Het dichtste bij de Zuidpool De Aarde en haar Volken, 1909
Chapter 3
Na de slede te hebben opgetrokken, gingen we weer op weg. Thans hadden we met ons vieren 450 kilogram te trekken.
Op het punt, waar wij dien avond stilhielden, was de gletscher sterk gespleten. Door met de ijsbijlen te peilen merkten we, dat er overal afgronden waren, met een dunne laag sneeuw bedekt. Het zou dwaasheid wezen, daar den nacht door te brengen en de kans te loopen, in den slaap verzwolgen te worden. Bij gevolg gingen we de tenten 400 meter verder achterwaarts neerzetten. Hoe onaangenaam was het, op onze schreden terug te keeren!
De 9de December was weer een prachtige dag. En dat was gelukkig, want de étappe van dien dag was een zeer bezwaarlijke, de gevaarlijkste van de heele reis.
Kwartier vóór acht in den morgen vertrokken we over het blauwe ijs; nog geen uur later was er al weer een veld vol spleten te overwinnen; sommige spleten droegen een laag sneeuw; andere hadden iets vaster, maar niet minder gevaarlijke sneeuwbruggen. Onder het gewicht van Marshall gaf een der bruggen mee, en onze vriend verdween; het tuig, waarin hij bleef hangen, redde hem van een val in een meer dan 300 meter diepen afgrond. Enkele oogenblikken later viel Adams, en daarna was het mijn beurt. Verderop werd de toestand nog hachelijker. De sleden gleden over het ijs, maar stieten telkens tegen de scherpe kanten van de randen der spleten; de eene, die al door den val beschadigd was, werd bij een schok van voren vernield. In die omstandigheden werd het onmogelijk de beide sleden tegelijk te trekken, zoodat we ons met ons vieren eerst voor de eene slee moesten spannen, die een paar honderd meter ver trekken, en dan terugkeeren om de tweede te halen. Eerst na elf uur, toen het ijs beter was geworden, konden we beide voertuigen tegelijk voorttrekken.
Om kwartier vóór twaalf rust, om poolshoogte te nemen. Resultaat: 84.2 Z.B. Dat was nog niet ver, en dan te denken, dat wij de beide laatste dagen zonder ophouden omhoog waren gegaan, terwijl ieder van ons 72 kilo had te trekken. We waren ter hoogte van ongeveer 750 meter, naar de ruwe opgaaf van de instrumenten, niet gecorrigeerd ten opzichte van de temperatuur of door vergelijking met de waarnemingen in het winterkwartier. In den namiddag nog een zware stijging: vijf uren achtereen sleepten we de sleden over een zeer ongelijk terrein. We waren dan ook uitgeput en uitgehongerd bij de aankomst in het bivak. Om 6 uur kampeerden we ter hoogte van 900 meter.
Dien avond maakten, gelijk reeds vele dagen, lage cumuluswolken het uitzicht naar het Zuiden onmogelijk. Hoe verlangden we naar den top, de hoogte van het plateau en naar een vlak ijsveld, waarop we zouden kunnen vooruitkomen! Er was dien dag 18.9 kilometer afgelegd.
Onze gesprekken liepen bijna altijd over de keuken en over de gerechten, die we graag zouden willen eten. Bij de maaltijden verdween onze soep met een naar onzen zin veel te groote snelheid. Met ongeduld verlangden we naar Kerstmis; dien dag zouden we, wat er ook mocht gebeuren, de boter eruit braden.
Den 12den December kwamen we maar 4800 meter vooruit! Duidelijker dan eenige beschrijving stelt dat cijfer de bezwaren van den tocht in het licht.
Twintig minuten vóór acht vertrek over het allerslechtste terrein dat men zich kan voorstellen. Een blauwe ijsvlakte, waaruit scherpe punten opsteken tusschen diepe scheuren. Het was als een bergland met heuvels en diepe dalen en kloven, een grond, als poolexpedities zeker weinig hebben aangetroffen.
Steeds moest onze aandacht gespannen blijven, om te voorkomen, dat de sleden braken bij een botsing met de ijspunten of in een spleet verdwenen, of om op te passen, dat we niet zelf een doodelijke buiteling maakten. Toch vielen we telkens weer; en 's avonds zaten we vol builen en kneuzingen, maar Goddank was er niets ernstigs.
