Het Eiland Texel en Zijne Bewoners

Part 11

Chapter 111,734 wordsPublic domain

[3] "Noorder-Haaks, zandbank in de Noordzee, vóór het Marsdiep, Zuidwest van het eiland Texel, thans het Noordelijke gedeelte van de Haaks uitmakende. Ten Noord-Oosten loopt het Noordergat, dat haar van de Horst, of de Zuid-Westelijke punt van Texel, scheidt, ten Zuiden werd zij vroeger door de Breede-Wei en het Zuidwestergat van de Zuider-Haaks gescheiden; thans daarmede verbonden, wordt zij nog door eene geul of sleuf, het Duikersgat geheeten, in tweeën gescheiden, van welke het Zuidelijke gedeelte den Middenrug genoemd wordt."

"Zuider-Haaks, zandbank in de Noordzee, ten westen van den Helder, waarvan zij door het Schulpegat gescheiden is, terwijl zij ten Noorden thans met de Noorder-Haaks is vereenigd."

(Van der Aa. Aardr. Woordenboek, V deel, bl: 11.)

[4] De kleuren van Texel's vlag zijn ons verschillend opgegeven. Men deelde mij onlangs mede dat dezelve oudtijds groen en rood zouden geweest zijn.

[5] Naar men mij verhaalde, had zich de sterfte onder het hoornvee, vóór 1789, slechts éénmaal op Texel vertoond. Een boer, die, naar huis reizende, in het Zijperschuitje zich nedergezet had op een hoop rundervellen, afkomstig van dezulken, die aan de besmetting gestorven waren, en, zoodra hij te huis kwam, naar het veld gegaan was om zijne beesten te melken, bragt de ziekte over, met dat gevolg, dat niet alleen zijn' stal, maar ook vele andere stallen aan den Hoorn, geheel uitstierven, zonder dat de ziekte zich evenwel verder over het eiland verspreidde.

[6] Een groot verschil voorwaar met het jaar 1383, toen er op Texel geene merriën mogten gehouden worden; zijnde men toen verpligt, zich daarvan vóór Kersavond te ontdoen.--

[7] In 1854 werden er 1.400.000 oesters gevangen, die gemiddeld à f 10 per 1000 werden verkocht.

[8] De wiermaaijerij leverde hier in 1850: 170,000 lb wier, ter waarde van f 10,000; in 1851: 120,000 lb, ter waarde van f 4,200; in 1852: 150,000 lb, ter waarde van f 8,250; en in 1853: 300,000 lb ter waarde van f 19,000.

[9] Vooral levert de Schelpbank in het Eijerlandsche Gat eene gunstige opbrengst.

leverde in 1853 In 1854 kub. el schelpen. kub. el schelpen.

Het Oude Schild 250 400 Oosterend en Oost 3500 2500 De Cocksdorp 7600 6000

[10] Zie de achter dit Werk gevoegde Staat van de veranderingen aan het Strand en de Duinen, enz., overgenomen uit het Provinciaal Verslag van Noord-Holland, over 1854.

[11] Sturiërs...... Zij hadden van voren tot grenspalen de Noordzee, van achteren en aan beide zijden waren zij besloten door rivieren, namelijk de Sala of IJsselstroom, die, eer Drusus den Rijn daarin bragt, zich bij het eiland Texel ontlastte, en de Vliestroom. Verder waren zij omringd van het Meer, hetwelk tusschen het eiland Flevo en het verdere strand der Friezen lag, alsook door denzelfden Vliestroom, wederom smaller geworden zijnde: zoodat het voornoemde eiland binnen die palen begrepen was. Enz. (Van der Aa, Aardr. Woordenb.)

[12] Zie voorts Aanteekening, in het laatste Hoofdstuk van dit Werk.

[13] Zie ook: Het Eiland Wieringen en zijne Bewoners, geschetst door F. Allan. Amsterdam, Weijtingh en van der Haart, 1856.

[14] Zie ook: Het Eiland Schiermonnikoog en zijne Bewoners, geschetst door F. Allan. Amsterdam, Weijtingh en van der Haart, 1856.

[15] Volgens Dr. Acker-Stratingh, beter de Rekere. Zie 's mans beroemd werk: Aloude Staat en Geschiedenis des Vaderlands.

[16] Kerkelijke Oudheden van Noord-Holland, bl. 399, in de aanteekeningen.

