Het Geheimzinnige Eiland De Verlatene

Chapter 10

Chapter 103,962 wordsPublic domain

Maar thans sprongen een twaalftal matrozen, dronken van woede en misschien ook tengevolge van de buitensporigheden van den vorigen nacht, in de sloep. Een tweede sloep werd uitgezet, waarin anderen plaats namen, en terwijl de een recht op het eilandje afging, trachtte de ander de Mercy binnen te varen, om er de kolonisten uit te drijven.

De toestand werd voor Pencroff en Ayrton onhoudbaar en zij begrepen thans dat ze zich bij hun vrienden moesten voegen. Toch wachtten zij nog totdat de eerste sloep binnen hun bereik was, om twee kogels, die goed gemikt waren, af te schieten, wat opnieuw wanorde bij de bemanning deed ontstaan. Daarop verlieten Pencroff en Ayrton hun post, wierpen zich in de prauw en hadden spoedig de Schoorsteenen bereikt, op het oogenblik dat de tweede boot aan de zuidelijke punt was. Ternauwernood hadden zij Cyrus Smith en Harbert bereikt of het eiland was in de macht der zeeroovers en de matrozen uit de eerste sloep doorkruisten het eilandje in alle richtingen.

Op hetzelfde oogenblik knalden er opnieuw schoten van den post bij de Mercy, waar thans de tweede sloep was genaderd. Twee van de acht matrozen werden doodelijk gewond door de kogels van Gideon Spilett en Nab; en de boot zelf werd tegen de klippen verbrijzeld. Maar de zes overigen hielden hun wapenen boven het hoofd, zorgende dat die niet vochtig werden, en slaagden er eindelijk in aan wal te komen. Toen zij bemerkten te dicht onder het vuur te zijn, vluchtten zij in allerijl naar het Wrakpunt, buiten het bereik der kogels.

Hun toestand was dus deze: op het eilandje twaalf bandieten, waarvan verscheidene gewond waren, maar die toch nog een sloep tot hun beschikking hadden; op het eiland zes roovers, maar deze konden het Rotshuis niet naderen, want zij konden de rivier niet oversteken daar de bruggen weggenomen waren.

"Dat gaat goed!" had Pencroff gezegd, terwijl hij naar de Schoorsteenen ijlde, "wat denkt gij er van, mijnheer Cyrus?"

"Ik denk," gaf de ingenieur ten antwoord, "dat de strijd een anderen vorm gaat aannemen, want men kan niet veronderstellen dat de boeven in zulk een ongunstigen toestand op deze wijs zullen handelen!"

"Zij zullen het kanaal niet oversteken. De karabijnen van Ayrton en Spilett zijn daar om hun dat te verhinderen. Gij weet wel dat ze verder dan een mijl dragen."

"Zeker," antwoordde Harbert, "maar wat vermogen twee karabijnen tegen de kanonnen van de brik?"

"Wel de brik is nog niet in het kanaal!" riep Pencroff.

"Maar wanneer zij er in komt?" vroeg Cyrus Smith.

"Dat is onmogelijk, want zij zou daar verbrijzeld worden!"

"Het is zeer wel mogelijk," antwoordde Ayrton. "De misdadigers kunnen van het hooge water gebruik maken, om het kanaal binnen te loopen!"

"Duizend duivels!" riep Pencroff, "het schijnt waarlijk dat de schurken het anker lichten!"

"Misschien zullen we wel genoodzaakt zijn om in het Rotshuis de wijk te nemen?" merkte Harbert op.

"Laten wij wachten!" antwoordde Cyrus Smith.

"Maar Nab en mijnheer Spilett?...." zeide Pencroff.

"Zij zullen in tijds bij ons wezen. Houd u gereed, Ayrton. Thans komen uw karabijn en die van Spilett aan de beurt."

