Het Eiland Schiermonnikoog en Zijne Bewoners
Part 2
Nadat hij, een drietal zijner trouwste krijgsmakkers uitgenomen, de geheele bemanning der boot had weggezonden, wist hij het, al vechtende en schietende uit zijne boegstukken, zoo lang uit te houden, dat, toen de brik hem de volle laag gegeven had en de overige vijandelijke vaartuigen op zestig passen afstand hem genaderd waren, de vlam uit het voorluik der boot sloeg, op welk gezigt de barkassen zich haasteden, af te houden.--De boot verbrandde en viel den vijand dus niet in handen, terwijl de moedige Van Maaren en zijne drie gezellen, ofschoon bedreigd door eene hagelbui van geweerkogels, ongedeerd met de sloep aan land kwamen.
Den volgenden dag, zijnde den 15den Augustus, naderden eenige vijandelijke oorlogbodems op nieuw het eiland, welks verdediging was opgedragen aan den Luitenant Broers, Die 26 manschappen onder zijn kommando en twee kleine veldstukjes ter zijner beschikking had. De vijand zond eenige gewapende sloepen en barkassen, zeer sterk bemand, naar land, die hier dan ook, onder bedekking van het geschut eener brik, die een hevig vuur op het strand onderhield, aan wal kwamen.--Dit vuur noodzaakte Luitenant Broers, om met zijne onderhebbende manschappen naar het dorp te wijken, hetgeen zij echter niet deden, dan na de beide veldstukjes vernageld te hebben, die later den Engelschen in handen vielen, door wien ook 9 tjalken werden prijs gemaakt en een verbrand, terwijl twee andere vaartuigen intusschen gelegenheid hadden gevonden, om den vijand te ontkomen.
Gedurende twee uren openden de Engelschen op de onzen een hevig vuur, doch vruchteloos;--de moed en de goed gekozen positie dezer laatsten was oorzaak, dat het dorp behouden bleef.
Wij besluiten deze schets, met het volgende omtrent de bevolking aan te merken.
Over het geheel worden deze eilanders, waaronder er thans ook velen zijn, die ten gevolge van verminderde welvaart, in armoedige omstandigheden verkeeren, om hunne regtschapenheid, trouw en reine zeden, algemeen geacht.
Hunne huishouding is in den regel eenvoudig, terwijl hunne kleederdragt, ten opzigte waarvan vooral sommige vrouwen nog al pronk- en modeziek zijn, de gewone Friesche volksdragt is.
Hun verkeer met alle soorten van menschen, onafscheidelijk met het zeemansleven verbonden, maakt, dat zij ook voor het meerendeel in uitwendige beschaving niet ten achteren komen.--
Eene bijzondere gewoonte is hier de oprigting van eenen Meiboom, hier Kallemooi geheeten, en wel Zaturdags voor Pinksteren, wordende dan de kermis, die drie dagen duurt, ingewijd.
De jonge lieden planten namelijk op den avond van voormelden Zaturdag, een' mast in den grond, aan welks boveneinde een' groenen boomtak bevestigd wordt. Aan deze laatste hangt een' mand, waarin den haan gezet wordt, die, voorzien van genoegzaam voedsel, gedurende den kermistijd dáár blijft hangen. Na afloop der kermis wordt de Kallemooi weder afgebroken, en den haan, den eigenaar (doorgaans de kastelein) terugbezorgd.
Doop- en huwlijks-plegtigheden worden hier gelijk elders in ons vaderland gevierd. Een vriendenmaal wordt bij zulke gelegenheden in geen geval verzuimd.--
Het onderlinge verkeer der jongelieden, pleit zeer ten gunste van het zedelijk karakter dezer eilanders, en ofschoon dezen de meeste vrijheid wordt gelaten, zoo hoort men al zeer zeldzaam van onzedelijke bedrijven. Onechte geboorten hebben er hoogst zelden plaats, terwijl wij van huisselijke twisten als anderzins, geene voorbeelden kennen.--
Omtrent het zoogenaamde vrijen merken wij aan, dat er dan eerst een welgemeend verbond der liefde, tusschen twee jonge lieden, geacht kan worden te bestaan, wanneer beide zich des Zondags, te zamen naar de kerk begeven; alsdan zegt men, dat zij aan elkander verloofd zijn, in welk geval het tot de zeldzaamheden behoort, indien zoodanig verloofd zijn, niet gevolgd wordt door getrouwd zijn.
