Het eerste ontwerp voor de bedijking der Zuiderzee, 1848

Part 4

Chapter 43,594 wordsPublic domain

De middelstand kwijnt, omdat er gebrek is aan vertier door handel en onderling verkeer. Handelsvrijheid moet er zijn, daarop moet de Natie bij de Staten-Generaal aandringen, en daartoe de besluitelooze regeering aanzetten; doch welke voordeelen wij ons ook van vrijen handel mogen voorstellen, men geloove nimmer aan die hooge verdiensten en schatten, welke wij verkregen, tijdens andere natiën niet zoo waren ingelicht, zoo als zij thans zijn. Evenwel zullen wij meer handel krijgen door een vrijgeviger stelsel, maar nog meer door handel in eigen producten, welke mede een vertier oplevert, waardoor elk ambachtsman, elk neringdoende en elk koopman tot leven en bedrijvigheid zal geraken. De nijvere ambachtsman, die nu vruchteloos werk zoekt, zal werk hebben; den neringdoende en handelaar zal het niet aan vertier ontbreken. Het zijn niet alleen de millioenen, welke aan dagloonen zullen worden uitgegeven, die ons zullen verrijken, het zijn de millioenen, die voorts tot aanbouw en kultuur zullen strekken; het zijn de millioenen, welke door de producten van de gronden der ingedijkte Zuiderzee, zullen gewonnen worden, en waardoor wederom vertier van millioenen zal ontstaan. Het middel is daar, om stilstand en achteruitgang te weren. En uit dien toestand, welke ons meer en meer verzwakt, kunnen wij geraken door de droogmaking van de Zuiderzee. De middelen zijn voorhanden, en de noodzakelijkheid gebiedt daarvan gebruik te maken.

De noodzakelijkheid gebiedt, dit werk niet te verzuimen. Ons finantiewezen is in eenen onvoordeeligen toestand. Bloedige offers kostte ons de leeningswet, en wat heeft zij ons gebaat? Uitstel van executie, hoe men de belastingen ook productief wil maken! Er moeten onderdanen zijn, die de lasten dragen en betalen kunnen. Evenwel, ondanks de verhoogingen, worden de belastingen minder productief, ieder bekrimpt, bezuinigt, het aantal gegoeden vermindert; de armen nemen toe; de bronnen van welvaart nemen af, en de tekorten bedreigen ons op nieuw;--er is herstel voor die kwaal, en wel door de droogmaking van de Zuiderzee! De droogmaking van de Zuiderzee zal handenarbeid verschaffen; dit is van grooten invloed op 's Rijks inkomsten; zij zal handel en vertier doen herleven, daardoor bloeit de middelstand, de hartader van den Staat, door dezen moet de schatkist gestijfd worden, om een staatsbankroet te voorkomen. Het middel is daar;--de noodzakelijkheid gebiedt ook dáárom de droogmaking van de Zuiderzee.

De armoede demoraliseert den arbeider en den middelstand. Gene treedt schaamteloos voor het huwelijksaltaar. Vraagt men hem, welke middelen van bestaan hij heeft voor vrouw en toekomstig kroost? Even schaamteloos matigt hij zich het regt op de armenkas aan, gelijk zoo velen vóór hem deden. Men mag thans niet meer onderzoeken, hoedanig de behoeftige tot den staat van behoefte is vervallen; genoeg is het, dat er behoefte is, en dat daarin moet voorzien worden.

De redelijk denkende en achtingswaardige middelklasse ziet zich gedwongen, van den huwelijken staat, 's menschen hoogste geluk op aarde, af te zien. Een gezin om zich heen te scharen, zonder genoegzame middelen van bestaan, is afgrijselijk. Moedwillig wil hij zich zulk leed niet berokkenen, hij blijft ongehuwd, en de gevolgen zijn zedeloosheid en misdaad. Het kwaad bestaat, maar ook de middelen tot herstel zijn voorhanden door de indijking en droogmaking van de Zuiderzee.

Er moet een krachtig werkend middel worden aangewend, om de landverhuizing te keeren. Dit kan niet door dwangmiddelen en belemmeringen geschieden, ook niet door overreding; want noch door dwang, noch door overreding kan men den nijveren, naar bedrijvigheid om zich heen zoekenden werkeloozen burger brood en bestaan verschaffen. Ons beste bloed wordt ons afgetapt; wij bezitten geene koloniën, (en men schijnt er ook niet naar uit te zien, dezelve te verkrijgen) werwaarts de landverhuizer zijne schreden kan wenden, om door wederkeerige belangen aan ons verbonden te blijven, en die ons voedsel zouden geven, terwijl zij in grootheid zoude toenemen.

