Het Eiland Urk: Zijn Bodem, voortbrengselen en bewoners
d. Vaste lichtgekleurde kalksteen, zeer fijnkorrelig, geheel homogeen
van zamenstelling, dof en schelpachtig op de breuk, bijna zuiver wit, grijsachtig wit of licht geelachtig, in allen deele de kenmerken dragende van Jurakalk. De witte en geelachtig gekleurde stemt geheel overeen met Portlandkalk.
Het mikroskopische onderzoek leerde, dat deze kalksteenen geheel of grootendeels zijn zamengesteld uit zeer kleine (1/200 tot 1/20 streep in doormeter hebbende) rhomboëdrische kalkspaathkristalletjes [11]. De meeste stukken bevatten geene fossilen. Alleen in een witachtig grijs gekleurd stuk werden eenige overblijfselen aangetroffen van Pentacrinus pentagonais Goldfuss [12]. Deze soort van kalksteen komt tamelijk menigvuldig op alle punten der bedding voor. Alle de daaruit bestaande steenen zijn sterk gerold; sommige hebben eenen doormeter van 6 tot 7 duimen, doch de meeste zijn kleiner.
e. Blaauwachtig grijze kalksteen, minder fijnkorrelig dan de vorige, ruw en oneffen op de breuk, met glinsterende kalkspaathkristallen, en zeer talrijke kleine, van 2 tot 3 streep in doormeter hebbende, fossilen insluitend, welke behooren tot de familie der Trilobiten. Bij beschouwing door de loupe zijn de van facetten voorziene oogen duidelijk zigtbaar, doch overigens is eene nadere soortbepaling moeijelijk, daar het niet gelukt hen te isoleren, uit hoofde van de hardheid der omgevende steenmassa en hunne eigene broosheid. Slechts eenmaal is een zoodanig stuk, dat sterk gerold was, gevonden op het kerkhof, en dus afkomstig uit het bovenste gedeelte der bedding.
f. Zwartachtig grijze kalksteen, in min of meer plaatvormige stukken, met verscheidene ten deele goed bewaarde schelpen van Leptaena depressa Dalm. (Productus depressus Sow. [13]), waartusschen talrijke exemplaren verspreid liggen van Beyrichia complicata Salt., door McCoy [14] onder de Entomostraceën gerangschikt. De tegenwoordigheid dezer fossilen, hoe klein ook,--daar zij slechts een' doormeter van hoogstens 2 streep hebben,--heeft echter eenige beteekenis, dewijl het geslacht Beyrichia, volgens McCoy, tot hiertoe alleen uit het silurische stelsel bekend is, en B. complicata zeer menigvuldig, en op een aantal verschillende plaatsen, in Engeland voorkomt in de schieferachtige kalksteenen, welke tot dit stelsel behooren. Ook de platte hoekige vorm der hier voorkomende stukken beantwoordt aan dezen oorsprong. Zij zijn vrij talrijk in het onderste gedeelte der bedding, terwijl hun doormeter van 3 tot 7 duimen bedraagt. Op één dezer stukken neemt men ijzerkieskristallen waar.
g. Graauwe kalksteen, met een indruksel van Terebratula flabellula Sow. [15] en een dergelijk stuk, hetwelk een fragment eener grootere Terebratula bevat, vermoedelijk T. plicatella Sow. [16], als mede een afdruksel van eene Melania of van eene andere schelp behoorende tot een daarmede in vorm na overeenkomend geslacht. Stukken meer gerold dan de vorige, tot van 5 duim.
h. Bonte kalksteen, violet, rood, vleeschkleurig, wit en zeegroen gevlekt, fijnkorrelig, zonder kristallen, minder hard en vast dan de Portlandkalk, doch harder dan krijt. Een groot gerold blok van O,45 el in doormeter, en eenige kleinere stukken zijn in het onderste gedeelte der bedding gevonden. Fossilen komen er niet in voor.
i. Wit krijt en vuursteenen. Beide zijn door de geheele bedding verspreid. De stukken krijt zijn alle gerold, de grootste van 3 duim. De daarin voorkomende Foraminiferen zijn Rotalia globosa en Textilaria acicularis, dezelfde, die het talrijkst in het Engelsche krijt worden aangetroffen. In de nabijheid der vuursteenknollen bevat het krijt bovendien vele naalden van zeesponzen. De meeste vuursteenen zijn scherpkantige fragmenten. Echter worden er ook verscheidene geheele knollen aangetroffen; de grootste heeft eenen doormeter van 4 duim. Meerendeels zijn zij zwartbruin of bruinachtig geel en half doorschijnend, eenige bleekgeel of roodachtig en ondoorschijnend.