Het voornaamste, waardoor de Schiermonnikoogers zich van de overige Nederlanders onderscheiden, is hunne eigenaardige taal. Daarvan moge het volgende stukje ten bewijze strekken, dat, vervaardigd door een geboren Schiermonnikooger, met name H. Conter, Ons door vriendschappelijke bezorging, ter plaatsing in dit boekske werd afgestaan:
KROMMER DAN KROM EN TOCH REGT.
Schoon 't voor ons oog onmooglijk schijn', Gij ziet het hier, het kan zoo zijn; Want ik vraag aan 't Hollandsen oor: Wie leest dit verstaanbaar voor? "t Is onmooglijk zult gij zeggen." Vraag ik zulks op Schiermonkoog Daar is 't duidlijk voor hun oog. En dat is ook Neerland's grond Waar men het verstaanbaar vond.
Ook nog aan 't Schiermonniks oor Geeft het soms een valsch gehoor Veeltijds brengt de tong te regt Wat de pen te scheef u zegt. Het zal niemand ooit gelukken. 't Zijn klinkletters wat ons schort: 'k Schiet er nog wel zes te kort.
Eer ik 't heb ter neer gezet Heb ik meer dan eens gelet, Om de klanken zoo te wringen, Als de tong ze u op kan dringen.
Die het zonder fouten schrieuwt, Zis ik dat mien mester blieuwt; Want buug dit krume noch zö lang Het wet net jogt dan trog uus tang.
DE AAISTE JANNEWARIS. [5]
'k Hef 't wol vaker al probeere Om iëen stök ien Eilaaunstaal, Maar ik mogt het drooij' of keere, 't Hiea altied zon rare vaal. 'k Zil het nog reis iêan keer waaigje, 't Is ne mien gebeurtedei, 'k Zil mien hassens zö lang plaaigje, Dat het mie toch lökken mei. 't Slimste is maar om 't to schrieuwen, To digten sjog dat taol ik net, Maar om 't aolles zö tö wrieuwen, Dat het veur elk laosbaar wet. 't Is dan d' aaiste Jannewaris, Dus van zollem Neijiers dei Dat elk die maorne eer bie daar is, Is 't veur zon dan zelfs al dei. Ja, ne wieml' het op de strieäte, Lietje en goat van huus tot huus. Gimmen ken het jaan neu lieäte, Scheun cent bie cent, 't vult toch de buus. Ieüwral wet men komm of staaije, Daadlik: "glok ien 't neiaje jier." Wat men heere af wat men sjaaije Alles is dan ien plezier. Maar ach 't is noch ieans gen jaaune Of 't giea wiear op 't aaude speur D'ieane mak'ke d'eauwr te schaaune Dat die maorne noch wiea ien vleur
Ja, ik leeuw wol vast dat völe Wenstje en ja wietet net, Scheun 't wol van har lippen röle Jo zesset maar Jao mien het net Ken men dat zö gauw verjette Wat uns öine mule zei: Wil er toch wat mair op lette, Vreuânen as 'k jemm' bidde mei.
En dat rochjen van een ewr, Star lak en brak tö loäzen Elk bescheaüw hem zollem Jewr, Dat zue wat botter woäze En Jezus zei uus aaik: wie zille En ewr gen kwaaid oon dwaan Maar krekt zö as wie 't zollem wille, Zö maöt wie 't n'eâur aaik jaan;
Kom lieat uus dan mooi 't Neiaje jiear, En botter paaid betrede, Dan waaundelje wie mooi pleiziear En elk is dan tö vrede. As elk dat paaid guëd haauwde ken En komt disz dei veur uus dan wiear, Dan reupt elk neâur mooi bliedschap to "Gelok en zegen ien 't Neiajiear."
OON DEN LOAZER.
't Is aaiste ien uus oine spraak, Verscheunje dus den dichter; Want zeker dacht hie het wat vaak, 't Wet botter en aaik ligter.