Engeland ziet met vreugde velen der zijnen naar andere gewesten vertrekken, omdat het later daardoor in voorspoed, invloed en magt aanwint, terwijl de banden blijven bestaan; maar wij mogen bij het afscheid nemen van onze landgenooten wel tranen storten. Er moge nog weemoedig aandenken achter blijven, doch materieel worden zij voor ons belangeloos en vreemd. Zij worden onderdanen van eenen staat, uit welker handelsverkeer met ons weinig voordeel voor ons voortspruiten kan.

De nijvere burger, hij zij boer of ambachtsman, die met zijn huisgezin vertrekt, is een groot verlies voor ons. Door hem in de gelegenheid te stellen, vrijelijk de godsdienst, naar zijne begrippen, uit te oefenen en hem vooruitzigten op een onbezorgd bestaan te geven, zullen wij hem hier houden; want uit weelde of losbandigheid vertrekt hij niet. Het is de bezadigde Hollander, die wel rijpelijk overwogen heeft, alvorens te besluiten, en zeker moeten er zwaarwigtige redenen bestaan, die hem kunnen nopen, gedeeltelijk zijn vermogen op te offeren, om naar een ander land te gaan, waar op nieuw in alles moet worden voorzien, alvorens weder tot een bestaan te kunnen komen. Het middel, om deze verhuizing te weren, geeft de droogmaking van de Zuiderzee aan de hand! Volgaarne zal menigeen van het landverhuizen afzien, om den dierbaren grond te verlaten, waarop, bij eene droogmaking, duizende huisgezinnen kunnen leven en tieren!

Een land als Nederland, hetwelk een stip op de wereldkaart beslaat, dat door magtige, volkrijke staten is omringd, die beurtelings, en ook gezamentlijk beproefden, dat kleine land te overweldigen, en vaak op het punt waren, had God het niet verhoed, hun oogmerk te bereiken, waar nog daarenboven het naijverige oog op zijne zwak verdedigde overzeesche bezittingen gevestigd is, om ook die, in spijt van gemaakte overeenkomsten, gedeeltelijk in bezit te nemen,--zulk een land heeft behoefte aan eene zware bevolking, welke goed toegerust, in staat is, haar gebied te verdedigen, en van hare eigene bevolking kolonisten naar hare bezittingen over te zenden, om daar door landzaten en niet door vreemdelingen sterk te worden. Van daar, dat de landverhuizing harer ingezetenen, een dubbel verlies voor haar is.

De behoefte aan land is groot; vele streken liggen nog onbebouwd, en zijn der ontginning overwaardig; kapitalisten kunnen die ontginningen met voordeelig gevolg ondernemen, omdat zij daardoor meerdere interest, en op zekerder grondslag, dan op effecten, kunnen trekken; doch dit kan de minder vermogende niet doen, die moet zich woning, bouwgereedschappen en eene veestapel aanschaffen, welke laatste hem daarenboven door gebrek aan genoegzaam hooi ondoenlijk wordt. Wij hebben zelven groote behoefte aan hooi en evenwel haalt de vreemdeling het ons van voor de oogen weg, tot prijzen, die de eigen bouwman daarvoor kwalijk besteden kan. Uit verbeterde afwateringen zal spoedig verbetering van land, geschikt voor den hooibouw, voortvloeijen en veel grond in de Zuiderzee zal daartoe gereed liggen.

Gaat ons voorstel tot indijking van de Zuiderzee door, zoo zal het vooruitzigt, om land te bekomen, menigeen, die nu weifelt, van de verhuizing doen afzien; hier blijft hij onder eigene landgenooten, zonder door vreemde taal, wetten en zeden belemmerd te worden, en hij weet, hoe hier te handelen, hij zal zijn geheele leven niet in eene woeste, onbebouwde streek behoeven te slijten, waar hij nog daarenboven de ziekten, aan dat land eigen, veelal zonder geneeskundige hulp, moet doorstaan, en wie waarborgt alsdan den vader, zoo onmisbaar voor zijn huisgezin, het leven? Ook deze landverhuizing, zoo schadelijk voor het land, toont ons de noodzakelijkheid aan, om de droogmaking van de Zuiderzee niet onuitgevoerd te laten.

