Het Geheimzinnige Eiland De Verlatene
Chapter 15
Cyrus Smith en zijn metgezellen hadden wel ondervonden dat in den winter de temperatuur op Lincoln zeer laag kon zijn. De koude was te vergelijken met die, welke zich in de Staten van Nieuw-Engeland doet gevoelen, dat ongeveer op denzelfden afstand van den evenaar ligt. Indien op het noordelijk halfrond, of althans op dat gedeelte, waarin Nieuw-Engeland en het noorden der Vereenigde Staten is gelegen, dit verschijnsel verklaard wordt door de gesteldheid van den grond, die zich tot aan de noordpool uitstrekt en waarop geen enkele verhevenheid beschutting aanbiedt tegen de noordenwinden, voor het eiland Lincoln kon die verklaring niet gelden.
"Men heeft zelfs opgemerkt," zeide Cyrus Smith eens tot zijn metgezellen, "dat eilanden en kustlanden op dien breedtegraad minder van de kou te lijden hebben, dan de binnenlanden. Ik heb dikwijls hooren verzekeren, dat de winters, in Lombardije bijvoorbeeld, strenger zijn dan die in Schotland, de oorzaak daarvan zou zijn, dat de zee in den winter de warmte teruggeeft, die zij des zomers in zich opgenomen heeft. Dit zal men dus het sterkst op de eilanden ondervinden.
"Maar, mijnheer Cyrus," zeide Harbert, "waarom schijnt het eiland Lincoln aan deze algemeene wet te ontkomen?"
"Dat is moeilijk te verklaren," antwoordde de ingenieur. "Ik voor mij zoek de oorzaak van deze uitzondering in de ligging van het eiland op het zuidelijk halfrond, dat, zooals gij weet, kouder is dan het noordelijk halfrond."
"Ja," zeide Harbert, "en de ijsschotsen ontmoetten elkander op lager breedten in het zuiden dan in het noorden van de Stille zee."
"Dat is waar," stemde Pencroff in, "en toen ik nog walvischvaarder was, heb ik zelfs bij kaap Hoorn menigmaal ijsbergen ontmoet."
"Men zou de strenge koude van Lincoln ook kunnen toeschrijven aan ijsschotsen of sneeuwklompen, die misschien niet zoo ver verwijderd zijn als men wel meent," merkte Gideon Spilett op.
De ingenieur was het met Gideon Spilett eens en beiden verdiepten zich nog langen tijd in dit zonderlinge verschijnsel, zoodat Pencroff eindelijk aanleiding vond om te zeggen:
"Mijnheer Cyrus, wat zou het een dik boek worden als ge alles eens wildet opschrijven wat ge wist!"
"En hoeveel dikker boek zou dat worden, waarin ik alles opschreef wat ik niet wist, Pencroff!" antwoordde Cyrus Smith.
De maand Juni was zeer koud en de kolonisten waren meestal verplicht binnen het Rotshuis te blijven.
Deze afzondering was geen van allen aangenaam, maar vooral Gideon Spilett niet, die ook tot Nab zeide:
"Ja Nab, ik zou je bij notarieele akte, al de erfenissen willen geven, die mij nog te wachten staan, als je mij maar een courant kondt bezorgen! Wat het meest aan mijn geluk ontbreekt, is 's morgens niet te weten, wat er den vorigen avond elders is voorgevallen!"
Nab lachte.
"Ik stel in niets belang dan in mijn dagelijksch werk," zeide hij.
De wintermaanden Juni, Juli en Augustus gingen op Lincoln niet onbenut voorbij. Er was altijd werk in overvloed. Jup was daarbij niet de minst ijverige. Zijn grootste fout was dat hij erg kouwelijk was; daarom had men een warm pak voor hem gemaakt.
Pencroff meende dat, wanneer men vier handen tot zijn dienst had gekregen, men die ook waardig gebruiken en dubbel hard werken moest!