Wil mie dus vut geen straf op lesse, As 't somtieds net to loazen wiea Want 'k ken 't jemm' wol mooi wiearheid sesse, 'k Wiea blied, dat ik het zö viear hiea.--
EXTRACT UIT DE:
"Verdediginge van het Vrij eygen gekogte Regt van Civile en Criminele Justitie, over de Heerlijkheid Schiermonnikoog.--
"Onder alle volkeren van Europa Frieslandt geroemt werdende, te leven na de Roomsche Keizerlijke Wetten, en hare Land-regten en Statuten soo veel doenlijk conform deselve, volgens het goedvinden van Albert Hertog van Saxen, in den Jare 1499 in train gebragt, als noch in heilige Observantie zijnde, soo is het seer te verwonderen, dat men aldaar over een eijgen vrij gekogt Regt moet disputeren, ende wel over een regt van een stuk goed eertijds soo seer veragt, ende dat nooit het geringste gedeelte van die Provincie is geweest:
"Want, wanneer de Heerlijkheit van Schiermonnikoog nog in den eigendom van de Heeren Staten van Frieslandt was, en onder de Domainen van die Provincie behoorde, bestonde het alleen in eenige weinige visschers hutten, die van arme menschen wierden bewoont, sig met visschen generende, en jaarlijks voor de Provincie van Frieslandt niet meer opbragte dan seven â acht honderd Car. guldens, als geblijken kan uit de rekeningen der Domainen van die tijdt."
"Ook wierde het doen ter tijdt door de Heeren Staten, als behorende aan den eijgendom van de provincie, jure dominii bestierd, sonder dat vereischt wierde eenig ander Hoog-Geregte, omme haar in de administratie van de civile en criminele Justitie te adsisteren, 't welk ook van geen geregte hoe hoog konde gepretendeert worden, ten ware het specialijk van de Heeren Eygenaars was gedemandeert, dat nooit geschiet is...... gelijk ook op te maken is uijt de Staats-Regeringe" van Friesland, "als bestaande uijt vier Quartieren, onder geen van welke Schiermonnikoog behoort," of waarvan althans geene melding is gemaakt [6].
"De reden waarom deselve daarbuijten is gelaten, is ogenschijnlijk dese, namentlijk de inconvenientie ten respecte van de verafgelegentheit, welke ondragelijke kosten voor dese arme visschers soude veroorsaken, ja boven haar vermogen gaan; of de kleijne aangelegentheit, om dat geen part of deel was van de Provincie, veel min ijets in de Staatsregeringe van Frieslandt te seggen hadde; of omdat het getal der Inwoonders doen ter tijdt soo kleijn was, dat het gemakkelijk door het Neder-gerechte van die Heerlijkheit konde worde in ordre gehouden, soo niet, bij de Heeren Staten als Eijgenaars wel middel in handen was, om het Regt ter executie te stellen; of om de noodtsakelijkheit, dat het ten tijde, wanneer het sig onder de Provincie van Frieslandt begeven heeft, sodanig is geconvenieert, want de eerste bewoonders sijn van geboorte Sweden geweest, die sig aldaar hebben neergeset: Derhalven doen ter tijd niet hebbende behoort onder de Provincie van Frieslandt, ofte de civile en criminele Jurisdictie van het selve aan het Hoog-gerechte van die Provincie gedemandeert, soo is het seer vreemt, dat nu dien te neffens eenige gedagten gemaakt worden; althans de Eijgenaars van de Heerlijkheit Schiermonnikoog bevinden sig genoegsaam in staat schoon er nu wel hondert en vijftig huijsgesinnen meer sijn, als ten tijde van de koop, om het Regt soo civil als crimineel sonder behulp van een ander Hoog-geregte te konnen administreren, in welke vrije administratie alsoo deselve geturbeert worden, is redelijk, dat sij, vermits de Jura met geen minder regt als de Landen gekogt hebben, ende door den koop tot haar patrimonieel goed behoren, ook dit haar vrij eijgen gekogt Regt defenderen; want sij besitten dese Heerlijkheit van Schiermonkoge, met alle deselve regten en præeminentien, uit welken hoofde ook de Eygenaars de lasten van de Jurisdictie moeten dragen," al hetwelk ten koopbrief soo specifice staat uytgedrukt
"Dat de Heerlijkheid van Schiermonkoog met sulk een vrij eijgene civile en criminele Justitie verkogt is, behoeft niemant vreemt voor te komen, geconsidereert zijnde, dat het geschiet is op verzoek van Gecommitteerde Raden van Staaten, voorbehoudens den nooddwang uijt kragte van de reserve van Souverainiteit."
"Soo heeft ook Ameland voormaals behoort ouder Frieslandt," [7] alsmede het Eyland de Bandt, dat Noordelijker lag [8],--benevens de Heerlijkheid Visvliet welke voormaals door de Staten verkogt zijn, met het regt van civile en criminele Justitie,--"sonder dat het Hof van Frieslandt sig oijt of oijt met de Jurisdictie van dien gemoeijt heeft.--
"Aanmerkelijk is het, dat er geen een Dissentierende gevonden wort, of hij stelt vast en seker, dat aan de Heer Stachouwer Is Verkogt, ende in eygendom overgedragen de civile en criminele Jurisdictie, ook kan dat niet ontkent worden volgens de woorden van het Koop-brief en daar mede te doen en laten sulks een ijder met sijn vrij eijgen beoorlovet is."