Behalve de genoemde kalkgesteenten bevat de bodem nog talrijke uit koolstofzuren kalk bestaande rolsteenen, die minder duidelijk gekenmerkt zijn, doch gedeeltelijk, tot een der beschreven varieteiten (d en g) kunnen gebragt worden; de meesten zijn blaauwachtig grijs of grijsachtig wit.
Eindelijk zij hier nog vermeld, dat ik, door tusschenkomst van den heer Backer de Wit, van den Mr. metselaar A. Last te Enkhuizen ontvangen heb een stuk van Astraea annularis Lam., hetwelk door hem in het jaar 1820 bij het bouwen der school op het eiland gevonden is, op eene diepte van 8 voeten onder den grond. Volgens zijne mededeeling bevonden zich daar ter plaatse nog verscheidene andere dergelijke ten deele grootere stukken, die verward door elkander lagen. Het stuk, dat ik onder de oogen heb, is 5 duimen lang en bijna 3 duimen dik en breed. Het heeft eenigzins afgeronde kanten, en ook de oppervlakte, waar zich de cellen bevinden, is glad afgeslepen, terwijl de kleur door geinfiltreerd ijzeroxydhydraat geelachtig is geworden, doch overigens komt het fossile exemplaar overeen met de nog in de Westindische zee levende voorwerpen.
13. Mergel, grijsachtig wit, gedeeltelijk violet, een stuk van 3 duim, in aard en kleur geheel overeenstemmend met stukken keupermergel, alhier op het mineralogisch kabinet voorhanden.
14. Doleriet, zeer fijnkorrelig, graauw, groen en sterk magnetisch. Een stuk van 5 duimen is gevonden in het onderste gedeelte der bedding.
Daar het nuttig kan zijn, voor eene latere vergelijking met hetgeen elders in ons vaderland in eenen bodem van overeenkomstige zamenstelling voorkomt, de verhouding te weten, waarin elk der rotssoorten tot de gezamenlijke hoeveelheid der gevonden steenen staat, zoo volgt hier eene lijst met de namen der rotssoorten en het aantal der daaruit bestaande steenen, verzameld bij de graving van den 5,8 ellen diepen kuil op het punt A. Onder dit aantal zijn echter alleen zulke steenen begrepen, wier doormeter 1 duim of meer bedraagt. Dewijl deze inzameling is geschied door den vuurtorenwachter, die in last had ontvangen alle de gevonden steenen zonder onderscheid aan mij over te zenden, zoo mag men aannemen, dat hier alle willekeur buiten gesloten is geweest, en de cijfers inderdaad vrij juist de verhouding uitdrukken, waarin de verschillende steensoorten in dit gedeelte des bodems voorkomen.
Graniet, a. roode 43 9,4 proc. 27,7 proc. Graniet, b. anders gekleurde 36 7,9 proc. Syeniet 24 5,3 proc. Gneis 23 4,0 proc. Porphier 2 0,4 proc. Veldspaath 3 0,7 proc. Kwarts 6 1,3 proc. Glimmerschiefer 9 2,0 proc. Chlorietschiefer 1 0,2 proc. Zandsteen, a. zonder glimmer, gele 2 0,4 proc. 5,6 proc. Zandsteen, b. zonder glimmer, roode 2 0,4 proc. Zandsteen, c. glimmerhoudend, gele en 19 4,1 proc. grijze Zandsteen, d. glimmerhoudend, roode 3 0,7 proc. Kalkhoudende thonschiefer 1 0,2 proc. Kwartsiet 2 0,4 proc. Klei, a. witte 2 0,4 proc. Klei, b. roode 6 1,3 proc. Kalkgesteenten, a. marmer 15 3,3 proc. 53,8 proc. Kalkgesteenten, b. witte en gele 29 6,3 proc. Jurakalk Kalkgesteenten, c. graauwe, met 12 2,6 proc. duidelijke fossilen Kalkgesteenten, d. bonte 5 1,1 proc. Kalkgesteenten, e. kalkspaath 1 0,2 proc. Kalkgesteenten, f. vezelige 1 0,2 proc. Kalkgesteenten, g. niet nader bepaald, 183 40,1 proc. doch ten deele tot b en c behoorend Krijt 15 3,3 proc. Vuursteen 10 2,2 proc. Mergel 1 0,2 proc. Doleriet 1 0,2 proc. === Som 457
In deze bedding is ook nog op 2,3 ellen boven A. P. gevonden een stukje hout uit eene bruinkoolformatie. Het is ongeveer 2 duimen lang, ligt, bruin, doch niet met ijzeroxyd geincrustreerd. Het is gemakkelijk snijdbaar en stemt in maaksel zeer na overeen met het hout van Taxus baccata, daar de houtcellen van hofstippels en van eenen breeden spiraalband voorzien zijn. Het is derhalve afkomstig van eenen boom behoorende tot het fossile geslacht Taxites Goeppert.