Het was maar al te waar! De Speedy begon haar anker te lichten en scheen het eilandje te willen naderen. De roovers waren slechts met geweren gewapend en konden dus niet het minste kwaad doen aan de kolonisten, of deze verborgen waren in de Schoorsteenen, dan wel bij de monding der Mercy; maar zij, van hun kant, wisten niet dat de kolonisten ook voorzien waren van karabijnen die ver droegen en achtten zich dus in veiligheid. Daarom stelden zij zich dus ook niet verdekt op, toen zij op het eilandje geland waren.

De waan was slechts van korten duur. De karabijnen van Ayrton en Spilett lieten zich spoedig hooren en hadden voor de boeven een noodlottige uitwerking. Twee vielen ter aarde. De overigen vluchtten aan boord van het schip.

"Acht minder!" riep Pencroff uit. "Waarlijk, men zou zeggen dat Spilett en Ayrton elkander waarschuwden als ze vuur wilden geven."

"Mannen!" antwoordde Ayrton, "de brik komt hierheen."

Eenige oogenblikken later riep Pencroff uit:

"Daar komen de roovers!"

Thans hadden Spilett en Nab zich bij de overigen gevoegd. Zij hadden niet het minste letsel bekomen; maar allen achtten het nu raadzamer den post bij de Mercy te verlaten.

"Hebt gij eenig plan gemaakt, Cyrus?" vroeg de reporter.

"Wij moeten, terwijl wij nog tijd daartoe hebben, ons in het Rotshuis bergen."

Zij moesten geen oogenblik verloren laten gaan; want de Speedy was nog slechts op korten afstand en de kogels vlogen in alle richtingen. Zij wierpen zich in den heischtoestel en bereikten den ingang van her Rotshuis, waar Top en Jup den vorigen dag waren opgesloten. Weldra waren zij in de groote zaal. Het was tijd. De kolonisten zagen reeds de Speedy in kruitdamp gehuld door het kanaal stoomen. Zij moesten zich zelfs verschuilen, want het eene schot volgde het andere en de kogels der vier kanonnen troffen in den blinde zoowel den post aan de Mercy als de Schoorsteenen. De rotsen werden verbrijzeld en bij elk schot steeg er een luid gejuich op.

Toch was het te voorzien, dank zij de voorzorgen van Cyrus Smith, dat het Rotshuis vrij zou blijven, toen plotseling een kogel door de deur drong in den voorgang.

"Vervloekt! Wij zijn ontdekt!" riep Pencroff.

Hun toestand was hopeloos, want weldra regende het kogels in het Rotshuis. Hun schuilplaats was ontdekt. Zij konden geen weerstand bieden. Er schoot hun niets over dan zich in het bovenste gedeelte van het Rotshuis te bergen, en hun woning aan de verwoesting prijs te geven, toen plotseling een doffe dreun hun ooren trof, die door een vreeselijken gil gevolgd werd.

Cyrus Smith en zijn makkers snelden naar het venster.... De brik onweerstaanbaar opgeheven door een waterzuil, was in tweeën gespleten en binnen tien minuten was er niets meer van het geheele vaartuig te bespeuren.

XIV.

De kolonisten op de kust.--Ayrton en Pencroff redden de overblijfselen.--Gesprek onder het ontbijt.--De redeneering van Pencroff.--Bezoek aan den romp van de brik.--De kruitkamer ongedeerd.--Nieuwe rijkdom.--De laatste overblijfselen.

"Zij zijn in de lucht gesprongen!"

"Ja, het is alsof Ayrton de lont in het kruit had geworpen!" antwoordde Pencroff, terwijl hij, gevolgd door Nab en Harbert, naar de opening snelde.

"Maar wat is er gebeurd?" vroeg Gideon Spilett, nog ten hoogste verbaasd over deze onverwachte ontknooping.

"Ditmaal zullen wij het weten!...." antwoordde de ingenieur opgewonden.

"Wat zullen wij weten?"

"Later! later! Kom Spilett."

"Het voornaamste is thans dat de zeeroovers uitgeroeid worden!"