Op zulk een terrein waren al onze vereenigde krachten nog nauwelijks voldoende, om één enkele slede te doen vooruitgaan, en zoo trokken we den heelen dag samen één slede, twee van ons van voren trekkend en twee duwend aan den achterkant. Na zoo 1600 meter te hebben afgelegd, gingen we de tweede slede halen. Bij gevolg moesten wij, om 5000 meter vooruit te komen, 15 kilometer afleggen, en dat op ijs, waar een verkeerd gezette voetstap een doodelijk ongeluk kon veroorzaken. Hoe het zij, we zijn 4800 meter gevorderd naar de pool.
Bijna een week lang ging het zoo voort, en nog altijd hield het vermoeiende trekken aan.
Den 18den December waren we des avonds totaal verstijfd. We hadden een hoogte van 2200 meter bereikt na een van onze moeilijkste etappen, maar die zeer belangrijk was, daar we ten slotte eindelijk op het plateau waren aangekomen!
Om half acht 's morgens waren we op weg gegaan en legden 10 kilometer af onder het transporteeren der bagage in twee reizen, dus in het geheel 30 kilometer op glad ijs, nu eens de sleden ophijschend en met alle macht ze aan de touwen ophalend, dan weer ze trekkend, als de helling iets minder steil was. Kwartier vóór een hielden we rust voor het tweede ontbijt. Rondom ons waren overal spleten; Adams en ik hadden het ongeluk ook nog te vallen.
Terwijl de soep pruttelde op het vuur, ging ik stukken rots zoeken en vond ze zeer verschillend van de stukken zandsteen van den vorigen dag. In die hoogere streek hadden de bergen een heel ander aanzien dan op de lagere breedte. Links van ons, dus in het Oosten, waren ze merkwaardig geregeld gestreept en rechts, in het westen, bestonden ze uit gesteente, dat door atmosferische invloeden blijkbaar veel had geleden.
Den geheelen namiddag besteedden we aan de beklimming van een lange sneeuwhelling en trokken weer in twee reizen de sleden ertegen op, zoodat we weer door en door vermoeid en uitgehongerd in het bivak aankwamen.
Om het proviand langer te doen strekken, werden de porties verkleind; bij gevolg werden we al hongeriger en elken nacht droomden we van overvloedig voedsel. Dagelijks zuinigden we twee beschuiten per man uit en wat pemmikan en suiker; daarvoor in de plaats aten we de maïs van de paarden, na die in water te hebben geweekt. Op den 18den December hadden we nog voor vijf weken levensmiddelen en we waren nog 544 kilometer van de pool verwijderd. Als we dus het doel wilden bereiken, zouden we ons met hongersnoodporties moeten behelpen. De thermometer wees 17.2 graden vorst en daarbij sneed een ijzige wind ons in het gezicht.
Overal waren spleten en onpeilbare diepten. We hoopten den volgenden dag aan het eind der moeilijke bestijging aan te komen.
En in werkelijkheid bereikten wij de hoogte van het plateau eerst een week later, den 25sten December. Het verdere gedeelte van den gletscher bood nog wel hellingen aan, maar we troffen er niet, als lager, van die verbrokkelde gedeelten, die onzen gang zoozeer hadden vertraagd.
Als volgend uittreksel uit mijn dagboek kies ik dat, wat op Kerstmis betrekking heeft, den dag, waarnaar wij allen zoo hadden verlangd, om eindelijk eens naar onzen zin genoeg te kunnen eten. Het vroor 27,7 graden met jachtsneeuw en ijzig kouden zuidenwind. Den heelen dag besteedden we aan het beklimmen van een zeer steile helling, die hier en daar in spleten was gescheurd.
We waren ter hoogte van 2850 meter en om zes uur in den avond hadden we 85.55 Z.B. bereikt. Versterkt door een stevig ontbijt waren we om zeven uur vertrokken. Al dadelijk hadden we weeke sneeuw waarover de versleten ijzers van de sleden moeilijk voortkwamen, 's Morgens was het zwaar trekken en om 12 uur hadden we nog slechts 8.2 kilometer afgelegd.
Ter eere van den grooten dag werd onder het tweede ontbijt de vlag, die de Koningin mij heeft geschonken, ontrold en ook de sleden werden bevlagd, en ik photografeerde het tooneel met mijn metgezellen erbij.
Het was zeer koud, 26.8 graden vorst en er woei een doordringende ijskoude wind.