[17] Wanneer die landstreek, den naam van Graafschap hebbe aangenomen, en welke personen het bestuur daarvoor in oude tijden (vóór Graaf Dirk II) mogen gehad hebben, daarvan is mij, ondanks vele nasporingen tot nog toe niets voorgekomen.

[18] Drechterland, is eene landstreek in Noord-Holland, in de nabijheid en omgeving van Enkhuizen.

[19] Kennemerland, gedeelte der provincie Noord-Holland, tusschen de Noordzee, Kalandsoog, het oude Westfriesland, benevens Amstelland en Rijnland, gelegen.

[20] In 1422 komt voor eene quitantie van den pacht der windmolen ad. 100 gouden Vrancrixe Kroonen.--

[21] Mr. Balthazar Huijdekoper, Schepen der stad Amsterdam, en bekend door zijne dicht- en taalkundige werken, is mede Schout of Baljuw van Texel geweest.

[22] Naar sommigen willen, behoorden bij de genoemde tienden ook de koorntienden; de lammertienden gingen in op den 1en Mei.--

[23] Van die teruggave, zegt zeker schrijver, is nog een spreekwoord op Texel afkomstig. "Nog heden," beweert hij, "zegt men op Texel, wanneer een jongeling aan een meisje eene eeuwige liefde zweert, als het maar geene Saxische eeuwigheid is, van drie jaren; omdat de Hertog van Saxen de Privilegiën, enz. der Texelaars, die hij voor eeuwig verbeurd verklaard had, reeds 3 jaren later terug gaf.--Geloofwaardige Texelaars hebben mij echter verklaard, genoemd spreekwoord nooit gehoord te hebben."--

[24] In 1562 bestond op Texel nog het gebruik, dat de Eigenaars en Bruikers geen langer eigendom aan de landen hadden, dan van 1 Mei tot den laatsten Julij, wordende na dien tijd alles gemeene weide.

[25] In 1779 liep de Amerikaansche Kaperkapitein Paul Jones met twee Engelsche prijzen in Texel binnen. De prijzen werden, hoewel te vergeefs, teruggevorderd; alleen gaf men den bevelvoerenden officier ter reede van Texel in last, om zich met den kaper zoo min mogelijk in te laten. Deze stoorde zich hieraan echter niet, maar bezocht zelfs den schouwburg te Amsterdam, hetgeen zooveel opziens baarde, dat men een straatliedje op hem maakte. Het bekende: "Dáár komt Pauwel Jones aan," enz., ontleende daarvan zijnen oorsprong.

[26] Volgens algemeen gevoelen is het dorp Den Burg, weleer (1346) door drie poorten afgesloten geweest, welke zouden gestaan hebben: ééne in den Binnenburg bij het pijpje;--ééne tegen over het Weeshuis, bij het huisje op de breg (brug); en ééne bij het logement de Zwaan.

[27] "Ada," dus lezen wij in een oud handschrift, "was de eenige dochter van Dirk, volgens de groote Kronijk, de VIIde van dien naam; de 14de Graaf van Holland; zij dan in rang de 15de Gravinne van Holland. Zij trouwde tegen den zin van sommige Staten, en van haren oom Willem, die, na haar, Graaf wierd. Zij werd door hem gevangen genomen, en op Texel in eene onbeslotene gevangenis bewaard, alwaar zij, na een jaar aldaar geweest te zijn, en nog geen 18 jaar oud, overleed in den jare 1204: haar lijk werd naar Middelburg gebragt."

Terwijl wij in eene andere aanteekening vermeld vinden: "De Moeder van Gravinne Ada, was de Gravinne Aleid. Deze had hare dochter uitgehuwelijkt aan Lodewijk, Grave van Loon; zij werd op den Burgt te Leiden, overwonnen en gevangen genomen, en viel haren Neef Willem van Teijlingen in handen. Haar oom Willem, overwinnaar zijnde, zond zijne nicht (Ada) naar Texel; doch deze gevangenis haar ondragelijk vallende, zocht zij te ontkomen, waarom hij het besluit nam, haar naar Engeland te zenden. Dit werd Graaf Willem I van vele Edelen en Landzaten, kwalijk genomen, dat hij de Landsvrouwe in handen van vreemden stelde."

[28] In 1855 waren 42 personen in die Kamers opgenomen, aan welken, behalve vrije woning, eene som van f 1200 voor onderstand is verstrekt, geheel uit inkomsten van bezittingen verkregen.