Cyrus Smith voerde met deze woorden den reporter en Ayrton mede naar het strand, waar Pencroff, Nab en Harbert reeds stonden.

Men zag niets meer van de brik, zelfs geen mast. Eenige overblijfselen kwamen langzamerhand bovendrijven, maar geen planken van het dek noch andere voorwerpen waaruit het schip was samengesteld. Dit was oorzaak, dat zij die plotselinge verdwijning van de Speedy moeilijk konden verklaren. Maar toch zag men spoedig daarop de twee masten met de zeilen boven komen. Zij haastten zich om deze schatten in hun bezit te krijgen. Ayrton en Pencroff sprongen in de prauw om de kostbare voorwerpen aan wal te brengen.

Op het oogenblik dat zij van wal zouden steken, riep Gideon Spilett hen terug met de woorden:

"En de zes boeven die op den rechteroever der Mercy geland zijn?"

Zij hadden waarlijk de zes mannen vergeten, wier sloep tegen de klippen was verbrijzeld.

Niets was er in die richting van de vluchtelingen te bespeuren. Het was zeer waarschijnlijk dat zij, toen de brik uiteen was geslagen, naar het binnengedeelte van het eiland waren gevlucht.

"Later zullen wij ons met hen bezighouden," zeide Cyrus Smith toen. "Zij kunnen nog gevaarlijk wezen, daar ze gewapend zijn, maar wij zijn zes tegen zes, de kansen staan dus gelijk. Alzoo spoed gemaakt!"

Pencroff en Ayrton slaagden er in om door middel van touwen alles wat dreef op het strand vóor het Rotshuis te halen; daarna brachten zij de kooien met vogels, kisten en vaten in de Schoorsteenen. Ook vonden zij nog eenige lijken, Ayrton herkende dat van Bob Harvey terstond en zeide op fluisterenden toon tot zijn makker:

"Zoo ben ik geweest, Pencroff."

"Maar gij zijt het niet meer, beste Ayrton!" antwoordde de matroos.

Toen alles zoo goed mogelijk geborgen was, besloten zij bij de Schoorsteenen hun ontbijt te gebruiken. Natuurlijk was het gebeurde steeds het onderwerp van hun gesprek.

"Het is toch een wonder," herhaalde Pencroff, "dat die schurken juist op het geschiktste oogenblik in de lucht gesprongen zijn! Want het Rotshuis werd voor ons onhoudbaar!"

"Maar kunt ge u begrijpen," vroeg de reporter, "hoe het gebeurd is, en waardoor het springen van de brik teweeg is gebracht?"

"Wel niets is natuurlijker, mijnheer," antwoordde Pencroff. "Een zeerooversschip is geen oorlogsschip! Zeeschuimers zijn geen matrozen! Zeker was de deur der kruitkamer geopend; daar zij onophoudelijk vuurden is, door de een of andere onvoorzichtigheid of onhandigheid, de kast gesprongen."

Er waren echter verschijnselen die met de onderstelling van Pencroff volkomen in strijd waren, en langen tijd hielden de kolonisten zich bezig met gissingen naar de oorzaak van het onheil, dat voor hen zulk een groot geluk was.

Tegen half twee besloten de kolonisten om met hun prauw naar de plaats te gaan, waar de brik gesprongen was. Het was jammer dat de beide sloepen niet behouden waren gebleven; maar de eene was, zooals men weet, bij de monding der Mercy stukgeslagen en geheel ongeschikt; de andere was tegelijk met de brik verdwenen.

De kolonisten bezagen nu den romp van de Speedy, en naarmate de zee afnam konden zij ontdekken, zoo niet de oorzaak van dit ongeval, dan toch de uitwerking.

"Duizend duivels!" riep Pencroff, "dat schip zal moeilijk te kalefaten zijn!"

"Het is zelfs onmogelijk," meende Ayrton.

