Part 8
Het geluid van den gouden specht--met veel meer afwisseling en veel welluidender dan dat van andere spechten--is waarschijnlijk een gevolg van zijn nieuwe, vrije leven en de gewijzigde tong en snavel. In de bosschen hoor je zelden iets anders dan een ratelend ret-e-tet-tet, als hij aan 't hameren is op een droge, oude dennestomp. In den regel schijnt hij dit meer te doen voor 't leven dat het maakt en om zijn krachten te oefenen, dan omdat hij verwacht er insecten in te zullen vinden, behalve 's winters, als hij tot zijn oude gewoonten terugkeert. Maar buiten op het veld heeft hij een verscheidenheid van tonen. Soms is het een luid kie-uk, als de kreet van een blauwe gaai in twee lettergrepen verdeeld, met den klemtoon op de laatste. Dan weer is het een luide, verheugde, fluitende roep van heel korte nootjes, die vlak achter elkaar aanrollen met een klemtoon op elk. Of hij wipt op 't uiteinde van een ouden hekbalk op-en-neer met een vroolijk iekoe, iekoe, iekoe, dat meer van een lach heeft dan iets anders onder de vogels. In de meeste van zijn muzikale pogingen zit de gouden specht zooals andere vogels op den tak, in plaats van zich op zij aan een boom vast te klampen.
Een eigenaardige gewoonte, die de vogel heeft aangenomen met zijn toenemende beschaving, is dat hij zich van een slaapgelegenheid verzekert, beschut tegen de wintersche stormen en kou. Laat in den herfst zoekt hij een verlaten gebouw en na veel schichtig onderzoek, om er zich van te overtuigen dat er niemand in is, boort hij door den eenen kant een gat. Dan heeft hij een behaaglijk plaatsje om te slapen en genoeg vermolmd hout om er op stormachtige dagen insecten te vangen. Een koelhuis is een geliefkoosde woonplaats voor hem, want het warme zaagsel verschaft een mooie gelegenheid om zijn nest of slaapkamer in te graven. Als een gebouw voor nestelplaats gebruikt wordt, boort de vogel heel leep den ingang vlak onder den dakrand, waar hij beschut wordt voor buien en tegelijkertijd niet in 't oog loopt voor loerende blikken.
Gedurende den winter bewonen verscheiden vogels vaak samen een gebouw. Ik ken een oude, verlaten schuur, waar 't vorige jaar vijf van die vogels heel vreedzaam woonden, ofschoon ik nooit precies kon uitmaken wat ze er overdag uitvoerden. Als je er heel behoedzaam aankwam, op elk uur bijna van den dag, en op den zijkant van de schuur bonsde, vlogen er een paar vogels hevig verschrikt uit, die geen oogenblik ophielden om achter zich te kijken. In 't eerst waren er maar drie ingangen, maar nadat ik ze een paar keer verrast had werden er nog twee aan toegevoegd. Om gauwer naar buiten te komen, als ze alle binnen waren, of eenvoudig om maar gaten te boren, dat weet ik niet. Soms hebben een paar vogels vijf of zes gaten geboord, gewoonlijk aan denzelfden kant van 't gebouw.
Twee dingen wekten mijn nieuwsgierigheid ten opzichte van mijn familie in de oude schuur: wat ze daar overdag uitvoerden, en hoe ze er zoo gauw uitkwamen als ze opgeschrikt werden. De eenige voor hen mogelijke manier om er zoo oogenblikkelijk uit te komen schieten als zij deden, was dat ze er regelrecht uitvlogen. Maar de gaten waren te klein en geen andere vogel dan een oeverzwaluw zou zoo iets geprobeerd hebben.