In den namiddag waren het altijd nog sneeuwhellingen. Om 6 uur verscheen er in het Zuidoosten, juist toen we zouden gaan kampeeren, iets als een ander land. Dien avond nam de wind nog in kracht toe. Wij wisten niet, hoe de aanwezigheid van zooveel zachte sneeuw te verklaren met dien aanhoudenden wind. Naar alle waarschijnlijkheid komt ze van het plateau, dat wij nog niet hebben bereikt en waarvan ze is voortgedreven door den hevigen Zuidoostenwind.
Dien avond hadden we een vorstelijk maal. Eerst een ragout van ponyvleesch, pemmikan, beschuit en emergency-oxo; daarna een plum-pudding, besproeid met een klein glaasje brandewijn, een maal, dat Lucullus ons zou hebben benijd, eindelijk cacao, sigaren en een lepel room voor ieder.
Wij hebben overdaad genoten, wat ons in langen tijd niet weer zou gebeuren.
Tot aan de pool en dan naar hetzelfde punt terug, als waar we toen waren, was 917 kilometer en we hadden maar voor een maand proviand. Dus moesten de porties weer worden verminderd. Van den volgenden dag af kregen we maar zes beschuiten per dag, een 's morgens, drie 's middags en twee 's avonds. We zouden daar laten blijven al wat niet volstrekt noodig was. Reeds waren we, wat de kleeding aangaat, tot de uiterste grens genaderd; we hadden niets meer bij ons dan wat we aan hadden. Het was gevaarlijk, een deel van onze uitrusting achter te laten, maar de omstandigheden maakten het noodzakelijk.
Maar daar aan het einde der wereld vlogen dien dag onze gedachten vaak naar het vaderland en naar allen die ons dierbaar waren.
Marshall nam dien avond ook onze temperaturen op en vond ze 1.11 graad beneden het normale. Maar we voelden ons nog flink en krachtig.
Toen op Kerstmis tot een nieuwe vermindering der porties was besloten, hadden we juist een overvloedigen maaltijd achter ons en konden dus de toekomst met een zekere kalmte tegemoet zien; maar den volgenden dag zag alles er anders uit, met tien uur trekkens voor den boeg. Altijd woei het hard, en gedurende onzen geheelen pooltocht blies de wind uit het Zuiden.
Wij werden van dag tot dag zwakker, uitgeput door te weinig eten en het vele inspannende werk. Ook leden we geducht van de koude door de onvoldoendheid van ons voedsel, om de lichaamswarmte op peil te houden.
Den 4den Januari liepen we over een onmetelijk sneeuwveld en nergens was iets anders dan ijs te zien. Wij besloten een dépôt van levensmiddelen op het plateau te laten. Daardoor werd onze last lichter, maar het gevaar bestaat, dat we het dépôt niet terugvinden in de sneeuweentonigheid die ons omringt. Om dat gevaar te verminderen, dat noodlottig zou wezen, bedachten wij, om elke 18 kilometer een der bamboestokken van de in het dépôt achtergelaten tent te planten, met een zwarte vlag op den top; op die manier was onze weg gemerkt.
Onze bagage was nu verminderd tot 39.5 kilo per persoon; maar in onzen verzwakten toestand scheen die last ons zwaarder dan de 87 kilo, die we eenige weken geleden trokken. Onze étappen waren nog van 19 tot 22 kilometer.
Op den 9den Januari was de breedte 88.8; we hadden hevigen sneeuwstorm, en in den nacht wakkerde de storm nog aan. Twee-en-een halven dag had de wind een kracht van 110 tot 130 kilometer in het uur en nu en dan daalde de thermometer tot 39 graden onder nul.
Het begon er ernstig uit te zien, want onze geringe voorraad slonk, zonder dat we vooruit kwamen. Bovendien waren we bevreesd, dat de storm onze bakens op de sneeuw zou doen verdwijnen en de stokken omwerpen, en hoe zouden wij dan het dépôt terugvinden, waarvan ons leven afhing?
Al dien tijd was de temperatuur binnen in de tent haast niet hooger dan er buiten en door het versleten zeildoek drong de sneeuw. Dikwijls had de een of ander bevroren voeten, en om den bloedsomloop te herstellen, hielpen we allen mee aan het wrijven en verzorgen. In die donkere uren werd gebeden, dat de storm toch maar mocht ophouden.