"In elk geval," merkte Gideon Spilett op, "heeft het springen, zoo er een uitbarsting geweest is, een zeer zonderlinge uitwerking gehad. De romp van het schip is van binnen uit elkander gesprongen, in plaats van het dek! Die groote openingen schijnen eer te weeg gebracht te zijn door het stooten tegen een klip dan wel door het springen van de kruitkamer!"

"Er zijn geen klippen in het kanaal!" hernam de matroos. "Ik neem alles aan wat ge wilt, behalve het stooten op een klip."

"Laten wij tot in het binnenste van de brik trachten door te dringen," zeide de ingenieur. "Misschien zullen wij dan iets meer van die verwoesting te weten komen."

Dit was het beste wat hun te doen stond; zij besloten verder alle schatten, die aan boord waren, bij elkander te voegen en alles wat hun mogelijk was te redden.

Het was een waar fortuin. Wat zij vonden, was voor hen inderdaad een schat; een schip toch is een kleine wereld op zich zelf, en het magazijn der kolonisten zou met een rijken voorraad van nuttige voorwerpen vermeerderd worden.

Cyrus Smith en zijn makkers begaven zich met de bijl in de hand op het dek. Allerlei kisten vonden zij er, en daar ze slechts korten tijd onder water hadden gestaan zou de inhoud nog wel niet beschadigd wezen; zij slaagden er dan ook in alles in de prauw in veiligheid te brengen.

Met vreugde ontdekten de kolonisten, dat de lading van de brik van alles bevatte: een volledige voorraad van werktuigen en kleederen was er voorhanden. Het was zeer waarschijnlijk, dat zij daar van alles zouden vinden en dit zou den kolonisten van het eiland Lincoln zeer goed te stade komen.

Eindelijk konden zij ook het achtergedeelte van de brik bereiken. Hier moesten zij volgens Ayrton de kruitkamer vinden. Cyrus Smith, die van meening was dat het springen niet hierdoor teweeg was gebracht, achtte het zeer wel mogelijk, dat nog eenige vaten gespaard waren gebleven, daar het kruit gewoonlijk in metalen omhulsels wordt geborgen en dus weinig van het water zou geleden hebben.

Dit was inderdaad het geval. Zij vonden te midden van een menigte projectielen een twintigtal vaten, die van binnen met koper bekleed waren. Pencroff overtuigde zich met eigen oogen, dat het uiteenbarsten van de Speedy niet aan het springen van de kruitkamer was toe te schrijven. Dat gedeelte van het vaartuig had juist het minst geleden.

"Het is mogelijk!" antwoordde de koppige zeeman, "maar tegen een rots, neen, er zijn geen rotsen in het kanaal!"

"Wat is er dan gebeurd?" vroeg Harbert.

"Ik weet het niet," antwoordde Pencroff, "mijnheer Cyrus weet het niet en niemand weet er iets van en zal er ooit iets van te weten komen."

Het was vijf uur en de zee kwam weder opzetten. Zij moesten zich dus haasten om de weinige overblijfselen van het schip nog in veiligheid te brengen. Het was een vermoeiende dag voor hen geweest; toch kwamen zij overeen, dat, na het eten, de kisten nog onderzocht zouden worden.

Voor het grootste gedeelte bevatten zij gemaakte kleederen, die, zooals men denken kan, hun goed te pas kwamen. Zij konden nu een groote kolonie van kleederen voorzien, van linnen dat tot alles gebruikt kon worden en van de noodige schoenen.

"Nu zijn wij te rijk!" riep Pencroff uit. "Maar, wat zullen wij er mede doen?"

Het ontbrak hun niet aan plaats in het magazijn van het Rotshuis; maar het was dien dag zeer slecht weer, zoodat zij niet alles naar binnen konden brengen. Toch moesten zij niet vergeten, dat er nog zes boeven van de Speedy op het eiland waren en zij wel op hun hoede mochten wezen. De brug over de Mercy en andere hekken waren opgeheschen of gesloten, maar die roovers waren de mannen niet om vervaard te zijn voor een riviertje of een beek, en wanneer zij tot het uiterste gedreven werden, waren zij zeer te vreezen.