Op een dag joeg ik de vogels naar buiten, kroop toen aan den tegenovergestelden kant onder een vloerbalk door naar binnen en verschool me in een hoek van de hanebalken zonder daarbinnen iets van zijn plaats te brengen. Het was een lang gewacht in die oude, stoffige gelegenheid, voordat een van de vogels terugkeerde. Eerst hoorde ik hoe er een op het dak ging zitten, toen verscheen zijn kopje voor een van de gaten, terwijl hij er vlak onder tegen den kant van de schuur aan zat te kijken en te luisteren voordat hij binnenkwam. Na een paar minuten krabbelde hij heel voldaan dat er niemand in was naar binnen, en streek neer in een hoek waar een hoop oud hooi en rommel lag. Hier begon hij druk te ritselen en rond te scharrelen, als een eekhoorn in de herfstblaren, waarschijnlijk op insecten uit, ofschoon het te donker was om precies te zien wat hij uitvoerde. De helft van den tijd klonk het alsof hij 't hooi wegkrabde, bijna zooals een kip zou hebben gedaan. Als dat zoo was, moet 't voor zijn beide voorste teentjes een bitter zwaar werk zijn geweest, doordat de achterste twee onder de hand altijd dubbel sloegen. Toen ik plotseling tegen den zijkant van de schuur bonsde, schoot hij als een pijl uit den boog op een van de gaten af waar hij vlak onder neerkwam, en bleef er zoo steken, dat het me aan de gekauwde papierballetjes deed denken die jongens gewoon waren op school tegen het bord te gooien. Ik kon duidelijk den klop van zijn pootjes hooren, toen hij neerkwam. Met dezelfde beweging en zonder een oogenblik op te houden dook hij er hals over kop door, geholpen door een veering van zijn staart, bijna net als een duiveltje uit zijn doosje springt, maar veel gauwer. Nauwelijks was hij weg, of er verscheen een andere om hetzelfde programma af te werken.
Ofschoon hij veel schuwer is dan andere vogels op de boerderij, waagt hij zich dikwijls tot dicht bij het huis en de deur 's morgens vroeg, voordat er nog iemand op is. Op een voorjaarsmorgen werd ik door een vreemd, kletterend geluidje gewekt, en toen ik mijn oogen opende was ik verbaasd een van die vogels in 't kozijn van het open raam te zien zitten, nog geen vijf voet van mijn hand af. Mijn oogen half sluitend hield ik me heel stil en keek toe. Vlak voor hem op de latafel stond een opgezette gouden specht, met vleugels en staart uitgespreid om het mooie gevederte op zijn voordeeligst te laten uitkomen. Hij had hem onder 't voorbijvliegen gezien en stond nu heen-en-weer te hippen langs het kozijn, niet zeker of hij binnen zou komen of niet. Soms breidde hij zijn wieken uit, alsof hij op 't punt was om binnen te vliegen, dan keerde hij zijn kop om, om nieuwsgierig naar mij te kijken en naar de vreemde omgeving, en bang om zich naar binnen te wagen, poogde hij de aandacht van den opgezetten vogel te trekken wiens kop afgekeerd was. In den spiegel zag hij zijn eigen bewegingen herhaald. Tweemaal begon hij heel zachtjes zijn minnelied, maar hield plotseling op alsof hij verschrikt was. De echo van het kamertje maakte dat het zoo heel anders klonk dan dezelfde loktoon in 't open veld; het leek wel alsof hij twijfelde aan zijn eigen geluid.
Bijna boven zijn kop aan een klamp in den muur was nog een vogel, een groote havik, die naar voren hing aan zijn steunpunt, met wijd uitgespreide vlerken en felle, neerturende oogen, in de ingespannen houding die een havik aanneemt als hij van een hoogen uitkijkboom op zijn prooi wil stooten. De specht was op dat oogenblik op 't punt om zich naar binnen te wagen. Hij had met uitgeslagen wieken voorovergeleund om op me neer te kijken en er goed zeker van te zijn dat ik geen kwaad kon, toen hij voor een laatsten blik achter zich zijn kop had omgedraaid en den havik in 't oog kreeg, die juist gereed was om zich op hem te storten. Met een ontzet kie-uk tuimelde hij gewoon van 't kozijn af, en ik ving nog net een glimp van hem op, toen hij in volle vaart den hoek omschoot.
Wat waren zijn indrukken, vraag ik me af, toen hij op een tak van den ouden appelboom zat en alles overdacht? Hebben de vogels romantische verhalen? Wat had hij dan iets veel merkwaardigers gezien dan in één van die! En hebben ze middelen om ze mede te deelen, zooals ze hun minnezangen zingen? Wat een merkwaardige geschiedenis kon hij vertellen, waar gebeurd, van een tooverpaleis vol vreemde wonderen, van een glimmend stukje lucht dat maakte dat hij zichzelf zag, van een reus geheel in 't wit met alleen zijn hoofd zichtbaar, van een betooverde schoone, die haar vleugels in een stomme smeekbede naar den een of anderen ridder uitstrekte om haar aan te raken en de betoovering te verbreken, terwijl er boven een felle draak-havik de wacht hield, gereed om iedereen op te eten die zou durven binnenkomen!
En natuurlijk wou niemand van de vogels hem gelooven. Hij zou de rest van zijn leven moeten doorbrengen met uitleg-geven en de andere zouden slechts fluiten en hem Jago [13] den leugenaar noemen. Wel beschouwd zou 't maar beter voor den vogel met zoo'n ongewone ervaring zijn om erover te zwijgen.