Gedurende de zeven maanden, die verloopen waren, sedert het onderzoek op het eiland en in den berg, had men niets meer van den genius van het eiland vernomen. Diens macht openbaarde zich geen enkele maal. Trouwens het was ook niet noodig, want de kolonisten werden door niets in hun vreedzaam leven gestoord.
Cyrus Smith merkte zelfs op, dat, zoo er door de rotsmassa heen gemeenschap had bestaan tusschen den onbekende en de bewoners van het Rotshuis en zoo Top die als het ware vermoed had, deze gemeenschap althans in dezen tijd niet bestond.
Nooit bromde de hond meer, evenmin legde de aap eenige onrust aan den dag. De twee vrienden--want dit waren zij--snuffelden niet meer om de opening van den put; zij blaften en knorden niet meer op die zonderlinge wijze, die reeds in het begin de aandacht van den ingenieur getrokken had. Maar kon deze verzekeren dat dit raadsel uit was en dat het nooit opgelost zou worden? Kon hij verklaren dat er niet weder iets zou voorvallen, dat deze geheimzinnige persoon nogmaals op het tooneel bracht? Wie weet wat er nog voor de toekomst overbleef?
De winter liep ten einde, maar in de eerste lentedagen viel er iets voor dat ernstige gevolgen kon hebben.
Toen Cyrus Smith den 7den September den top van den berg Franklin opnam, zag hij eenige rookwolken uit den krater opstijgen, die zich in de lucht verspreidden!
XIV.
De vulkaan ontwaakt.--Het zachtere jaargetijde.--Hervatting van het werk.--De avond van 15 October.--Een telegram.--Een verzoek.--Een antwoord.--Vertrek naar de kraal.--Het bericht.--Een nieuwe lijn.--De basaltkust.--Bij hooge zee.--Bij lage zee.--De grot.--Een schitterend licht.--Hij is gevonden.
De kolonisten, die door Cyrus Smith gewaarschuwd waren, staakten hun arbeid en aanschouwden zwijgend den top van den Franklinberg.
De vulkaan was dan weder in werking gekomen, en de dampen waren door de laag erts op den bodem van den krater gedrongen. Maar zou het onderaardsche vuur tot een hevige uitbarsting komen? Dit kon men niet verhoeden.
Maar al gebeurde het, dan was het nog niet waarschijnlijk dat het eiland Lincoln in zijn geheel er onder zou lijden. De uitbarstingen van vulkanen zijn niet altijd noodlottig. Zooals de lavastroomen langs de noordelijke berghelling getuigden, was het eiland reeds aan zulk een beproeving onderhevig geweest.
Cyrus Smith sprak er met zijn metgezellen over en, zonder den toestand te overdrijven, deelde hij hun het voor en tegen er van mede.
Men kon er in ieder geval niets tegen doen. Wanneer de grond ten minste niet door een aardbeving vaneen gescheurd werd, scheen het Rotshuis nog geen gevaar te loopen. Maar de kraal werd ernstig bedreigd, wanneer zich aan de zuidelijke helling van den berg een nieuwe krater opende.
Van dien dag af bleef er steeds een rookwolk uit den top van den berg opstijgen, en men zag zelfs dat zij grooter en breeder werd, zonder dat er zich echter nog vlammen vertoonden.
Het werk was intusschen weder voortgezet. Men haastte zich zooveel mogelijk met het bouwen van het vaartuig.
Tegen het eind van de maand September was de romp van het schip gereed. Het ijzerwerk van de oude brik was grootendeels behouden. Pencroff en Ayrton hadden er een groot aantal ijzeren bouten en koperen spijkers uitgehaald. Dit bespaarde werk aan de smeden, maar de timmerlieden moesten niettemin hard voortwerken.
De arbeid aan de werf moest nogmaals gestaakt worden wegens het oogsten, hooien en inhalen van hetgeen het bouwland op de bergvlakte opleverde.