"Waaromme ook geen uijtsonderinge van sodanige Jurisdictiën plaats kan hebben, gelijk verscheijdene criminele Sententien bij den Eijgenaar van Schiermonkoog sijn ter executie gesteld, selve die aan den lijve ginge, waar inne hij door niemant oijt ofte oijt is belet of geturbeert."--
"Also in Frieslandt geen andere Geregten bekent sijn, als Hoge en Lage, soo is het een ontegenseggelijke waarheijdt, dat de Heeren Staten ten tijde van de koop geen andere Jurisdictie konnen geseijt worden gehadt te hebben, als die hoogste is, welk Hoog-geregte de selve aan den Heer Stachouwer."--
"Immers kan niet ontkent worden, dat de Heeren Staten hebben verkogt het gene haar eijgen was, ende geensins, dat de selve met een tweede gemeen hadden, nog veel minder dat Regt, dat een ander, namentlijk de Ingesetenen van de Heerlijkheijt toebehoorde, alwaaromme de Heeren Staten, hebbende een Souveraine Jurisdictie, geen andere konnen verstaan worden verkogt te hebben, als die de hare was.--
"Hier tegens kan niets ingebragt worden, want de Eijgenaars van de Heerlijkheijt Schiermonkoge sijn door de koop geworden ware Eijgenaars, soo van de Landen, als van de Regten, enz. sonder eenige conditie, bepalinge of reserve, gelijk de selve Eijgenaars in hare Deductie, aan de Heeren Staten van Frieslandt den 25 Februari 1737 gepresenteert, hebben aangetoont.
"Daarom is men geheel het spoor bijster, wanneer men de Heer van Schiermonkoog, als Eijgenaar van de civile en criminele Justitie van die Heerlijkheit, nogtans wat haar personen en patrimonieel goedt, selfs die soo vrij gekogte Heerlijkheid belangt, subject stelt onder de Hove van Frieslandt.--
"De Heerlijkheit van Schiermonkoog is niet bekent, dat oijt aan de Provincie van Frieslandt vast, of een gedeelte van dien geweest is, maar sedert immemoriale tijdt daarvan afgescheiden door de Lauwer-Stroom en alsoo twee afsonderlijke Heerlijkheden, ten minste was het soo al omtrent der Franke wederkomste bij de overwateringe van de dartiende eeuwe, volgens getuigenisse van Menso Alting, wanneer men nog in de Provincie van Frieslandt van geen Hof van Justitie wiste, want dat is eerst opgeregt in den Jare 1499, door Albert Hertog van Saxen, alleen over Oostergoo en Westergoo, bestaande in ses Raden uijt Oostergoo en vier uijt Westergoo, benevens Hessel Martena als der Vorsten Cancellier, om uijt de naam van die Vorst te vonnissen, welk Hof door sijn Soon Georg in den Jare 1504 nader is bevestigt, en de Cancellarije binnen Leeuwarden gelegt [9].
"De woorden in den koopbrief vermelt, ende bij gevolge van dien aan de Generale Unie, expliceren genoegsaam wat Souverainiteit de Heeren verkoopers gereserveert hebben, namentlijk sodanige, die haar de magt en autoriteit gaf, om dese Heerlijkheit van Schiermonkoog te doen verblijven onder de Generale Unie, of onder sodanige aliantie, als de selve namaals verstonden; want voor de verkopinge als een geassocieerde Heerlijkheit mede begrepen onder de Generale Unie, was het in de magt niet van de Heeren Staten, sonder præjudicie deselve behalven dese reserve te verkopen.--
"Wat aangaat de comporatie van de Geregtigheden van het Hof van Hollandt ende de Heerlijkheden, in die Provincie gelegen, met het Regt van het Hof van Frieslandt, en het Regt van de Heer van Schiermonkoog, kan in dezen geen de minste applicatie hebben, van wegens het over groot verschil dat tusschen die beide is, namentlijk om dat de Hollandsche Heerlijkheden, leggen in die Provintie, en wel het grootste gedeelte van het Graafschap uijtmaken, als ook omdat die Heerlijkheden verkogt worden als feudale goederen met submissie van den Hove en Hoogen Raad, waar nog bij gevoegt moet worden, dat het met eene speciale expressie is uijtgedrukt in de Instructie van het Hof van Hollandt van den 20 Augusti 1531, Art. 7, 8 en 12, en bij de alteratie van eenige Articulen van de Instructie van den Leen-Hove van Hollant van den 2 Maij 1525, wort de Jurisdictie uijtgedrukt te sijn, over Heerlijkheden, hoge en lage, begraven Huijsen, Sloten of Jurisdictien, soo ook in de Ordonnantie van de Criminele Justitie van Konink Philip Anno 1570, Art. 14 en veele volgende: Waar vint men van dit alles de minste schijn in Frieslandt ten resspecte van de Heerlijkheit Schiermonkoog? ende om den onkundige nog verder op de regte weg te helpen, is werelt-kundig, dat de Eijgenaars van Heerlijkheden in Hollandt leden sijn van die Provintie, die het Hof van Hollandt als Opper-regters over haar hebben verkoren; men zie maar eens het accoord tusschen Hollandt en Zeelandt van den 8 November 1576, en verdrag van den 13 Augusti 1587, bestaande de geheele Staats-regeringe van Hollandt uit Heerlijkheden en Steden.