EEN KERSTLIED.
Het kerstlied door een koor van frissche kinderstemmen gezongen is misschien de volmaaktste uitdrukking van den geest van Kerstmis.
Dit geldt vooral van de oude Engelsche en Duitsche kerstliederen, die naarmate de jaren vlieden steeds lieflijker, heerlijker, volmaakter uitdrukking van de liefde en het welbehagen worden die ze deden ontstaan. Toch wordt altijd met kersttijd de herinnering bij me wakker aan een lied, het lieflijkste van alle, dat voor mij alleen werd gekweeld door een zanger uit het hooge Noorden, terwijl de wind in de dennen een zachte begeleiding zoemde.
Ongetwijfeld hebben veel lezers 's winters wel vluchten vreemde vogels gezien--donzige, grijze gasten, bijna zoo groot als een roodborst, die met zacht fluitende loktonen over 't gras rondvliegen, of op den grond aan 't pikken zijn zoo tam en onbevreesd, dat ze ternauwernood op zij gaan wanneer je aankomt. De snavel is kort en dik, de kop van achteren en een groote vlek juist boven den staart zijn goudbruin, en over de vleugels loopen dubbele, smalle, witte strepen. Verder is hij heelemaal zachtgrijs: donker bovenop en licht van onderen. Wanneer je er op den grond bespiedt, zul je zien dat ze een eigenaardige manier van zich voort te bewegen hebben, als de gouden specht in dezelfde omstandigheden. Soms zetten ze 't eene pootje voor het andere in een grappig poginkje om deftig te stappen als de lijsters; dan weer hippen ze als een roodborst, maar veel onhandiger, alsof ze niet aan loopen gewend waren en niet precies wisten hoe ze hun pootjes gebruiken moesten--wat dan ook zoo is.
De vogels zijn Parisvogels [14] en zijn ietwat ongeregelde wintergasten uit het hooge Noorden. Alleen als de koude buitengewoon vinnig is en de sneeuw dik om de Hudson-Baai ligt, verlaten ze hun nestelplaatsen om een paar weken in het verlaten Nieuw-Engeland door te brengen als winterverblijf. Hun toeven is bij ons kort en onzeker. Lang voordat de eerste blauwborst [15] ons van de oude schutting af verheugd toegefloten heeft dat 't voorjaar komt, fluiten de Parisvogels al in de wouden van Labrador over de lente en zingen ze hun minnezangen.
Iets merkwaardigs, dat we bij die vluchten 's winters zien, is dat ze bijna geheel uit wijfjes bestaan. Het mannetje komt heel zelden bij ons voor. Je kunt hem onmiddellijk aan zijn vroolijke kleur en zijn mooie, roode borst herkennen. Soms zijn er een paar jonge mannetjes in de vluchten; maar voordat de eerste paartijd hun borstveeren dieproode tipjes gegeven heeft, zijn ze bijna niet te onderscheiden van hun sobergetinte metgezellen.
Laat ik even opmerken: het roode borstschild is de familieonderscheiding, het geslachtswapen van de Parisvogels, evenals de scharlaken kuif alle spechten kenmerkt. En wanneer je een Micmac [16] uit het hartje van de bosschen vraagt hoe een Parisvogel aan zijn schild komt, dan vertelt hij je misschien een geschiedenis, die je evenzeer boeit als de legende van Hiawatha en den specht in de dagen van je jeugd.
Is het oude mannetje met zijn fiere rood zeldzaam bij ons, zijn mooie gezang is het nog meer. Slechts diep in de wouden, bij de eenzame rivieren van het hooge Noorden, waar geen menschenoor ooit naar luistert, begroet hij de opgaande zon uit den top van een hoogen spar. Daar ook zingt hij voor de ooren van zijn zedig grijs wijfje den lieflijksten minnezang der vogels. Het is een stroom van zacht gekweelde tonen, die tinkelen als een beekje diep onder 't ijs, die over elkaar duikelen in een kalme verrukking van welluidend ineensmeltende klanken, vol als 't lied van den weidespreeuw, maar veel zachter, alsof hij bang was dat iemand anders het zou hooren dan zij voor wie hij zong. Zij, die het lied kennen van den Parisvogel met de rozeroode borst (niet het lentelied dat aan dat van den roodborst [17] doet denken, maar het verrukkelijk zachte gekweel aan zijn broedend wijfje) mogen haar lieflijkheid tot in 't oneindige vermenigvuldigen en er zich zoo een denkbeeld van maken, waar het gezang van den Parisvogel op lijkt. Maar soms vergeet hij zich op zijn winterbezoek en zingt als andere vogels, eenvoudig omdat de wereld blij voor hem is, en dan, eens in een menschenleven, hoort een vogelminnaar uit Nieuw-Engeland hem en sluit het in zijn herinnering, en betreurt het voor zijn verdere leven dat het bestaan dat de Parisvogel in zijn Noordelijke land voert hem tot zoo'n schuw bezoeker heeft gemaakt.