's Avonds waren de ijverige werklieden dikwijls zeer moe. Om geen tijd noodeloos verloren te laten gaan had men het uur van den maaltijd op den middag gesteld en zij gebruikten slechts hun avondmaal wanneer de schemering ingevallen was. Dan keerden zij naar het Rotshuis terug om zich zoo spoedig mogelijk ter rust te begeven.
Soms, wanneer er een belangrijk onderwerp behandeld werd, bleef men menigmaal langer op dan gewoonlijk. De kolonisten spraken over de toekomst en over de verandering, die er in hun toestand zou komen, wanneer zij een reis naar de meest nabij gelegen kust met hun vaartuig ondernamen.
Maar met al die plannen bleven zij toch bij de gedachte om later weer naar Lincoln terug te keeren. Nooit zouden zij die kolonie verlaten, die met zooveel moeite gesticht was en die zoozeer in bloei zou toenemen wanneer zij in gemeenschap was met Amerika.
Pencroff en Nab hoopten er hun leven te eindigen.
"Harbert," zeide de zeeman, "zult gij nooit het eiland Lincoln verlaten?"
"Nooit, Pencroff, en vooral niet als gij er blijft!"
"Dan is het in orde, mijn jongen," antwoordde Pencroff, "ik zal u wachten! Gij brengt mij uw vrouw en kinderen, en van de kleine jongens zal ik wakkere kerels maken!"
"Aangenomen!" antwoordde Harbert lachend.
"En gij, mijnheer Cyrus," ging Pencroff opgewonden voort, "gij moet altijd de gouverneur van het eiland blijven! Hoeveel inwoners zou het kunnen bevatten? Tien duizend minstens!"
Zoo keuvelde men voort, en de reporter ging zelfs zoover dat hij een courant oprichtte, de _New-Lincoln-Herald_ getiteld.
Zoo is de mensch nu eenmaal. De behoefte om iets te doen dat blijft bestaan, dat hem overleeft is het krachtigst bewijs van zijn meerderheid boven alles wat op aarde bestaat. Daardoor is zijn heerschappij gevestigd, en wordt zij door de geheele wereld gerechtvaardigd.
En wie kon zeggen of Jup en Top zich ook niet een toekomst droomden?
Ayrton hoopte in stilte, dat hij lord Glenarvan terug mocht zien en zich aan allen mocht vertoonen, zooals hij nu was: zedelijk geheel verbeterd.
Den avond van 15 October was men langer blijven praten dan gewoonlijk. Het was negen uur. Hier en daar merkte men aan een moeilijk bedwongen geeuwen dat het uur om naar bed te gaan gekomen was en Pencroff stond juist op toen het klokje der telegraaf plotseling het signaal gaf en luide in de zaal weerklonk.
Allen waren aanwezig. Cyrus Smith, Gideon Spilett, Harbert, Ayrton, Pencroff en Nab. Geen der kolonisten waren dus in de kraal.
Cyrus Smith was opgestaan. Zijn metgezellen zagen elkander aan, meenende dat zij niet goed gehoord hadden.
"Wat beteekent dat!" riep Nab uit. "Is dat de duivel die seint!"
Niemand antwoordde.
"Er is onweer aan de lucht," merkte Harbert op. "Kan de invloed van de electriciteit?...."
Harbert voleinde zijn zin niet. De ingenieur, op wien aller blikken gericht waren, schudde ontkennend het hoofd.
"Laten wij wachten," zeide Gideon Spilett. "Wanneer het een sein is, zal het herhaald worden, wie het dan ook moge gegeven hebben."
"Maar wie zou het geven?" riep Nab uit.
"Wel!" antwoordde Pencroff, "hij die...."
De zeeman had nog niet uitgesproken toen wederom de telegraaf het klokje in beweging bracht.
Cyrus Smith ging naar den toestel en vroeg langs de lijn:
"Wat verlangt gij?"