Om één uur in den morgen van den 9den Januari ging de wind liggen. De storm had zijn werk verricht, en wij waren inderdaad uitgeput. Er was nu geen twijfel meer aan, we hadden de uiterste grens van onze kracht bereikt. Om twee uur in den morgen stonden we op, en om vier uur vertrokken we voor een laatste poging op weg naar het Zuiden, slechts meenemend wat eten, de instrumenten en de vlag van de koningin.
Nu eens dravend, dan loopend, volbrachten we dien laatsten tocht. Om 9 uur in den morgen hadden we 88.23 Z.B. bereikt en ontplooiden de Union Jack. Verder te gaan zou gelijk hebben gestaan met ons den weg af te snijden naar het dépôt, dat we dan niet meer zouden hebben kunnen halen.
Daarginds was de pool, 179 kilometer vóór ons; maar het was onmogelijk haar te bereiken.
Over de wijde sneeuwvlakte lieten we onzen Goertz-kijker langs den horizon gaan, maar nergens was land waar te nemen. Naar alle waarschijnlijkheid ligt de aardrijkskundige pool midden op dat reusachtige plateau op een hoogte van 3000 à 3300 meter; zeker het koudste deel der aarde en een der stormachtigste tevens.
Na ons groepje te hebben gephotografeerd, geschaard vóór de vlag van de koningin, die in den kouden poolwind wapperde, namen wij bezit van het plateau in naam van den koning. En onmiddellijk daarna begonnen wij den terugtocht naar het Noorden, naar ons kamp.
Luitenant Shackleton heeft in de vorige nommers de geschiedenis verhaald van de organisatie en de uitrusting van zijn expeditie, hoe de winterkwartieren waren gevestigd op den rand van de Groote IJsbarrière, het antarctisch continent, en ten slotte hoe hijzelf met drie gezellen dien wondervollen tocht van 800 mijlen deed in de onbekende gebieden der Zuidpoolstreken, die zijn hoogtepunt bereikte in het planten van de engelsche vlag op een afstand van 97 engelsche mijlen, dat is 179 kilometer, van de Zuidpool. Thans vertelt luitenant Shackleton de geschiedenis van den langen marsch van zijn klein gezelschap naar het Noorden op den terugweg. Ze waren uitgeput door geforceerde marschen en hard werk, en zijn beschrijving van hoe ze zich erdoor sloegen, vormt een waardig besluit voor dit verhaal van heldendaden.
Wij hadden de engelsche vlag geplant op een afstand van 179 kilometer van de Zuidpool en hadden dus ver overschreden het vorige record van den Zuidpoolafstand, dat 667 kilometer verder noordelijk lag.
Nu moesten wij een langen tocht naar het Noorden maken, om onze winterkwartieren te bereiken. Toen we twee-en-een halve maand te voren vertrokken, waren we sterk en krachtig en wel doorvoed en hadden overvloed van levensmiddelen bij ons, althans voor het eerste gedeelte van onzen tocht. Maar toen we op weg gingen, om de reis terug te ondernemen, waren we in een verzwakten toestand en hingen af van enkele weinige dépôts van levensmiddelen, op groote afstanden van elkander gelegen.
Er was intusschen geen tijd tot klagen, want onze redding was van onzen spoed afhankelijk. Na dus ons zuidelijkste punt te hebben bereikt, haastten we ons naar de tent, die door den sneeuwstorm geheel was overdekt, en na een sober ontbijt begonnen we den terugtocht dadelijk ondanks onze vermoeienis en een koud, hongerig gevoel. Om vijf uur in den namiddag kampeerden we, daar de behoefte aan rust zich dringend deed gevoelen.
De blizzard had de vlaggen afgerukt van de stokken, die wij op onze heenreis naar het Zuiden hadden geplant, maar gelukkig waren de sporen van onze sleden nog terug te vinden. De zuidenwind, die heen een zoo lastig beletsel was geweest om vooruit te komen, bleek thans een hulp van beteekenis. Op de slede heschen we bij wijze van zeil het vloerkleed van doek, dat in de tent was uitgespreid geweest, en door den wind voortgestuwd, gleden we snel voort in noordelijke richting. Door deze inrichting gelukte het ons in de eerstvolgende dagen etappen af te leggen van 32 tot 48 kilometer per dag, twintig tot dertig engelsche mijlen.
Nadat we het dépôt hadden teruggevonden, dat we op het groote sneeuwveld hadden aangelegd, zetten we snel onzen tocht voort naar het tweede, boven op den gletscher. We wisten, dat daar slechts voedsel aanwezig was voor vier dagen, en het dan volgende dépôt lag negentig mijlen, 145 kilometer verder!