Op een Kerstmorgen, een jaar of wat geleden, lag de versch gevallen sneeuw smetteloos wit over alle bosschen en velden. Ze was zacht en hechtte zich, toen ze op Kerstavond viel. Nu was elke oude muur en heining een glinsterend wit gebeeldhouwde bank, elke paal en boomstomp had een zachten, witten mantel en een groote witte muts, struiken en boschjes waren een heerlijk tooverland van witte bogen en flonkerende zuilen en donkere grotten, ingesloten door ragfijn vrieswerk van zilver en juweelen. En dan de heerlijkheid, zoo oogverblindend schoon dat er geen woorden voor te vinden zijn, toen de zon opging en er over scheen!
Voor zonsopgang was ik buiten. Al gauw bracht de springende vlucht en 't opgewekte goedenmorgen van een donzigen specht me naar een oud stuk land, waar groepjes sparren verspreid stonden. Er is geen beter tijd om eens rustig de vogels te begluren dan 's morgens na een sneeuwjacht, en geen beter plaats dan tusschen de sparren. Als je ze kunt snappen (wat nog niet zoo zeker is, want ze kunnen soms geheimzinnig vóór een storm verdwijnen), zul je ze ongekend rustig vinden; ze willen je onderzoek wel verdragen, 't kan hun niet schelen nu, terwijl ze anders zouden wegvliegen naar nog dichter schuilplaatsen.
Ik was nauwelijks den muur over, toen ik stilstond bij 't hooren van een nieuw vogellied, zoo verwonderlijk liefelijk, dat het niet anders dan een kerstboodschap kon zijn, en toch paste het daar zoo heelemaal niet, dat de hoorder er aan stond te twijfelen of zijn ooren hem bedrogen, en zich afvroeg of de muziek of het landschap niet plotseling als iets onwezenlijks zou verdwijnen. Het lied duurde voort--een zacht, welluidend gekweel vol lieflijkheid en geheimzinnige bekoring, maar 't wekte herinneringen aan weiden in Juni en een zomerschen zonsopgang, veel meer dan aan sparren met sneeuw beladen en Kerstmis. Om alles nog onwerkelijker te maken, kon geen oor onderscheiden waar 't gezang vandaan kwam; het eigenaardige gedempte er van verborg de herkomst volkomen. Ik doorzocht de boomen vóór me,--daar was geen vogel. Ik keek om,--daar was geen plek waar een vogel kon zingen. Ik herinnerde me den roodstaart [18] en hoe die soms van tusschen de rotsen roept en weigert zich te vertoonen, en snel verdwijnt en zich verstopt als je naar hem zoekt. Ik onderzocht den muur, maar geen vogelspoor teekende zich af op de sneeuw. Al dien tijd ging het wonderbaarlijke gezang voort, nu in de lucht, dan dicht bij me, en 't werd hoe langer hoe verwarrender naarmate ik luisterde. Het kostte me een goed half uur, om de plek waar 't geluid vandaan kwam te bepalen; toen begreep ik het.
Dicht bij me stond een eenzame sparreboom met een ruigen top. De vogel, wie hij dan ook was, was daar gaan slapen dicht tegen den stam gedrukt, zooals vogels dat doen om zich te beschermen. Gedurende den nacht had de sneeuw zich steeds dikker en dikker op de buigzame takken getast. Hun toppen bogen onder 't gewicht, tot ze lager den stam raakten en een groen priëel vormden, waar omheen de sneeuw zich den heelen nacht door opstapelde, zoodat het geheel ingesloten was. De vogel zat er in gevangen en zong toen de ochtendzon door de muren van zijn gevangenis scheen.
Terwijl ik luisterde, verrukt over 't lied en den ongewonen toestand waarin de zanger zich bevond, gleed er een pak sneeuw, losgemaakt door de zon, van het sneeuwpriëel en verscheen er een Parisvogel in de opening. Even leek het alsof hij nieuwsgierig over de nieuwe, witte, schoone wereld rondkeek; toen hipte hij op het allerhoogste takje en, met zijn karmozijne borst naar de opgaande zon gekeerd, stortte hij zijn morgenzang uit, niet langer gedempt, maar lieflijk en helder als 't klokje van 'n boschlijster [19] dat luidde voor zonsondergang.