Het grootste gedeelte van onze huishoudelijke fabrijken kwijnt, en daardoor is het dan ook, dat zoovele handwerkslieden ledig loopen, zoodat, vóór dat de winter begint, reeds dikwerf duizenden buiten bestaan zijn. Wie kan het leven en het vertier schetsen, die uit de voorgestelde droogmaking van de Zuiderzee zullen voortspruiten, daar steenbakkerijen, kalkovens, houtzaagmolens, smederijen, wagenmakers, kleinschipperij, timmerlieden en metselaars in zoo vele behoeften te voorzien zullen hebben. Den vlijtigen ambachtsman, die zoo gaarne wil werkzaam zijn, en, nu geen werk vindende, zijn oog op vreemde gewesten vestigt, hier te houden, is behoefte, en dit vordert de droogmaking van de Zuiderzee!

Liggen nu de scheepstimmerwerven verlaten, omdat er geene schepen voor de O. I. vaart in aanbouw zijn, verdwijnen onze scheepstimmerlieden, staan lijnbanen, scheepssmederijen stil,--ook daar is leven te verwachten, voor de alsdan herlevende binnen-scheepvaart,--dien scheepstimmerman met alle andere, daarbij behoorende, ambachtslieden, gebiedt ons de drang der noodzakelijkheid, hier te houden, en dààrvoor zijn geene middelen te vinden, dan de indijking en droogmaking van de Zuiderzee!

Kwijnen alle fabrijken en trafijken, welke leven in den staat moesten bewerken, zoo is er ook geen vertier in den klein-handel, en wie maar eenigszins, met den handel bekend is, weet zeker den benarden toestand van zoo vele winkeliers, hetzij in manufacturen, kruidenierswaren, komenijen en allen, die door behoefte en kleine weelde van den ambachtsman, bestaan--deze allen, die, hoe langer hoe meer door de zucht tot landverhuizing worden aangestoken, en wel velen, uit de gegronde oorzaak, dat zij hier geen bestaan meer kunnen vinden, eischen voorziening in hun lot. De wet der noodzakelijkheid gebiedt de droogmaking van de Zuiderzee, opdat uit bebouwing van- en aanbouw in de Zuiderzee meerder vertier voortspruite.[1]

[1] Wenschelijk beschouwen ook wij, eene meerdere bevolking van de kolonie Suriname door landgenooten, doch eigene ondervinding, heeft ons ook geleerd, dat wel de man daar met genoegen leven zal, doch dat de physieke staat der vrouw daartegen pleit. Jonge mannen, met frissche kracht, en van onbedorven zeden kunnen het klimaat daar weêrstaan, en bij matigen veldarbeid gezond blijven; zij weten zich boven kleine ongewone ongemakken te verheffen; maar de vrouwen minder, en die gevoelen zich daardoor ongelukkig. Ook is er aldaar geen gebrek aan blanke vrouwen, zoo als in Oost-Indiën, zoodat de trouwlustige aldaar, ampele keuze vindt, en gelukkiger met eene aldaar geborene zijn zal, dan met eene gade, welke uit haren gewonen werkkring verplaatst wordt. Naar de Oost-Indiën is het vertrekken van huisgezinnen beter aan te bevelen, ook daar is het klimaat zoo verwoestende niet voor de gezondheid, en leveren de hooger liggende, goed te bebouwen velden, een aangenaam verblijf op. Mogt de landverhuizer ook inzien, hoewel hij minder geld voor den overtogt naar Amerika geeft, dan naar de Oost-Indiën, deze overtogt hem nagenoeg evenveel kosten zal, omdat hij nog honderde uren in het binnenland te reizen heeft, alvorens de plaats zijner bestemming naar de westelijke grenzen bereikt is.

Onze handel en scheepvaart vorderen de indijking van de Zuiderzee, omdat daardoor veiliger, dieper en betere havens zullen ontstaan, waardoor het vervoer over en door ons grondgebied, en langs onze waterwegen verkieselijk boven dat onzer naburen wordt. Algemeen is het erkend, dat wij door handel en scheepvaart onzen voorspoed moeten behouden; landbouw en nijverheid plukken daarvan de vruchten. Die handel en scheepvaart kunnen vermeerderd worden. Amsterdam zou te verkiezen zijn boven Antwerpen, door deszelfs nadere ligging aan de Noordzee; maar het is Amsterdam alléén niet, waarop wij ons oog gevestigd hebben. Zullen ook niet Groningen, Harlingen, Zwol en Kampen juichen, schepen van meerderen diepgang te kunnen hebben? Het is onverschillig, naar welke onzer steden de toevoeren om de Oost, Noord en West komen, zoo dezelve ons niet voorbij gaan en de vreemdeling maar meer voordeel tot inkoopen bij ons vindt, dan elders.