Eenige oogenblikken later bewoog de wijzer zich over de wijzerplaat en gaf hij het volgende antwoord aan de bewoners van het Rotshuis:
"Kom zoo spoedig mogelijk naar de kraal."
"Eindelijk," zeide Cyrus Smith.
Ja! Eindelijk! Het geheim zou ontsluierd worden!
Alle behoefte aan rust had voor de kolonisten opgehouden bij de gewichtige zaak, die hen naar de kraal dreef. Zonder een woord te wisselen, waren zij binnen weinige oogenblikken buiten het Rotshuis op de kust. Jup en Top waren alleen achter gebleven. Men kon hen missen.
De nacht was donker. Het was dien dag nieuwe maan en zij was gelijk met de zon verdwenen. Zooals Harbert reeds opgemerkt had, hingen er zware donderwolken, waardoor de sterren onzichtbaar waren. Reeds werd de horizon verlicht door den bliksem van een verwijderd onweder.
Waarschijnlijk zou, eenige uren later, de donder over het eiland rollen. Het was een onheilspellende nacht.
Maar hoe diep de duisternis ook ware, zij kon de kolonisten niet weerhouden, die met den weg naar de kraal genoeg bekend waren om hem in donker te volgen. Zij volgden den linkeroever van de Mercy, bereikten de bergvlakte en gingen, dwars door het bosch, naar de kraal.
Zij stapten flink door, ten prooi aan de levendigste aandoening. Niemand twijfelde of zij zouden eindelijk de oplossing van het raadsel vernemen, den naam van dat geheimzinnige wezen, dat van zoo beslissend belang in hun leven was geweest, zoo edelmoedig in zijne bemoeiingen, zoo machtig in zijn daden! Daar de onbekende zich in hun lotgevallen gemengd had, konden hem ook de kleinste bijzonderheden er van niet verborgen zijn en moest hij alles hebben kunnen hooren wat in het Rotshuis gesproken werd om altijd te juister tijd te hebben kunnen handelen.
Allen waren in gedachten verzonken. Onder die zware boomen was de duisternis zóo dicht, dat men zelfs het einde van den weg niet kon zien. Het bosch was doodstil. Vogels en andere dieren zaten onbeweeglijk en gedrukt door de zwaarte der atmosfeer. Geen blad bewoog zich. Alleen hoorde men de stappen van de kolonisten op den harden grond weerklinken.
Het stilzwijgen werd slechts afgebroken door de opmerking van Pencroff.
"Wij hadden een lantaarn mee moeten nemen."
Het antwoord van den ingenieur luidde:
"Wij zullen er in de kraal een vinden."
Cyrus Smith en zijn metgezellen hadden ten negen uur twaalf minuten het Rotshuis verlaten. Ten negen uur zeven en veertig minuten hadden zij drie mijlen afgelegd van de vijf die de monding der Mercy van de kraal scheidde.
Op dat oogenblik schoten helle bliksemschichten over het eiland en verlichtten de scherpe, donkere omtrekken van het gebladerte. Die felle stralen verblindden de voetgangers; het onweder kon niet ver af zijn. De bliksem werd al feller en feller: in de verte rolde de donder door het zwerk. Loodzwaar drukte de dampkring.
De kolonisten gingen voort als door een onweerstaanbare kracht gedreven.
Eindelijk zagen zij bij het felle licht van een bliksemstraal de omheining van de kraal, en nauwelijks waren zij er binnen of de bui barstte hevig los.
Snel begaven allen zich naar de woning.
Mogelijk was het huis door den onbekende bewoond, daar het telegram van daar was uitgegaan. Het venster was echter niet verlicht.
De ingenieur klopte aan.
Geen antwoord.
Hij opende de deur en de kolonisten traden de donkere kamer binnen.
Nab maakte vuur, en een oogenblik later doorzocht men met de lantaarn alle hoeken van het vertrek....
