Het Esperanto in Twintig Lessen

Chapter 10

Chapter 101,427 wordsPublic domain

Tiende Les.

Deelwoorden.

_Deelwoorden_ zijn van werkwoorden afgeleid en stellen de werking voor als een voorbijgaande eigenschap of toestand.

De Nederlandsche taal heeft 2 deelwoorden en wel het _tegenwoordig deelwoord_, dat de werking of handeling voorstelt als nog voortdurende en het _verleden deelwoord_, dat de werking voorstelt als afgeloopen.

Het _tegenw. deelwoord_ eindigt in 't Nederlandsch op _d_ en het _verl. deelwoord_ begint meestal met _ge_, als: loopen, loopend, geloopen; leeren, leerend, geleerd; slaan, slaand, geslagen; zien, ziend, gezien; vernemen, vernemend, vernomen; begeeren, begeerend, begeerd.

't Esperanto nu heeft, behalve een tegenw. en een verl. deelwoord, ook nog een _toekomend deelwoord_, wat wij omschrijven met het woord _zullende_ vóór het werkwoord, bijv.: zullende loopen, zullende leeren, zullende slaan enz.

Verder worden deze 3 deelwoorden onderscheiden in _bedrijvende_ en _lijdende_ deelwoorden.

_Bedrijvende deelwoorden_ hebben altijd betrekking op den persoon, die de werking verricht en worden gevormd van de werkwoorden, door achter den stam te voegen:

voor den _tegenw. tijd_ de uitgang _anta_; voor den _verl. tijd_ de uitgang _inta_; voor den _toek. tijd_ de uitgang _onta_.

_Lijdende deelwoorden_ hebben altijd betrekking op den persoon of de zaak, die de handeling lijdt of ondergaat en worden gevormd van de werkwoorden, door achter den stam te voegen:

voor den _tegenw. tijd_ de uitgang _ata_; voor den _verl. tijd_ de uitgang _ita_; voor den _toek. tijd_ de uitgang _ota_.

Let wel op de overeenkomst van de uitgangen der _deelwoorden_ met die van de reeds geleerde uitgangen der _werkwoorden_, n.l.:

tegenw. tijd uitg. _a_s, tegenw. deelw. uitg. _a_nta of _a_ta; verl. tijd uitg. _i_s, verl. deelw. uitg. _i_nta of _i_ta; toek. tijd uitg. _o_s, toek. deelw. uitg. _o_nta of _o_ta.

Hieronder volgen de verschillende deelwoorden van het werkwoord _bati_ met de Nederlandsche beteekenis:

bati = slaan; batanta = slaande; batinta = geslagen hebbende; batonta = zullende slaan; batata = geslagen wordende; batita = geslagen zijnde; batota = zullende geslagen worden.

Deelwoorden hebben den _bijvoeglijken_ uitgang _a_ als ze op zelfst. n.w. of voornaamwoorden betrekking hebben, bijv.:

la falanta sxtono = de vallende steen; la falinta sxtono = de gevallen steen; la falonta sxtono = de steen, die vallen zal; la batata knabo = de geslagen wordende jongen (de jongen, die geslagen wordt); la batita knabo = de geslagen zijnde jongen (de jongen, die geslagen werd); la batota knabo = de jongen, die geslagen zal worden.

Deelwoorden kunnen ook _zelfst n.w._ worden en krijgen dan den uitgang _o_. Deze zelfst. n.w. duiden tevens aan of de persoon, die genoemd wordt, bezig is de handeling te verrichten (_anto_), of hij de handeling reeds verricht heeft (_into_) of dat hij deze nog verrichten moet (_onto_). Voor den lijdenden vorm zijn deze uitgangen resp. _ato_, _ito_ en _oto_, bijv.:

savanto = iemand die redt, dus 'n redder; savinto = iemand die gered heeft; savonto = iemand die zal redden; savato = iemand die gered wordt; savito = iemand die gered is; savoto = iemand die gered zal worden.