De nacht ging evenwel voorbij zonder dat de roovers een aanval waagden. Jup en Top hielden wacht aan de trap van het Rotshuis en zouden wel spoedig gewaarschuwd hebben.

De drie volgende dagen, 19, 20 en 21 October, werden besteed aan het in orde brengen van alles wat eenige waarde had. Zij doorzochten nogmaals de brik en vonden nog verschillende voorwerpen. Het eenige wat zij niet ontdekken konden, waren de scheepspapieren. Blijkbaar hadden de boeven deze vernietigd, evenals al datgene wat den oorspronkelijken eigenaar van het vaartuig kon doen kennen. Uit den bouw van het schip maakten Pencroff en Ayrton echter op, dat het een Engelsch schip moest zijn geweest.

Acht dagen na het ongeval of liever na die gelukkige, maar onbegrijpelijke gebeurtenis, waaraan de kolonisten hun behoud te danken hadden, zagen zij niets meer van het schip, zelfs bij laag water. De overblijfselen waren verspreid geraakt en het Rotshuis was goed voorzien van al het mogelijke. En toch zou het geheim dier oorzaak van verwoesting nooit opgelost zijn, zoo Nab den 30sten October niet op het strand was gaan zwerven en daar een stuk van een ijzeren cylinder had gevonden, dat de sporen van een uitbarsting droeg.

Nab bracht dit stukje metaal aan zijn meester, die juist met zijn vrienden in de Schoorsteenen werkte. Cyrus Smith beschouwde het aandachtig; daarop wendde hij zich tot Pencroff.

"Gij houdt nog vol, mijn vriend, dat de Speedy niet tengevolge van een schok in de lucht is gesprongen?"

"Ja, mijnheer Cyrus," antwoordde de matroos. "Gij weet even goed als ik dat er geen rotsen in het kanaal zijn!"

"Maar zoo hij tegen dat stuk ijzer is gestooten," vroeg de ingenieur, terwijl hij hem den gebroken cylinder toonde.

"Wat! dat stuk pijp?" riep Pencroff op ongeloovigen toon uit.

"Vrienden," hernam Cyrus Smith, "gij herinnert u dat vóor het schip zonk, de brik eerst als door een hoos in de hoogte werd geworpen?"

"Ja, mijnheer Cyrus," gaf Harbert ten antwoord.

"Welnu, wilt ge weten wie haar in de hoogte wierp? Deze," zeide de ingenieur, terwijl hij op den cylinder wees.

"Die," herhaalde Pencroff.

"Ja, die cylinder is alles wat er van de torpedo is overgebleven."

"Een torpedo!" riepen zijn vrienden.

"En wie heeft dien er ingebracht?" vroeg Pencroff, die zich nog niet gewonnen wilde geven.

"Alles wat ik u zeggen kan, is dat ik het niet gedaan heb!" antwoordde Cyrus Smith, "maar hij was er, en gij kunt zelf over de ontzaglijke kracht oordeelen."

XV.

De bewering van den ingenieur.--De grootsche onderstellingen van Pencroff.--Een batterij in de hoogte.--De vier kogels.--De overlevende boeven.--Ayrton aarzelt.--Edele gedachten van Cyrus Smith.--Pencroff heeft berouw.

Alles verklaarde zich thans door de uitbarsting van dezen onderzeeschen torpedo, waarvan Cyrus Smith in den burgeroorlog de kracht had leeren kennen.

Ja, alles was opgehelderd.... behalve hoe dit helsche werktuig in het kanaal was gekomen.