"Wat belangt de verscheidene gevallen van sententien, appoinchementen, citatien en exploicten, met vrijwillige toelatinge geaccordeert of sonder de selve geschiet, geven niet te kennen, dat het Hof van Frieslandt het Opper-gerigte heeft, over de Heerlijkheid Schiermonkoog.
"De eigenaars van Schiermonkoog weten, dat hare voorsaten tot drie verscheidene tijden sig nopens dit poinct (in contradictorio) hebben laten horen, eens in den jare 1648 den 4 Julij, wanneer het finaal appoinctement was: sal sig desen aangaande hebben te addresseren aan de Heer van de Heerlijkheit;--wederom in den Jare 1691, het Hof van Frieslandt Brieven van compusorien hebbende verleent, heeft den Eijgenaar van de Heerlijkheit van Schiermonkoog bij Exceptie sijn Regt aangetoont en gedeserdeert, welke exceptie tot nog toe niet afgedaan sijnde, hebben de verleende brieven van compulsorien geen effect gehadt: In den voorgaanden Jare wierden wederom brieven van compulsorien versogt, wanneer bij rescriptie de Eijgenaars van Schiermonkoog wederom haar vrij eijgen gekogt regt van civile en criminele Justitie hebben bewaart, ende is op den 8 October 1736 verstaan geen apel plaats te hebben, gelijk ook het versaak van compulsorien afgeslagen, dese drie gevallen sijn door het Hof van Frieslandt zelfs soo verstaan, en verstrekken alsoo als drie onwraakbare getuigen, van het regt van de Heerlijkheit Schiermonkoog enz."
Dit stuk waaraan een gedrukt jaartal ontbreekt, is aldus onderschreven:
"Uijt naam en order van de Eijgenaars van de Heerlijkheit Schiermonkoog."
(get.) S. ACRONIUS.
Bij of onder deze naamteekening staat geschreven: 1738.
VOETNOTEN
[1] Sedert 1853 bezit het eiland twee vuurtorens. De eerste staat N. N. W. van de kerk; de andere N. W. ten W. van daar. Beiden zijn 103 voeten hoog. De eerste staat op het vlakke land, de andere op eene duin. Bij heldere lucht zijn dezelve op eenen afstand 5 mijlen in zee zigtbaar. Er branden staande lichten in van de 2e klasse.
[2] Zie beneden op bladz. 23.
[3] De kunstmatige zeeweringen op dit eiland bestaan in dijken, wier buitenzijden beschoten zijn met opstaande planken of schrooten, die bevestigd zijn aan strekkende balken, welke ondersteund worden door ingeheide palen, die met eene tusschenruimte van 1 1/2 à 2 voet langs den geheelen dijk staan.
[4] Tegenwoordig telt men onder de bevolking 21 kapiteins, wier schepen hier--en 25, wier schepen elders te huis behooren.--
[5] De eerste Januarij.
[6] Instructie van het Hof van Frieslandt van den 10 Maij 1597, Art. 24. ,, ,, ,, ,, ,, ,, ,, ,, 28 Oct. 1637, Art. 28.
[7] Volgens erkentenisse van F. D. v. Camminga in Vind-Secund-Amel.
[8] Te zien bij Winsemius.
[9] Winsem. Chronijk, Schotanus Friessche Historiën op die Jaren, Hub. Hist. Civ. P. 2, L. 1, Sect. 3, Cap. 10.