Aanmerking: Men verwarre de beteekenis van den uitgang _anto_ niet met dien van het achtervoegsel _isto_. Waar _isto_ een beroep of een ambacht te kennen geeft, duidt _anto_ slechts een persoon aan, die een werking of handeling verricht, zonder daarvan een beroep te maken.

Vergelijk: skrib_isto_ = beroepsschrijver, skrib_anto_ = iemand die schrijft; kant_isto_ = beroepszanger, kant_anto_ = iemand die zingt; hak_isto_ = (hout)hakker van beroep, hak_anto_ = iemand die hakt.

Verder kunnen deelwoorden _bijwoordelijk_ gebruikt worden (met uitgang _e_) als ze te kennen moeten geven, dat de handeling, die ze uitdrukken, een andere handeling vergezelde, voorafging of volgde, bijv.:

La virino laboras kant_ante_ = de vrouw werkt (al) zingende (terwijl zij zingt).

Trov_inte_ pomon, mi gxin mangxis = Een appel gevonden hebbend, at ik hem op.

Skrib_onte_ mi prenis mian plumingon = Zullende schrijven nam ik mijn penhouder.

Vok_ate_, la knabo estis en la gxardeno = De knaap, geroepen wordende, was in den tuin. (_Toen de knaap geroepen werd, was hij in den tuin_).

Vok_ite_, la knabo tuj venis = geroepen geworden zijnde, kwam de knaap dadelijk. (_Toen de knaap geroepen geworden was, kwam hij dadelijk_).

Vok_ote_, la knabo estis jam en la cxambro = Geroepen zullende worden, was de knaap reeds in de kamer. (_Toen de knaap geroepen zou worden, was hij reeds in de kamer_).

Wanneer achter de w.w. _zien_, _hooren_, _voelen_, _vinden_ enz. (waarnemingswerkwoorden) in denzelfden volzin een ander werkwoord volgt, dat in den Nederl. zin in de onbepaalde wijs staat, moet dit in 't Esperanto als _deelwoord_ gebruikt worden, bijv.:

Ik zag het paard vallen = Mi vidis la cxevalon falantan. Wij hoorden hem spreken = Ni auxdis lin parolantan. Ik voel den regen vallen = Mi sentas la pluvon falantan.

Het brengt eenige moeilijkheid mede of achter dit deelwoord een _n_ geplaatst moet worden of niet.

Neemt men nu eens het voorbeeld:

Ik zag het paard vallen.

Legt men nu den klemtoon op zàg, dan wil het zeggen:

Ik zàg het paard, dat viel.

Legt men den klemtoon op vàllen, dan wil het zeggen:

Ik zag dat het paard viél.

In de eerste beteekenis wordt het vertaald met een _n_, dus: Mi vidis la cxevalon falantan, in de tweede beteekenis zonder _n_, dus: Mi vidis la cxevalon falanta.

Zooals men dus ziet, wordt het deelwoord gebruikt met een _n_, wanneer het aangeeft den toestand, waarin, of de omstandigheid, waaronder de persoon of zaak verkeert. Zonder _n_, wanneer men speciaal de werking aan wil duiden, die de persoon of zaak verricht. Inplaats van het deelwoord zonder _n_ mag men ook de onbepaalde wijs gebruiken. Bijv.: Ik zag hem loopen = Mi vidis lin kuranta, of Mi vidis lin kuri.

De beteekenis is dan dus: ik zag, dat hij liép.

Achtervoegsels _ul_ en _ad_.

_Ul_(o) duidt personen aan die het kenmerk bezitten door het grondwoord uitgedrukt, bijv.:

juna = jong, junulo = jongeling. maljuna = oud, maljunulo = grijsaard, kontraux = tegen, kontrauxulo = tegenstander.

Somtijds heeft _ulo_ ook betrekking op dieren en heel zelden op voorwerpen, bijv.:

piedo = voet, kvarpiedulo = viervoetig dier. korno = hoorn, kornulo = hoorndier. masto = mast, dumastulo = tweemaster.