Het is onze pligt te zorgen, dat de vreemde onze havens moet kiezen uit eigenbelang. Van hier moeten de toevoeren uit zee gemakkelijker naar boven te verzenden zijn, dan van elders. Wil men in het vervolg verder zien, dat men dan ook kanalisere; men snijde van beneden Nijmegen uit de Waal in de Maas omstreeks Grave, en gerust mogen wij dan de concurrentie van België met ons aanzien. Wij zullen den zeer belangrijken handel op de Oostzee, voor Amsterdam, Kampen, Zwol, Vriesland en Groningen, voor ons behouden, behalve dat het meerdere vertier van onze eigene produkten, veeteelt, hooigewassen, enz., de vreemdelingen herwaarts lokken zal. Men zal dan niet hebben te klagen, waarin en op hoedanige wijze men met voordeel zijn geld besteden kan. Men ziet naar middelen om; wij wijzen die aan! en wie zal het niet als een verzuim moeten beschouwen, dezelve ongebruikt te laten? Wij beschouwen het voor drogredenen, te beweren: Amsterdam ligt nu aan de zee; het is waar, ook Kampen, Zwol en Groningen liggen nu aan de zee, maar allen liggen aan halve modderpoelen, waar ondiepe kanalen, welke men steeds uitdiepen moet, den toegang tot de zee beletten.

De afstanden tot de zee zullen verminderen. Even als de groote schepen uit de Noordzee door stoomslepers, in weinige uren, Amsterdam zullen kunnen naderen, zullen ook de schepen uit de zee in de ringvaarten en kanalen, Kampen, Zwol, Harlingen en Groningen kunnen bereiken. De van 5 tot 7 el diepe en van 30 tot 200 el breede kanalen en stroomen, zijn wel geschikt voor stoomslepers, waardoor wij de concurrentie met de spoorwegen zullen kunnen volhouden.

Hoe komen wij uit onzen schuldenlast, die steeds ondragelijker wordt? Ook dáárvoor moet men middelen zoeken, die meer productief zijn. Wordt dit woord nu in eenen ongelukkigen zin opgevat, en noemt men afpersen productief maken.--O laat ons den Algoede loven, dat de opbrengsten door voorspoed, productief zullen worden.

Engeland strekke tot voorbeeld, om te bewijzen, van welken invloed de arbeid op de accijnsen is. Ook hier, waar millioenen door handen arbeid zullen circuleren, zullen millioenen in 's Rijks schatkist vloeijen, waarop men met meer zekerheid zal kunnen rekenen, dan op de batige saldo's uit de Oost-Indiën, die eigenlijk tot verbetering aan onze O. I. bezittingen moesten besteed worden. De drang der geldmiddelen, om aan het moederland een hoog batig slot te kunnen uitkeeren, stelt onze bezittingen in Oost-Indië in gevaar. Waren wij op Borneo behoorlijk vertegenwoordigd geweest, (dat welligt, om kosten te besparen, verzuimd wordt) dan hadden de Engelschen er zich niet, met schending van tractaten, kunnen nestelen. Thans moeten wij, voor overmagt zwichtende, het als een fait accompli aanzien, en er de wrange vruchten van plukken.

Voor den burger, de vader van een groot huisgezin is de droogmaking van de Zuiderzee eene noodzakelijkheid, om voor zijne kinderen middelen van bestaan te vinden. Hij is geen bezitter van middelen, om zijne kinderen op kostbare Rijksscholen onderwijs te doen genieten, en die Rijksscholen toch leveren alleen het vooruitzigt op bevordering bij de regering. Terwijl vroeger de held in de kazerne opgevoed, en op het slagveld door ondervinding gevormd werd, leerde hij de behoefte van den soldaat kennen; moed en beleid bezielden den eergierige, welke hem den weg baanden, om zelfs tot den graad van Generaal te kunnen opklimmen;--thans kunnen alléén de poorten van Breda, aanspraak op de epauletten geven.