In verbazende vaart vlogen we over spleten en hooge ijsrichels, een waaghalzerij, die alleen kon worden verontschuldigd door onze buitengewone omstandigheden. Er moest alles gewaagd, om zoo spoedig mogelijk het doel te halen. De hoogere gedeelten van den gletscher boden groote moeilijkheden aan, want de wind en de zon hadden er de sneeuw doen verdwijnen, en overal was er een blauwe, gladde oppervlakte, glibberig als glas! Op de hellingen moesten we de slede als een baal goed laten zakken aan het groote Alpentouw.
Van dag tot dag werd de weg slechter; de randen der spleten waren soms zoo scherp, dat de onderstellen van de slede erdoor werden beschadigd, en door al het schokken uit haar verband gerukt, liep de slede niet meer recht en had de helft van haar onderkant verloren. Dichtbij den voet van den gletscher werd het anders. Daar lag nog een dikke laag sneeuw, die helaas de spleten onzichtbaar maakte en daardoor gevaar meebracht, terwijl ze natuurlijk ook onzen gang vertraagde.
.... Wij moesten het nu doen met vier beschuiten per dag ieder en met twee pannetjes zeer dunne soep. Op 26 Januari om vijf uur in den morgen kregen we een ontbijt van half geweekte maïs, ons laatste vaste voedsel. Den geheelen dag liepen we met moeite over zachte sneeuw en raakten vaak in verborgen spleten. Het kostte ons de grootste moeite, om op te passen, dat de slede niet in een spleet kwam en dat wijzelf geen gevaarlijke buiteling maakten. Van tijd tot tijd hielden we een korte rust, om een kop thee te gebruiken; met zout en peper was dat het eenige, wat we nog van onze voorraden over hadden. We hielden halt om twee uur in den morgen en vertrokken al weer 's morgens om negen uur, want we wisten, dat het den dood beteekende, als we langer ons ophielden.
We bleven doorgaan tot één uur in den namiddag op den 27sten en kwamen tot op een halve mijl afstands van het dépôt. Twee-en-dertig uren lang hadden wij geworsteld, om vooruit te komen, zoo snel we konden. Eer we het bivak hadden bereikt, was Adams flauw gevallen....
Terwijl ik de tent opsloeg, was Marshall naar het dépôt vooruitgeloopen, om wat ponyvleesch en beschuit te brengen, en toen genoten we het eerste voedsel na 32 uren marscheerens en dat meestal met grooten spoed. Geen vaste stof hadden we tot ons genomen sedert vijf uur den vorigen morgen.
Na dezen maaltijd kregen we een goeden slaap, en den volgenden morgen namen we ons dépôt mee en gingen door de "Poort van het Zuiden", om vervolgens weer op de Groote Barrière te komen met een gevoel, van eindelijk weer in bekende streken te zijn aangeland. Nu lag dan de bezwaarlijke gletscher achter ons, waarop we sedert meer dan vijftig dagen zooveel van onze krachten hadden gevergd. Het plateau lag achter ons en we waren nu op weg naar voedsel, een schuilplaats en de kameraden.
Pas op de Barrière aangekomen, hadden we een sneeuwstorm te doorstaan. De geringe hoeveelheid van onze voedingsmiddelen verhinderde ons, op verbetering in het weder te wachten; ondanks den storm moesten we voort en, door het kompas geholpen, sloegen we ons door de sneeuwvlagen heen naar het Noorden. We liepen over ijs vol gaten en spleten, zooals we wisten van onze reis naar het Zuiden, maar nu we geen vijf el van ons af konden zien, bleven we door een wonderlijk geluk vrij van eenig ongeval, ofschoon we zeker veel in de sneeuw verborgen spleten passeerden. Zelfs geen sneeuwbrug stortte onder ons in!
Om den terugweg te vinden, hadden we een sneeuwhoogte gemaakt op de plek van ieder kamp in de hoop, dat we op den terugweg erdoor zouden worden geholpen, om in het goede spoor te blijven. Die hoop bleek niet ijdel, want op 31 Januari vonden we den eersten van die sneeuwheuvels. Er was toen weer een nieuwe moeilijkheid bij gekomen. Er moest iets verkeerds geweest zijn in het vleesch, dat uit een der dépôts was genomen, waardoor Wild hevige dysenterie had gekregen, al kon hij nog wel marscheeren ondanks zijn zwakte. Kort daarna kwam mijn beurt, en weldra kregen Adams en Marshall de ziekte ook. Al onze geneesmiddelen waren opgebruikt en er viel niets te doen dan onze porties beschuit te verminderen en op te houden met het eten van vleesch.