[29] Tegenwoordig houden de bewoners van Oost zich ook met de wiermaaijerij bezig.

[30] Zie bl. 41.

[31] Thans Hoofd-Ingenieur in de Provincie Utrecht.

[32] "Ongelooflijk," zegt zeker schrijver, die in het laatste gedeelte der voorgaande eeuw dit gedeelte van Texel bezocht, "ongelooflijk is het onnoemelijk getal van nesten en eijeren van allerlei soort, welke men hier aantreft; men kan zich aan geene zijde wenden, zonder, om zoo te spreken, twee of drie nesten onder de hand te hebben; maar men vindt zich bijna in het geval van Don Quichot, bij het hol van Montesinos; want men dient schier slag te leveren tegen de vogels, zoodanig koomen die dieren aanstrijken op de roovers van hunne eigendommen, en van de hoop van hun toekoomend geslagt."

[33] Eyerlandshuis is het noordelijkste der perceelen, waarin het Eijerland vóór de bedijking verpacht werd.

[34] De eigenlijke uitsluitende duinmaaijerij was, bij besluit van 1 Augustus 1825, afgeschaft.

[35] Het kompas heeft hier eene miswijzing van 22°30' N. W. Nieuwe en Volle maan, 9 uren hoog water.--

[36] Deze kwaal was eigenlijk eene soort van leverziekte, waarbij zeker insect, als kleine botjes, zich in de lever zette. Elders heerscht die ziekte ook, en meermalen hoorde ik die de bot noemen.

[37] Zoodanige kraag, behoort thans nog tot het zoogenaamde Marker-Trouwpak.--

[38] Ook op het eiland Marken bestond deze gewoonte; als een overblijfsel daarvan kunnen beschouwd worden, de eigendomsmerken die de Markers nog heden op hunne klompen en op andere zaken snijden.--Ook van de voorschreven kleederdragt vindt men op dit eiland nog vele overblijfselen.

[39] Aangaande het zoogenaamde Abtskoorn, deelde men ons het volgende mede:

Het Abtskoorn was eene belasting op sommige huizen aan den Burg, in oude tijden geheven door de geestelijkheid, in welke tijden door de Eigenaars dier huizen aan de Geestelijkheid jaarlijks moesten leveren 1, 2, 3, à 4 Loopen koren, naderhand werd voor ieder Loopen koren f 1.-- betaald, en was dit privilegie in het bezit van de Heeren Van Brienen, welke Heeren echter sedert 25 à 30 jaren, dit regt, hetwelk nu vervallen is, niet meer hebben gevorderd.

[40] Men zie ook, ten opzigte van Texel's vroegeren toestand, zoo als die bepaaldelijk was bij den aanvang der 18de eeuw: Reizen door een gedeelte van Europa, Klein-Azië, enz. gedaan door Johan Ægidius van Egmond van der Nijenburg en Johannes Heijman, uitgegeven door Johannes Wilhelmus Heijman, te Leiden bij Abraham Kallewier, 1757.--Welk werk mij goedgunstig ten gebruike werd afgestaan door mijnen vriend, den Heer J. Visser, te Eiland Marken.

[41] Dit woord is zeer oud en wordt zelden meer gehoord.

[42] Men meene echter niet, dat de Texelsche Schoonen zich in zooverre aan de anti-N.-H. kleedij gebonden achten, dat zij zich zouden bepalen bij een jak en rok, waarvan de schoot of scheiding bijna tusschen de schouders wordt gedragen.

[43] Wij merken hierbij aan dat Texel gedurende de laatste jaren, ook ten gevolge van meerdere gemeenschap met den vasten wal, veel van zijne eigendommelijkheid heeft verloren. Uit hetgene wij boven reeds omtrent de Texelaars hebben medegedeeld, blijkt, dat zij in kleeding, zeden, enz. niet meer van hunne naburen zijn onderscheiden.

[44] Zuuppot is een oud woord, 100 jaren geleden in gebruik, even als het Queesten.

[45] Tijdens en na het afdrukken van het werk, gewerden mij nog eenige opmerkingen Texel aangaande. Sommige derzelven kwamen tijdig genoeg, om in den tekst te kunnen worden opgenomen. Anderen echter, ontving ik daartoe te laat. Deze laatsten zijn het, die ik in dit zevende hoofdstuk heb zamengevat.