Er was niemand. Alles was zooals men het verlaten had.
"Zijn wij dan door zinsverbijstering misleid?" mompelde Cyrus Smith.
Neen! dat was niet mogelijk! Het telegram luidde:
"Kom zoo spoedig mogelijk naar de kraal."
Men ging naar het tafeltje dat uitsluitend voor den telegraafdienst bestemd was. Alles was op zijn plaats.
"Wie is hier het laatst geweest?" vroeg de ingenieur.
"Ik, mijnheer Smith," antwoordde Ayrton.
"Dat was?...."
"Vier dagen geleden."
"Een briefje!" riep Harbert uit, terwijl hij naar een papier op tafel wees.
Op dat papier stonden in het Engelsch de woorden:
"Volgt de nieuwe lijn."
"Voorwaarts!" beval Cyrus Smith, die aanstonds begreep, dat het telegram niet van de kraal was afgezonden, maar van de geheimzinnige schuilplaats die door een zijlijn in onmiddellijk verband stond met het Rotshuis.
Nab nam de lantaarn en allen verlieten de kraal.
Het onweder woedde vreeselijk. De seconden die verliepen tusschen den bliksem en het invallen van den donder werden elk oogenblik minder. Weldra zou de bui den berg Franklin en het geheele eiland omhullen. Bij het licht zag men den top van den vulkaan door een rookwolk omringd.
Van het huis naar de omheining vond men geen zijlijn; maar Cyrus Smith volgde de lijn en bij den eersten paal zag hij den nieuwen draad van den isolator naar den grond loopen.
"Daar is hij!" zeide hij.
De lijn liep over den grond, maar was geheel door een isoleerende zelfstandigheid omkleed, als een onderzeesche kabel, zoodat de stroom niet verbroken werd. De zijlijn liep naar het westen.
"Laten wij haar volgen!" zeide Cyrus Smith.
Dan eens geleid door het licht van den lantaarn dan weder door de bliksemstralen hielden de kolonisten den weg, welken de lijn aangaf.
De donder rolde nu zonder ophouden en was zoo hevig dat men geen woord verstaan kon. Men behoefde ook niet te spreken; men moest slechts voorwaarts, de lijn volgende.
De ingenieur had gemeend, dat de draad in de vallei zou eindigen en dat daar de schuilplaats van den onbekende zou wezen.
Hij had zich vergist. Men ging steeds voort in zuidwestelijke richting, over de basalt-rotsen heen. Van tijd tot tijd tastte een van de kolonisten naar den draad om zoo noodig de richting aan te geven. Maar het leed geen twijfel meer of deze liep recht naar zee. Daar, verborgen in de een of andere rots, zou de woning zijn, die men tot nog toe te vergeefs gezocht had.
De hemel was geheel en al vuur. De eene bliksemstraal volgde onmiddellijk op den andere. Menigmaal werd de top van den vulkaan getroffen en schoot de bliksem dwars door de dikke rookwolk in den krater. Soms had men kunnen meenen dat er vlammen uit den berg opstegen.
Na een uur kwamen de kolonisten op de westkust van den Oceaan. De wind was opgestoken; de stroom bruischte op een diepte van vijf honderd voet.
Cyrus Smith berekende, dat hij en zijn metgezellen een afstand van anderhalve mijl hadden afgelegd sedert zij de kraal verlaten hadden.
Op dat oogenblik verdween de lijn tusschen de rotsen en volgde de steile helling van een enge en kronkelende kloof.
Ook daar volgden de kolonisten den hun aangegeven weg op gevaar af, dat de rotsen afbrokkelden en zij in zee zouden storten. Het was een gevaarlijk pad, maar zij telden geen gevaar, zij waren zich zelven niet meer meester, en werden even onwederstaanbaar naar dat geheimzinnige punt getrokken als het ijzer naar den magneet.