De oppervlakte van de sneeuw was gruwelijk week, en ofschoon we tien of elf uur per dag reisden, konden we slechts met de grootste moeite, anderhalve mijl per dag vorderen; 2400 meter in een uur was een maximum. De eerste dagen van Februari vonden ons bezig met die worsteling naar het Noorden, en eindelijk hadden we dan het dépôt bereikt op 82 graden, 45 minuten Zuiderbreedte.
Mijn dagboek zei heel weinig in die dagen. De volgende passages, die ik eraan ontleen, zullen een denkbeeld geven van de omstandigheden, waaronder we voortzwoegden en den ernst van den toestand, waarin wij verkeerden.
We verlieten het dépôt op 3 Februari en namen de slede mee, die er op de heenreis was achtergelaten.
"Vertrokken met de nieuwe slede en 150 engelsche ponden meer gewicht om veertig minuten over acht," schreef ik. "Gekampeerd om half zes. Niet meer dan vijf mijlen; akelig weeke oppervlakte van de sneeuw. Allen acute dysenterie door het gebruik van vleesch. Vertrouwen, dat de slaap ons herstellen zal; kunnen van avond niet verder gaan, Wild er slecht aan toe, zelf ook zwakker, en de anderen ook aangetast. Slecht licht, weinig voedsel, sneeuw erger dan ooit. Ze ligt een voet diep. Opgestaan om half vijf in den morgen, na om elf uur naar bed te zijn gegaan. Niet meer van avond. Temperatuur vijf boven het vriespunt. Somber".
De nacht bracht ons niet de gehoopte verkwikking; hij herstelde onze krachten niet, zooals ik had verwacht.
Den volgenden dag, 4 Februari, schreef ik: "Ik kan niet meer schrijven. Allen lijden we aan acute dysenterie. Vreeselijke dag. Niet mogelijk verder te gaan. Het vooruitzicht is dreigend. Mooi weêr."
Den volgenden dag slaagden we erin, op weg te gaan; maar in die dagen was ons leven iets als een nachtmerrie, tot werkelijkheid geworden.
Den 7den Februari schreef ik: "Er waait een hevige storm. Volgehouden tot zes uur na den middag. Adams en Marshall weer dysenterie. We zijn uitgeput; onze levensmiddelen zijn zoo goed als op. Allen zeer zwak."
De storm, die in gewone omstandigheden beschouwd zou zijn geworden als een beletsel om verder te gaan, was in deze periode voor ons een helper, omdat hij ons gauwer deed vorderen naar het Noorden.
"Alle denken en praten is over eten," schreef ik op den 9den Februari in het dagboek, en het gezegde werd den volgenden dag herhaald. De sneeuwhoopen, die wij hadden opgericht op de heenreis, waren een heele troost, want we troffen ze geregeld en zoo gaven ze ons de zekerheid, dat onze afstandsmeter voor de sleden de afstanden juist aangaf, en dat we inderdaad met betrekkelijke snelheid naar het Noorden vorderden.
We waren nu gekomen tot een half pannetje warme soep en vijf beschuiten per dag en per man.
Op 13 Februari bereikten we het Chineesdépôt, waar we den pony hadden geslacht, die den naam van Chinees droeg, den eerste, die op de heenreis was opgeofferd. Onze heele voorraad was uitgeput. Ik schreef in het dagboek: "Met de lever van onzen Chinaman hadden we een uitgezocht maal. We zochten overal naar resten van vleesch, die mogelijk achtergebleven waren, toen de pony werd geslacht. Ik vond een blok harde, roode sneeuw, niets anders dan het bloed van Chinaman, door de vorst in een hard blok veranderd. Dadelijk groef ik het op en maakte er een bouillon van, die door ons allen lekker werd gevonden. We legden vandaag 19.5 kilometer af met een niet sterken wind."
Op de plaats van het dépôt laadden we het ponyvleesch op de sleden en de beschuit. Die zullen ons naar het dépôt A. moeten brengen, dat 144 kilometer meer naar het Noorden is gelegen.