De tweede laag, waarvan de dikte hoogstens een el bedraagt, bestaat uit eenen zwartachtig grijzen zandigen leemmergel, hier en daar met een' geelachtigen of bruinachtigen tint. Zij onderscheidt zich van de hoogere, behalve door de kleur, vooral ook door eene meerdere gelijkmatigheid en inniger vermenging der bestanddeelen. De diepere gedeelten der laag bevatten het meeste zand en hebben eenen losseren zamenhang dan de hoogere.
De mikroskopische bestanddeelen zijn dezelfde als die der eerste laag, alleen in andere betrekkelijke hoeveelheden. Hetzelfde geldt van de scheikundige bestanddeelen. Koolstofzure kalk en ijzeroxyd komen er in merkelijk geringere mate in voor. De bodem op 0,3 el boven A. P., nagenoeg uit het midden der laag, bevat 8,27 proc. in zoutzuur oplosbare deelen, waarvan 4,87 koolstofzure kalk zijn en 1,29 proc. ijzeroxyd.
Er worden mede een aantal gerolde steenen in aangetroffen, grootendeels tot dezelfde rotssoorten behoorende als die in de eerst beschreven laag. Steenen van zoo grooten omvang als in deze zijn hier niet gevonden. Echter zoude ik niet durven beweren, dat zij er niet in voorkomen, daar dit gedeelte des bodems alleen uit de graving in A en de boring in c bekend is.
Onder de granietblokken zijn er verscheidene, die rood en groen gevlekt zijn, ten gevolge van tusschen de roode veldspaath verspreid olivin. Een dier stukken heeft eenen doormeter van 10 duimen. Buitendien worden de meeste der boven beschreven varieteiten ook hier vertegenwoordigd.
De zandsteenen zijn mede dezelfde. Nabij de bovenste grens is er een gevonden van 18 duimen in doormeter, plat aan weerszijden, grijs en aan de eene zijde door ijzeroxydhydraat geel gekleurd.
Het geheele getal der steenen van één duim of meer in doormeter, bij de graving in A uit deze laag verzameld, bedraagt 104, die op de volgende wijze verdeeld zijn:
Graniet, a. roode 6 5,8 proc. 21,2 proc. Graniet, b. anders gekleurde 9 8,7 proc. Gneis 4 3,9 proc. Veldsteenporphier 1 0,9 proc. Veldspaath 2 1,9 proc. Kwarts 5 4,8 proc. Zandsteen, a. zonder glimmer, gele 1 0,9 proc. 5,7 proc. Zandsteen, b. zonder glimmer, roode 1 0,9 proc. Zandsteen, c. glimmerhoudend, gele 4 3,9 proc. en grijze Kalkgesteenten, a. marmer 1 0,9 proc. 24,8 proc. Kalkgesteenten, b. Jurakalk 5 4,8 proc. Kalkgesteenten, c. bonte 1 0,9 proc. Kalkgesteenten, d. niet nader 19 18,2 proc. bepaald Krijt 5 4,8 proc. Vuursteen 40 38,5 proc. === 104
Hieruit blijkt, dat het voornaamste verschil met de vorige laag gelegen is in het aanzienlijk getal van vuursteenen, waaronder verscheidene groote knollen, tot van 9 duimen in doormeter.
Eindelijk is in deze laag ook nog gevonden een vrij goed bewaard fragment eener zuil, vermoedelijk van Actinocrinus laevis Mill., uit tien geledingen bestaande.
De derde laag wordt gevormd door eenen licht geelachtig grijzen leemachtigen zandmergel, in A de dikte van 1,3 el hebbende. Reeds is gezegd, dat de leemmergel der tweede laag benedenwaarts allengs zandachtiger wordt. Werkelijk is het ook niet wel mogelijk eene scherpe grens tusschen deze beide lagen te trekken, die integendeel schier onmerkbaar in elkander overgaan, in dier voege, dat de kleur al lichter en lichter, en de zamenhang der deelen al losser en losser wordt naarmate de diepte toeneemt. Dat deze twee lagen eigenlijk bij elkander behooren wordt ook nog daardoor bevestigd, dat in c (nabij de vuurtoren) onder de laag zandmergel wederom eene laag zwartgrijze leemmergel gevonden wordt, geheel gelijk aan de daar boven liggende. Straks zullen wij zien, dat het gevolg hiervan is, dat daar ter plaatse eene watergevende wel in de zandmergellaag is gevonden.