Zij daalden de helling af, die zelfs bij dag bijna onbegaanbaar was. De steenen rolden en schitterden als gloeiende kolen wanneer zij verlicht werden. Cyrus Smith liep aan de spits, Ayrton sloot den stoet. Zij gingen nu langzaam voort, dan eens gleden zij over gladde rotsen, dan weder stonden zij op en volgden voorzichtig den weg.
Plotseling maakte de lijn een bocht, raakte tegen de rotsen van de kust, die bijna geheel uit klippen bestond waarop de golven beukten. De kolonisten hadden het laagste gedeelte van den basaltmuur bereikt.
Honderd schreden gingen zij nog voorwaarts; toen stonden zij voor de zee.
De ingenieur greep den draad en bemerkte dat deze in de golven verdween.
Zijn metgezellen stonden sprakeloos naast hem.
Een kreet van teleurstelling, schier van wanhoop ontsnapte aan hun lippen! Moest men zich dan in de golven werpen en een onderzeesch hol zoeken? In den overspannen toestand, waarin zij zich zoo naar geest als naar lichaam bevonden, zouden zij niet geaarzeld hebben dit te doen.
De ingenieur hield hen terug.
Cyrus Smith bracht zijn metgezellen onder een vooruitstekende rots, en zeide:
"Laten wij wachten. Het is vloed. Bij eb zal de weg open zijn."
"Maar waarom gelooft gij?...." begon Pencroff.
"Hij zou ons niet hebben geroepen, wanneer de middelen ontbraken om bij hem te komen!"
Cyrus Smith had met zulk een overtuiging gesproken, dat niemand meer een aanmerking maakte. Zijn opmerking was ook zeer juist. Men moest wel aannemen dat er een opening aan den voet van den berg was, die nu door de golven verborgen werd, maar die bij eb toegankelijk zou zijn.
Eenige uren moesten verloopen. De kolonisten bleven zwijgend onder een uitstekende rots. Het begon te regenen en weldra ontlastten zich de wolken in een zwaren stortvloed. De echo herhaalde het rollen van den donder en somber en lang dreunden de slagen.
De kolonisten verkeerden in groote spanning. Duizenden zonderlinge bovennatuurlijke gedachten rezen in hun geest op en zij verwachtten een groote bovenmenschelijke verschijning, want deze alleen had kunnen beantwoorden aan de voorstelling, welke zij zich van den geheimzinnigen genius van het eiland gevormd hadden.
Tegen middernacht daalde Cyrus Smith tot de kust af om de rotsen te verkennen. Reeds voor twee uur was de eb begonnen.
De ingenieur had gelijk gehad. Het gewelf van een groot hol teekende zich reeds boven de oppervlakte. Daar boog de lijn zich in een rechten hoek en verdween in een gapenden muil.
Cyrus Smith keerde naar zijn lotgenooten terug en zeide kalm:
"Binnen een uur kunnen wij door de opening."
"Zij bestaat dus?" vroeg Pencroff.
"Hebt gij er aan getwijfeld?" antwoordde Cyrus Smith.
"Maar dat hol zal tot op zekere hoogte met water gevuld zijn," merkte Harbert op.
"Of dat hol loopt geheel droog," sprak de ingenieur, "en in dat geval kunnen wij er te voet ingaan; loopt het niet droog, dan zal er het een of andere middel van vervoer tot onze beschikking zijn."
Weder verliep er een uur. Onder een stortregen begaven zij zich naar zee. In drie uur was de vloed vijftien voet gedaald. Reeds stak het bovenste gedeelte van het gewelf minstens acht voet boven het water uit.
Toen de ingenieur zich voorover boog, zag hij een zwart voorwerp op de oppervlakte der zee drijven. Hij trok het naar zich toe.
Het was een boot, waaraan een touw was vastgemaakt. Deze boot was van plaatijzer. Onder de banken lagen twee riemen.