Pruissen kleefde vroeger ook dit systema aan, slechts de Adel gaf regt op de porte d'épée; men weet, wat daarvan de gevolgen waren. In de bevrijdingsoorlog van 1813 en 1814 geboden eene duur gekochte ondervinding en de drang der omstandigheden, van dit stelsel af te zien, en de officier, uit burgerlijk bloed gesproten, met moed en vaderlandsliefde bezield, trotseerde vuur en zwaard, en herwon de vrijheid.

De Hollandsche jongen mag nu niet meer, in de hoop van bevordering, naar de Hollandsche zeedienst omzien. Geen jongen uit de lijnbaan, die vuur bezit, kan meer in de voetstappen van DE RUITER treden.

De Burgerweesjongen, die het praalgraf van VAN SPEYK aanschouwt; zijne moedige zelfopoffering, om de schoone Hollandsche vlag ongeschonden te bewaren, bewondert, kan niet meer in de gelegenheid komen, zijn heldenmoedig voorbeeld te volgen. Nog heden telt de marine menig verdienstelijk zee-officier onder haar korps, die in de kweekschool voor de zeevaart te Amsterdam of aan boord is opgevoed, en Vorst en Vaderland, door zeemanschap, kunde, moed en beleid, met eere dient. Het is nu echter Medemblik alléén, dat onze marine tot steun en eer zal verstrekken.

Geen burger, door aangeboren genie en studie zich tot ingenieur bekwamende, en bereid den Staat, hetzij hier te lande of in deszelfs koloniën, te dienen, kan nu meer hoop voeden op eene aanstelling. Door middel van stelselmatige begrippen gevormd, en na eenigen tijd te Delft doorgebragt te hebben, wordt de baan tot aanstelling geopend, die den burger te kostbaar wordt gemaakt, om haar te kunnen betreden.[2]

[2] Men heeft te Delft eenen verkeerden weg ingeslagen; door slechts modellen te aanschouwen, wordt men geen kundig praktisch geoefend werktuigkundige, de theorie alléén is niet voldoende. Engeland heeft zijne grootste werktuigkundige ingenieurs te danken, aan dezulken, die in de groote werktuigenfabrijken, zoo van stoomwerktuigen als anderzins hebben geleerd en gewerkt. Dáár staat de toekomstige ingenieur, aan een aambeeld of draaibank te werken, en leert de metalen kennen; daar leert hij door ondervinding wat theorie is, geschikt om in praktijk gebragt te worden; terwijl het hem er ook niet aan wetenschappelijk onderwijs ontbreekt. Berlijn heeft ook zoodanige school, die reeds vele bekwame personen heeft opgeleverd. Even zoo moest ons Rijk eene eigene werktuigenfabrijk bezitten, waaruit meer nut zoude worden getrokken, dan van modellen te bestuderen. Wij zouden alsdan zoovele wangedrochten in onze publieke werken niet hebben, welke in de theorie hoog worden opgevijzeld, maar helaas! in de praktijk niet aan de verwachting beantwoorden.

Algemeene kennis weert achteruitgang; door vermeerdering der kennis bevordert men vooruitgang. Wat wij, door in kunsten en wetenschappen, in natuur-, schei- en werktuigkunde stationnair te blijven, achteruitgingen, blijkt uit het prospectus der te Amsterdam opgerigte industrieschool. Onze hoogescholen hebben wel natuurkundige kabinetten, aan enkelen is scheikundig onderzoek verbonden, even als zoo vele physica's bij de Maatschappij tot Nut van het Algemeen. De voorlezingen, daar gehouden, missen algemeen hun doel, omdat die bij ons niet door de geleerden in het daadwerkelijke leven worden toegepast, zoo als zulks in Engeland en Frankrijk geschiedt, waar de gehoorzalen voor den fabrikant en den gezel toegankelijk zijn. Wij klagen te regt daarover, dat wij met andere volken niet kunnen concurreren, niet omdat het hier aan geld ontbreekt, maar alleen door gemis aan activiteit en kunde. Het zijn ook voornamelijk de rampzalige fondsen, welke dit eenerzijds bewijzen, en anderzijds de werkloosheid, waarin wij verkeeren.