Eens, veel later, heb ik zijn zachter minnelied gehoord en zijn nest gevonden in 't hartje van een woud in Nieuw-Brunswijk. Tot dien tijd was het niet bekend dat hij ooit zuidelijker dan Labrador nestelde. Maar dat zelfs en de vreugde over de ontdekking misten de bekoring van zijn zeldzaam lieflijken zang, die geheel ongezocht en onverwachts kwam zooals alle goede zaken, terwijl onze eigen vogels hun kersttijd doorbrachten en den zonneschijn zingend begroetten in Florida.
DE INDIAANSCHE NAMEN.
Cheokhes, kie-ok-ez', de Amerikaansche "mink", een ottersoort.
Cheplahgan, tsjep-la'-guan, de Canadeesche arend.
Ch'geegee-lokh-sis, tsj-dsjie-dsjie'-lok-siz, de zwartkopmees: parus atricapillus.
Chigwooltz, tsjigg-woelts', de stierkikvorsch.
Clote Scarpe, Kloot Skaarp, een fabelachtige held van de Noordelijke Indianen, zooals Hiawatha.
Commoosie, kom-moe-sie', een kleine schuilplaats of hut van bast en takken gemaakt.
Deedeeaskh, die-die'-ask, de Vlaamsche gaai.
Eleemos, el-ie'mos, de vos.
Hawahak, ha-wa-hek', de havik.
Hukweem, huk-wiem', de groote Noordelijke duiker, of ijsduiker.
Ismaques, is-ma-kwez', de vischarend.
Kagax, ke'-guaks, de wezel.
Kakagos, ka-ka-guoz', de raaf.
K'dunk, k'dunk', de pad.
Keeokuskh, kie-o-kusk', de muskusrat.
Keeonekh, kie'-o-nek, de otter.
Killoleet, kil'-loe-liet, de witkeel-musch.
Kookooskoos, koe-koes-koes', de groote oehoe.
Koskomenos, kos'-kom-ie-nos', de ijsvogel.
Kupkawis, kup-kee'-wiz, syrnium nebulosum, een gestreepte uil.
Kwaseekho, kwa-ziek'o, de bergeend.
Lhoks, loks, de panter.
Malsun, mel'-sun, de wolf.
Meeko, mie'ko, de roode eekhoorn.
Megaleep, meg'-a-liep, de caribou of 't N.-Amerikaansche rendier.
Milicete, mil'-i-siet, de naam van een Indiaanschen stam, ook Malicete geschreven.
Mitches, mit'-sjes, het gekraagde hazelhoen, een soort "grouse": bonasia umbellis of Amerikaansche patrijs.
Moktaques, mok-ta'-kwes, de haas.
Mooween, moe-wien', de zwarte beer.
Musquash, mus'kwosj, de muskusrat.
Nemox, nem'-moks, } } de vischmarter uit N.-Amer. Pekquam, pek-wem, }
Quoskh, kwosk, de blauwe reiger.
Seksagadagee, sek'sa-guee-da'-guie, het Canadeesche hazelhoen, ook een soort "grouse".
Skooktum, skoek'-tum, de forel.
Tookhees, tok'-ies, de boschmuis.
Umquenawis, um-kwie-na'-wiz, de eland.
Unkwunk, unk'-wunk, het stekelvarken.
Upweekis, up-wiek'-is, de Canadeesche lynx.
AANTEEKENINGEN
[1] De Zaagbek.
[2] Als hier sprake is van mijlen in 't vervolg, worden de Engelsche bedoeld. 1.6093 M.
[3] Mattheus 18:12.
[4] Oidemia.
[5] Icterus Galbula.
[6] Lobelia cardinalis.
[7] De Amerikaansche Colinus Virginianus.
[8] Smilax Sarsaparilla.
[9] Loxia Curvirostra.
[10] Perisoreus Canadensis.
[11] De Amerikaansche Lanius Borealis.
[12] Soort eekhoorn: Tamias Stryatus.
[13] Zie Hiawatha van Longfellow. De Indiaansche opsnijder.
[14] Pinicola Enucleator.
[15] Sylvia Sialis.
[16] Indiaansche stam.
[17] Met roodborst wordt hier steeds de Amerikaansche bedoeld, een lijstersoort: Merula Migratoria.
[18] Stetophaga Ruticilla, helder oranje, zwart en wit, grooter dan de Europeesche roodstaart.
[19] Turdus Mustelinus.