Ook deze laag bevat talrijke gerolde steenen, wederom grootendeels tot dezelfde rotssoorten behoorende als die in de hoogere lagen.
Onder de granietachtige gesteenten treft men er verscheidene aan, die geen waar graniet zijn, maar euriet of granuliet. De hier voorkomende zijn rood of wit gestreept.
Zandsteenen, beantwoordende aan de hooger liggende, zijn hier niet aangetroffen, maar, in stede daarvan, eenige stukken van eenen groveren en vasteren graauwackezandsteen of psammiet, de grootste eenen doormeter hebbende van 7 duimen.
Onder de kalksteenen verdienen, als niet in de hoogere lagen voorkomende, vermeld te worden: een violetrood en groen gevlekt stuk marmer, een geelgrijze harde kleihoudende kalksteen, en bovendien een stuk kalkhoudende kieselschiefer, zwartachtig grijs gekleurd, zeer fijnkorrelig, schelpachtig op de breuk, zonder fossilen, 7 duimen in doormeter hebbende.
Ook zijn hier wederom verscheidene stukken doleriet gevonden en desgelijks eenige stukjes anamesiet, ter grootte van 1 tot 2 duimen.
Eindelijk nog een klein fragment van den rand eener schelp, die niet nader te bepalen is, doch, te oordeelen naar de witte kleur en de geringe fossilificatie, waarschijnlijk uit eene jongere tertiaire formatie afkomstig.
Het getal der verzamelde rolsteenen, van meer dan 1 duim doormeter bedraagt 118. Hiervan behooren tot:
Graniet, a. roode (ten deele euriet) 21 17,9 proc. 24,6 proc. Graniet, b. anders gekleurde 4 3,4 proc. Gneis 2 1,7 proc. Hoornblende 1 0,8 proc. Veldsteenporphier 1 0,8 proc. Kwarts 8 6,8 proc. Glimmerschiefer 7 6,0 proc. Kalkhoudende kieselschiefer 1 0,8 proc. Kwartsiet 3 2,6 proc. Psammiet 4 3,4 proc. Kalkgesteenten, a. marmer 1 0,8 proc. 16,0 proc. Kalkgesteenten, b. Jurakalk 1 0,8 proc. Kalkgesteenten, c. kleihoudende 1 0,8 proc. Kalkgesteenten, d. niet nader 16 13,6 proc. bepaald Krijt 8 6,8 proc. Vuursteen 33 28,0 proc. Doleriet 3 2,6 proc. Anamesiet 3 2,6 proc. === 118
Vergelijken wij nu deze uitkomsten met die der hoogere lagen, dan komt men in het algemeen tot het resultaat:
1o. dat het aandeel der plutonische gesteenten zich tamelijk gelijk blijft;
2o. dat het aandeel der oudere kalkgesteenten in de bovenste laag verreweg het grootst is, en benedenwaarts afneemt;
3o. dat daarentegen het krijt en de daaruit afkomstige vuursteenen in de diepere lagen het menigvuldigst zijn;
4o. dat er in geen der lagen fossilen gevonden worden, afkomstig van dieren, welke op de plaats zelve geleefd hebben, maar daarentegen verscheidene, die aan gesteenten van zeer verschillenden geologischen ouderdom eigen zijn.
De vierde of diepste laag, waartoe men is doorgedrongen, en welke in A op 1,5 el onder A. P. eenen aanvang neemt, bestaat uit zand, dat geheel vrij is van koolstofzuren kalk, en zich daardoor zeer wezenlijk van de hooger liggende lagen onderscheidt.
Bij de graving heeft men slechts een zeer klein gedeelte (0,1 el) van deze laag leeren kennen. Hier aan de bovenste grens, is het zand zeer fijn en nog niet geheel vrij van ingemengde leemdeelen.
Men mag aannemen, dat deze zandlaag zich onder het geheele hoogere gedeelte des eilands uitbreidt, daar,--gelijk later nog nader blijken zal,--het meerendeel der putten, zoo niet alle (alleen met uitzondering van die bij den vuurtoren) tot in deze laag doordringen en daaruit hun water ontvangen. De bodem van de put (p), in het midden van het hoogere gedeelte, ligt op 1,5 el onder A. P., dus juist op de diepte, waarop de zandlaag in A nabij de kust mede gevonden is (verg. de doorsnede in fig. 3), zoodat, alhoewel het waarschijnlijk is, dat de bodem van die put zich iets dieper onder de bovenste grens der zandlaag aldaar bevindt, hare helling in elk geval zeer gering is.