"Vrienden," zeide de ingenieur toen, "wij behoeven niet meer aan de tegenwoordigheid van een of ander geheimzinnig wezen te twijfelen, aan een schipbreukeling zooals wij misschien, geheel verlaten op dit eiland, en ik herhaal dit nogmaals, opdat Ayrton van de zonderlinge gebeurtenissen, die sedert de laatste twee jaren plaats hebben gegrepen, op de hoogte zal wezen. Wie is de onbekende weldoener wiens tusschenkomst zoo heilzaam voor ons was, en die verscheidene malen een reddende engel voor ons geweest is? ik kan het mij onmogelijk voorstellen. Maar hij heeft ons wezenlijk diensten bewezen, en wel zulke, waarover enkel een man die een wonderbaarlijke macht bezit, beschikken kan. Ayrton is evenals wij veel aan hem verschuldigd, want indien hij de man is, die mij redde, nadat ik in de golven was geworpen, is hij het waarschijnlijk ook, die den brief geschreven heeft en ons op de hoogte heeft gebracht van den treurigen toestand van onzen makker. Ik voeg er nog bij dat hij ons dan ook in het bezit van die rijke kist heeft gesteld en het vuur aangestoken heeft; dat hij de oorzaak is van het hageltje dat wij in het lichaam van het konijn gevonden hebben; dat hij den torpedo in het kanaal heeft gebracht; kortom, dat al deze onverklaarbare feiten, waarvan wij ons geen rekenschap kunnen geven, aan dat geheimzinnige wezen moeten worden toegeschreven. Maar, hoe het ook zij, schipbreukeling of balling, wij zouden ondankbaar wezen, zoo wij meenden dat we hem geen dank schuldig waren. Wij hebben een rekening met hem te vereffenen, en ik koester de hoop dat wij eenmaal in staat zullen zijn hem zijn diensten te vergelden."

"Maar, indien hij dit alles gedaan heeft, dan bezit deze man een macht, die hem over de elementen doet heerschen," zeide Gideon Spilett. De opmerking van den reporter was juist en allen gevoelden het.

"Wanneer wij den persoon vinden," vervolgde Cyrus Smith, "is het geheim ook opgelost. De vraag is dus: moeten wij de onbekendheid van dit edelmoedige wezen eerbiedigen, of moeten wij alles in het werk stellen om hem te vinden? Wat is uw oordeel hierover?"

"Mijn meening is," antwoordde Pencroff, "dat wie hij ook zij, hij een edel mensch is, die op mijne achting rekenen kan."

"Goed," hernam Cyrus Smith, "maar dat is geen antwoord, Pencroff."

"Meester," zeide Nab toen, "ik geloof dat wij zoo hard kunnen zoeken als we willen, maar dien heer toch niet vinden zullen, zoolang hij het nog geen tijd daartoe acht."

"Dat is zoo dom niet, Nab, wat ge daar zegt," gaf Pencroff ten antwoord.

"Ik ben van dezelfde meening als Nab," zeide Gideon Spilett, "maar toch zie ik geen reden, waarom wij het niet zouden beproeven. Of wij dit geheimzinnige wezen vinden of niet, wij hebben dan toch onzen plicht jegens hem vervuld."

"En gij, Harbert," vroeg Cyrus Smith, "wat is uw meening! Spreek, mijn jongen."

"Mijnheer Smith, ik geloof dat wij alles moeten aanwenden om den weldoener weder te vinden, die eerst u gered heeft en ons daarna."

Op zijn beurt sprak Ayrton:

"Misschien is hij alleen? Misschien lijdt hij? Misschien heeft ook hij zijn leven te veranderen? Ik ben hem, zooals gij gezegd hebt, veel verschuldigd. Hij is het, niemand anders kan het geweest zijn, die op het eiland Tabor gekomen is, die den ongelukkige gevonden heeft, dien gij gekend hebt, die u heeft doen weten dat er een rampzalige gered moest worden!.... Aan hem heb ik het dus te danken, dat ik weder mensch geworden ben. Neen, dat zal ik nooit vergeten!"

"Dit staat dus vast," zeide Cyrus Smith toen. "Wij zullen zoo spoedig mogelijk onze onderzoekingen hervatten. Geen stukje van het eiland zullen wij vergeten. Tot in het binnenste gedeelte zullen we doordringen, en dat onze vriend het ons vergeve ter wille van onze bedoeling!"