"Laten wij ons inschepen," zeide hij.
Een oogenblik later bevonden de kolonisten zich in het vaartuig. Nab en Ayrton hadden de riemen gegrepen. Pencroff vatte het roer. Cyrus Smith stond vooraan en verlichtte den weg door de lantaarn boven den voorsteven te houden.
Het gewelf, waaronder de boot verdween, verhief zich plotseling, maar de duisternis was te dicht en het licht der lantaarn te onvoldoende dan dat men de breedte, hoogte en diepte van de grot kon berekenen. De stilte werd door niets verbroken. Geen gedruisch drong tot hen door; geen bliksemstraal verlichtte dit hol.
Op sommige plaatsen van den aardbol bestaan van die onmetelijke holen, een soort van onderaardsche gaanderijen, die van de schepping dagteekenen. Sommigen zijn in de macht van de golven, anderen bevatten geheele meren binnen hare wanden. Voorbeelden daarvan zijn: de Fingal-grot op het eiland Staffa, de Morgat-grotten in de baai van Douarnenez in Bretagne; de Bonifacio-grotten op Corsica, de grotten van Lyse-Fjord in Noorwegen en eindelijk het onmetelijke Mammouth-hol in Kentucky, dat een hoogte van vijfhonderd voet heeft en langer is dan twintig mijlen.
Strekte het hol, waarin de kolonisten voortgleden zich dan tot midden onder het eiland uit? Reeds een kwartier lang volgde de boot den koers dien Cyrus Smith Pencroff aangaf, toen hij plotseling beval:
"Meer rechts houden!"
Het vaartuig veranderde van richting en naderde den rechterwand. De ingenieur wilde zich overtuigen of de lijn nog steeds langs dien wand liep.
Het was zoo.
"Vooruit!" zei Cyrus Smith.
De riemen plasten weder in de donkere golven en stuwden de boot voort.
Nog verliep er een kwartier en men moest den afstand van een halve mijl hebben afgelegd, toen Cyrus Smith opnieuw zijn stem verhief en zeide:
"Halt!"
De boot hield stil en de kolonisten zagen een helder schijnsel, dat de galerij, die zoo diep onder het eiland doordrong, geheel verlichtte.
Toen kon men dit gewelf opnemen waarvan men het bestaan nooit vermoed had.
Op een hoogte van honderd voet rustte een gewelf op zuilen van basalt, die allen in denzelfden vorm schenen gegoten; onregelmatige rotsblokken, schachten van den grilligsten omtrek verhieven zich op deze kolommen, die de natuur bij duizenden had opgericht toen de wereld ontstond. De basaltzuilen, waarvan de eene voortsproot uit de andere, waren veertig en vijftig voet hoog en de golven zoo woelig en onstuimig daar buiten, bespoelden kabbelend hare grondvesten. De schitterende glans van het licht dat de ingenieur had ontdekt, deed elk prisma uitkomen, dat schitterde in den gloed en drong als het ware door de wanden heen, alsof deze doorschijnend waren, terwijl hij de geringste uitstekende punten van dit onderaardsch gebouw deed flikkeren. Door de weerkaatsing gaf het water al die vormen en lichtpunten weer, zoodat de boot scheen te drijven tusschen twee gordels van oogverblindend licht.
Omtrent de natuur van het licht, dat uit het midden voortsproot en de scherpe rechte stralen, die op de hoeken en op de aderen Van het gewelf braken, kon geen onzekerheid bestaan. Dat licht moest teweeg gebracht zijn door electriciteit en zijn witte kleur duidde dien oorsprong aan. Dat was de zon van de onmetelijke grot, waardoor deze geheel verlicht werd.
Op een teeken van Cyrus Smith daalden de riemen weder in het water; vonkelend spatte het schuim omhoog en het vaartuig richtte zich naar het licht, waarvan het weldra slechts eene kabellengte was verwijderd.