Of er in deze laag ook gerolde steenen voorkomen, kan ik niet beslissen, uit hoofde der te geringe diepte, waartoe men daarin gegraven heeft, maar in het daarvan ontvangen monster zijn er geene.
HET LAAG LIGGEND GEDEELTE.
De geognostische gesteldheid van dit gedeelte verschilt ten eenenmale van het hoogere en kondigt dadelijk eene jongere alluviaal-formatie aan.
Deze formatie is nog van tweederlei aard, namelijk eensdeels door aanspoeling uit de zee, anderdeels in zoet water ontstaan.
De geheele omtrek, voor zoo ver zij aan de zee grenst, wordt door zand bedekt. Langs de Noord-Oostkust, waar ook nu nog het paalwerk ontbreekt, en vroeger de reede is geweest, alvorens door het graven der haven voor eene betere ligplaats der schepen was gezorgd, is het strand door zand opgehoogd, ter hoogte van 1 el tot 1,5 el boven A. P., als het ware eene duinvorming op zeer kleine schaal daarstellende. Ook de overlangs evenwijdig met de Noord-Westkust loopende rug, welke reeds vroeger (bl. 9) vermeld is, bestaat enkel uit zand. Waar thans door paalwerk het verder opwerpen van het zand door de zee verhinderd is, en derhalve ook op den genoemden rug, daar is het zand op vele plaatsen bedekt met een dun laagje teelaarde, doch onmiddelijk daaronder treft men het zand aan.
De zoogenaamde Staart,--althans het bovenste gedeelte tot op 0,3 duim onder de oppervlakte,--is alweder geheel uit zand gevormd.
Eindelijk behoort hiertoe ook het, alhoewel aan gene zijde van het hooge gedeelte gelegen, door aanspoeling nieuw gevormde stuk gronds B. Bij eene graving tot op 1,9 el werd daarin niets dan zand gevonden.
De zamenstelling van dit zand is overal dezelfde. Het is tamelijk grofkorrelig, en bevat zeer talrijke schelpen (dezelfde die ook nu nog de omringende zee bewonen) en gelijke rolsteenen als die, welke nog dagelijks door de zee worden opgeworpen, en waarover wij straks nader zullen spreken. Alleen vermeld ik hier, als min of meer de grens te kennen gevende van de kracht, die de golven der Zuiderzee vermogen uit te oefenen, dat op den zandrug, welks midden op eenen afstand van omstreeks 50 ellen van de zee is verwijderd, steenen gevonden worden tot van 20 duimen in doormeter, die derhalve door de stormen in de jaren 1775 en 1776 zijn opgeworpen. Behalve deze schelpen en steenen treft men hier en daar, in het zand gravende, ook eene derrieachtige massa aan, ten deele naar het schijnt uit losgewoeld veen bestaande.
In de nabijheid der Noord-Westkust, en waarschijnlijk ook aan de tegenovergestelde zijde, ligt onder het zand eene kleilaag. In het punt C is deze aangetroffen op eene diepte van 1,1 el. Deze klei sluit nog vele kleinere en grootere zandkorrels in. Dat ook zij door de zee is aangevoerd, wordt bewezen niet alleen door de talrijke daarin bevatte fragmenten van schelpen, welke tot dezelfde soorten behooren als die in het hooger liggende zand, maar ook worden er de kiezelschalen van Coscinodiscus cellosus, van Actinocyclus senarius, van eenen Actinoptychus en fragmenten van Nonionina germanica in aangetroffen.
Geheel het middengedeelte wordt daarentegen door eene zoetwater-formatie ingenomen. Nabij de oppervlakte treft men, in plaats van zand, eene zandige klei aan, plaatselijk afgewisseld met dunne veenstrooken, vooral in de nabijheid van het vroeger moerassige gedeelte, doch zelden eene grootere dikte hebbende dan van 5 tot 10 duimen, en grootendeels gevormd door mossen (Sphagnum, Hypnum), terwijl men op vele punten de gelegenheid heeft alle de opvolgende toestanden van dit zich vormend veen waar te nemen, van de nog frissche mosplantjes aan de oppervlakte af, tot aan de onderste geheel in veen overgegane laag toe.
Deze zandige klei bevat vrij talrijke kleine kwartskorreltjes en een scherpkantig gruis van kristallinische gesteenten; ook komen er vele chlorietkorrels in voor, alsmede eenige straalsteenschilfers. Een gedeelte van het fijne gruis bestaat uit koolstofzuren kalk, doch van overblijfselen van zee-organismen komt geen spoor voor. Daarentegen zijn er de kiezelschalen van eene zoetwater-diatomee (Navicula Brebissonii Kütz.) op eenige punten in vrij groot aantal in aangetroffen, sommige nog eene groene kleurstof bevattende.