Gedurende eenige dagen hadden de kolonisten de handen vol met het inhalen van den oogst. Vóor zij hun plan ten uitvoer brachten, wilden ze alles in orde hebben. Ook de tijd, waarop zij de groenten van het eiland Tabor moesten binnenbrengen, was aangebroken. Maar er was nog een belangrijk overblijfsel van de brik, dat eveneens geborgen moest worden: de vier kanonnen. Door middel van katrollen brachten zij die in het Rotshuis, waar zij tusschen de vensters geplaatst werden. Het huis der kolonisten werd nu een klein Gibraltar en elk schip dat het wagen mocht, het eiland aan te tasten, zou voortaan aan het vuur eener geduchte batterij zijn blootgesteld.

Toen alles gereed was, zeide Pencroff--het was de 8ste November--tot Cyrus Smith:

"Mijnheer, nu onze sterkte gereed is, moesten wij toch de kracht van onze stukken eens beproeven."

"Gelooft ge dat dit van eenig nut is?" vroeg de ingenieur.

"Het is niet alleen nuttig, maar noodig! Want, hoe zouden wij anders weten hoe ver ons geschut draagt."

"Laat ons het dan beproeven," zeide Cyrus Smith.

Het sprak van zelf dat de vier kanonnen in den besten toestand waren. Zoodra zij ze uit het water hadden gehaald, was de eerste zorg van den matroos geweest ze nauwkeurig na te zien. Hoeveel uren had hij niet besteed aan het schoonmaken en poetsen van deze vuurmonden! Thans blonken deze stukken geschut dan ook of ze aan boord waren van een fregat der Vereenigde Staten.

In tegenwoordigheid van het geheele personeel der kolonie, Jup en Top daaronder begrepen, werden de vier kanonnen achtereenvolgens beproefd. Men gebruikte daarbij schietkatoen, waarvan de kracht viermaal grooter is dan van het buskruit, terwijl de stukken geladen werden met puntkogels. Pencroff loste het eerste schot; de kogel in de richting der zee geschoten, snorde over het eilandje en viel op een afstand, dien men niet met juistheid berekenen kon. Het tweede schot was gericht op de uiterste rots van het Wrakpunt; een uitstekende steen, drie mijlen van het Rotshuis werd er door tot puin geslagen. Het was Harbert, die het stuk gericht had. De derde kogel werd afgeschoten op de duinen der Uniebaai en sprong door den weerslag in zee: de afstand was vier mijlen. Voor het vierde schot had Cyrus Smith de lading wat sterker genomen om te zien, hoe groot de draagkracht in een uiterst geval zou kunnen wezen. Allen weken op zijde, daar er kans was dat het stuk sprong. Een lange lont werd aan het zundgat bevestigd, een geweldige slag volgde, maar het kanon had weerstand geboden, en toen de kolonisten naar het venster ijlden, zagen zij hoe de kogel de rotsen had getroffen van kaap Mandibule, op vijf mijlen afstands van het Rotshuis en in de Haaiengolf verdween.

"Welnu, mijnheer Cyrus," riep Pencroff uit, wiens hoezee's in kracht met de schoten wedijverden, "wat zegt gij nu van onze batterij? Laten nu alle zeeschuimers uit de Stille zee zich voor het Rotshuis vertoonen; zonder onze toestemming zullen zij niet kunnen ontschepen."

"Het zou toch altijd het beste zijn, Pencroff," antwoordde de ingenieur, "dat wij nooit in zulk een geval komen."

"Hé," zeide Pencroff, "wat zullen wij met de zes schelmen doen, die nog op het eiland rondzwerven? Zullen wij ze maar stil onze bosschen, velden en weiden laten doorkruisen? Het zijn ware jaguars, die zeeroovers! en ik geloof dat wij ons niet behoeven te bedenken om ze als zoodanig te behandelen. Wat dunkt gij er van Ayrton?" voegde Pencroff er bij, terwijl hij zich tot zijn makker wendde.