_Ad_(i of o) drukt uit dat de werking niet als een voorbijgaande, maar als een voortdurende handeling of als een toestand moet worden gedacht, bijv.: paroli = spreken, paroladi = voortdurend spreken (redeneeren), parolado = redevoering; movi = bewegen, movadi = voortdurend bewegen, movado = beweging; progresi = vorderen, progresadi = voortdurend vorderen, progresado = vooruitgang.

Wanneer de onbepaalde wijs van een werkwoord in 't Nederl. als een zelfst. n.w. gebruikt wordt, dan wordt dit gewoonlijk in 't Esperanto vertaald door achter den stam van het werkwoord _ado_ te plaatsen, bijv.: Het drinken van zuiver water is gezond = La trinkado de pura akvo estas saniga.

Leer van buiten:

pano brood bulko broodje, kadetje tritiko tarwe faruno meel (bloem) pasto deeg supo soep kapro geit sxinko ham lardo spek ansero gans anaso eend meleagro kalkoen kuniklo konijn leporo haas fisxo visch besto dier, beest haringo haring salmo zalm sardelo sardine ezoko snoek legomo groente sxanco kans fresxa versch ranca rans franca fransch flandra vlaamsch mordi bijten sorbi slorpen soifi dorst hebben drinki overmatig drinken fumi rooken baki bakken boli koken friti bakken (braden) rosti roosteren cxasi jagen sxteli stelen diferenci verschillen tamen nochtans, evenwel uzi gebruiken tremi beven verki schrijven (v. boeken)

Vertaling:

Junulo, maljunulo, junulino, belulino, felicxulo, malfelicxulo, blindulo, ricxulo, malricxulo, avarulo, cxasajxo, terpomo, drinkejo, panisto, sxtelisto, policejo, kantado, ridado, dormado, parolado, uzado.

Vertaal in Esperanto:

Lieveling, een doove, een slechtaard, jager, drank, drinkebroer, zoetigheid (iets zoets), een rooker, een schrijver, zanger, redder, dief, tarwekorrel, varkensvleesch.

Vertaling:

Mi mangxis la rostitan panon. El la junuloj de mia vilagxo, la filo de la meblisto estas la plej bela. La maljunulo ekglitis, falis teren, kaj bela knabino helpis lin. La blindulo trovas la vojon per la palpo. Mi trovis lin dormantan sur la kanapo. Mi vidis sitelon starantan en la kuirejo. Mi vidis lin parolantan en la cxambro. Salutante li foriris. Kiam mi skribas leteron, mi estas skribanto kaj kiam mi verkas libron, mi estas verkisto. Mi ne povis legi la skribitan leteron. La batota knabo estis en la gxardeno. Mia en Roterdamo logxanta amiko vizitos min morgaux. La konstruita domo estas tre bela. La konstruota domo estos tre alta. La segxo staris antaux la fermita fenestro. Oni povas diri: "mi soifas" kaj ankaux "mi havas soifon". Knabineto, tremanta pro malvarmo, kuris sur la strato. La parolonto venos en la urbon morgaux je la sepa vespere.

Vertaal in Esperanto:

Ik hoorde haar zingen (vertaal zingende) in den salon van mijne tante. Ik zie het kind spelen (vertaal spelende). De redder loopt met den geredde. Het brood in de broodbak is niet versch, het is oudbakken. Etende menschen spreken niet veel, slapende menschen spreken nog minder. Op de straat gekomen zijnde, zag ik een vrouw, weenende van de koude. Een bijtende hond. De beminnende moeder loopt met het beminde kind. Groetende kwam hij binnen. De jonge man en de jonge vrouw zijn op het veld, spelende met de kinderen. De ooms en tantes waren in den tuin en spraken over het mooie weder. Zingende kinderen zijn vroolijke kinderen. Brood is een voedsel voor mensch en dier. Hij zal veel geld geven aan de arme kinderen van de groote stad. Wie heeft den man zien loopen? Wie hoorde den jongen lachen? De redevoering was kort maar krachtig. Het voortdurend gezang van mijn buurman, den geheelen dag van den morgen tot den avond, is niet zeer aangenaam voor den hoorder.