Benedenwaarts wordt deze klei allengs minder zandig, tot dat zij (in d op 0,25 el onder A. P.) in eenen donker gekleurden taaijen kleimergel overgaat, waarvan de mineralogische bestanddeelen dezelfde als die van de hooger liggende zijn, doch waarin alleen de betrekkelijke hoeveelheid der kwartskorrels minder is. In dezen kleimergel, vooral in de diepere gedeelten, treft men vele verveende plantenoverblijfselen aan.
Werkelijk rust deze kleimergel ook op eene laag waar veen, waarvan de bovenste grens (in d) op 1,5 el onder A. P. ligt, terwijl de onderste grens op 2,8 el onder A. P., zijnde het diepste punt der boring aldaar, nog niet bereikt is.
Dit veen draagt al de kenmerken van gewoon laag veen. Bij de boring zijn, op de grootst bereikte diepte, daaruit verscheidene stukken hout opgehaald, welke in allen deele beantwoorden aan dat van den gewonen wilgenboom (Salix alba), en daarmede bepaaldelijk in mikroskopisch maaksel geheel overeenstemmen. Deze boom, die thans volstrekt niet meer op dit gedeelte van het eiland voorkomt, heeft dus daar vroeger gegroeid, tenzij het hout er is aangespoeld gedurende de veenvorming, hetgeen echter minder waarschijnlijk is, omdat veen alleen in water ontstaat, waarin weinig strooming is. Dit hout is wel roodachtig bruin gevonden, doch overigens weinig veranderd. Zelfs bezitten de houtvezelen nog in hooge mate de taaiheid en buigzaamheid, welke aan het wilgenhout eigen zijn.
Op dezelfde plaats en uit gelijke diepte zijn ook eenige fragmenten van beenderen opgeboord, welke afkomstig zijn van een rund. Herkenbaar zijn: een gedeelte der onderkaak met bijna drie kiesholten, een gedeelte der onderste geledingsvlakte van eene tibia, een gedeelte van een os hamatum, en een os sesamoideum. Deze beenderen zijn iets kleiner dan die van eene tegenwoordige volwassen koe.
Ten slotte blijft mij nog over hier iets te zeggen nopens het voorkomen van barnsteen op Urk. Ik heb mij vele vergeefsche moeite gegeven, zoowel tijdens mijn verblijf op het eiland, als later, door het meest zorgvuldig onderzoek der van daar medegebragte of mij toegezonden gronden, om daarvan iets te vinden, zonder dat het mij zelfs gelukt is het kleinste mikroskopische brokstukje te ontdekken. De zaak verdiende inderdaad dit naauwkeurig onderzoek, omdat het opwerpen van barnsteen door de zee tot het vermoeden zoude kunnen leiden, dat zich op geene zeer groote diepte onder den zeebodem eene bruinkolenbedding bevindt, welke barnsteen bevat, een vermoeden echter, dat nog meer grond zoude hebben, indien barnsteen niet zulk eene ligte zelfstandigheid is, zoodat de stukken van elders door de zee kunnen zijn aangevoerd.
Hoe het zij, zoo schijnt echter dit punt van genoegzaam gewigt, om, bij gebrek van eigene stellige uitkomsten, hier die berigten van anderen bijeen te stellen, welke de vraag, of er van tijd tot tijd barnsteen op Urk is gevonden, bijna met zekerheid bevestigend doen beantwoorden.
Het eerste berigt daaromtrent vind ik in de reeds vroeger (bl. 3) vermelde briefwisseling tusschen N. Witsen en G. Cuper. In eenen brief, gedagteekend 18 Aug. 1709, schreef de eerste:
"Op het eiland Urk heb ik weder barnsteen doen zoeken en gevonden: 't is bijzonder, men vindt er barnsteen in de aarde, welke ontdekt werd als de zee het land afspoelde en wel allerhande soort, witte, geele, heldere en donkere van kleur, ja in sommige stukken zie ik onreinigheden van bladertjes, als andersins."
Ook het antwoord van Cuper aan Witsen moge hier eene plaats vinden, als zijnde kenmerkend voor de meeningen van dien tijd, aangaande den aard des barnsteens. Den 23 Augustus van hetzelfde jaar schreef hij:
"Hetgeen UWE. mij schrijft van barnsteen op Urk is zeer opmerkelijk, te meer dewijl het mij toeschijnt dat hetzelve wordt gehaald uit den grond en uit de aarde van dit eiland, en dat de zee hetzelve afspoelende ontdekt waar het ligt. Ik verzoek U dit nader te onderzoeken en te doorgronden, omdat het zoo verschilt van het begrip van kenners, die vermeenen, dat deze stof liquida uit de aarde komt en opdrijvende uit de zee, na zich neemt wat het ontmoet, vliegjes, visschub enzv."