Het ontbreekt ons evenmin aan geestvermogens, als andere volken; zij behoeven slechts ontwikkeld en dienstbaar gemaakt te worden tot de bedrijven. Waarom zouden wij niet gelijken tred kunnen houden met andere natiën, die ons, wel is waar, nu in vele zaken zijn vooruitgestreefd? Zeker zijn daaraan veel standvastigheid, beradenheid, opofferingen, moeiten en zorgen verbonden, om het verzuimde weder in te halen,--doch het is doenlijk! En verheft zich Amsterdam uit die lethargie (hoogst nadeelige onbedrijvigheid), elke stad in ons land heeft evenzeer in zich genoegzaam de middelen, hoewel niet op zoo groote schaal, om de kennis in de natuur-, schei-, wis- en werktuigkunde te vermeerderen. Vele plaatsen hebben bij ons ook nog hunne eigenaardige bedrijven, die bij hen te huis behooren, waar onderwijs in die vakken zeer bevorderlijk zoude zijn, tot verbetering en bloei hunner fabrijken, wier fabrikaten dikwijls geheel van scheikundigen aard zijn, zonder dat de eigenaren dier fabrijken somwijlen weten, wat wel het woord scheikunde beteekent. Men hecht zich aan het oude, en bevroedt eerst dan, dat er verbeteringen mogelijk zijn, wanneer het verbeterde fabrikaat ons door vreemden te koop wordt aangeboden tot prijzen, waarvoor de inheemsche fabrikant, uit gebrek aan hedendaagsche kunde, niet kan werken. Zoodanig is veelal onze toestand; de verkrijging van algemeene kennis, moest door de hooge regeering, de gouverneurs en de stedelijke besturen worden aangewakkerd, en het algemeen worden ingelicht, opdat er geene gepreviligeerde kasten ontstaan, die over eene onwetende natie heerschen.[3]

[3] Te Amersfoort heeft men een Gymnasium met eenen rector, eenen conrector, benevens eenen lector in de wis- en natuurkunde, hetwelk bezocht wordt door de studenten van het seminarium van het college der R. C. Cleresie, alsmede door eenige weinigen, welke meesters in de beide regten willen worden, door enkele toekomstige godgeleerden, Med. Art. Obstr. doctoren en apothekers. In Frankrijk en in Amerika, begint men het voor tijdverkwisting te houden, Latijn en Grieksch te leeren, zoo dat men in de fransche en engelsche talen doceert. Men laat de studie der oude talen over aan hen, die wetenschappen der oudheid bestuderen, en verspreidt overal licht over natuur-, wis-, schei- en werktuigkunde; men is er trotsch op, dat daardoor, zooveel voorspoed in fabrijken en handel heerscht. Niet zoo is het te Amersfoort, daar mag men aan het Gymnasium, de lessen in de wis- en natuurkunde niet bijwonen (waarvan de fabrikant, de verwer, de bleeker enz. konden partij trekken) ten zij ook de latijnsche en grieksche talen geleerd worden. Te Amersfoort bestaat ook van wege de Maatschappij: tot Nut van het Algemeen eene industrie-school voor handwerkslieden; ook daar wordt volgens de statuten den toegang aan den fatsoenlijken burgerzoon geweigerd, omdat hij geen jongen is, die op een ambacht gaat. De stad, waar spinnerijen, weverijen, verwerijen en bleekerijen zonder welvaart bestaan, moet blijven kwijnen, niet uit gebrek aan fondsen, want het Gymnasium kost der burgerij duizende guldens jaarlijks, maar alleen om de ondoelmatige aanwending. Eene verstandige hervorming van het Gymnasium en van de statuten der industrie-school ware wenschelijk en nuttig.

Zoo menig ambt, emplooi en betrekking, vroeger met kunde en beleid door den burger bediend, wordt nu den gepromoveerden meester toebedeeld, zelfs de post van klerk ter Griffie, vroeger een bestaan voor een burger jong mensch, wordt thans door een heer en meester bekleedt, ten einde maar eenen voet in den stijgbeugel te hebben, om later hooger op te klimmen.

Ontvangersposten op dorpen, worden door jonkheeren en baronnen bediend, die in nabijgelegen steden meer aan huishuur verwonen, dan de perceptie-loonen en het tractement bedragen; accumulatiën van posten en exeptiën op wetten bij de vleet, zoo dat ook hier alle vooruitzigten voor den burger verdwijnen. Het ware ook veel beter voor den burger, een onafhankelijk lid in den staat te zijn, dan ambtenaar te worden, die, door instructiën geboeid, eigen verstand, oordeel, en meêwarigheid geen gehoor mag geven. Trouwens, hij, die weet, wat zoogenaamde administratie is, dankt den hemel, dat hij op eene of andere wijze gelegenheid gevonden heeft, er niet meer mede in aanraking te zijn.