pencroff ongeduldig uit. "Laat de Franklinberg dampen, rooken, sissen en vuurspuwen, zooveel hij wil, dat is geen reden voor ons om niets te doen! Kom, Ayrton, Nab, Harbert, mijnheer Cyrus en mijnheer Spilett, vandaag moet iedereen aan het werk! Binnen twee maanden moet onze nieuwe Bonadventure gereed zijn--want dien naam mag zij dragen, niet waar?--Laten wij dan geen tijd verliezen."

Dien dag werd er hard gewerkt, want het was nu van het grootste belang om het vaartuig zoo spoedig mogelijk gereed te hebben. Wie weet of dat schip niet hun eenig toevluchtsoord zou worden?

Na het avondeten begaven Cyrus Smith, Gideon Spilett en Harbert zich naar de bergvlakte. De nacht begon reeds te vallen en door de duisternis zou men kunnen zien of er zich onder den damp en de rook ook vlammen of gloeiende stoffen mengden.

"De krater staat in vuur!" riep Harbert uit, die vlugger dan zijn metgezellen het eerst op de vlakte was.

De Franklinberg, die ongeveer zes mijlen verwijderd was, scheen een reusachtige toorts, die aan het boveneinde met donkere vlammen brandde. Er was misschien zooveel rook, asch en puin onder gemengd dat de gloed daardoor zeer verminderde en niet zoo sterk afstak tegen het donkere zwerk.

"De uitbarsting vordert snel!" zeide de ingenieur.

"Dat is niet te verwonderen," antwoordde de reporter. "De vulkaan is reeds sedert geruimen tijd in werking. Herinnert gij u, Cyrus, dat wij de eerste dampen reeds zagen toen wij den berg doorzochten om de schuilplaats te vinden van kapitein Nemo? Dat was, geloof ik 15 October?"

"Ja," antwoordde Harbert, "dat is twee en een halve maand geleden!"

"Dat onderaardsche vuur heeft dus zestien weken gebroeid," hernam Gideon Spilett, "en het is geen wonder, dat het nu snel in kracht toeneemt."

"Voelt gij geen trillingen van den grond?" vroeg Cyrus Smith.

"Ja, inderdaad; maar dit is nog geen aardbeving..." antwoordde Spilett.

"Ik zeg niet, dat wij door een aardbeving bedreigd worden, God beware ons daarvoor! Neen. De trillingen worden veroorzaakt door de krachtige werking van het vuur. De aardkorst is niets dan de wand van een stoomketel, en gij weet dat de wand van een stoomketel onder de drukking van het gas trilt, als een zware plaat. Hier is hetzelfde verschijnsel."

"Welke prachtige vlammen!" riep Harbert uit.

Na een uur keerden de ingenieur, Gideon Spilett en Harbert naar het Rotshuis terug. Cyrus Smith was in gedachte verzonken, hetgeen Gideon Spilett aanleiding gaf tot de vraag, of hij meende dat de uitbarsting voor hen noodlottige gevolgen kon hebben.

"Ja en neen," antwoordde Cyrus Smith.

"Het grootste ongeluk, dat ons zou kunnen overkomen, zou een aardbeving zijn, die het eiland verwoestte, niet waar? En ik geloof niet dat dit te vreezen is, daar de rook en de lava een vrijen uitweg hebben gevonden om te ontsnappen."

"Ik vrees juist geen aardbeving, in den zin, dien men gewoonlijk geeft aan de trillingen, veroorzaakt door de werking van onderaardsche dampen. Maar uit andere oorzaken kunnen groote rampen voortspruiten."

"Welke, mijn beste Cyrus?"

"Ik weet het niet zeker.... ik moet den berg zien.... onderzoeken.... Binnen weinige dagen zal ik zekerheid hebben omtrent dit punt."

Gideon Spilett drong niet verder bij hem aan. Alle bewoners van het Rotshuis begaven zich weldra ter ruste en sliepen in, niettegenstaande het geraas in den vulkaan sterker en door de echo van het eiland luider weerkaatst werd.

Drie dagen verliepen. De top van den Franklin-berg bleef door een dikke rookwolk omhuld; maar de lava scheen de opening van den krater nog niet bereikt te hebben, althans op de noordelijke helling, die voor een gedeelte zichtbaar was, bespeurde men nog geen verschijnselen van een uitstorting.

De arbeid op de werf moest nu en dan gestaakt worden, omdat de zorg der kolonisten ook op andere plaatsen vereischt werd. Vooreerst moest de kraal niet vergeten worden, waar men het voedsel voor de muffeldieren en geiten ververschen moest. Er werd besloten dat Ayrton in den morgen van 7 Januari derwaarts zou gaan, en daar een persoon voor dezen arbeid voldoende was, waren Pencroff en de overigen zeer verwonderd, toen zij den ingenieur tot Ayrton hoorden zeggen:

"Als gij morgen naar de kraal gaat, zal ik u vergezellen."

"Mijnheer Cyrus!" riep de zeeman uit, "onze werkdagen zijn geteld, en wanneer gij ook heengaat, hebben wij vier armen minder!

"Wij komen den volgenden morgen terug," antwoordde Cyrus Smith, "maar ik moet noodzakelijk naar de kraal.... Ik wil weten hoe het met de uitbarsting gesteld is."

"De uitbarsting! de uitbarsting!" bromde Pencroff. "Die uitbarsting, dat is me ook iets van gewicht; ik bekommer er mij volstrekt niet om!"

Den volgenden morgen deed de ingenieur zooals hij gezegd had. Harbert had hem gaarne vergezeld, maar hij wilde Pencroff niet te veel tegenwerken, door ook heen te gaan.

Voor het aanbreken van den dag zaten Cyrus Smith en Ayrton in het wagentje, met twee onagga's bespannen, en begaven zij zich naar de kraal.

Boven het bosch hingen groote wolken, die steeds aangroeiden door de dampen, welke uit den krater opstegen. Gewoonlijk vallen deze wolken neer in kleine stofdeeltjes, en dit was ook nu het geval. Toen Cyrus Smith en Ayrton bij de kraal kwamen, viel er een soort van zwarte sneeuw evenals jachtkruit, dat oogenblikkelijk den grond een geheel ander voorkomen gaf. Boomen, weiden, alles verdween onder een zwarte laag van eenige duimen dikte. Maar gelukkig was de wind noordoost en ontlastte zich de wolk grootendeels boven zee.

"Dat is zeer zonderling, mijnheer Smith," zeide Ayrton.

"Dat is zeer ernstig," antwoordde de ingenieur. "Die vulkanische tufsteen, die fijne puimsteen, in éen woord, al die minerale stoffen bewijzen, dat in de onderste lagen van den vulkaan een groote beroering ontstaan is."

"Maar is er dan niets aan te doen?"