Aan dit berigt sluit zich de volgende brief van Martinet, medegedeeld door Le Francq van Berkhey [17], aan wien hij gerigt was.
"De heer Weerman, predikant te Urk, schrijft mij (aan Martinet), oudtijds wierden er ware barnsteenen, geel en helder, brandende als kaarsjes, op ons Eiland gevonden, dog nooit in menigte. Men vond ze alleen nu en dan meer of min. In 't begin dezer Eeuw waren de Jongens gewoon dezelve aan strand op te zoeken, voor den Wel Ed. Gr. Achtb. Ambachtsheer Nicolaas Witzen, Burgemeester der Stad Amsterdam [18], die hier jaarlijks kwam en dezelve van de Jongens kogt: dog sedert dien tijd is er geen werk gemaakt om ze op te zoeken, en ook weinig meer gevonden, en dus niet mogelijk om ze geredelijk te verzorgen. Niet uit schepen die vergaan zijn, maar door de natuur zijn ze hier aangespoeld, en wierden gevonden in eene zekere soort van zwarte aangespoelde Mollemaarde of molmachtigen Veengrond, gelijk ik zelfs, in het begin van mijne Dienst, wanneer nog een groot stuk Lands, buitendijks, zich Noordoostwaarts naar de Lemmer uitstrekte, een van die soorten van Barnsteen aldaar in aangespoelde Molmaarde of Veengrond gevonden heb, een halve vingerkop groot, welke ik aan mijn eerwaarden Vader present gedaan heb, maar sedert dat het opgemelde agter Buitendijksland weggespoeld en niet meer daar van dan een vlakke steenachtige strand overgebleven is, worden die steenen, zooveel mij bekend is, niet meer gevonden, enzv."
Behalve op Urk, is ook op het naburige Schokland barnsteen gevonden [19].
Ofschoon nu in lateren tijd de barnsteen op geen dezer beide eilanden meer is ontmoet, zoo laten echter de daaromtrent medegedeelde berigten geenen twijfel over, of het is aldaar vroeger voorgekomen, en wel, naar allen schijn, opgeworpen door de zee. Tevens echter blijkt daaruit, dat de hoeveelheid ten allen tijde zeer gering geweest is. De mollemaarde, waarvan in deze berigten sprake is, zoude het vermoeden kunnen versterken, als of deze barnsteen afkomstig was uit eene door de zee omgewoelde bruinkolenlaag, doch reeds boven hebben wij gezien, dat tusschen het zand, dat het vroegere zeestrand vormde, zich veel derrie bevindt. Hoogstwaarschijnlijk was het deze, waarin men den barnsteen vond. Deze derrie nu draagt alle de kenmerken van losgespoeld veen. Van hout van coniferen, die zoo algemeen in de bruinkolenbeddingen voorkomen, en bepaaldelijk in die, welke den barnsteen bevatten, is geen spoor te vinden.
Maar bovendien is het genoeg bekend, dat de barnsteen zeer veelvuldig voorkomt in zand- en leemgronden, gelijk inzonderheid langs de geheele Oostzeekust het geval is. Hij is daarheen gevoerd uit andere tertiaire bruinkolenbeddingen, en het zoude derhalve zeer wel mogelijk kunnen zijn, dat barnsteen ook hier en daar onder het Zuiderzeestrand ligt, zonder dat zulks daarom nog eene nabij zijnde bruinkolenbedding verraadt. Het soortelijk gewigt van barnsteen is 1,08; het verschilt derhalve zeer weinig van dat van water, en gevolgelijk kunnen stukjes, gelijk op Urk gevonden zijn, zeer gemakkelijk van groote afstanden daarheen door den stroom der zee zijn overgevoerd.
DE BODEM DER ZEE RONDOM URK.
Het is den zeevarenden op de Zuiderzee genoeg bekend, dat het vaarwater in den onmiddelijken omtrek van Urk zeer onveilig is, uithoofde van de geringe diepte der zee in de nabijheid van dit eiland. Deze ondiepte, gewoonlijk bekend onder den naam van het Rif van Urk, is op de bijgevoegde kaart [20] aangeduid, tevens met de diepten des zeebodems onder A. P., volgens de reeds vermelde Zuiderzee-kaart van den Luitenant van Rhijn. Alleenlijk zijn de cijfers vermeerderd met 2 palm, zijnde dit ten naastenbij het verschil tusschen laag water en A. P.
Op de hier achter gevoegde plaat, stellen fig. 1, 2, 3 en 4 eene reeks van doorsneden voor, volgens de op de kaart door de lijnen O P, Q R, S T en U V aangewezen rigtingen. Deze doorsneden zijn, wat de horizontale uitbreiding betreft, op dezelfde schaal geteekend als de kaart, namelijk op die van 1/20500, terwijl voor de vertikale hoogte en diepte de schaal van 1/1000 is gekozen. Alle hellingen zijn dus in werkelijkheid ruim 20 maal vergroot voorgesteld. De lijn A P duidt in alle figuren de wateroppervlakte aan; de bijgevoegde cijfers geven de hoogten en diepten boven en onder A. P. te kennen, terwijl door 0 0 de plaatsen worden aangewezen, waar de bodem onder de wateroppervlakte daalt en zich in land- en zeebodem scheidt.
Het blijkt, zoowel uit de kaart als uit deze doorsneden, dat het rif zich rondom het eiland als een onderzeesch plateau uitbreidt, dat, vooral aan de Westzijde, op vele punten digt onder de wateroppervlakte is gelegen. Ook gebeurt het bij zeer laag water van tijd tot tijd, dat het rif grootendeels droog komt, zoodat de eilandbewoners zich tot nabij zijnen rand droogvoets kunnen begeven.
Aan de Oostzijde ligt niet alleen de oppervlakte van het rif in het algemeen dieper, maar zij loopt ook langzaam glooijend af tot aan het punt, waar de zee hare gewone diepte heeft bereikt welke, aan die zijde (tusschen Urk en Schokland), nergens meer dan 4 ellen, doorgaans slechts 3,6 tot 3,8 el bedraagt.
Daarentegen is aan de Westzijde de helling aan den rand van het rif veel steiler (zie fig. 1 en 2), zoodat de diepte op eenen korten afstand van dien rand snel toeneemt. Ook is het daarbuiten gelegen gedeelte der zee sedert lang bekend onder den naam van het Val van Urk, dat, aan de andere zijde begrensd door het Enkhuizer zand, werkelijk eene soort van onderzeesche vallei of dal daarstelt, waarvan de grootste diepte 5,6 el bedraagt, zijnde dit tevens de grootste diepte der Zuiderzee bezuiden Enkhuizen, alleen met uitzondering van een paar punten op de hoogte dier stad zelve, waar de diepte tot 6,2 el onder A. P. bedraagt.
De bodem van dit geheele rif bestaat uit grof zand met gerolde steenen, waaronder vele van buitengewone grootte, vooral op het westelijk gedeelte. Ik zelf heb verscheidene dier steenen gezien, welke 1 tot 1,5 el in doormeter hadden, en waarvan sommige nog slechts fragmenten waren van merkelijk grootere steenen, die men, bij laag water, door middel van kruid had laten springen. Ook deelde de Burgemeester mij mede, dat men in vroegeren tijd steenen had gevonden van 15 voet of ruim 4 ellen in doormeter, doch dat steenen van die grootte thans zelden meer voorkomen.
Reeds sedert vele jaren hebben de eilanders die steenen van het rif opgehaald, ten einde deze te verkoopen voor steenglooijingen aan de zeedijken, en het gevolg hiervan is, dat de steenen op dit rif allengs zeer in aantal verminderd zijn, en, dewijl alleen die, welke aan deszelfs oppervlakte gelegen zijn, worden verzameld, zoo kan men hieruit eenigermate besluiten tot de verbazende steenenmassa, die hier eenmaal op een kort bestek is bijeen gehoopt geweest [21].
Toen ik het eiland bezocht, vond ik er echter nog vele op een' grooten hoop gestapeld aan het strand nabij de haven, die men daar kortelings uit de zee had aangebragt, zoodat ik de welkome gelegenheid had, om den aard dier steenen nader te kunnen onderzoeken. De aldaar verzamelde rolsteenen bestonden uit:
1. Graniet, a. een brokstuk van eenen grooteren rolsteen; de doormeter van het fragment bedroeg 1,25 el; de bestanddeelen waren: witte veldspaath (olikoglas), witte kwarts, zwartachtig groene glimmer en eenige weinige hoornblende, waardoor deze steen tot syeniet nadert.
b. Een brokstuk van 0,75 el in doormeter, met roozenroode veldspaath, witte kwarts en donkergroene glimmer; deze bestanddeelen zijn zeer ongelijkmatig gemengd.